Wet van 6 maart 2003, houdende bepalingen met betrekking tot het toezicht op collectieve beheersorganisaties voor auteurs- en naburige rechten (Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat regels gesteld worden met betrekking tot het toezicht op collectieve beheersorganisaties voor auteurs- en naburige rechten;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;
b. het College van Toezicht: het College van Toezicht, bedoeld in artikel 2;
c. collectieve beheersorganisatie: de door Onze Minister op grond van de Auteurswet of de Wet op de naburige rechten aangewezen rechtspersoon, die belast is met de inning en de verdeling van vergoedingen, alsmede de rechtspersoon die door Onze Minister is aangewezen overeenkomstig artikel 17, eerste lid;
d. geschillencommissie: de geschillencommissie, bedoeld in artikel 22;
e. de Kaderwet: de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen .
1.
Er is een College van Toezicht dat tot taak heeft toezicht uit te oefenen op de inning en de verdeling van de vergoedingen door de collectieve beheersorganisaties. De Kaderwet , met uitzondering van de artikelen 21 en 22, is van toepassing op het College van Toezicht. Onze Minister oefent de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 12, eerste lid, en 23, eerste en tweede lid, van de Kaderwet uit in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Economische Zaken.
2.
Het College van Toezicht ziet er op toe dat een collectieve beheersorganisatie:
a. aan rechthebbenden en betalingsplichtigen inzicht verschaft in haar algemene en financiële beleid door:
(i) het jaarlijks opstellen en openbaar maken van een bestuursverslag en een jaarrekening overeenkomstig Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
(ii) openbaarmaking van de nevenfuncties van bestuurders, leden van de raad van toezicht, leden van een adviserend orgaan en van degene of degenen die met de dagelijkse leiding van een collectieve beheersorganisatie is of zijn belast;
(iii) openbaarmaking van de statuten, de geschillenregeling, het repartitiereglement, de tarieven, de tariefgrondslagen, de licentievoorwaarden, kortingsregelingen, de mate van representativiteit, de mate van legitimiteit en de wijze waarop wel of geen vrijwaring wordt gegeven voor claims van niet-vertegenwoordigde rechthebbenden;
(iv) openbaarmaking van de beheerskosten in het bestuursverslag;
(v) in het bestuursverslag de wijze van beheer en de verdeling van gelden toe te lichten, waarbij ten minste wordt vermeld in welk jaar de verdeelde gelden waren geïnd en voor welk deel van de gelden geen rechthebbenden zijn gevonden in de drie kalenderjaren volgend op het kalenderjaar van inning;
b. voldoende is toegerust om haar taken naar behoren te kunnen uitoefenen;
c. de door haar geïnde vergoedingen op rechtmatige wijze verdeelt over de rechthebbenden overeenkomstig het repartitiereglement;
d. bij de uitoefening van haar werkzaamheden voldoende rekening houdt met de belangen van de betalingsplichtigen;
e. een deugdelijke geschillenregeling voor rechthebbenden kent;
f. gelijke gevallen op gelijke wijze behandelt;
g. een doelmatig financieel beleid voert en de geïnde vergoedingen in de drie kalenderjaren volgend op het kalenderjaar van inning onder de rechthebbenden verdeelt;
h. streeft naar beperking van de beheerskosten voor de inning, het beheer en de verdeling van gelden tot een nader bij algemene maatregel van bestuur te bepalen drempel van het in een bepaald kalenderjaar geïnde of door een of meer organisaties verdeelde bedrag aan vergoedingen, bij overschrijding waarvan in het bestuursverslag en ten genoegen van het College met redenen omkleed wordt aangegeven waaraan deze overschrijding te wijten is;
i. met alle collectieve beheersorganisaties aan wie een betalingsplichtige een vergoeding is verschuldigd een gezamenlijke jaarlijkse factuur opstelt en uitreikt aan die betalingsplichtige.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven betreffende de in het tweede lid genoemde eisen waaraan een collectieve beheersorganisatie moet voldoen. Deze voorschriften kunnen in het bijzonder betrekking hebben op de inhoud van het bestuursverslag, de naleving van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gedragscode en de wijze waarop de representativiteit en legitimiteit dienen te worden aangetoond. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gegeven over de inrichting en het bestuur van een collectieve beheersorganisatie alsmede over de hoogte en de vorm van de bezoldiging van leden van een adviserend orgaan en het toezicht daarop.
4.
[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
5.
De voordracht voor een krachtens het derde en vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
1.
De volgende besluiten van een collectieve beheersorganisatie behoeven de voorafgaande schriftelijke instemming van het College van Toezicht:
a. een besluit tot wijziging van de statuten of tot ontbinding van de collectieve beheersorganisatie;
b. een besluit tot vaststelling of wijziging van reglementen of modelovereenkomsten betreffende de uitoefening en handhaving van auteursrechten of naburige rechten;
c. een besluit tot verhoging van de tarieven anders dan ingevolge een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen indexering, overeenkomsten daaromtrent met representatieve organisaties van betalingsplichtigen of toegenomen gebruik van beschermde werken.
2.
Het College van Toezicht kan over besluiten als bedoeld in het eerste lid een collectieve beheersorganisatie van advies dienen. Brengt het College van Toezicht binnen acht weken na ontvangst van het verzoek om schriftelijke instemming geen advies uit, dan wordt het besluit, bedoeld in het eerste lid, geacht te zijn goedgekeurd.
3.
Het College van Toezicht kan slechts zijn schriftelijke instemming aan een besluit onthouden indien de collectieve beheersorganisatie binnen een door het college te bepalen periode na ontvangst van een voorafgaand advies van het college het advies niet opvolgt.
4.
Het College van Toezicht onthoudt zijn goedkeuring aan een besluit tot verhoging van de tarieven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, indien de verhoging, gelet op de in artikel 2, tweede lid, vermelde eisen, buitensporig is.
Artikel 4
Het College van Toezicht houdt geen toezicht op collectieve beheersorganisaties voor zover toezicht op grond van de Mededingingswet wordt uitgeoefend door de Autoriteit Consument en Markt.
1.
Een collectieve beheersorganisatie is gehouden het College van Toezicht vooraf schriftelijk te informeren over te nemen besluiten die van wezenlijke invloed zijn op de uitoefening door de collectieve beheersorganisatie van haar taken of het verlenen van bemiddeling als bedoeld in artikel 30a van de Auteurswet, waaronder:
a. investeringen die een door het College van Toezicht bij reglement vast te stellen bedrag te boven gaan;
b. het oprichten of mede-oprichten van een privaatrechtelijke rechtspersoon of het deelnemen in een vennootschap.
2.
De leden van het College van Toezicht hebben toegang tot de kantoren van een collectieve beheersorganisatie en kunnen de algemene ledenvergadering, de vergadering van aangeslotenen en de vergaderingen van het bestuur van de collectieve beheersorganisatie bijwonen. De leden van het College hebben inzage in boeken en bescheiden en andere informatiedragers van een collectieve beheersorganisatie een en ander voor zover kennisneming daarvan noodzakelijk is voor de uitoefening van het toezicht.
3.
Indien een collectieve beheersorganisatie samenwerkt met of werkzaamheden laat verrichten door een derde, verband houdende met de inning en de verdeling van vergoedingen op grond van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten , blijft zij verantwoordelijk voor de uitoefening van deze taken. Zij draagt in dat geval zorg voor de beschikbaarheid voor het College van Toezicht van de financiële gegevens die relevant kunnen zijn voor de taakuitoefening van het College.
4.
Het College van Toezicht kan, indien het daartoe gronden aanwezig acht, de boekhouding van een collectieve beheersorganisatie laten onderzoeken door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De kosten van dit onderzoek komen voor rekening van de collectieve beheersorganisatie.
5.
Gegevens of inlichtingen omtrent een collectieve beheersorganisatie of een derde als bedoeld in artikel 16, die in verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van deze wet zijn verkregen, mogen uitsluitend voor de toepassing van deze wet, de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten worden gebruikt.
1.
Het College van Toezicht kan een collectieve beheersorganisatie van advies dienen.
2.
Het College van Toezicht kan een collectieve beheersorganisatie aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van haar taken of het verlenen van bemiddeling als bedoeld in artikel 30a van de Auteurswet. De collectieve beheersorganisatie is gehouden overeenkomstig de aanwijzingen te handelen.
3.
Het College van Toezicht kan slechts een aanwijzing geven indien de collectieve beheersorganisatie binnen een door het college te bepalen periode na ontvangst van een voorafgaand advies van het college het advies niet opvolgt.
1.
Het College van Toezicht bestaat uit drie of meer personen. Het aantal leden van het College, de voorzitter daaronder begrepen, is steeds oneven.
2.
De leden van het College van Toezicht kunnen de taken onderling verdelen. Het College blijft verantwoordelijk voor de uitoefening van deze taken.
3.
Onze Minister wijst de voorzitter aan.
4.
De leden van het College van Toezicht worden benoemd voor een periode van ten hoogste vier jaren. Zij kunnen na afloop van deze periode aansluitend eenmaal opnieuw worden benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaren.
5.
Het College van Toezicht blijft ook in geval van een of meer vacatures bevoegd tot hetgeen hem is opgedragen.
6.
Een lid dat een vacature vervult, wordt benoemd voor de resterende duur van de periode waarvoor het door hem vervangen afgetreden lid was benoemd.
7.
Het College van Toezicht kent zoveel plaatsvervangende leden als Onze Minister nodig acht. Het vierde en zesde lid en artikel 9 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Nevenfuncties van een lid van het College van Toezicht worden openbaar gemaakt door vermelding op de website van het College van Toezicht.
2.
Een lid van het College van Toezicht heeft geen financiële of andere belangen bij ondernemingen, instellingen of andere organisaties waardoor zijn onpartijdigheid in het geding kan zijn.
1.
Het lidmaatschap van het College van Toezicht eindigt:
a. door het verstrijken van de periode waarvoor het lid is benoemd;
b. door ontslag, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Kaderwet;
c. door ondercuratelestelling of overlijden van het lid;
d. indien het faillissement of de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van het lid wordt uitgesproken;
e. door een veroordeling wegens een misdrijf.
2.
Een besluit tot schorsing van de leden van het College van Toezicht regelt de gevolgen van de schorsing.
1.
Het College van Toezicht heeft een secretaris. De secretaris is geen lid van het College van Toezicht.
2.
Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de secretaris, na overleg met de voorzitter van het College van Toezicht.
Artikel 12
De kosten van het College van Toezicht worden door Onze Minister vergoed.
1.
Het College van Toezicht vergadert ten minste vier maal per jaar en voorts zo vaak als door de voorzitter of ten minste twee andere leden van het College wenselijk wordt geoordeeld.
2.
Het College van Toezicht besluit met volstrekte meerderheid van uitgebrachte stemmen. Elk lid heeft één stem. Indien de stemmen staken beslist de voorzitter.
3.
Het College van Toezicht kan bij bestuursreglement nadere regels vaststellen omtrent zijn vergadering en besluitvorming.
Artikel 14
Het College van Toezicht kan vertegenwoordigers van betalingsplichtigen of andere belanghebbenden in de gelegenheid stellen te worden gehoord.
Artikel 15
In afwijking van artikel 18, eerste lid, eerste volzin, van de Kaderwet stelt het College van Toezicht voor 1 juli een jaarverslag op.
1.
Indien een collectieve beheersorganisatie samenwerkt met of werkzaamheden laat verrichten door een in Nederland gevestigde derde, verband houdende met de inning of de verdeling van vergoedingen op grond van de Auteurswet of de Wet op de naburige rechten , is deze derde, onverminderd het bepaalde in artikel 5, derde lid, gehouden het College van Toezicht op zijn verzoek onverwijld alle inlichtingen te verschaffen die het college nodig acht voor zijn taakuitoefening.
2.
Artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede de artikelen 6, 18 en 19 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Het bij en krachtens deze wet bepaalde geldt ook voor de collectieve beheersorganisaties die zijn vermeld in de bijlage . De bijlage kan door Onze Minister op voordracht van het College van Toezicht worden gewijzigd bij algemene maatregel van bestuur.
2.
Voor plaatsing op de bijlage komen collectieve beheersorganisaties in aanmerking waarvan de totale incasso of het totaal aan voor verdeling beschikbare vergoedingen, over ten hoogste twee opeenvolgende kalenderjaren, een nader bij algemene maatregel van bestuur te bepalen drempel overschrijdt.
1.
Het College van Toezicht kan een collectieve beheersorganisatie aan wie de overtreding kan worden toegerekend een bestuurlijke boete opleggen:
a. bij niet-naleving van een aanwijzing als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van ten hoogste € 225.000 per overtreding, of, indien dat meer is, 5% van het totaal van de door een collectieve beheersorganisatie in het aan de beschikking voorafgaande boekjaar geïnde of voor verdeling beschikbare vergoedingen;
b. bij overtreding van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, van ten hoogste € 35.000 per overtreding, of, indien dat meer is, 1% van het totaal van de door een collectieve beheersorganisatie in het aan de beschikking voorafgaande boekjaar geïnde of voor verdeling beschikbare vergoedingen.
2.
Het College van Toezicht legt geen boete op indien de collectieve beheersorganisatie aan wie de overtreding kan worden toegerekend aannemelijk maakt dat haar van de overtreding geen verwijt kan worden gemaakt.
3.
Bij de vaststelling van de hoogte van de boete houdt het College van Toezicht rekening met de ernst en de duur van de overtreding. Bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een boete drie jaren na de dag waarop de overtreding is begaan. Bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een boete een jaar na de dag waarop de overtreding is begaan.
4.
Het College van Toezicht draagt de opbrengst van de bestuurlijke boeten af aan Onze Minister. De afgedragen opbrengst dient ter aanwending voor door Onze Minister te bepalen doeleinden van auteursrechtbeleid in brede zin.
1.
Het College van Toezicht kan een last onder dwangsom opleggen wegens niet-naleving van een aanwijzing als bedoeld in artikel 6, tweede lid, of overtreding van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.
Aan een last kunnen voorschriften worden verbonden betreffende de in artikel 2, tweede lid, aan een collectieve beheersorganisatie gestelde eisen.
3.
Een last geldt voor een door het College van Toezicht te bepalen termijn van ten hoogste twee jaren.
4.
Een boete, als bedoeld in artikel 18, en een last onder dwangsom kunnen samen worden opgelegd.
Artikel 20
Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit op grond van deze wet is, in afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht, in eerste aanleg uitsluitend de rechtbank te ’s-Gravenhage bevoegd.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat, en onder welke voorwaarden, collectieve beheersorganisaties hun activiteiten betreffende de verdeling van vergoedingen op grond van de Auteurswet of de Wet op de naburige rechten geheel of ten dele gezamenlijk uitoefenen.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de inning of de verdeling van vergoedingen, verschuldigd op grond van de Auteurswet of de Wet op de naburige rechten , geheel of ten dele wordt opgedragen aan een collectieve beheersorganisatie, als bedoeld in artikel 1, onderdeel c.
1.
Onze Minister kan een geschillencommissie aanwijzen voor de beslechting van geschillen tussen collectieve beheersorganisaties en betalingsplichtigen over de billijkheid van de hoogte en de toepassing van door collectieve beheersorganisaties in rekening gebrachte vergoedingen, met uitzondering van geschillen over de hoogte van de in de artikelen 15c, 16c en 16h van de Auteurswet bedoelde vergoedingen.
2.
Bij de aanwijzing kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de samenstelling, inrichting, procedures, bekostiging, werkwijze van en toezicht op de geschillencommissie.
1.
De betalingsplichtige of de collectieve beheersorganisatie kan de geschillencommissie binnen een bij de in artikel 22 bedoelde aanwijzing van de geschillencommissie te bepalen termijn verzoeken uitspraak te doen over een geschil als bedoeld in artikel 22.
2.
Wordt het geschil niet binnen drie maanden nadat afschrift van de uitspraak van de geschillencommissie aan partijen werd verzonden bij de rechter aanhangig gemaakt, dan wordt hetgeen in de uitspraak is vastgesteld na het verstrijken van deze termijn geacht te zijn overeengekomen tussen partijen.
Artikel 24
De rechter beslist omtrent een geschil als bedoeld in artikel 22 niet dan nadat de geschillencommissie in de gelegenheid is gesteld om hieromtrent advies uit te brengen, tenzij de geschillencommissie hierover reeds uitspraak heeft gedaan of de rechter ook zonder advies aanstonds kan beslissen.
Artikel 25
De geschillencommissie betrekt bij haar beoordeling of de hoogte en de toepassing van een in rekening gebrachte vergoeding billijk zijn in ieder geval:
a. het beginsel dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld;
b. de waarde van het gebruik van het werk in het economisch verkeer;
c. de aard en de omvang van het gebruik.
1.
De paragrafen 1, 2, 4 en 5 alsmede de artikelen 7.3, leden 1, 3, 6, 7, 8 en 9, en 7.5 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector en de daarop berustende algemene maatregelen van bestuur alsmede de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 1.9 van die wet, zijn van overeenkomstige toepassing op collectieve beheersorganisaties, met dien verstande dat:
a. wordt verstaan onder topfunctionaris: de leden van de uitvoerende, adviserende en toezichthoudende organen van een collectieve beheersorganisatie alsmede de hoogste ondergeschikte of de leden van de groep hoogste ondergeschikten aan dat orgaan en degene of degenen die is of zijn belast met de dagelijkse leiding van een collectieve beheersorganisatie.
b. de op grond van artikel 5.5, eerste lid, van die wet opgeëiste bedragen beschikbaar komen voor verdeling aan rechthebbenden, en
c. voor artikel 7.3, elfde lid van die wet wordt gelezen: Voor de toepassing van dit artikel blijft buiten beschouwing iedere wijziging in de bezoldiging of de duur van het dienstverband die is of wordt overeengekomen tussen 18 januari 2012 en het tijdstip waarop deze wet in werking treedt.
2.
De op grond van paragraaf 5 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector aan de Minister wie het aangaat toekomende bevoegdheden worden, in afwijking van artikel 5.1 van die wet, voor de overeenkomstige toepassing van die wet op collectieve beheersorganisaties uitgeoefend door het College van Toezicht. De in de artikelen 4.1, 4.2, 5.2, tweede lid, en 5.3 van genoemde wet bedoelde informatie wordt, in afwijking van die artikelen, verstrekt aan het College van Toezicht.
Artikel 26
[Wijzigt de Auteurswet 1912 .]
Artikel 27
[Wijzigt de Wet op de naburige rechten .]
Artikel 28
Deze wet wordt aangehaald als: Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten.
Artikel 29
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 6 maart 2003
De Minister van Justitie,
Uitgegeven de twintigste maart 2003
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
Artikel 23
Artikel 24
Artikel 25
Artikel 25a
Artikel 26
Artikel 27
Artikel 28
Artikel 29
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken