Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2014. U leest nu de tekst die gold op -.

Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten

Uitgebreide informatie
Wet van 5 juni 1997 houdende regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het uit een oogpunt van vereenvoudiging en flexibilisering van bestuurlijke en onderwijskundige hulpstructuren, wenselijk is de verstrekking van subsidies voor landelijke onderwijsondersteunende activiteiten door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te regelen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en voor wat betreft het landbouwonderwijs Onze Minister van Economische Zaken,
b. instelling: een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich in overwegende mate bezig houdt met activiteiten als bedoeld in artikel 2.
1.
Onze Minister kan een instelling subsidie verlenen voor de volgende activiteiten:
a. algemene begeleidings- en ontwikkelingsactiviteiten, waaronder wordt verstaan:
1°. het ondersteunen van scholen en andere onderwijsinstellingen, schoolbegeleidingsdiensten en kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, bij de ontwikkeling en vernieuwing van het onderwijs,
2°. het in het kader daarvan ontwikkelen van materialen, methodieken en deskundigheidsprogramma’s en het leveren van bijdragen aan de invoering daarvan, een en ander mede door middel van studie en onderzoek, of
3°. pedagogische of denominatieve ondersteuning danwel beide,
b. de ontwikkeling van toetsen, examens en peilingen,
c. de ontwikkeling van kerndoelen, leerplannen, examenprogramma’s en in voorkomend geval leermiddelen, of
d. het doen verrichten van kortlopend onderzoek ten dienste van het onderwijs, op aanvragen uit het onderwijsveld.
2.
Onder de te subsidiëren activiteiten vallen niet activiteiten, gericht op het nascholen van leraren.
Artikel 3. Periode subsidieverlening
Onze Minister kan subsidie verlenen voor een of meer kalenderjaren.
1.
Voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het eerste jaar van de periode waarvoor subsidie wordt gevraagd, dienen de instellingen een aanvraag in tot verlening van subsidie.
2.
De aanvraag gaat vergezeld van een beleidsplan en een begroting van de geraamde inkomsten en uitgaven, voor zover die betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.
3.
Het beleidsplan bevat ten minste:
a. een uitwerking van de voorgenomen activiteiten voor het uitvoeren van de hoofdlijnenbrief, bedoeld in het vierde lid, waarbij per activiteit de daarvoor benodigde personele en materiële middelen worden vermeld,
b. een globale beschrijving van de andere onderwijsondersteunende activiteiten,
c. de wijze waarop de instelling haar activiteiten voor een doelmatige en doeltreffende werkwijze en taakverdeling afstemt op de activiteiten van de andere instellingen, en
d. de wijze waarop de instelling haar activiteiten evalueert.
4.
Onze Minister maakt jaarlijks voor 1 april een hoofdlijnenbrief bekend voor een meerjarenperspectief op het terrein van landelijke onderwijsondersteunende activiteiten. De hoofdlijnenbrief heeft betrekking op de twee kalenderjaren die volgen op het jaar waarin de bekendmaking plaats vindt.
5.
Indien de aanvraag niet voldoet aan de voorafgaande leden of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, kan Onze Minister besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad, binnen een bij algemene maatregel van bestuur gestelde termijn, of voor de gevallen waarin bij algemene maatregel van bestuur niet wordt voorzien, binnen een door Onze Minister gestelde termijn, de aanvraag aan te vullen.
Artikel 5. Weigeringsgronden
Onverminderd de mogelijkheden tot weigering van subsidieverlening ingevolge de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidieverlening voorts worden geweigerd indien Onze Minister van oordeel is dat:
a. de aanvraag niet overeenstemt met het in hoofdlijnen bekendgemaakte meerjarenperspectief op het terrein van landelijke onderwijsondersteunende activiteiten, bedoeld in artikel 4, vierde lid, of
b. mag worden verwacht dat de met subsidiëring beoogde doelstellingen niet zullen worden bereikt.
1.
Bij de subsidieverlening kunnen aan de subsidieontvangende instelling verplichtingen worden opgelegd met betrekking tot:
a. de aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend,
b. het organisatorisch of financieel kader waarbinnen de activiteiten moeten worden verricht,
c. de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten,
d. het vóór de subsidievaststelling verstrekken van gegevens en bescheiden die nodig zijn voor een beslissing omtrent de subsidie,
e. de te verzekeren risico's,
f. het stellen van zekerheid voor verleende voorschotten,
g. het vereiste van toestemming van Onze Minister voor het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen, of
h. het vormen van een egalisatiereserve.
2.
Bij de opgelegde verplichtingen wordt voor zover nodig onderscheid gemaakt tussen subsidie voor:
a. activiteiten ten behoeve van de uitvoering van de hoofdlijnenbrief, bedoeld in artikel 4, vierde lid, en
b. andere onderwijsondersteunende activiteiten.
1.
Onze Minister stelt jaarlijks het bedrag vast dat ten hoogste beschikbaar is voor de verlening van subsidies ten behoeve van de in voornoemde hoofdlijnenbrief beschreven activiteiten, bedoeld in artikel 2. Binnen het bedrag, bedoeld in de eerste volzin, kan Onze Minister per activiteit, bedoeld in artikel 2, het bedrag vaststellen dat ten hoogste beschikbaar is. Hij bepaalt daarbij hoe het beschikbare bedrag of de beschikbare bedragen worden verdeeld.
2.
Een subsidie ten laste van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of het Ministerie van Economische Zaken die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.
1.
De instellingen dienen binnen zes maanden na afloop van de periode waarvoor ingevolge artikel 3 van deze wet subsidie is verleend een aanvraag in tot vaststelling van subsidie.
2.
Bij de aanvraag als bedoeld in het eerste lid toont de instelling aan dat de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden verplichtingen, in de vorm van een activiteitenverslag.
3.
Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, legt de instelling een financieel verslag over, waarin rekening en verantwoording wordt afgelegd omtrent de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.
Artikel 9. Verslag
Onze Minister doet eenmaal per twee jaar verslag van de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten, bedoeld in artikel 2, op basis van de hoofdlijnenbrief, bedoeld in artikel 4, vierde lid, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het verslag gaat vergezeld van een globaal overzicht van de bestede rijksbegrotingsmiddelen gedurende de verslagperiode.
1.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de door Onze Minister aan te wijzen personen.
2.
Het bestuur van de instelling die subsidie ontvangt, alsmede het personeel dat bij de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 2, betrokken is, is gehouden aan de door Onze Minister aangewezen personen alle gevraagde bescheiden ter inzage te geven en de gevraagde inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor het toezicht.
Artikel 11. Nadere voorschriften
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de aanvraag, de verlening, de vaststelling, de betaling en de terugvordering van de subsidie.
1.
Tot 1 januari 1999 blijven van kracht alle op 31 juli 1997 geldende voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens de Wet op de onderwijsverzorging met betrekking tot de instellingen, bedoeld in hoofdstuk II, titel I, en in hoofdstuk III, titel II en III, van die wet, een en ander met uitzondering van de voorschriften ingevolge de artikelen 47 en 48 van die wet.
2.
Met ingang van 1 augustus 1997 eindigt het lidmaatschap van de leden van de bestuursraad van de instellingen, bedoeld in hoofdstuk III, titel II en III, van de Wet op de onderwijsverzorging, zoals die luidde op 31 juli 1997. Tot 1 januari 1998 benoemt en ontslaat Onze Minister de leden van de bestuursraad van deze instellingen.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de te verrichten activiteiten en de uitvoering ingevolge het eerste lid, zo nodig in afwijking van het bepaalde bij of krachtens de Wet op de onderwijsverzorging.
4.
Tot 1 januari 1999 komt uitsluitend het Centrum voor Innovatie van Opleidingen voor subsidie op grond van deze wet in aanmerking. Deze subsidie kan worden verleend ten behoeve van activiteiten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdelen a en c. Bij ministeriële regeling kunnen hieromtrent, voor zover dat van belang is in verband met de subsidiëring van landelijke onderwijsondersteunende activiteiten waarin wordt voorzien met ingang van 1 januari 1998, regels worden gesteld, zo nodig in afwijking van het bepaalde bij of krachtens deze wet. Tot het in de eerste volzin genoemde tijdstip is artikel 13 van overeenkomstige toepassing. Bij ministeriële regeling worden hieromtrent nadere regels gegeven.
5.
Van 1 januari 1999 tot 1 januari 2001 komen uitsluitend de volgende instellingen voor subsidie op grond van deze wet in aanmerking:
a. voor activiteiten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel a:
1°. de drie landelijke pedagogische centra, te weten het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum, het Christelijk Pedagogisch Studiecentrum en het Katholiek Pedagogisch Centrum, en
2°. het Centrum voor Innovatie van Opleidingen,
b. voor activiteiten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, het Instituut voor Toetsontwikkeling, en
c. voor activiteiten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, het Instituut voor Leerplanontwikkeling en het Centrum voor Innovatie van Opleidingen.
6.
Van 1 januari 1997 tot het tijdstip waarop Onze Minister na en op grond van de evaluatie, bedoeld in artikel 18, tweede lid, anders besluit, komen voor de activiteit, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, uitsluitend de landelijke pedagogische centra in gezamenlijkheid voor subsidie op grond van deze wet in aanmerking. Onze Minister kan hierbij voorschriften stellen van procedurele aard.
7.
Van 1 januari 2001 tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip komt uitsluitend het Instituut voor Toetsontwikkeling voor subsidie op grond van deze wet in aanmerking voor activiteiten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, voor zover deze betrekking hebben op toetsen en examens bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs en de daarbij horende aanvullende activiteiten.
8.
Van 1 januari 2001 tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip komt uitsluitend het Instituut voor Leerplanontwikkeling voor subsidie op grond van deze wet in aanmerking voor activiteiten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, voor zover deze betrekking hebben op:
a. het ontwikkelen van leerplannen in het kader van de verlening van diensten op verzoek van organisaties en instellingen ten behoeve van het onderwijs, bedoeld in de Wet op het basisonderwijs , de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs ,
b. het verzorgen van een centrale registratie van leermiddelen, en
c. de eigen ontwikkelingsfunctie met het oog op toekomstige dienstverlening.
Met betrekking tot de procedure van subsidiëring voor de activiteiten, bedoeld in onderdeel a, worden bij ministeriële regeling nadere regels gesteld.
9.
Van 1 januari 2001 tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip komen uitsluitend de drie landelijke pedagogische centra, te weten het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum, het Christelijk Pedagogisch Studiecentrum en het Katholiek Pedagogisch Centrum voor subsidie op grond van deze wet in aanmerking voor de activiteiten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, voor zover het betreft studie, ontwikkelingsonderzoek en informatieverstrekking.
10.
Van 1 januari 2001 tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip komt uitsluitend het Centrum voor Innovatie van Opleidingen voor subsidie op grond van deze wet in aanmerking voor de activiteiten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, voor zover het betreft studie, ontwikkelingsonderzoek en informatieverstrekking alsmede de daaraan verbonden leerplanontwikkeling.
1.
Na het verstrijken van de in artikel 12, eerste lid, bedoelde periode wordt aan een instelling als bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, zolang door deze en de daarvoor in aanmerking komende personeelsorganisaties nog niet anders is overeengekomen subsidie verleend onder de voorwaarde dat deze instelling ten aanzien van haar personeel van overeenkomstige toepassing verklaart:
a. de regelingen die gelden voor het personeel dat werkzaam is in de sector Onderwijs en Wetenschappen, bedoeld in artikel 1, onderdeel q, onder 3, van de Wet privatisering ABP, betreffende de volgende aangelegenheden:
1°. salarisschalen en uitgangspunten waaraan een door die instelling in te richten functiewaarderingssysteem moet voldoen met inachtneming van de op 31 december 1997 bij een instelling bestaande beloningsverhoudingen en functiestructuur,
2°. algemene arbeidsduur, en
3°. rechten en plichten van het personeel en van die instelling bij ziekte, bevalling, zwangerschap, arbeidsongeschiktheid en ontslag, dan wel met betrekking tot bedrijfsgezondheidskundige begeleiding, voor zover deze de bij wet voorgeschreven rechten en verplichtingen te boven gaan, en
b. voor het overige de regelingen die voor haar personeel golden krachtens het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel , zoals dat luidde op 31 juli 1997.
2.
Tot het tijdstip waarop de in het eerste lid bedoelde overeenkomst ingaat, is de instelling, bedoeld in het eerste lid, aangesloten bij een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden ten behoeve van gewezen personeel, een en ander volgens bij de subsidieverlening op te leggen verplichtingen.
1.
Op bezwaar en beroep met betrekking tot de toepassing van de op 31 juli 1997 geldende in artikel 12.3.13 van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde voorschriften van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991 die betrekking hebben op de landelijke ondersteuningsinstellingen, en aangevangen voor 1 augustus 1997, of aangevangen na die datum doch binnen de termijn, dan wel aangevangen na die datum en na afloop van de termijn voor zover daarbij artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard, blijven de op 31 juli 1997 geldende voorschriften van toepassing.
2.
Op bezwaar en beroep met betrekking tot de toepassing van de op 31 december 1997 geldende bij of krachtens de Wet op de onderwijsverzorging gegeven voorschriften die betrekking hebben op de instellingen, bedoeld in hoofdstuk II, titel I, en hoofdstuk III, titel II en III, van die wet, en aangevangen voor 1 januari 1998, of aangevangen na die datum doch binnen de termijn, danwel aangevangen na die datum en na afloop van de termijn voor zover daarbij artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard, blijven de op 31 december 1997 geldende voorschriften van toepassing.
1.
Met betrekking tot de op 31 juli 1997 door het Rijk nog niet vastgestelde of uitgekeerde bedragen, blijven van toepassing de op 31 juli 1997 geldende in artikel 12.3.13 van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde voorschriften van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991 die betrekking hebben op de landelijke ondersteuningsinstellingen.
2.
Met betrekking tot de op 31 december 1997 door het Rijk nog niet vastgestelde of uitgekeerde bedragen, blijven van toepassing de op 31 december 1997 geldende bij of krachtens de Wet op de onderwijsverzorging gegeven voorschriften die betrekking hebben op de instellingen, bedoeld in hoofdstuk II, titel I, en hoofdstuk III, titel II en III, van die wet.
1.
Onze Minister zendt binnen zes jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
2.
Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het beleid inzake de verdeling van middelen ten behoeve van het onderzoek voor het onderwijs.
Artikel 19. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 augustus 1997, met dien verstande dat artikel 12, zesde lid, terugwerkt tot 1 januari 1997.
Artikel 20. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 5 juni 1997
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Uitgegeven de tiende juli 1997
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ HOOFDSTUK 1. SUBSIDIËRING LANDELIJKE ONDERWIJSONDERSTEUNENDE ACTIVITEITEN
+ HOOFDSTUK 2. OVERGANGSBEPALINGEN
+ HOOFDSTUK 3. WIJZIGING VAN ANDERE WETTEN
+ HOOFDSTUK 4. SLOTBEPALINGEN
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken