Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2007. U leest nu de tekst die gold op -.

Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993

Uitgebreide informatie
Wet van 9 maart 1994, houdende vervanging van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf door de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de wetgeving moet worden aangepast aan de richtlijn nr. 92/49/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG ( PbEG L 228) alsmede aan de richtlijn nr. 92/96/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de Richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG ( PbEG L 360), en dat het naar aanleiding daarvan wenselijk is de Wet toezicht verzekeringsbedrijf opnieuw vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt - voor zover niet anders blijkt - verstaan onder:
a. overeenkomsten van schadeverzekering: overeenkomsten van verzekering die niet zijn overeenkomsten in verband met het leven of de dood van de mens, met dien verstande dat overeenkomsten van ongevallenverzekering als overeenkomsten van schadeverzekering worden beschouwd;
b. overeenkomsten van levensverzekering: overeenkomsten van verzekering tot het doen van geldelijke uitkeringen in verband met het leven of de dood van de mens en overeenkomsten van verzekering in verband met de verzorging van de uitvaart van de mens die uitsluitend strekken tot het verrichten van andere dan geldelijke prestaties, met dien verstande dat overeenkomsten van ongevallenverzekering niet als overeenkomsten van levensverzekering worden beschouwd;
c. schadeverzekeringsbedrijf: het als bedrijf sluiten van overeenkomsten van schadeverzekering voor eigen rekening, met inbegrip van het afwikkelen van de in dat bedrijf gesloten overeenkomsten van schadeverzekering, ook al wordt daarmee niet beoogd het maken van winst;
d. levensverzekeringsbedrijf: het als bedrijf sluiten van overeenkomsten van levensverzekering voor eigen rekening, met inbegrip van het afwikkelen van de in dat bedrijf gesloten overeenkomsten van levensverzekering, ook al wordt daarmee niet beoogd het maken van winst;
e. verzekeringsbedrijf: het schadeverzekeringsbedrijf of het levensverzekeringsbedrijf;
f. schadeverzekeraar: ieder die het schadeverzekeringsbedrijf uitoefent;
g. levensverzekeraar: ieder die het levensverzekeringsbedrijf uitoefent;
h. verzekeraar: schadeverzekeraar of levensverzekeraar;
i. de Unie: de Europese Unie;
j. lid-staat: een staat die lid is van de Unie;
k. lid-staat van herkomst: de lid-staat waar een verzekeraar zijn zetel heeft;
l. grote risico's:
1°. de risico’s die behoren tot de branches Casco rollend spoorwegmaterieel, Luchtvaartuigcasco, Casco zee- en binnenschepen, Vervoerde zaken, Aansprakelijkheid luchtvaartuigen en Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen;
2°. de risico’s die behoren tot de branches Krediet en Borgtocht wanneer de verzekeringnemer handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en het risico daarop betrekking heeft;
3°. de risico’s die behoren tot de branches Voertuigcasco, Brand en natuurevenementen, Andere schaden aan zaken, Aansprakelijkheid motorrijtuigen, Aansprakelijkheid wegvervoer, Algemene aansprakelijkheid en Diverse geldelijke verliezen, voor zover de verzekeringnemer voldoet aan ten minste twee van de volgende vereisten:
waarbij bovengenoemde vereisten, indien de verzekeringnemer deel uitmaakt van een groep maatschappijen waarvan de geconsolideerde jaarrekening overeenkomstig de zevende richtlijn nr. 83/349/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g ) van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening ( PbEG L 193) wordt opgesteld, worden toegepast op basis van de geconsolideerde jaarrekening en indien de verzekeringnemer deel uitmaakt van een samenwerkingsverband, bovengenoemde vereisten gelden voor de deelnemers in het samenwerkingsverband gezamenlijk;
- de waarde van de activa volgens de balans bedraagt meer dan 6,2 miljoen Ecu;
- de netto-omzet over het voorafgaande boekjaar bedraagt meer dan 12,8 miljoen Ecu;
- het gemiddeld aantal werknemers over het voorafgaande boekjaar bedraagt meer dan 250;
m. vestiging: zetel of bijkantoor van een verzekeraar op het grondgebied van een staat;
n. zetel: plaats waar de verzekeraar overeenkomstig zijn statuten zijn zetel heeft;
o. bijkantoor: elke duurzame aanwezigheid, met uitzondering van de zetel, van een verzekeraar op het grondgebied van een staat, ook indien er slechts sprake is van een bureau, beheerd door eigen personeel van de verzekeraar of door een zelfstandig persoon die gemachtigd is duurzaam voor de verzekeraar op te treden;
p. staat waar het risico is gelegen:
1°. de staat waar de zaken zich bevinden, wanneer de verzekering betrekking heeft hetzij op een onroerende zaak, hetzij op een onroerende zaak en op de inhoud daarvan, voor zover deze door dezelfde verzekeringsovereenkomst wordt gedekt;
2°. de staat van registratie, wanneer de verzekering betrekking heeft op voer- of vaartuigen van om het even welke aard;
3°. de staat waar de verzekeringnemer de overeenkomst heeft gesloten, indien het overeenkomsten betreft met een looptijd van vier maanden of minder die betrekking hebben op tijdens een reis of vakantie gelopen risico's, ongeacht de branche;
4°. in alle andere gevallen van schadeverzekering, de staat waar de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats heeft, of, indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is, de staat waar zich de vestiging van deze rechtspersoon bevindt waarop de overeenkomst betrekking heeft;
q. overeenkomsten van communautaire co-assurantie: overeenkomsten van directe schadeverzekering betreffende grote risico's, in co-assurantie gesloten, waarbij:
1°. de verzekeraar die als eerste verzekeraar optreedt, zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst is aangegaan vanuit een vestiging in een andere lid-staat dan die waarin ten minste een van de overige co-assuradeuren zulks heeft gedaan; en
2°. het risico in de Unie is gelegen;
r. verrichten van diensten:
1°. het in de uitoefening van het directe schadeverzekeringsbedrijf vanuit een in een staat gelegen vestiging verzekeren van een in een andere staat gelegen risico;
2°. het in de uitoefening van het directe levensverzekeringsbedrijf sluiten van een overeenkomst van levensverzekering vanuit een vestiging, gelegen in een andere staat dan die waar de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats heeft, of waar zich, indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is, de vestiging van deze rechtspersoon bevindt waarop de verzekering betrekking heeft;
s. premie: de in geld uitgedrukte prestatie, door de verzekeringnemer verschuldigd uit hoofde van een overeenkomst van verzekering, daaronder niet begrepen de assurantiebelasting;
t. vertegenwoordiger: degene die door een verzekeraar als zodanig is aangesteld om hem te vertegenwoordigen in een andere staat dan die van zijn zetel bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en bij de naleving van de voorschriften die in eerstbedoelde staat voor hem gelden;
u. acquisitie: alle handelingen, strekkende tot het voorbereiden of tot stand brengen van overeenkomsten van verzekering;
v. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
w. toezichthoudende autoriteit: de instantie die in enige staat bij of krachtens de wet met het toezicht op het verzekeringsbedrijf is belast;
x. gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk belang van ten minste 10 procent van het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van ten minste 10 procent van de stemrechten in een onderneming, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming;
bij het bepalen van het aantal stemrechten, dat iemand in een onderneming of instelling heeft, worden tot diens stemrechten mede gerekend de stemrechten waarover hij beschikt of geacht wordt te beschikken op grond van artikel 13 van de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen;
ij. groep: een groep als bedoeld in artikel 24 b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek , met dien verstande dat indien een natuurlijk persoon, rechtspersoon of vennootschap:
1°. via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur invloed kan uitoefenen op een of meer andere natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen; of
2°. in een of meer andere rechtspersonen of vennootschappen een deelneming heeft als bedoeld in artikel 24 c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek , dan wel, voor zover het natuurlijke personen betreft, een met een deelneming overeenkomende positie,
die natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap tezamen met die andere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap dan wel natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen wordt aangemerkt als groep;
z. opvanginstelling: een naamloze vennootschap met zetel in Nederland die uitsluitend tot doel heeft in opdracht van de Pensioen- & Verzekeringskamer een in problemen verkerende levensverzekeraar op te vangen door middel van herverzekering van de portefeuille of het overnemen van de portefeuille van de betrokken verzekeraar;
aa. bevoegde instanties: de administratieve of rechterlijke instanties die bevoegd zijn ter zake van saneringsmaatregelen;
bb. saneringsmaatregelen: de noodregeling, bedoeld in artikel 156, of maatregelen, genomen in een andere lid-staat dan Nederland, die enigerlei optreden van de aldaar bevoegde instanties behelzen en bestemd zijn om de financiële positie van een verzekeraar in stand te houden of te herstellen, en van dien aard zijn dat de maatregelen bestaande rechten van anderen dan de verzekeraar aantasten;
cc. bewindvoerder: de bewindvoerder, bedoeld in artikel 156, tweede lid, of een ander persoon of orgaan, aangewezen door de bevoegde instanties in een andere lid-staat dan Nederland om de saneringsmaatregelen uit te voeren;
dd. vordering uit hoofde van verzekering: de uit een overeenkomst van verzekering voortvloeiende vordering, rechtstreeks op een verzekeraar.
2.
Het levensverzekeringsbedrijf verliest zijn karakter als zodanig niet, indien bij de overeenkomsten van levensverzekering naast de verplichting tot het doen van geldelijke uitkeringen verplichtingen van andere aard worden aanvaard, of bij die overeenkomsten verplichtingen worden aanvaard in verband met voorvallen waarvan het ontstaan onzeker is en die de persoon van de mens treffen.
1.
Er is een Pensioen- & Verzekeringskamer, waarbij het toezicht op de verzekeraars berust, zoals dit uit deze wet voortvloeit.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer verstrekt Onze Minister desgevraagd de inlichtingen die nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van voorgenomen wettelijke voorschriften en algemene beleidsvoornemens, voor zover deze betrekking hebben op het levens- en schadeverzekeringsbedrijf.
Artikel 3
De rechtspersoon die de taken en bevoegdheden van de Pensioen- & Verzekeringskamer uitoefent, voldoet en blijft voldoen aan de volgende eisen:
a. hij dient in staat te zijn de bij of krachtens de wet aan de Pensioen- & Verzekeringskamer opgedragen taken naar behoren te vervullen;
b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke vervulling van die taken is gewaarborgd;
c. de statuten van de rechtspersoon dienen te voorzien in een raad van commissarissen ter zake van het beheer, bestaande uit deskundigen.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer brengt jaarlijks over haar werkzaamheden en bevindingen ingevolge deze wet aan Ons verslag uit. In het verslag worden niet opgenomen de door haar gegeven aanwijzingen, bedoeld in artikel 54, eerste lid, waarvan geen mededeling is gedaan, noch wordt ten aanzien van afzonderlijke verzekeraars melding gemaakt van inlichtingen die niet in de openbaar te maken staten, bedoeld in de artikelen 72, vierde lid, en 100, vierde lid, zijn opgenomen. Een oordeel over enige verzekeraar wordt in dit verslag niet kenbaar gemaakt.
2.
Het verslag wordt door de zorg van de Pensioen- & Verzekeringskamer openbaar gemaakt.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer legt te haren kantore ten behoeve van een ieder een lijst ter inzage van de verzekeraars:
a. die in het bezit zijn van een of meer vergunningen als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder vermelding van de branches;
b. met zetel in een andere lid-staat dan Nederland die bevoegd zijn een bijkantoor in Nederland te hebben, onder vermelding van de branches;
c. met zetel buiten Nederland die bevoegd zijn naar Nederland diensten te verrichten, onder vermelding van de aard van de risico’s van schadeverzekering dan wel van de aard van de overeenkomsten van levensverzekering.
2.
Voorts worden in de lijst bij de bijkantoren van de verzekeraars met zetel buiten Nederland de naam en de woonplaats van de vertegenwoordiger vermeld. Met betrekking tot een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan Nederland wordt tevens het adres van het bijkantoor vermeld waaraan rechtsgeldig mededelingen aan de vertegenwoordiger kunnen worden gestuurd.
3.
Indien de verzekeraar een schade-afhandelaar als bedoeld in artikel 109, eerste lid, onderdeel e, heeft aangesteld, worden tevens diens naam en woonplaats vermeld.
4.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, worden in de lijst niet vermeld opvanginstellingen die in het bezit zijn van een of meer vergunningen als bedoeld in artikel 24, eerste lid, tenzij een overdracht van de portefeuille van een verzekeraar krachtens artikel 147d, derde lid, heeft plaatsgevonden en van deze overdracht mededeling in de Staatscourant is gedaan.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer werkt bij de uitoefening van het toezicht op verzekeraars met vestiging in de Unie samen met de betrokken toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten. De Pensioen- & Verzekeringskamer pleegt daartoe in voorkomende gevallen overleg met deze autoriteiten.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan bij de uitoefening van het toezicht op een bijkantoor in Nederland van een verzekeraar met zetel buiten de Unie de betrokken toezichthoudende autoriteit raadplegen.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer werkt samen met de autoriteiten die ingevolge de Wet toezicht beleggingsinstellingen , de Wet toezicht effectenverkeer 1995 , de Wet toezicht kredietwezen 1992 onderscheidenlijk de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf , belast zijn met het toezicht op beleggingsinstellingen, effecteninstellingen, kredietinstellingen onderscheidenlijk natura-uitvaartverzekeraars, met het oog op het tot stand brengen van gelijkgerichte regelgeving en beleid ter zake van bij ministeriële regeling aan te wijzen onderwerpen die zowel het toezicht ingevolge deze wet als het toezicht ingevolge een van de eerdergenoemde wetten betreffen.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer voert het toezicht ingevolge deze wet, voor zover het betrekking heeft op de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, uit met inachtneming van daartoe met de overige in het eerste lid bedoelde autoriteiten te sluiten overeenkomsten. Deze overeenkomsten bevatten afspraken over coördinatie en afstemming van regelgeving en beleid, en in voorkomende gevallen over uitvoering van toezicht. De Pensioen- & Verzekeringskamer draagt er zorg voor dat zij of een van de overige in het eerste lid bedoelde autoriteiten een afschrift van de gesloten overeenkomsten zendt aan Onze Minister.
3.
Binnen zes maanden na afloop van elk kalenderjaar draagt de Pensioen- & Verzekeringskamer in samenwerking met de overige in het eerste lid bedoelde autoriteiten zorg voor een gezamenlijk verslag dat openbaar wordt gemaakt en waarin melding wordt gemaakt van de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het eerste en tweede lid.
Artikel 10b
Met het oog op een effectieve en efficiënte besluitvorming over de wijze van behandeling van aangelegenheden van wederzijds belang en het verzamelen van informatie ten behoeve daarvan, maken de Pensioen- & Verzekeringskamer, het College toezicht, genoemd in artikel 77, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, en het College zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van die wet, afspraken met elkaar.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer werkt, voor zover noodzakelijk ten behoeve van de uitoefening van het toezicht op verzekeraars die deel uitmaken van een groep, samen met de autoriteiten die ingevolge de Wet toezicht kredietwezen 1992 , de Wet toezicht beleggingsinstellingen onderscheidenlijk de Wet toezicht effectenverkeer 1995 belast zijn met het toezicht op kredietinstellingen, beleggingsinstellingen onderscheidenlijk effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders die tot diezelfde groep behoren.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer pleegt, in de gevallen bedoeld in het eerste lid, waar nodig overleg met een autoriteit als bedoeld in het eerste lid.
3.
De Pensioen- & Verzekeringskamer werkt, in de gevallen bedoeld in het eerste lid, waar nodig samen op basis van een of meer daartoe met een autoriteit als bedoeld in het eerste lid overeen te komen regelingen. Deze regelingen betreffen in elk geval afspraken over het stellen van gemeenschappelijke eisen, het coördineren van werkzaamheden uit hoofde van ieders uitoefening van het toezicht en het uitwisselen van gegevens en inlichtingen.
4.
De Pensioen- & Verzekeringskamer verstrekt aan een autoriteit als bedoeld in het eerste lid danwel de autoriteit die belast is met de uitvoering van de Wet inzake de geldtransactiekantoren of de Wet toezicht trustkantoren de gegevens of inlichtingen die zij verkregen heeft bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak en die betrekking hebben op de deskundigheid van personen als bedoeld in artikel 29, eerste en derde lid, onderscheidenlijk de voornemens, de handelingen en de antecedenten van personen als bedoeld in artikel 29, tweede en vierde lid, voor zover de Pensioen- & Verzekeringskamer van oordeel is dat deze gegevens of inlichtingen van belang zijn of zouden kunnen zijn voor het toezicht dat door die andere autoriteit wordt uitgeoefend.
5.
De verplichting als bedoeld in het vierde lid geldt niet in het geval de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van een buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 183, eerste lid.
Artikel 11a
Onze Minister kan de Pensioen- & Verzekeringskamer voorschriften geven ter implementatie van richtlijnen op het gebied van toezicht op het verzekeringsbedrijf van de Raad van de Europese Unie dan wel van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk.
Artikel 12
Deze wet is, tenzij daaruit anders voortvloeit, van toepassing op:
a. verzekeraars met zetel in Nederland;
b. verzekeraars met zetel buiten Nederland voor wat betreft:
1°. een bijkantoor in Nederland;
2°. het verrichten van diensten naar Nederland.
1.
Als verzekeraars worden niet beschouwd:
a. de Sociale verzekeringsbank;
b. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel;
d. onderlinge waarborgmaatschappijen met zetel in Nederland en ondernemingen of instellingen op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland die uitsluitend schade verzekeren, veroorzaakt door of ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer en muiterij;
e. ondernemingen of instellingen die geen andere branche uitoefenen dan de branche Hulpverlening en daarbij uitsluitend dekking verlenen in geval van een ongeval met of een defect aan een wegvoertuig, mits ingevolge de dekking de hulp bij een ongeval of defect in Nederland of direct over de grens beperkt is tot:
1°. technische hulp ter plaatse, waarvoor de onderneming of instelling in de regel eigen personeel of uitrusting gebruikt;
2°. het vervoer van het voertuig naar de dichtstbijzijnde of meest geschikte plaats van reparatie, alsmede het eventuele vervoer van de bestuurder en passagiers, doorgaans met hetzelfde hulpmiddel, naar de dichtstbijzijnde plaats vanwaar zij hun reis met andere middelen kunnen voortzetten;
3°. het vervoer van het voertuig, eventueel met de bestuurder en passagiers, naar hun woonplaats, hun plaats van vertrek of hun oorspronkelijke bestemming binnen Nederland;
en, voor zover de dekking zich mede uitstrekt tot een ongeval of defect in het buitenland, de hulp beperkt is tot de onder 1° en 2° bedoelde verrichtingen, de belanghebbende lid is van de onderneming of instelling en de hulp of het vervoer van het voertuig enkel op vertoon van een bewijs van lidmaatschap, zonder betaling van extra premie, wordt uitgevoerd door een soortgelijke, in de betrokken staat werkzame organisatie die zich hiertoe op basis van wederkerigheid heeft verplicht.
2.
Als uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf wordt niet beschouwd het sluiten of afwikkelen van overeenkomsten als bedoeld in artikel 1, tweede lid.
3.
Als uitoefening van het verzekeringsbedrijf wordt, met inachtneming van het vierde lid, niet beschouwd het sluiten of afwikkelen van overeenkomsten van verzekering voor eigen rekening door:
a. bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen of ondernemingsspaarfondsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen b , c onderscheidenlijk d , van de Pensioen- en spaarfondsenwet , die krachtens die wet aan het toezicht van de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn onderworpen;
b. ondernemingen in de zin van artikel 1 van de Pensioen- en spaarfondsenwet of pensioeninstellingen die voor eigen rekening geen andere overeenkomsten van verzekering sluiten of afwikkelen dan die welke dienen ter uitvoering van toezeggingen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de genoemde wet of toezeggingen ten aanzien waarvan krachtens artikel 29 van die wet ontheffing is verleend van artikel 2, eerste lid, van die wet;
c. fondsen waarop de Wet verplichte beroepspensioenregeling van toepassing is, en wel zolang de verplichte deelneming van kracht is alsmede gedurende de afwikkeling van hun schulden die ten tijde van de intrekking van de verplichtstelling bestaan;
d. het pensioenfonds waaraan deelneming verplicht is op grond van de Wet op het notarisambt .
4.
Het bepaalde in het derde lid is slechts van toepassing voor zover:
a. een bedrijfstakpensioenfonds binnen de bedrijfstak of bedrijfstakken, omschreven in zijn statuten, dan wel een ondernemingspensioenfonds handelt ter uitvoering van:
1°. een verplichtstelling op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 ;
2°. een toezegging omtrent pensioen, als bedoeld in artikel 2 van de Pensioen- en spaarfondsenwet of een toezegging omtrent pensioen, gedaan door een bijdragende onderneming met zetel in een andere lidstaat, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen n en o, van de Pensioen- en spaarfondsenwet;
3°. een vrijwillige pensioenvoorziening waartoe de mogelijkheid voortvloeit uit het deelnemerschap en die hetzij past binnen het raam van de regeling die voor de categorie waartoe de deelnemer behoort, in het pensioenfonds geldt ter uitvoering van een verplichtstellingsbeschikking als bedoeld onder 1° of van een toezegging als bedoeld onder 2°, hetzij kan worden beschouwd als een fase in de ontwikkelingsgang naar een eventuele uitbreiding van de werkingssfeer van de ten behoeve van nabestaanden in de regeling opgenomen voorzieningen; of
4°. een regeling krachtens welke de voor een deelnemer bestaande pensioenvoorziening bij beëindiging van diens deelnemerschap vrijwillig wordt voortgezet;
b. een ondernemingsspaarfonds handelt ter uitvoering van een door een werkgever getroffen regeling tot sparen voor een uitkering bij wijze van oudedagsverzorging;
c. een onderneming als bedoeld in het derde lid, onderdeel b , verzekeringen sluit ten bate van personen, verbonden aan die onderneming, dan wel een pensioeninstelling als bedoeld in dat onderdeel verzekeringen sluit ten bate van personen, verbonden aan een bepaalde zodanige onderneming; ingeval de onderneming waaraan de betrokken personen verbonden zijn, tot een groep behoort, wordt de groep gelijkgesteld met die onderneming;
d. een beroepspensioenfonds handelt ter uitvoering van:
1°. een verplichtstelling op grond van de Wet verplichte beroepspensioenregeling of de Wet op het notarisambt ; of
2°. een vrijwillige pensioenvoorziening ten bate van een deelnemer of gewezen deelnemer die hetzij past binnen het raam van de regeling die in het pensioenfonds geldt ter uitvoering van een verplichtstelling als bedoeld onder 1°, hetzij kan worden beschouwd als een fase in de ontwikkelingsgang naar een eventuele uitbreiding van de werkingssfeer van de ten behoeve van nabestaanden in de regeling opgenomen voorzieningen;
e. het pensioenfonds, bedoeld in het derde lid, onderdeel d , handelt ter uitvoering van:
een vrijwillige pensioenvoorziening ten bate van een deelnemer of gewezen deelnemer, die hetzij past binnen het raam van de regeling die in het betrokken pensioenfonds geldt ter uitvoering van de onder 1° genoemde toepasselijke wet, hetzij kan worden beschouwd als een fase in de ontwikkelingsgang naar een eventuele uitbreiding van de werkingssfeer van de ten behoeve van nabestaanden in de regeling opgenomen voorzieningen.
5.
Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere beperkingen en verdere regels stellen met betrekking tot het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onderdeel a , onder 2, 3 en 4, onderdelen b en c , onderdeel d , onder 2, en onderdeel e , onder 2. Onze voornoemde ministers kunnen de Pensioen- & Verzekeringskamer en de Sociaal-Economische Raad om advies vragen. In dat geval zijn deze verplicht dit advies uit te brengen.
6.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in het vierde lid. Aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld of voorschriften worden verbonden en zij kan worden ingetrokken.
1.
Deze wet is - behoudens het tweede lid en de artikelen 1, 2, 12, aanhef en onderdeel b , onder 2°, 15 tot en met 18, 55 tot en met 57, 174 en 188 - niet van toepassing op:
a. verzekeraars met zetel in Nederland die het verzekeringsbedrijf uitsluitend als herverzekeraar uitoefenen;
b. verzekeraars met zetel buiten Nederland die vanuit de bijkantoren in Nederland het verzekeringsbedrijf uitsluitend als herverzekeraar uitoefenen.
2.
De in het eerste lid bedoelde verzekeraars zenden jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening met jaarverslag in tweevoud toe aan de Pensioen- & Verzekeringskamer.
Artikel 15
Het schadeverzekeringsbedrijf wordt onderscheiden naar branches, die de volgende benamingen dragen en waartoe de daaronder vermelde risico’s behoren.
1. Ongevallen:
a. forfaitaire uitkeringen ter zake van ongevallen en beroepsziekten;
b. overige uitkeringen ter zake van ongevallen en beroepsziekten.
2. Ziekte:
a. forfaitaire uitkeringen ter zake van andere ziekten dan beroepsziekten;
b. overige uitkeringen ter zake van andere ziekten dan beroepsziekten.
3. Voertuigcasco:
schaden aan motorrijtuigen en overige voertuigen, met uitzondering van schaden aan rollend spoorwegmaterieel.
4. Casco rollend spoorwegmaterieel:
schaden aan rollend spoorwegmaterieel.
5. Luchtvaartuigcasco:
schaden aan luchtvaartuigen.
6. Casco zee- en binnenschepen:
schaden aan zee- en binnenschepen.
7. Vervoerde zaken:
schaden aan vervoerde zaken of bagage, onafhankelijk van de aard van het transportmiddel.
8. Brand en natuurevenementen:
schaden aan zaken (met uitzondering van schaden, begrepen onder de branches Voertuigcasco, Casco rollend spoorwegmaterieel, Luchtvaartuigcasco, Casco zee- en binnenschepen en Vervoerde zaken), wanneer deze zijn veroorzaakt door brand, ontploffing, storm of andere natuurevenementen (met uitzondering van hagel en vorst), kernenergie of aardverzakking.
9. Andere schaden aan zaken:
schaden aan zaken (met uitzondering van schaden, begrepen onder de branches Voertuigcasco, Casco rollend spoorwegmaterieel, Luchtvaartuigcasco, Casco zee- en binnenschepen en Vervoerde zaken), wanneer deze zijn veroorzaakt door hagel of vorst, alsmede door alle overige evenementen die niet reeds zijn begrepen onder de branche Brand en natuurevenementen.
10A. Aansprakelijkheid motorrijtuigen:
aansprakelijkheden die voortvloeien uit het gebruik van motorrijtuigen (met uitzondering van de aansprakelijkheden, begrepen onder de branche Aansprakelijkheid wegvervoer).
10B. Aansprakelijkheid wegvervoer:
aansprakelijkheden die voor de vervoerder voortvloeien uit goederenvervoer over de weg (met uitzondering van de aansprakelijkheden, begrepen onder de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen).
11. Aansprakelijkheid luchtvaartuigen:
aansprakelijkheden die voortvloeien uit het gebruik van luchtvaartuigen, aansprakelijkheden van de vervoerder daaronder begrepen.
12. Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen:
aansprakelijkheden die voortvloeien uit het gebruik van zee- en binnenschepen, aansprakelijkheden van de vervoerder daaronder begrepen.
13. Algemene aansprakelijkheid:
overige vormen van aansprakelijkheid die niet reeds zijn begrepen onder de branches Aansprakelijkheid motorrijtuigen, Aansprakelijkheid wegvervoer, Aansprakelijkheid luchtvaartuigen en Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen.
14. Krediet:
schaden die het gevolg zijn van algemene insolventie, verleend exportkrediet, hypothecair krediet, landbouwkrediet en verkoop op afbetaling.
15. Borgtocht:
schaden die het gevolg zijn van verleende directe borgtocht en indirecte borgtocht.
16. Diverse geldelijke verliezen:
geldelijke verliezen die het gevolg zijn van niet onder een der andere branches vallende risico's.
17. Rechtsbijstand:
verleende diensten en gemaakte kosten in het bijzonder met het oog op verhaal van door een verzekerde geleden schade en diens verdediging of vertegenwoordiging, zowel in als buiten rechte (met uitzondering van de werkzaamheden ter verdediging of vertegenwoordiging van een verzekerde die een verzekeraar krachtens een overeenkomst van aansprakelijkheidsverzekering mede in zijn eigen belang verricht).
18. Hulpverlening:
onmiddellijke hulpverlening aan in moeilijkheden verkerende personen die op reis zijn of zich buiten hun woonplaats bevinden (met uitzondering van onderhoudsdiensten, dienstverlening na verkoop en de loutere aanwijzing omtrent of terbeschikkingstelling van hulp door een tussenpersoon).
Artikel 16
Het levensverzekeringsbedrijf wordt onderscheiden naar branches, die de volgende benamingen dragen.
1. Levensverzekering algemeen:
kapitaal-, pensioen- en lijfrenteverzekeringen, met uitzondering van de onder de branches 2 en 3 begrepen verzekeringen, verzekeringen in verband met de verzorging van de uitvaart van de mens die uitsluitend strekken tot het verrichten van andere dan geldelijke prestaties alsmede aanvullende verzekeringen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, zoals invaliditeitsverzekeringen en verzekeringen bij overlijden ten gevolge van een ongeval.
2. Levensverzekering in verband met huwelijk of geboorte
3. Levensverzekering verbonden met beleggingsfondsen
4. Permanent health insurance:
niet-opzegbare langlopende ziekteverzekeringen gesloten met ingezetenen van Ierland of het Verenigd Koninkrijk.
5. Deelneming in spaarkassen
6. Kapitalisatieverrichtingen:
verrichtingen gebaseerd op een actuariële techniek tot sparen met het oog op kapitaalvorming, bestaande uit verplichtingen die in ruil voor eenmalige of periodieke stortingen voor wat betreft hun duur en hun bedrag bepaald zijn.
7. Beheer over collectieve pensioenfondsen:
beheer over de beleggingen van pensioenfondsen waaronder de waarden die tegenover de voorziening voor pensioenverplichtingen staan.
Artikel 17
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt het beheer over collectieve pensioenfondsen als uitoefening van het levensverzekeringsbedrijf beschouwd indien het wordt gevoerd door verzekeraars die ook overigens het levensverzekeringsbedrijf uitoefenen.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer beslist voor de toepassing van deze wet of een handeling of een samenstel van handelingen al dan niet uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf, het levensverzekeringsbedrijf of een andersoortig bedrijf vormt en of een handeling of een samenstel van handelingen al dan niet uitoefening van het verzekeringsbedrijf vanuit een vestiging in Nederland vormt. Zij beslist tevens tot welke branche of branches een overeenkomst van verzekering behoort.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer beslist ambtshalve dan wel op aanvraag van:
a. hetzij degene die de handeling of het samenstel van handelingen verricht of voornemens is te verrichten onderscheidenlijk de verzekeraar die de overeenkomst van verzekering sluit of voornemens is te sluiten;
b. hetzij een representatieve organisatie van verzekeraars als bedoeld in artikel 187, tweede lid.
Artikel 19
Ter uitvoering van een tussen de Unie en een staat, die niet een lid-staat is, gesloten overeenkomst betreffende de toegang tot en de uitoefening van het verzekeringsbedrijf, kan bij algemene maatregel van bestuur en zonodig onder het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur stellen van nadere regels worden bepaald dat en in hoeverre voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde die staat wordt gelijkgesteld met een lid-staat.
Artikel 20
Deze wet is onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden geheel of gedeeltelijk niet van toepassing op de volgende categorieën schadeverzekeraars:
a. onderlinge waarborgmaatschappijen van beperkte omvang met zetel in Nederland en ondernemingen of instellingen op onderlinge grondslag van beperkte omvang met zetel buiten Nederland;
b. verzekeraars met zetel in Nederland die zich beperken tot het sluiten en afwikkelen van overeenkomsten van exportkredietverzekering voor rekening of met garantie van de staat.
Artikel 22
De verzekeraars, verenigd onder de naam Lloyd's, te Londen, Verenigd Koninkrijk, worden voor de toepassing van deze wet te zamen als een verzekeraar beschouwd.
Artikel 23
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op verzekeraars met zetel buiten Nederland voor wat betreft het verrichten van diensten naar Nederland.
1.
Het is verboden het directe verzekeringsbedrijf uit te oefenen zonder een vergunning van de Pensioen- & Verzekeringskamer of dit bedrijf uit te oefenen in een branche waarvoor de Verzekeringskamer geen vergunning heeft verleend.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat die bevoegd is in Nederland een bijkantoor te hebben.
1.
Bij de aanvraag van een vergunning legt de aanvrager aan de Pensioen- & Verzekeringskamer een programma van werkzaamheden over.
2.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het programma van werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid.
1.
Indien voor de eerste maal een vergunning wordt aangevraagd, legt de aanvrager tevens aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over:
a. een authentiek afschrift van de akte van oprichting, een exemplaar van zijn statuten alsmede een lijst met namen en adressen van zijn bestuurders en commissarissen;
b. een lijst met namen en adressen van de personen die het dagelijks beleid bepalen van de groep waartoe de aanvrager behoort en tevens uit dien hoofde het dagelijks beleid van de aanvrager mede bepalen;
c. een lijst met namen en adressen van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de aanvrager behoort en tevens uit dien hoofde het beleid van de aanvrager mede bepalen;
d. gegevens over de identiteit van degenen die een gekwalificeerde deelneming houden in de onderneming van de aanvrager alsmede over de omvang van die deelneming;
e. gegevens over de formele en de feitelijke zeggenschapsstructuur van de groep waartoe de aanvrager behoort, en
f. de voorgenomen maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering, met uitzondering van de maatregelen ter naleving van de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
2.
Indien de aanvraag betrekking heeft op een vergunning voor de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen, legt de aanvrager voorts aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over:
a. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de aanvrager is aangesloten bij het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
b. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de aanvrager zich heeft gemeld bij het Waarborgfonds Motorverkeer teneinde te voldoen aan zijn verplichtingen jegens dat fonds uit hoofde van de artikelen 24, eerste lid , en 24 a , eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen ; en
c. een opgave van de naam en het adres van de schaderegelaar, bedoeld in artikel 52, eerste lid, onderdeel e, die hij in iedere andere lid-staat dan Nederland heeft aangesteld.
1.
Een vergunning wordt voor een branche verleend.
2.
In afwijking van artikel 24, eerste lid, mogen in de uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf, naast de risico’s die behoren tot de branche waarvoor de vergunning is verleend, tevens risico’s worden verzekerd die behoren tot een of meer andere branches, mits deze risico’s naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer als bijkomende risico’s kunnen worden beschouwd, omdat zij:
a. samenhangen met het hoofdrisico dat behoort tot de branche waarvoor de vergunning is verleend;
b. betrekking hebben op het belang of gevaarsobject dat is verzekerd tegen het hoofdrisico; en
c. worden verzekerd bij dezelfde overeenkomst als het hoofdrisico.
3.
De risico’s van de branches Krediet en Borgtocht mogen evenwel niet als bijkomende risico’s met andere branches worden gecombineerd.
4.
De risico’s van de branche Rechtsbijstand mogen uitsluitend als bijkomende risico’s worden gecombineerd met de branche Hulpverlening en met branches waarbij risico’s worden verzekerd die verband houden met het gebruik van zeeschepen.
1.
Verzekeraars met zetel in Nederland dienen de rechtsvorm van naamloze vennootschap of onderlinge waarborgmaatschappij te bezitten. Zij kunnen eveneens de rechtsvorm aannemen van een Europese vennootschap zodra deze bestaat.
2.
Het dagelijks beleid van een verzekeraar wordt bepaald door ten minste twee personen.
3.
Een verzekeraar die de rechtsvorm van naamloze vennootschap of Europese vennootschap bezit, heeft ten minste drie commissarissen als bedoeld in artikel 140 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
4.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan aan een verzekeraar van het bepaalde in het tweede of derde lid ontheffing verlenen en aan deze ontheffing beperkingen stellen of voorschriften verbinden, onverminderd het bepaalde in artikel 158 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Een ontheffing kan worden ingetrokken.
5.
Een verzekeraar behoort niet tot een groep waarbinnen de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze, naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer, een belemmering vormt voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de verzekeraar.
6.
Indien een verzekeraar in een groep is verbonden met een natuurlijke of rechtspersoon op wie, onderscheidenlijk waarop, het recht van een staat die geen lid is van de Unie van toepassing is, mag het recht van die staat, naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer, niet een belemmering vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de verzekeraar.
1.
De deskundigheid van de personen die het dagelijks beleid van een verzekeraar bepalen, dient naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer voldoende te zijn in verband met de uitoefening van het verzekeringsbedrijf.
2.
De voornemens, de handelingen of de antecedenten van de personen die het beleid van de verzekeraar bepalen of mede bepalen, mogen de Pensioen- & Verzekeringskamer geen aanleiding geven tot het oordeel dat, met het oog op de belangen van degenen die als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen betrokken zijn of zullen worden bij overeenkomsten van verzekering, gesloten of te sluiten met de verzekeraar, de betrouwbaarheid van deze personen niet buiten twijfel staat.
3.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de personen die het dagelijks beleid bepalen van de groep waartoe de verzekeraar behoort, voor zover zij tevens uit dien hoofde het dagelijks beleid van de verzekeraar mede bepalen.
4.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de personen die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de verzekeraar behoort en tevens uit dien hoofde het beleid van de verzekeraar mede bepalen.
Artikel 29a
De personen die het dagelijks beleid van een verzekeraar bepalen, verrichten hun werkzaamheden in verband daarmee vanuit Nederland.
Artikel 30
De geschiktheid van de houders van een gekwalificeerde deelneming in de onderneming van de aanvrager dient naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer voldoende te zijn met het oog op een gezonde, prudente en integere bedrijfsvoering van de verzekeraar. Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit artikel verstaan de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
Artikel 31
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen in kennis van de verlening van een vergunning aan een dochtermaatschappij met zetel in Nederland van een onderneming met zetel buiten de Unie, onder opgave van de formele zeggenschapsstructuur van de groep waartoe de dochtermaatschappij behoort.
Artikel 32
De aanvrager van een vergunning dient te beschikken over:
a. het minimum bedrag van het garantiefonds dat krachtens artikel 68, tweede lid, voor de betrokken branche of branches geldt dan wel over de solvabiliteitsmarge die krachtens artikel 68, eerste of derde lid, is vereist op grond van de reeds door hem uitgeoefende branches, indien deze solvabiliteitsmarge hoger is dan bedoeld minimum bedrag;
b. financiële middelen tot dekking van de te verwachten kosten voor de inrichting van de administratie en van het produktienet.
1.
Een vergunning voor de branche Permanent health insurance wordt slechts verleend aan een verzekeraar die zich beperkt tot deze branche.
2.
Een vergunning voor de branche Kapitalisatieverrichtingen of voor de branche Beheer over collectieve pensioenfondsen wordt slechts verleend aan een verzekeraar die in het bezit is van een vergunning voor de branche Levensverzekering algemeen, die de werkzaamheden in de branche Kapitalisatieverrichtingen onderscheidenlijk in de branche Beheer over collectieve pensioenfondsen in zodanige mate uitoefent dat zij voor zijn gehele bedrijf van ondergeschikte betekenis zijn en die, indien het betreft de branche Beheer over collectieve pensioenfondsen, voorts voldoet aan de door de Pensioen- & Verzekeringskamer te zijnen aanzien gestelde voorwaarden.
Artikel 34
Indien de stukken die bij de aanvraag van een vergunning zijn overgelegd, de Pensioen- & Verzekeringskamer aanleiding geven tot het maken van opmerkingen, stelt zij de aanvrager in de gelegenheid op deze opmerkingen binnen een door haar te stellen termijn te antwoorden.
Artikel 35
De Pensioen- & Verzekeringskamer verleent een vergunning aan ieder die te haren genoegen heeft aangetoond dat hij aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen voor het verkrijgen van de vergunning voldoet, behoudens voor zover artikel 179, vierde lid, aanhef en onderdeel b, toepassing vindt.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer beslist binnen acht weken. Indien toepassing is gegeven aan artikel 34, begint de in de eerste volzin genoemde termijn op het tijdstip waarop de inlichtingen door de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn ontvangen.
2.
Met betrekking tot een aanvrager die dochtermaatschappij is van een onderneming met zetel buiten de Unie is het eerste lid niet van toepassing indien ingevolge artikel 179, vierde lid, aanhef en onderdeel b, de beslissing op de aanvraag is opgeschort.
3.
De Pensioen- & Verzekeringskamer doet van de verlening van een vergunning mededeling in de Staatscourant .
4.
Ten aanzien van een opvanginstelling wordt de mededeling, bedoeld in het derde lid, gedaan gelijktijdig met de portefeuille-overdracht.
1.
Een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan Nederland, die in het bezit is van een vergunning die overeenkomt met de in artikel 24, eerste lid, bedoelde vergunning, kan, met inachtneming van het derde lid, in Nederland een bijkantoor openen nadat de toezichthoudende autoriteit van die lid-staat de Pensioen- & Verzekeringskamer schriftelijk in kennis heeft gesteld van het voornemen van de verzekeraar tot het openen van het bijkantoor, onder bijvoeging van gegevens die overeenkomen met die van artikel 80, tweede lid, onderdelen b tot en met d , en van een verklaring dat de verzekeraar beschikt over de vereiste solvabiliteitsmarge. Indien de verzekeraar risico’s behorende tot de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen wenst te dekken voegt de betrokken toezichthoudende autoriteit bij de inkennisstelling, bedoeld in de eerste volzin, tevens:
a. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de verzekeraar is aangesloten bij het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
b. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de verzekeraar zich heeft gemeld bij het Waarborgfonds Motorverkeer teneinde te voldoen aan zijn verplichtingen jegens dat fonds uit hoofde van de artikelen 24 , eerste lid, en 24 a , eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen .
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, de betrokken toezichthoudende autoriteit berichten welke voorwaarden om redenen van algemeen belang in acht moeten worden genomen bij het uitoefenen van de werkzaamheden in Nederland.
3.
Na de verzending door de Pensioen- & Verzekeringskamer van dit bericht dan wel van de mededeling dat geen zodanig bericht zal volgen, maar in elk geval twee maanden nadat de Pensioen- & Verzekeringskamer de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, heeft ontvangen, kan de verzekeraar het bijkantoor openen.
4.
De Pensioen- & Verzekeringskamer doet van de bevoegdheid van een verzekeraar een bijkantoor te openen mededeling in de Staatscourant .
1.
Indien zich een wijziging voordoet van de gegevens die overeenkomen met die van artikel 80, tweede lid, onderdelen b tot en met d, kan de verzekeraar die wijziging met inachtneming van het vierde lid toepassen na haar ten minste een maand tevoren schriftelijk te hebben gemeld aan de Pensioen- & Verzekeringskamer en nadat de betrokken toezichthoudende autoriteit de Pensioen- & Verzekeringskamer van die wijziging in kennis heeft gesteld, onder bijvoeging van een verklaring dat de verzekeraar beschikt over de vereiste solvabiliteitsmarge.
2.
Indien een wijziging als bedoeld in het eerste lid het geval betreft dat de verzekeraar voornemens is voor de eerste maal risico’s behorende tot de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen te dekken, voegen de verzekeraar en de betrokken toezichthoudende autoriteit bij de melding onderscheidenlijk de inkennisstelling, bedoeld in het eerste lid, tevens schriftelijke bewijzen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdelen a en b.
3.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan binnen een maand na ontvangst van de melding, bedoeld in het eerste lid, de betrokken toezichthoudende autoriteit berichten welke voorwaarden om redenen van algemeen belang in acht moeten worden genomen bij het uitoefenen van de werkzaamheden in Nederland.
4.
De verzekeraar kan de wijziging in elk geval toepassen na de verzending door de Pensioen- & Verzekeringskamer aan de betrokken toezichthoudende autoriteit van het bericht, bedoeld in het derde lid, dan wel van de mededeling dat geen zodanig bericht zal volgen.
5.
Indien het voornemen bestaat om de bedrijfsuitoefening vanuit het bijkantoor te staken, stelt de verzekeraar de Pensioen- & Verzekeringskamer daarvan ten minste een maand tevoren schriftelijk in kennis. Zodra de verzekeraar zijn voornemen uitvoert, meldt hij dit onverwijld aan de Pensioen- & Verzekeringskamer, die daarvan mededeling doet in de Staatscourant .
1.
Bij de aanvraag van een vergunning legt een verzekeraar met zetel buiten de Unie aan de Pensioen- & Verzekeringskamer een programma van werkzaamheden over.
2.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het programma van werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid.
1.
Indien voor de eerste maal een vergunning wordt aangevraagd, legt de verzekeraar tevens aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over:
a. een authentiek afschrift van de akte van oprichting, een exemplaar van zijn statuten alsmede een lijst met namen en adressen van zijn bestuurders en commissarissen;
b. de akte van aanstelling van de vertegenwoordiger alsook, indien de vertegenwoordiger rechtspersoon is, de statuten van deze rechtspersoon, een uittreksel uit diens inschrijving in het handelsregister en de akte van aanstelling van de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 45, vijfde lid,
c. gegevens waaruit blijkt dat de verzekeraar zowel in zijn bijkantoor als in de staat van zijn zetel beschikt over een goede administratieve organisatie en adequate interne controleprocedures; en
d. gegevens waaruit blijkt dat de verzekeraar zowel in zijn bijkantoor als in de staat van zijn zetel beschikt over adequate maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering.
Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit artikel verstaan de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
2.
Indien de aanvraag betrekking heeft op een vergunning voor de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen, legt de verzekeraar voorts aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over:
a. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de verzekeraar is aangesloten bij het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
b. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de verzekeraar zich heeft gemeld bij het Waarborgfonds Motorverkeer teneinde te voldoen aan zijn verplichtingen jegens dat fonds uit hoofde van de artikelen 24 , eerste lid, en 24 a , eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen ; en
c. een opgave van de naam en het adres van de schaderegelaar, bedoeld in artikel 52, eerste lid, onderdeel e, die hij in iedere andere lid-staat dan Nederland heeft aangesteld.
3.
De modellen van de akten van aanstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b , worden door de Pensioen- & Verzekeringskamer vastgesteld.
1.
Een vergunning wordt voor een branche verleend.
2.
In afwijking van artikel 24, eerste lid, mogen in de uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf, naast de risico’s die behoren tot de branche waarvoor de vergunning is verleend, tevens risico’s worden verzekerd die behoren tot een of meer andere branches, mits deze risico’s naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer als bijkomende risico’s kunnen worden beschouwd, omdat zij:
a. samenhangen met het hoofdrisico dat behoort tot de branche waarvoor de vergunning is verleend;
b. betrekking hebben op het belang of gevaarsobject dat is verzekerd tegen het hoofdrisico; en
c. worden verzekerd bij dezelfde overeenkomst als het hoofdrisico.
3.
De risico’s van de branches Krediet en Borgtocht mogen evenwel niet als bijkomende risico’s met andere branches worden gecombineerd.
4.
De risico’s van de branche Rechtsbijstand mogen uitsluitend als bijkomende risico’s worden gecombineerd met de branche Hulpverlening en met branches waarbij risico’s worden verzekerd die verband houden met het gebruik van zeeschepen.
1.
Een verzekeraar die een vergunning aanvraagt dient:
a. naar het recht van de staat van zijn zetel rechtspersoon te zijn;
b. in de staat van zijn zetel bevoegd te zijn tot uitoefening van het betrokken directe verzekeringsbedrijf, dit bedrijf vanuit een vestiging in die staat daadwerkelijk uit te oefenen en bevoegd te zijn een bijkantoor in Nederland te openen;
c. met betrekking tot zijn gehele in en buiten Nederland uitgeoefende verzekeringsbedrijf over een solvabiliteitsmarge te beschikken, die ten minste overeenkomt met de ingevolge artikel 68 vereiste solvabiliteitsmarge;
d. met inachtneming van artikel 96, tweede lid, te beschikken over het minimum bedrag van het garantiefonds dat krachtens artikel 96, eerste lid, voor de betrokken branche of branches geldt dan wel over de solvabiliteitsmarge die krachtens artikel 96, eerste lid, is vereist op grond van de reeds door hem uitgeoefende branches, indien deze solvabiliteitsmarge hoger is dan bedoeld minimum bedrag;
e. ten minste de helft van het in onderdeel d bedoelde minimum bedrag van het garantiefonds aan te houden in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen waarden volgens de daarbij te stellen regels;
f. te beschikken over financiële middelen tot dekking van de te verwachten kosten voor de inrichting van de administratie en van het produktienet in Nederland.
2.
In de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e , kan worden voorgeschreven dat de verzekeraar voor bepaalde handelingen toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer behoeft.
1.
Een vergunning voor het levensverzekeringsbedrijf wordt niet verleend aan een verzekeraar die in of buiten Nederland het schadeverzekeringsbedrijf uitoefent.
2.
Het eerste lid geldt niet voor de verzekeraar die sedert 15 maart 1979 vanuit de bijkantoren in Nederland uitsluitend het levensverzekeringsbedrijf uitoefent.
1.
Een vergunning voor de branche Permanent health insurance wordt slechts verleend aan een verzekeraar die zich in en buiten Nederland beperkt tot deze branche.
2.
Een vergunning voor de branche Kapitalisatieverrichtingen of voor de branche Beheer over collectieve pensioenfondsen wordt slechts verleend aan een verzekeraar die in het bezit is van een vergunning voor de branche Levensverzekering algemeen, die de werkzaamheden in de branche Kapitalisatieverrichtingen onderscheidenlijk in de branche Beheer over collectieve pensioenfondsen in zodanige mate uitoefent dat zij voor zijn gehele bedrijf van ondergeschikte betekenis zijn en die, indien het betreft de branche Beheer over collectieve pensioenfondsen, voorts voldoet aan de door de Pensioen- & Verzekeringskamer te zijnen aanzien gestelde voorwaarden.
1.
De verzekeraar stelt als zijn vertegenwoordiger een natuurlijk persoon of een rechtspersoon aan, die zijn woonplaats in Nederland heeft.
2.
De vertegenwoordiger heeft ten aanzien van de uitoefening van het verzekeringsbedrijf vanuit de bijkantoren in Nederland van rechtswege alle bevoegdheden die de verzekeraar bezit. Hij maakt daarvan gebruik voor zover de Pensioen- & Verzekeringskamer zulks verlangt.
3.
De vertegenwoordiger is gehouden namens de verzekeraar te voldoen aan de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften. Het ontbreken van de vertegenwoordiger of zijn in gebreke zijn ontslaat de verzekeraar niet van de verplichting te voldoen aan deze voorschriften.
4.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan ambtshalve of op aanvraag van de verzekeraar ontheffing verlenen van het bepaalde in de eerste volzin van het derde lid. Aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld of voorschriften worden verbonden en zij kan worden ingetrokken.
5.
Is de vertegenwoordiger rechtspersoon, dan wijst hij op zijn beurt een natuurlijk persoon aan die in Nederland zijn woonplaats heeft en die hem bij uitsluiting van ieder ander vertegenwoordigt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en bij de nakoming van zijn uit deze wet voortvloeiende verplichtingen.
6.
Als woonplaats van de verzekeraar in Nederland geldt de woonplaats van zijn vertegenwoordiger, met dien verstande dat, indien de vertegenwoordiger een natuurlijk persoon is die een kantoor houdt, dit kantoor als woonplaats van de verzekeraar wordt aangemerkt.
7.
Artikel 29, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de natuurlijke persoon die als vertegenwoordiger is aangesteld en op de natuurlijke persoon, bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 46
Indien de stukken die bij de aanvraag van een vergunning zijn overgelegd, de Pensioen- & Verzekeringskamer aanleiding geven tot het maken van opmerkingen, stelt zij de verzekeraar in de gelegenheid op deze opmerkingen binnen een door haar te stellen termijn te antwoorden.
Artikel 47
De Pensioen- & Verzekeringskamer verleent een vergunning aan ieder die te haren genoegen heeft aangetoond dat hij aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen voor het verkrijgen van de vergunning voldoet.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer beslist binnen acht weken. Indien toepassing is gegeven aan artikel 46, begint de in de eerste volzin genoemde termijn op het tijdstip waarop de inlichtingen door de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn ontvangen.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer doet van de verlening van een vergunning mededeling in de Staatscourant .
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, in overeenstemming met de toezichthoudende autoriteiten van de lid-staten waar een verzekeraar eveneens een bijkantoor heeft of een bijkantoor wil openen, aan deze verzekeraar op zijn aanvraag een verklaring afgeven, inhoudende dat in afwijking van artikel 42, eerste lid, aanhef en onderdelen d en e, en artikel 96, vanaf het in de verklaring vermelde tijdstip:
a. de solvabiliteitsmarge wordt berekend op basis van het gehele schadeverzekeringsbedrijf dan wel levensverzekeringsbedrijf dat de verzekeraar vanuit de bijkantoren in de Unie uitoefent;
b. de waarden die het garantiefonds vertegenwoordigen, in de lid-staat van de in het tweede lid bedoelde toezichthoudende autoriteit aanwezig dienen te zijn; en
c. ten minste de helft van het minimum bedrag van het garantiefonds dient te worden aangehouden in waarden volgens de regels die terzake gelden in de lid-staat van de in het tweede lid bedoelde toezichthoudende autoriteit.
2.
De verzekeraar doet in zijn aanvraag een met redenen omklede keuze van de toezichthoudende autoriteit die zich zal belasten met het toezicht op de solvabiliteitsmarge, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a .
3.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan aan een op grond van dit artikel afgegeven verklaring beperkingen stellen of voorschriften verbinden.
4.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de verklaring intrekken. Alvorens daartoe over te gaan verzoekt de Pensioen- & Verzekeringskamer de toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten die een overeenkomstige verklaring hebben afgegeven, deze verklaring eveneens in te trekken op het door haar aangegeven tijdstip.
5.
De Pensioen- & Verzekeringskamer trekt de verklaring tevens in, indien de toezichthoudende autoriteit van een van de andere betrokken lid-staten zulks verzoekt. Alsdan gaat de intrekking door de Pensioen- & Verzekeringskamer niet eerder in dan op het tijdstip dat is aangegeven door de toezichthoudende autoriteit die om de intrekking heeft verzocht.
6.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter zake van het bepaalde in de voorgaande leden nadere regels worden gesteld.
Artikel 50
Dit hoofdstuk is, behoudens de artikelen 51, 53 en 55 tot en met 57, niet van toepassing op verzekeraars met zetel buiten Nederland voor wat betreft het verrichten van diensten naar Nederland.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot aan het publiek te verstrekken informatie door verzekeraars.
2.
Onze Minister kan, op aanvraag, bepalen dat een verzekeraar niet behoeft te voldoen aan alle in het eerste lid bedoelde regels, indien de verzekeraar aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet volledig kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken anderszins voldoende zijn bereikt. Onze Minister kan een besluit als bedoeld in de vorige volzin wijzigen of intrekken, indien naar zijn oordeel de omstandigheden waaronder het besluit is genomen zodanig zijn gewijzigd, dat de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken niet langer worden bereikt.
3.
De artikelen 54, eerste en tweede lid, 55 en 186, eerste, derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
4.
Taken en bevoegdheden die Onze Minister op grond van dit artikel heeft, kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van dit artikel jegens Onze Minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.
5.
Een overdracht als bedoeld in het vierde lid vindt slechts plaats, indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten voldoet:
a. hij dient in staat te zijn de in het vierde lid bedoelde taken en bevoegdheden naar behoren te vervullen;
b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binnen de rechtspersoon, dat een onafhankelijke vervulling van de in het vierde lid bedoelde taken en bevoegdheden zo veel mogelijk is gewaarborgd.
6.
Aan de overdracht, bedoeld in het vierde lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
1.
Een verzekeraar mag de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen vanuit een vestiging in Nederland niet uitoefenen:
a. zonder te zijn aangesloten bij het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
b. zonder zijn verplichtingen jegens het Waarborgfonds Motorverkeer na te komen uit hoofde van de artikelen 24 , eerste lid, en 24 a , eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen ;
c. zonder zijn verplichtingen na te komen tot kennisgeving uit hoofde van artikel 13, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen jegens het overheidsorgaan aldaar bedoeld;
d. zonder dat zijn voorwaarden van verzekering voldoen aan de door de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen gestelde eisen; en
e. zonder dat hij in iedere andere lid-staat dan Nederland een schaderegelaar heeft aangesteld die belast is met het namens hem behandelen en afwikkelen van vorderingen van benadeelden die aanspraak kunnen maken op schadevergoeding ten gevolge van feiten, veroorzaakt door deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen die gewoonlijk zijn gestald en verzekerd in een andere lid-staat dan Nederland en die zich ofwel hebben voorgedaan in een andere lid-staat dan die van de woonplaats van de benadeelde, ofwel in een staat buiten de Unie waar een nationaal bureau werkzaam is, dat overeenkomt met het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.
2.
De schaderegelaar heeft zijn woonplaats of vestiging in de lid-staat waar hij is aangesteld. Vorderingen van benadeelden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, behandelt en wikkelt hij af in de officiële taal of de officiële talen van die lid-staat.
3.
De schaderegelaar houdt zich namens de verzekeraar niet bezig met de uitoefening van het verzekeringsbedrijf. Evenmin wordt hij beschouwd als een vestiging van de verzekeraar in de zin van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PbEG L 12 van 16 januari 2001), onderscheidenlijk het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van de beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PbEG C 27 van 26 februari 1998).
4.
Een verzekeraar aan wie vergunning is verleend voor de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen meldt binnen twee weken na de aanvang van de uitoefening van die branche aan het Informatiecentrum, bedoeld in artikel 27b van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en aan het informatiecentrum in iedere andere lid-staat, de naam en het adres van de door hem in iedere lid-staat aangestelde schaderegelaar. De verzekeraar stelt de in de eerste volzin bedoelde informatiecentra en de Pensioen- & Verzekeringskamer binnen twee weken in kennis van een wijziging in de naam of het adres van de desbetreffende schaderegelaar.
5.
De verzekeraar van degene die de schade heeft veroorzaakt of zijn schaderegelaar geeft binnen drie maanden na de datum waarop een benadeelde zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend:
a. een met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding indien de aansprakelijkheid niet wordt betwist en de omvang van de schade is vastgesteld; of
b. een met redenen omkleed antwoord op alle punten van het verzoek tot schadevergoeding indien de aansprakelijkheid wordt betwist of de omvang van de schade nog niet volledig is vastgesteld.
Op dit lid is artikel 119 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
6.
Een verzekeraar aan wie vergunning is verleend voor de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen legt binnen twee weken na de aanvang van de uitoefening van die branche aan de Pensioen- & Verzekeringskamer een door hem ondertekende verklaring over dat zijn voorwaarden van verzekering voldoen aan de door de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen gestelde eisen.
7.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen aan een verzekeraar die geen aansprakelijkheden dekt ten aanzien waarvan de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen van toepassing is en die de risico’s van de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitsluitend als bijkomende risico’s dekt. Aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld of voorschriften worden verbonden en zij kan worden ingetrokken.
Artikel 53
Een levensverzekeraar draagt er zorg voor dat in individuele overeenkomsten van levensverzekering die een looptijd van meer dan zes maanden hebben, uitdrukkelijk wordt bepaald dat de verzekeringnemer beschikt over een termijn van 30 kalenderdagen, gerekend vanaf het tijdstip waarop de verzekeringnemer ervan in kennis wordt gesteld dat de overeenkomst is gesloten, om de overeenkomst met onmiddellijke ingang schriftelijk op te zeggen. De kennisgeving van de verzekeraar geschiedt schriftelijk binnen vier weken na het sluiten van de overeenkomst. De opzegging door de verzekeringnemer heeft ten gevolge dat hij en de verzekeraar met ingang van het tijdstip waarop de verzekeraar deze opzegging heeft ontvangen, worden ontheven van alle uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen.
1.
Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer zulks noodzakelijk acht in het belang van degenen die als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen betrokken zijn of zullen worden bij overeenkomsten van verzekering, gesloten of te sluiten door een verzekeraar, kan zij die verzekeraar een aanwijzing geven.
2.
De verzekeraar volgt een aanwijzing binnen de door de Pensioen- & Verzekeringskamer gestelde termijn op.
3.
Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer niet binnen twee weken na de bekendmaking van de aanwijzing een haar bevredigend antwoord van de verzekeraar heeft ontvangen of naar haar oordeel niet of onvoldoende aan haar aanwijzing is gevolg gegeven, kan zij:
a. de verzekeraar aanzeggen, dat vanaf een bepaald tijdstip alle of bepaalde organen van de verzekeraar, daaronder voor de toepassing van dit artikel de vertegenwoordiger begrepen, hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na toestemming door een of meer door de Pensioen- & Verzekeringskamer aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen, welke aanzegging terstond van kracht wordt;
b. de verzekeraar aanzeggen, dat de Pensioen- & Verzekeringskamer van de aanwijzing mededeling zal doen in de Staatscourant en in een of meer dagbladen te harer keuze, bij welke mededeling, indien de verzekeraar dit verlangt, tevens de correspondentie wordt gepubliceerd, die naar aanleiding van de aanwijzing tussen de Pensioen- & Verzekeringskamer en de verzekeraar is gevoerd.
4.
Indien het in het eerste lid bedoelde belang onverwijld ingrijpen noodzakelijk maakt, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer zonder toepassing van het eerste lid onmiddellijk uitvoering geven aan onderdeel a van het derde lid, nadat zij de verzekeraar in de gelegenheid heeft gesteld zijn mening over de onmiddellijke uitvoering te geven.
5.
De organen van de verzekeraar verlenen de door de Pensioen- & Verzekeringskamer aangewezen personen alle medewerking. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de betrokken organen van de verzekeraar toestaan bepaalde handelingen zonder machtiging te verrichten.
6.
De door de Pensioen- & Verzekeringskamer aangewezen personen oefenen hun bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaren na de bekendmaking van de aanzegging, bedoeld in het derde lid, onderdeel a , behoudens de bevoegdheid van de Pensioen- & Verzekeringskamer om deze termijn te verlengen telkens voor ten hoogste een jaar. Een zodanige verlenging maakt de Pensioen- & Verzekeringskamer aan de verzekeraar bekend. De verlenging wordt terstond van kracht. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan te allen tijde de door haar aangewezen personen door anderen vervangen.
7.
Voor schade ten gevolge van handelingen, welke zijn verricht in strijd met een aanzegging als bedoeld in het derde lid, onderdeel a , zijn degenen, die deze handelingen als orgaan van de verzekeraar verrichten, persoonlijk aansprakelijk tegenover de verzekeraar. De verzekeraar kan de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de wederpartij wist, dat de vereiste toestemming ontbrak of daarvan niet onkundig kon zijn.
8.
De Pensioen- & Verzekeringskamer trekt in elk geval de maatregel, bedoeld in het derde lid, onderdeel a , in zodra zij van oordeel is, dat het in het eerste lid bedoelde belang deze maatregel niet langer noodzakelijk maakt.
9.
De werking van het besluit tot publikatie van een aanwijzing, bedoeld in het derde lid, onderdeel b , wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. Indien de verzekeraar na de publikatie alsnog voldoet aan de aanwijzing doet de Pensioen- & Verzekeringskamer hiervan op dezelfde wijze mededeling als bij de voorafgaande publikatie.
1.
Indien een verzekeraar tot een groep behoort en de deskundigheid of betrouwbaarheid van de in artikel 29, derde en vierde lid, bedoelde personen naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer niet langer buiten twijfel staat, kan deze aan de personen of instellingen die via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur het beleid bepalen van de groep waartoe de verzekeraar behoort, de aanwijzing geven dat de eerstgenoemde personen het beleid van die verzekeraar niet meer kunnen bepalen of mede bepalen.
2.
De personen en instellingen tot wie de aanwijzing is gericht, volgen deze binnen de door de Pensioen- & Verzekeringskamer gestelde termijn op.
3.
De personen en instellingen tot wie de aanwijzing is gericht, informeren de Pensioen- & Verzekeringskamer binnen de door haar gestelde termijn over de maatregelen die zijn getroffen om aan de aanwijzing gevolg te geven.
4.
De verzekeraar geeft geen gevolg aan algemene of bijzondere instructies van personen op wie een aanwijzing van de Pensioen- & Verzekeringskamer als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan bij:
een verzekeraar;
een vertegenwoordiger;
ondernemingen of instellingen die met een verzekeraar met zetel in Nederland in een groep zijn verbonden;
ondernemingen of instellingen die een gekwalificeerde deelneming houden in een verzekeraar met zetel in Nederland;
ondernemingen of instellingen waarop onderdeel c niet van toepassing is en waarin door een verzekeraar met zetel in Nederland of door een lid of meer leden tezamen van een in onderdeel c bedoelde groep voor meer dan vijftig procent rechtstreeks of middellijk wordt deelgenomen;
pools waarin verzekeraars ter egalisering van risico's samenwerken en daarmee vergelijkbare vormen van samenwerking tussen verzekeraars op verzekeringstechnisch gebied;
een ieder die zich naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer voordoet als verzekeraar,
alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen, die redelijkerwijs nodig zijn voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden die zij op grond van deze wet heeft en teneinde na te gaan of de bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen worden nageleefd.
2.
Degene van wie de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden verlangd, verstrekt deze binnen de door de Pensioen- & Verzekeringskamer te stellen termijn.
3.
Ten aanzien van personen die door de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn belast met het inwinnen van inlichtingen of met de uitoefening van andere taken en bevoegdheden die de Pensioen- & Verzekeringskamer heeft op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien een onderzoek als bedoeld in artikel 184, eerste lid, wordt ingesteld, de persoon bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.
Artikel 55a
Bij of krachtens de in de artikelen 70a en 98a bedoelde algemene maatregel van bestuur kan worden voorgeschreven dat verzekeraars bepaalde gegevens ter zake van de integere bedrijfsvoering aan de Pensioen- & Verzekeringskamer melden. Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit artikel verstaan de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan getuigen en deskundigen alsmede bestuurders en commissarissen van een verzekeraar en van een in artikel 55, eerste lid, bedoelde onderneming, instelling of pool en de betrokken vertegenwoordiger oproepen. Indien deze vertegenwoordiger rechtspersoon is, geldt deze bevoegdheid ten aanzien van de bestuurders en commissarissen van de vertegenwoordiger en ten aanzien van de door hem aangewezen natuurlijke persoon die hem vertegenwoordigt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en bij de nakoming van zijn verplichtingen.
2.
Deze personen zijn verplicht op die oproeping te verschijnen.
3.
De oproeping geschiedt op de wijze door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen.
4.
Bij oproeping door middel van dagvaarding wordt de tussenkomst van het Openbaar Ministerie ingeroepen en vinden de bepalingen aangaande het dagvaarden van getuigen en deskundigen in strafzaken overeenkomstige toepassing.
5.
Indien de opgeroepene niet op de dagvaarding verschijnt, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer daarvan proces-verbaal opmaken. Zij kan hem andermaal doen dagvaarden en daarbij een bevel tot medebrenging voegen of zodanig bevel laten uitvaardigen. Tot het ten uitvoer leggen van zodanig bevel verleent het Openbaar Ministerie zijn tussenkomst; de Pensioen- & Verzekeringskamer richt het verzoek daartoe tot de officier van justitie, hoofd van het parket bij de rechtbank binnen welker rechtsgebied de Pensioen- & Verzekeringskamer is gevestigd.
6.
De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen, behoudens verschoning wegens ambts- of beroepsgeheim. De deskundigen zijn verplicht hun taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten. De overige in het eerste lid bedoelde personen zijn verplicht alle gevraagde inlichtingen te verschaffen.
7.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de getuige de eed afnemen. Artikel 177 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van toepassing.
8.
De artikelen 17 en 23, eerste lid, van de Wet op de Parlementaire Enquête , zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat deskundigen niet worden gegijzeld.
9.
Het afnemen van verhoren van getuigen en deskundigen alsook van de overige in het eerste lid bedoelde personen geschiedt op een plaats, door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen. Zij kan een of meer van de leden van haar bestuur dan wel een of meer van haar medewerkers machtigen een verhoor als in de eerste volzin bedoeld af te nemen. Het afnemen van de eed geschiedt echter steeds door een lid van haar bestuur.
10.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kent aan getuigen en deskundigen op hun verlangen een vergoeding toe overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken .
Artikel 57
De toezichthoudende autoriteit van een andere lid-staat stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer van haar voornemen in kennis ten behoeve van het financiële toezicht op een in Nederland gelegen bijkantoor van een verzekeraar met zetel in die lid-staat gegevens te verifiëren. Degene bij wie gegevens worden geverifieerd verleent aan de toezichthoudende autoriteit en diens functionarissen alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van die verificatie. De Pensioen-& Verzekeringskamer kan aan die verificatie deelnemen of door personen, door haar bij uitdrukkelijke en bijzondere machtiging aangewezen, doen deelnemen.
1.
Een verzekeraar die uitsluitend de branche Rechtsbijstand uitoefent, draagt er zorg voor dat, voor zover de personeelsleden zich bezighouden met de schaderegeling of met het geven van juridische adviezen met betrekking tot deze regeling, zij niet terzelfder tijd dezelfde of soortgelijke werkzaamheden uitoefenen voor een andere verzekeraar die met eerstbedoelde verzekeraar financiële, commerciële of administratieve banden heeft en die een of meer andere branches uitoefent.
2.
De verzekeraar, bedoeld in het eerste lid, kan de schaderegeling geheel of gedeeltelijk toevertrouwen aan een juridisch zelfstandig schaderegelingskantoor dat:
a. wordt vermeld in de overeenkomst van verzekering; en
b. indien het financiële, commerciële of administratieve banden heeft met een verzekeraar die een of meer andere branches dan de branche Rechtsbijstand uitoefent, ervoor zorg draagt dat de personeelsleden en de leden van het leidinggevend orgaan die zich bezighouden met de schaderegeling of met het geven van juridische adviezen met betrekking tot deze regeling, niet terzelfder tijd voor deze verzekeraar dezelfde of soortgelijke werkzaamheden uitoefenen.
3.
De verzekeraar, bedoeld in het eerste lid, neemt, voor zover hij geen gebruik maakt van de in het eerste en tweede lid bedoelde methoden, in de overeenkomst van verzekering de bepaling op dat de verzekerde, zodra hij uit hoofde van deze overeenkomst recht heeft op rechtsbijstand, de behartiging van zijn belangen mag toevertrouwen aan een advocaat of een andere rechtens bevoegde deskundige van zijn keuze.
4.
Een verzekeraar die naast de branche Rechtsbijstand een of meer andere branches uitoefent, kan de schaderegeling geheel of gedeeltelijk toevertrouwen aan een juridisch zelfstandig schaderegelingskantoor dat:
a. wordt vermeld in de overeenkomst van verzekering; en
b. indien het financiële, commerciële of administratieve banden heeft met een verzekeraar die een of meer andere branches dan de branche Rechtsbijstand uitoefent, ervoor zorg draagt dat de personeelsleden en de leden van het leidinggevende orgaan die zich bezighouden met de schaderegeling of met het geven van juridische adviezen met betrekking tot deze regeling, niet terzelfder tijd voor deze verzekeraar dezelfde of soortgelijke werkzaamheden uitoefenen.
5.
De verzekeraar, bedoeld in het vierde lid, neemt, voor zover hij geen gebruik maakt van de in dat lid bedoelde methode, in de overeenkomst van verzekering de bepaling op dat de verzekerde, zodra hij uit hoofde van deze overeenkomst recht heeft op rechtsbijstand, de behartiging van zijn belangen mag toevertrouwen aan een advocaat of een andere rechtens bevoegde deskundige van zijn keuze.
Artikel 59
Een verzekeraar die de branche Rechtsbijstand uitoefent, draagt er zorg voor dat de inhoud van de rechtsbijstanddekking wordt opgenomen in hetzij een afzonderlijke overeenkomst hetzij een afzonderlijk hoofdstuk van de overeenkomst van verzekering indien deze tevens risico’s van andere branches dekt.
Artikel 60
Een verzekeraar die overeenkomstig artikel 58, eerste, tweede of vierde lid, de branche Rechtsbijstand uitoefent, draagt er zorg voor dat uitdrukkelijk in de overeenkomst van verzekering wordt bepaald dat het de verzekerde in ieder geval vrij staat een advocaat of een andere rechtens bevoegde deskundige te kiezen indien:
a. een advocaat of een andere rechtens bevoegde deskundige wordt verzocht de belangen van de verzekerde in een gerechtelijke of administratieve procedure te verdedigen, te vertegenwoordigen of te behartigen;
b. zich een belangenconflict voordoet.
Artikel 61
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 60 draagt er zorg voor dat uitdrukkelijk in de overeenkomst van verzekering wordt voorzien in een scheidsrechterlijke procedure of een andere procedure die vergelijkbare garanties inzake objectiviteit biedt, teneinde te bepalen welke gedragslijn er bij verschil van mening tussen de verzekeraar dan wel het juridisch zelfstandige schaderegelingskantoor en de verzekerde zal worden gevolgd voor de regeling van het geschil waarvoor een beroep op rechtsbijstandverzekering wordt gedaan.
Artikel 62
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 60 dan wel een juridisch zelfstandig schaderegelingskantoor als bedoeld in artikel 58, tweede of vierde lid, draagt er zorg voor dat, telkens wanneer zich een belangenconflict voordoet of er een verschil van mening bestaat over de regeling van het geschil, de verzekerde op de hoogte wordt gebracht van het in artikel 60 bedoelde recht onderscheidenlijk van de mogelijkheid gebruik te maken van de in artikel 61 bedoelde procedure.
Artikel 63
De artikelen 58 tot en met 62 zijn niet van toepassing op:
a. de door een verzekeraar verleende rechtsbijstand voor zover deze betrekking heeft op risico’s die verband houden met het gebruik van zeeschepen;
b. de door een verzekeraar als bijkomend risico bij de branche Hulpverlening verleende rechtsbijstand in een andere staat dan die waar de verzekerde zijn woonplaats heeft voor zover:
1°. deze rechtsbijstand deel uitmaakt van een overeenkomst van verzekering die alleen betrekking heeft op hulpverlening; en
2°. in de overeenkomst afzonderlijk is verklaard dat de rechtsbijstanddekking is beperkt tot de in dit onderdeel bedoelde omstandigheden en slechts een aanvulling vormt op de hulpverlening.
1.
Een verzekeraar met zetel in Nederland mag geen ander bedrijf dan hetzij het schadeverzekeringsbedrijf hetzij het levensverzekeringsbedrijf uitoefenen.
2.
Een schadeverzekeraar mag geen schaden verzekeren, veroorzaakt door of ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer en muiterij. In overeenkomsten van zee-, transport-, luchtvaart- en reisverzekering mogen evenwel de algemeen gebruikelijke molestclausules worden opgenomen zolang de Pensioen- & Verzekeringskamer daartegen geen bedenkingen naar voren heeft gebracht.
Artikel 65
Een levensverzekeraar doet binnen twee weken na het voor de eerste maal sluiten van een nieuw type overeenkomst van verzekering aan de Pensioen- & Verzekeringskamer opgave van de technische grondslagen voor de berekening van het desbetreffende tarief en van de desbetreffende technische voorzieningen.
1.
Een verzekeraar met zetel in Nederland houdt toereikende technische voorzieningen aan.
2.
Een levensverzekeraar stelt, rekening houdend met alle financiële aspecten van zijn onderneming, de premies voor te sluiten overeenkomsten van verzekering op adequate wijze vast.
3.
[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter zake van het eerste tot en met het derde lid nadere regels worden gesteld.
5.
De technische voorzieningen worden volledig door waarden gedekt, ten aanzien waarvan is voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan tegen de aard en de waardering van deze waarden bedenkingen naar voren brengen, aan welke bedenkingen de verzekeraar dient tegemoet te komen.
6.
De waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen moeten in toereikende mate in dezelfde muntsoort kunnen worden geïnd of te gelde gemaakt als die waarin de verplichtingen luiden. Deze waarden moeten in de Unie aanwezig zijn voor zover zij dienen tot dekking van de technische voorzieningen voor aangegane verplichtingen indien wat schadeverzekeraars betreft het risico in de Unie is gelegen en wat levensverzekeraars betreft de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats in de Unie heeft, of, indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is, de vestiging van deze rechtspersoon waarop de verzekering betrekking heeft, zich in de Unie bevindt.
7.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het bepaalde in het zesde lid. Daarbij kan tevens worden bepaald dat en in hoeverre de Pensioen- & Verzekeringskamer vrijstelling of ontheffing kan verlenen van gegeven voorschriften. Aan een vrijstelling en een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld of voorschriften worden verbonden en zij kunnen worden ingetrokken.
8.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat en in hoeverre vorderingen op herverzekeraars als de waarden, bedoeld in het vijfde lid, in aanmerking kunnen worden genomen. Ten aanzien van deze waarden is het zesde lid, laatste volzin, niet van toepassing.
1.
Een verzekeraar met zetel in Nederland dekt de verplichtingen die voortvloeien uit de vorderingen, bedoeld in artikel 171, tweede lid, onderdelen b, c en d, dan wel uit de vorderingen, bedoeld in artikel 171, derde lid, onderdelen a, b en c, volledig door waarden, ten aanzien waarvan wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan tegen de aard en de waardering van deze waarden bedenkingen naar voren brengen, aan welke bedenkingen de verzekeraar dient tegemoet te komen.
2.
De waarden die dienen tot dekking van de in het eerste lid genoemde verplichtingen moeten in toereikende mate in dezelfde muntsoort kunnen worden geïnd of te gelde gemaakt als die waarin de verplichtingen luiden. De waarden moeten in de Unie aanwezig zijn.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het bepaalde in het tweede lid. Daarbij kan tevens worden bepaald dat en in hoeverre de Pensioen- & Verzekeringskamer vrijstelling of ontheffing kan verlenen van de nadere regels. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld of voorschriften worden verbonden en zij kunnen worden ingetrokken.
1.
Een verzekeraar met zetel in Nederland beschikt over een minimum bedrag aan solvabiliteitsmarge dat wordt berekend op de wijze, voorgeschreven bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. De berekening van de solvabiliteitsmarge kan voor onderscheiden categorieën van verzekeraars verschillend zijn.
2.
Een derde gedeelte van de overeenkomstig het eerste lid berekende solvabiliteitsmarge vormt het garantiefonds. Het garantiefonds beloopt evenwel ten minste een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag, waarvan de hoogte afhankelijk is van de branche of branches waarvoor de verzekeraar een vergunning bezit.
3.
In afwijking van het eerste lid beloopt de solvabiliteitsmarge ten minste het voor de verzekeraar geldende minimum bedrag van het garantiefonds.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke vermogensbestanddelen de solvabiliteitsmarge en het garantiefonds kunnen vormen en welke vermogensbestanddelen daarbij een aftrek dienen te vormen. Voorts wordt vermeld de mate waarin en de voorwaarden waaronder het in de eerste volzin bepaalde geschiedt. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan tegen de waardering van de vermogensbestanddelen bedenkingen naar voren brengen, aan welke bedenkingen de verzekeraar tegemoet dient te komen.
5.
Indien een verzekeraar weet of redelijkerwijze kan voorzien dat zijn solvabiliteitsmarge niet voldoet of zal voldoen aan de eisen die daaraan krachtens het eerste of derde lid zijn gesteld, of dat zijn solvabiliteitsmarge niet of niet meer voldoet aan het door de Pensioen- & Verzekeringskamer op grond van artikel 137a, tweede lid, hoger voorgeschreven minimum bedrag aan vereiste solvabiliteitsmarge doet hij hiervan terstond aan de Pensioen- & Verzekeringskamer mededeling.
6.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald dat en in hoeverre vorderingen op herverzekeraars als de vermogensbestanddelen, bedoeld in het vierde lid, in aanmerking kunnen worden genomen.
1.
Bij koninklijk besluit kan, zonodig onder het stellen van beperkingen of het verbinden van voorschriften, een levensverzekeraar die sedert 15 maart 1979 uitsluitend of nagenoeg uitsluitend uitkeringen bij overlijden verzekert, waarvan het bedrag per verzekerde niet groter is dan het gemiddelde bedrag van de kosten van uitvaart, worden ontheven van de verplichting te beschikken over het minimum bedrag van het garantiefonds, bedoeld in artikel 68, tweede lid.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verzekeraar aan wie de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, is verleend, toestaan over een lagere solvabiliteitsmarge te beschikken dan ingevolge artikel 68, eerste lid, is vereist.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de verzekeraar die zijn werkzaamheden uitbreidt met een of meer branches voor de uitoefening waarvan hij een vergunning behoeft of die in een andere lid-staat een bijkantoor wil openen dan wel zijn werkzaamheden aldaar wil uitbreiden.

§ 3a. Aanvullend toezicht op verzekeraars in een verzekeringsgroep als bedoeld in richtlijn nr. 98/78/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 oktober 1998 betreffende het aanvullend toezicht op verzekeringsondernemingen in een verzekeringsgroep (PbEG L 330)

Artikel 69a
In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt – voor zover niet anders blijkt – verstaan onder:
a. verzekeraar: een schadeverzekeraar of een levensverzekeraar met zetel in Nederland waaraan ingevolge artikel 24, eerste lid, een vergunning is verleend of een schadeverzekeraar of een levensverzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan Nederland die in het bezit is van een vergunning die overeenkomt met de in artikel 24, eerste lid, bedoelde vergunning;
b. verzekeraar met zetel buiten de Unie: een schadeverzekeraar of een levensverzekeraar met zetel buiten de Unie die, indien hij zijn zetel in Nederland of in een andere lid-staat dan Nederland had, een vergunning ingevolge artikel 24, eerste lid, zou kunnen krijgen onderscheidenlijk een vergunning die overeenkomt met de in artikel 24, eerste lid, bedoelde vergunning;
c. herverzekeraar: een verzekeraar die geen verzekeraar is als bedoeld in onderdeel a of b en waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit het accepteren van door een verzekeraar, door een verzekeraar met zetel buiten de Unie of door een andere herverzekeraar overgedragen risico's;
d. moederonderneming: een moederonderneming als bedoeld in artikel 1 van de zevende richtlijn nr. 83/349/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g, van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (PbEG L 193), alsmede iedere onderneming die naar de mening van de Pensioen- & Verzekeringskamer feitelijk een overheersende invloed op een andere onderneming uitoefent;
e. dochteronderneming: een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek , alsmede iedere onderneming waarop naar de mening van de Pensioen- & Verzekeringskamer een moederonderneming feitelijk een overheersende invloed uitoefent;
f. deelneming: een deelneming als bedoeld in artikel 24c, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek , of een rechtstreeks of middellijk belang van 20 procent of meer van het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van 20 procent of meer van de stemrechten in een onderneming;
g. deelnemende onderneming: een onderneming die een moederonderneming is of iedere andere onderneming die een deelneming bezit;
h. verbonden onderneming: een dochteronderneming of iedere andere onderneming waarin een deelneming bestaat;
i. verzekeringsholding: een moederonderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit het verkrijgen en houden van deelnemingen in dochterondernemingen die uitsluitend of hoofdzakelijk verzekeraars, verzekeraars met zetel buiten de Unie of herverzekeraars zijn, en waarvan ten minste één dochteronderneming verzekeraar is;
j. gemengde verzekeringsholding: een moederonderneming, die geen verzekeraar, verzekeraar met zetel buiten de Unie, herverzekeraar of verzekeringsholding is, en waarvan ten minste één dochteronderneming verzekeraar is.
Artikel 69b
De bevoegdheden die de Pensioen- & Verzekeringskamer op grond van deze paragraaf heeft jegens de in artikel 69c bedoelde verzekeraars laten onverlet dat zij haar overige bevoegdheden die zij op grond van deze wet heeft, kan toepassen.
1.
Iedere verzekeraar met zetel in Nederland die een deelnemende onderneming is in minstens één verzekeraar, verzekeraar met zetel buiten de Unie of herverzekeraar, is onderworpen aan aanvullend toezicht zoals bepaald in de artikelen 69f, 69g, 69i en 69j.
2.
Iedere verzekeraar met zetel in Nederland die een dochteronderneming is van een verzekeringsholding, een verzekeraar met zetel buiten de Unie of een herverzekeraar, is onderworpen aan aanvullend toezicht zoals bepaald in de artikelen 69g, 69i en 69k.
3.
Iedere verzekeraar met zetel in Nederland waarvan de moederonderneming een gemengde verzekeringsholding is, is onderworpen aan aanvullend toezicht zoals bepaald in de artikelen 69g en 69i.
1.
In het toezicht, bedoeld in artikel 69c, worden betrokken:
a. verbonden ondernemingen van de verzekeraar;
b. deelnemende ondernemingen in de verzekeraar;
c. verbonden ondernemingen van een deelnemende onderneming in de verzekeraar.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer behoeft bij het toezicht, bedoeld in artikel 69c, niet te betrekken ondernemingen met zetel buiten de Unie waar wettelijke belemmeringen bestaan voor het verstrekken van de nodige informatie, behoudens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels ten aanzien van het niet beschikbaar zijn van noodzakelijk informatie.
3.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan per geval besluiten om in de volgende gevallen een onderneming niet te betrekken in het in artikel 69c bedoelde toezicht:
a. indien de bij dat toezicht te betrekken onderneming in het licht van de doelstellingen van dat toezicht slechts van te verwaarlozen betekenis is;
b. indien het in aanmerking nemen van de financiële positie van die onderneming in het licht van de doelstellingen van dat toezicht misplaatst of misleidend zou zijn.
Artikel 69e
Indien een verzekeraar met zetel in Nederland en een of meer verzekeraars met zetel in een andere lid-staat dan Nederland als moederonderneming dezelfde verzekeringsholding, verzekeraar met zetel buiten de Unie, herverzekeraar of gemengde verzekeringsholding hebben, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer met die andere toezichthoudende autoriteit in overleg treden met het doel overeenstemming te bereiken over de vraag wie het toezicht, bedoeld in artikel 69c, zal uitoefenen.
Artikel 69f
Een verzekeraar die aan het toezicht, bedoeld in artikel 69c, eerste lid, is onderworpen, beschikt over adequate interne controleprocedures om de gegevens en informatie te verschaffen die relevant zijn voor de uitoefening van dat toezicht.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de op grond van deze paragraaf vereiste informatie alleen rechtstreeks van de in artikel 69d, eerste lid, bedoelde betrokken ondernemingen vragen indien die informatie eerst aan de verzekeraar met zetel in Nederland is gevraagd, maar niet is verkregen.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de in het eerste lid bedoelde informatie verifiëren bij:
a. de aan het toezicht, bedoeld in artikel 69c, onderworpen verzekeraar;
b. de dochterondernemingen van deze verzekeraar;
c. de moederondernemingen van deze verzekeraar;
d. de dochterondernemingen van een moederonderneming van deze verzekeraar.
3.
Indien de toezichthoudende autoriteit van een andere lid-staat dan Nederland belangrijke informatie wenst te verifiëren betreffende een in Nederland gevestigde onderneming die een verbonden verzekeraar, een dochteronderneming, een moederonderneming of een dochteronderneming van een moederonderneming van de aan het toezicht, bedoeld in artikel 69c, onderworpen verzekeraar is, verricht de Pensioen- & Verzekeringskamer een door die toezichthoudende autoriteit gevraagde verificatie binnen het kader van haar bevoegdheden dan wel verleent zij toestemming aan die toezichthoudende autoriteit om de verificatie zelf te verrichten dan wel staat zij toe dat de verificatie door een deskundige wordt verricht.
1.
Indien verzekeraars die in verschillende lid-staten zijn gevestigd, verbonden zijn of een gemeenschappelijke deelnemende onderneming hebben, verstrekt de Pensioen- & Verzekeringskamer de toezichthoudende autoriteiten van iedere andere betrokken lid-staat op hun verzoek alle informatie die uitoefening van het toezicht in het kader van deze paragraaf mogelijk maakt of kan vergemakkelijken en stelt zij eigener beweging de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten in kennis van alle informatie die essentieel lijkt.
2.
Indien een verzekeraar en een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 of een effecteninstelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 verbonden zijn of een gemeenschappelijke deelnemende onderneming hebben, werkt de Pensioen- & Verzekeringskamer nauw samen met de autoriteiten die van overheidswege belast zijn met het toezicht op die andere ondernemingen. Onverminderd hun respectieve bevoegdheden verstrekken deze autoriteiten elkaar alle informatie die de vervulling van hun taak kan vergemakkelijken.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer betrekt in haar toezicht zoals dat voortvloeit uit deze paragraaf onder andere transacties tussen een verzekeraar die is onderworpen aan het toezicht, bedoeld in artikel 69c, en:
a. een met de verzekeraar verbonden onderneming;
b. een in de verzekeraar deelnemende onderneming;
c. een met een in de verzekeraar deelnemende onderneming verbonden onderneming;
d. een natuurlijke persoon die een deelneming bezit in:
1°. de verzekeraar of een met de verzekeraar verbonden onderneming;
2°. een in de verzekeraar deelnemende onderneming;
3°. een met een in de verzekeraar deelnemende onderneming verbonden onderneming.
2.
De in het eerste lid bedoelde transacties hebben in het bijzonder betrekking op:
a. leningen;
b. garanties en posten buiten de balans;
c. vermogensbestanddelen die in aanmerking mogen worden genomen voor de solvabiliteitsmarge;
d. beleggingen;
e. herverzekeringstransacties;
f. overeenkomsten met betrekking tot kostentoedeling.
3.
De verzekeraar, bedoeld in het eerste lid, dient eenmaal per jaar bij de Pensioen- & Verzekeringskamer een rapportage in waarin zijn opgenomen transacties als bedoeld in dat lid voor zover die van significante betekenis zijn. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verzekeraar of categorieën van verzekeraars voorschrijven dat de rapportage met een hogere frequentie wordt ingediend. Blijkt uit de rapportages dat de solvabiliteit van de verzekeraar wordt of dreigt te worden ondermijnd, dan neemt zij jegens die verzekeraar passende maatregelen.
1.
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 69c, eerste lid, berekent een aangepaste solvabiliteit overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
2.
Alle verbonden ondernemingen, alle deelnemende ondernemingen en alle met een deelnemende onderneming verbonden ondernemingen worden in de in het eerste lid bedoelde berekening betrokken.
3.
Indien uit de in het eerste lid bedoelde berekening blijkt dat de aangepaste solvabiliteit negatief is, neemt de Pensioen- & Verzekeringskamer jegens de verzekeraar passende maatregelen.
1.
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 69c, tweede lid, berekent de aangepaste solvabiliteit overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
2.
Alle met de verzekeringsholding, de herverzekeraar of de verzekeraar met zetel buiten de Unie verbonden ondernemingen worden in de in het eerste lid bedoelde berekening betrokken.
3.
Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer op grond van de berekening, bedoeld in het tweede lid, van mening is dat de solvabiliteit van een verzekeraar die een dochteronderneming is van de verzekeringsholding, de herverzekeraar of de verzekeraar met zetel buiten de Unie, in gevaar is of zou kunnen komen, neemt zij jegens die verzekeraar passende maatregelen.
1.
Een verzekeraar met zetel in Nederland draagt zorg voor een goede administratieve organisatie en adequate interne controleprocedures.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan aan verzekeraars regels stellen voor hun bedrijfsvoering met betrekking tot de administratieve organisatie – met inbegrip van de financiële administratie – en de interne controle.
1.
Een verzekeraar draagt zorg voor adequate maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering.
2.
Met het oog op een integere bedrijfsvoering worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan verzekeraars regels gesteld ter zake van:
a. het tegengaan van verstrengeling van tegenstrijdige belangen;
b. het voorkomen van betrokkenheid van de verzekeraar en van zijn werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in de verzekeraar of in de financiële markten in het algemeen schaden;
c. het voorkomen van betrokkenheid van de verzekeraar en van zijn werknemers bij handelingen die anderszins in het maatschappelijk verkeer zodanig onaanvaardbaar zijn, dat deze het vertrouwen in de verzekeraar of in de financiële markten in het algemeen schaden;
d. het vaststellen van de identiteit, de aard en de achtergrond van de cliënten van de verzekeraar;
e. andere bij algemene maatregel van bestuur te noemen onderwerpen.
3.
Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit artikel verstaan de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
1.
Een verzekeraar doet het boekjaar gelijk lopen met het kalenderjaar.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen. Aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld of voorschriften worden verbonden en zij kan worden ingetrokken.
1.
Een verzekeraar dient binnen vier maanden na afloop van elk boekjaar bij de Pensioen- & Verzekeringskamer staten in, die te zamen een duidelijk beeld geven van het door de verzekeraar gevoerde beheer en van zijn financiële toestand. De indiening geschiedt in tweevoud en voor wat betreft de staten die ingevolge het zesde lid openbaar worden gemaakt, in drievoud, tenzij de Pensioen- & Verzekeringskamer andere aantallen vaststelt.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verzekeraar, categorieën van verzekeraars of alle verzekeraars voorschrijven dat een of meer van deze staten met een hogere frequentie of binnen een kortere termijn worden ingediend of dat staten vergezeld worden van een toelichting.
3.
Een van de staten behelst het actuarieel verslag dat wordt voorzien van een verklaring van de actuaris. Met zijn verklaring bevestigt de actuaris dat hij zich ervan heeft overtuigd dat de in het actuarieel verslag genoemde voorzieningen prudent zijn vastgesteld en voor het levensverzekeringsbedrijf de in een staat opgenomen sterftevergelijking juist is weergegeven. Ten bewijze van een en ander waarmerkt de actuaris de betrokken staten. Hij is bevoegd zijn verklaring nader toe te lichten of op enig punt een voorbehoud te maken. De verzekeraar machtigt bij de opdracht tot het onderzoek de actuaris schriftelijk om desgevraagd of ingevolge een daartoe strekkende overeenkomst tussen de verzekeraar, de actuaris en de Pensioen- & Verzekeringskamer, aan de Pensioen- & Verzekeringskamer alle inlichtingen te verstrekken, die redelijkerwijze geacht kunnen worden nodig te zijn voor de vervulling van de haar bij of krachtens deze wet opgelegde taak. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de verzekeraar in de gelegenheid aanwezig te zijn bij het verstrekken van inlichtingen door de actuaris.
4.
Indien de actuaris naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze de toevertrouwde taak met betrekking tot de verzekeraar naar behoren zal vervullen, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer bepalen dat hij niet bevoegd is een verklaring als bedoeld in het derde lid met betrekking tot die verzekeraar af te leggen.
5.
De modellen van de staten worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. In de algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke staten openbaar moeten worden gemaakt.
6.
De verzekeraar legt de openbaar te maken staten op al zijn kantoren in Nederland ter inzage van een ieder tot achttien maanden na afloop van het boekjaar. Tot zolang verstrekt hij ieder op verzoek een afschrift tegen ten hoogste de kostprijs.
7.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan bepalen dat de staten, bedoeld in het tweede lid, niet vergezeld gaan van een verklaring als bedoeld in het derde lid of van een verklaring als bedoeld in artikel 72a, eerste lid.
1.
Een verzekeraar doet de staten, bedoeld in artikel 72, eerste lid, vergezeld gaan van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Ten bewijze dat de staten door hem zijn onderzocht of, indien het staten betreft als bedoeld in artikel 72, tweede lid, in zijn onderzoek zijn betrokken, waarmerkt de accountant de staten. De verzekeraar machtigt bij de opdracht tot het onderzoek de accountant schriftelijk desgevraagd of ingevolge een daartoe strekkende overeenkomst tussen de verzekeraar, de accountant en de Pensioen- & Verzekeringskamer, aan de Pensioen- & Verzekeringskamer alle inlichtingen te verstrekken, die redelijkerwijze geacht kunnen worden nodig te zijn voor de vervulling van de haar bij of krachtens deze wet opgelegde taak. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de verzekeraar in de gelegenheid aanwezig te zijn bij het verstrekken van inlichtingen door de accountant.
2.
De accountant, bedoeld in het eerste lid, meldt de Pensioen- & Verzekeringskamer zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid kennis heeft gekregen en die:
a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van de vergunning zijn gesteld;
b. in strijd is met de bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen;
c. het voortbestaan van de verzekeraar bedreigt; of
d. leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.
3.
Op de accountant die naast zijn werkzaamheden voor de verzekeraar ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het tweede lid, van overeenkomstige toepassing indien de verzekeraar dochtermaatschappij is van de andere onderneming of instelling, dan wel indien de andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de verzekeraar. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder dochtermaatschappij verstaan een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24 a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat een verzekeraar tevens dochtermaatschappij kan zijn van een natuurlijk persoon of vennootschap.
4.
De accountant die op grond van het tweede of derde lid tot een melding aan de Pensioen- & Verzekeringskamer is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.
5.
Indien de accountant naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze de toevertrouwde taak met betrekking tot de verzekeraar naar behoren zal vervullen, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer bepalen dat hij niet bevoegd is een verklaring als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot die verzekeraar af te leggen.
Artikel 72b
Op een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die de jaarrekening van een verzekeraar controleert, is artikel 72 a , tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verzekeraar, categorieën van verzekeraars of alle verzekeraars voorschrijven dat bijzondere opgaven met een door de Pensioen- & Verzekeringskamer bepaalde frequentie en binnen een door haar bepaalde termijn worden ingediend.
2.
De modellen van de bijzondere opgaven worden bij ministeriële regeling vastgesteld. Deze opgaven worden niet openbaar gemaakt.
3.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan bepalen dat de bijzondere opgaven vergezeld gaan van een verklaring als bedoeld in artikel 72, derde lid of van een verklaring als bedoeld in artikel 72a, eerste lid.
1.
Een verzekeraar dient binnen zes maanden na afloop van het boekjaar zijn jaarverslag in drievoud bij de Pensioen- & Verzekeringskamer in, tenzij de Pensioen- & Verzekeringskamer een ander aantal vaststelt. Een verzekeraar die artikel 403 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek toepast, dient het jaarverslag, bedoeld in artikel 403, eerste lid, onderdeel e, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, onverwijld na de neerlegging daarvan ten kantore van het handelsregister bij de Pensioen- & Verzekeringskamer in.
2.
Artikel 72, zesde lid, geldt ook voor het ingediende jaarverslag.
1.
Een schadeverzekeraar dient binnen zes maanden na afloop van het boekjaar bij de Pensioen- & Verzekeringskamer een opgave in met betrekking tot de vanuit de vestigingen in de Unie gesloten overeenkomsten van verzekering, onder aparte vermelding van de in dienstverrichting gesloten overeenkomsten. In die opgave worden per lid-staat en per branchegroep de in dat boekjaar geboekte premies, schaden en provisies vermeld, telkens zonder aftrek van herverzekering. Deze gegevens, alsmede de frequentie en de gemiddelde kosten van de schadegevallen, worden voor de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen evenwel afzonderlijk vermeld.
2.
Een levensverzekeraar dient binnen zes maanden na afloop van het boekjaar bij de Pensioen- & Verzekeringskamer een opgave in met betrekking tot de vanuit de vestigingen in de Unie gesloten overeenkomsten van verzekering, onder aparte vermelding van de in dienstverrichting gesloten overeenkomsten. In die opgave worden per lid-staat en per branche de in dat boekjaar geboekte premies vermeld, zonder aftrek van herverzekering.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de vanuit de vestigingen in Nederland gesloten overeenkomsten van verzekering waarbij geen sprake is van het verrichten van diensten.
4.
De in het eerste lid bedoelde branchegroepen en de modellen van de opgave, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden door de Pensioen- & Verzekeringskamer vastgesteld.
5.
De Pensioen- & Verzekeringskamer legt de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens met betrekking tot een lid-staat in geaggregeerde vorm over aan de toezichthoudende autoriteit van die lid-staat indien deze daarom verzoekt.
1.
Een verzekeraar met zetel in Nederland:
a. legt een authentiek afschrift van elke wijziging in zijn statuten binnen twee weken na de totstandkoming van de desbetreffende wijziging aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over;
b. brengt elke wijziging in de samenstelling van zijn bestuur en raad van commissarissen vooraf ter kennis van de Pensioen- & Verzekeringskamer;
c. brengt elke wijziging in de samenstelling van de personen die het dagelijks beleid bepalen van de groep waartoe de verzekeraar behoort en tevens uit dien hoofde het dagelijks beleid van de verzekeraar mede bepalen vooraf ter kennis van de Pensioen- & Verzekeringskamer;
d. brengt elke wijziging in de samenstelling van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de verzekeraar behoort en tevens uit dien hoofde het beleid van de verzekeraar mede bepalen vooraf ter kennis van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
2.
Een wijziging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, c of d, wordt niet doorgevoerd indien de Pensioen- & Verzekeringskamer binnen zes weken na ontvangst van de melding of, indien de Pensioen- & Verzekeringskamer om nadere gegevens of inlichtingen heeft verzocht, binnen zes weken na de ontvangst van die gegevens of inlichtingen aan de verzekeraar bekend maakt dat zij niet met de voorgenomen wijziging instemt.
3.
Indien zich een wijziging voordoet van de antecedenten, bedoeld in artikel 29, tweede of vierde lid, stelt de verzekeraar de Pensioen- & Verzekeringskamer daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
4.
Een levensverzekeraar doet binnen twee weken aan de Pensioen- & Verzekeringskamer opgave van de wijzigingen in de technische grondslagen voor de berekening van zijn tarieven en van de technische voorzieningen.
1.
Het is een verzekeraar met zetel in Nederland verboden overeenkomsten van verzekering, gesloten vanuit een vestiging in de Unie, zonder toestemming van degenen die aan die overeenkomsten rechten kunnen ontlenen, over te boeken naar een bijkantoor van deze verzekeraar in een andere staat.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gegeven verbod indien de verzekeraar aannemelijk maakt dat de belangen van degenen die aan de betrokken overeenkomsten rechten kunnen ontlenen, zich tegen de overboeking niet verzetten. Aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld of voorschriften worden verbonden.
1.
Een verzekeraar met zetel in Nederland die voornemens is vanuit een vestiging in de Unie voor de eerste maal diensten te verrichten naar een andere lid-staat dan Nederland, stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer daarvan schriftelijk in kennis onder opgave van die lid-staat en van de aard van de risico’s van schadeverzekering die bij deze dienstverrichting zullen worden gedekt dan wel van de aard van de overeenkomsten van levensverzekering die bij deze dienstverrichting zullen worden gesloten.
2.
Indien de verzekeraar risico’s behorende tot de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen wenst te dekken en de betrokken lid-staat dit eist, voegt de verzekeraar bij de in het eerste lid bedoelde opgave:
a. de naam en het adres van de schade-afhandelaar in de betrokken lid-staat die belast wordt met het namens de verzekeraar afwikkelen van vorderingen van benadeelden die voortvloeien uit risico’s behorende tot de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen;
b. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de verzekeraar is toegetreden tot het nationale bureau en het nationale waarborgfonds van de betrokken lid-staat die overeenkomen met het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen onderscheidenlijk het Waarborgfonds Motorverkeer, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van die wet.
3.
De verzekeraar doet de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens vergezeld gaan van een vertaling voor zover de Pensioen- & Verzekeringskamer zulks verlangt.
4.
De Pensioen- & Verzekeringskamer doet mededeling aan de betrokken toezichthoudende autoriteit van de in het eerste lid en, in voorkomend geval, van de in het tweede lid bedoelde gegevens, waarbij zij een verklaring voegt dat de verzekeraar beschikt over de ingevolge artikel 68 vereiste solvabiliteitsmarge en een opgave verstrekt van de branches waarvoor de verzekeraar een vergunning bezit, binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, indien:
a. de verzekeraar in het bezit is van een vergunning;
b. de verzekeraar beschikt over de ingevolge artikel 68 vereiste solvabiliteitsmarge;
c. de Pensioen- & Verzekeringskamer geen herstelplan ingevolge artikel 137a heeft verlangd van de verzekeraar; en
d. de Pensioen- & Verzekeringskamer geen bedenkingen heeft tegen het verrichten van diensten.
5.
De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt de mededeling, bedoeld in het vierde lid, aanhef, gelijktijdig aan de verzekeraar bekend.
6.
Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer bedenkingen heeft tegen het verrichten van diensten, maakt zij zulks binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, aan de verzekeraar bekend.
7.
De verzekeraar kan het verrichten van diensten aanvangen vanaf de datum van de door de Pensioen- & Verzekeringskamer gedane bekendmaking, bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 78
De verzekeraar legt elke voorgenomen wijziging in de aard van de risico’s van schadeverzekering of in de aard van de overeenkomsten van levensverzekering ten opzichte van de opgave, bedoeld in artikel 77, eerste lid, aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over. Artikel 77, tweede tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 79
In geval van communautaire co-assurantie zijn de artikelen 77 en 78 slechts van toepassing op de verzekeraar die als eerste verzekeraar optreedt.
1.
Een verzekeraar met zetel in Nederland die voornemens is een bijkantoor te openen in een andere lid-staat stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer daarvan schriftelijk in kennis.
2.
Deze kennisgeving geschiedt onder opgave van:
a. de lid-staat waarin de verzekeraar voornemens is het bijkantoor te openen;
b. een programma van werkzaamheden, met betrekking waartoe bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld en waarin met name de aard van de risico’s van schadeverzekering dan wel de aard van de overeenkomsten van levensverzekering die door het bijkantoor zullen worden gedekt onderscheidenlijk gesloten en de voorziene organisatiestructuur – met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle – ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;
c. het adres van het bijkantoor;
d. de naam en het adres van de vertegenwoordiger en, zo de vertegenwoordiger rechtspersoon is, de naam en het adres van de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 82, tweede lid; en
e. indien de verzekeraar risico’s behorende tot de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen wenst te dekken een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de verzekeraar is toegetreden tot het nationale bureau en het nationale waarborgfonds van de betrokken lid-staat die overeenkomen met het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen onderscheidenlijk het Waarborgfonds Motorverkeer, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van die wet.
3.
De verzekeraar doet de in het tweede lid bedoelde gegevens vergezeld gaan van een vertaling voor zover de Pensioen- & Verzekeringskamer zulks verlangt.
4.
De Pensioen- & Verzekeringskamer doet mededeling aan de betrokken toezichthoudende autoriteit van de in het tweede lid bedoelde gegevens binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, indien:
a. de verzekeraar in het bezit is van een vergunning;
b. de verzekeraar beschikt over de ingevolge artikel 68 vereiste solvabiliteitsmarge;
c. de Pensioen- & Verzekeringskamer geen herstelplan ingevolge artikel 137a heeft verlangd van de verzekeraar; en
d. de Pensioen- & Verzekeringskamer geen bedenkingen heeft tegen de opening van het bijkantoor. Zij voegt daarbij een verklaring dat de verzekeraar beschikt over de ingevolge artikel 68 vereiste solvabiliteitsmarge. De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt die mededeling aan de verzekeraar bekend.
5.
Indien de verzekeraar, gezien de werkzaamheden die hij vanuit het bijkantoor voornemens is te verrichten, niet voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen ten aanzien van:
a. de deskundigheid, de voornemens, de handelingen of de antecedenten van de personen die het dagelijks beleid van de verzekeraar bepalen of van de vertegenwoordiger en, zo de vertegenwoordiger rechtspersoon is, de deskundigheid, de voornemens, de handelingen of de antecedenten van de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 82, tweede lid;
b. de technische voorzieningen;
c. de solvabiliteitsmarge;
d. de administratieve organisatie; en
e. de maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering,
dan wel naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer aanwijzingen bestaan dat de verzekeraar niet aan deze eisen zal kunnen voldoen, doet de Pensioen- & Verzekeringskamer geen mededeling als bedoeld in het vierde lid, eerste volzin. De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt dit binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, aan de verzekeraar bekend. Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit lid verstaan de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
6.
De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt aan de verzekeraar het tijdstip bekend waarop het bijkantoor kan worden geopend alsmede, in voorkomend geval, welke voorwaarden de betrokken toezichthoudende autoriteit heeft aangegeven waaronder de werkzaamheden om redenen van algemeen belang in de betrokken lid-staat moeten worden uitgeoefend.
1.
Indien zich een wijziging voordoet van de gegevens, bedoeld in artikel 80, tweede lid, onderdelen b tot en met d, kan de verzekeraar die wijziging toepassen na haar ten minste een maand tevoren schriftelijk te hebben gemeld aan de betrokken toezichthoudende autoriteit en aan de Pensioen- & Verzekeringskamer en nadat de Pensioen- & Verzekeringskamer overeenkomstig het vierde lid de betrokken toezichthoudende autoriteit van die wijziging in kennis heeft gesteld.
2.
Indien een wijziging als bedoeld in het eerste lid het geval betreft dat de verzekeraar voornemens is voor de eerste maal risico’s behorende tot de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen te dekken, voegen de verzekeraar en de Pensioen- & Verzekeringskamer bij de melding onderscheidenlijk de inkennisstelling, bedoeld in het eerste lid, tevens het schriftelijk bewijs, bedoeld in artikel 80, tweede lid, onderdeel e.
3.
De verzekeraar doet de betrokken gewijzigde gegevens vergezeld gaan van een vertaling voor zover de Pensioen- & Verzekeringskamer zulks verlangt.
4.
Indien de verzekeraar beschikt over de ingevolge artikel 68 vereiste solvabiliteitsmarge en de Pensioen- & Verzekeringskamer geen bedenkingen heeft tegen de wijziging, doet zij van de in het eerste lid bedoelde gegevens mededeling aan de betrokken toezichthoudende autoriteit binnen een maand na ontvangst van de melding, bedoeld in het eerste lid. Zij voegt daarbij een verklaring dat de verzekeraar beschikt over de ingevolge artikel 68 vereiste solvabiliteitsmarge. De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt die mededeling aan de verzekeraar bekend.
5.
De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt in voorkomend geval aan de verzekeraar bekend welke voorwaarden de betrokken toezichthoudende autoriteit heeft aangegeven die om redenen van algemeen belang in acht moeten worden genomen bij het uitoefenen van de werkzaamheden in de betrokken lid-staat.
6.
Indien het voornemen bestaat om de bedrijfsuitoefening vanuit het bijkantoor te staken, stelt de verzekeraar de Pensioen- & Verzekeringskamer daarvan ten minste een maand tevoren schriftelijk in kennis. Zodra de verzekeraar zijn voornemen uitvoert, meldt hij dit onverwijld aan de Pensioen- & Verzekeringskamer.
1.
De vertegenwoordiger heeft ten aanzien van de uitoefening van het verzekeringsbedrijf vanuit de bijkantoren in de betrokken lid-staten van rechtswege alle bevoegdheden die de verzekeraar bezit. Hij maakt daarvan gebruik voor zover de Pensioen- & Verzekeringskamer zulks verlangt.
2.
Is de vertegenwoordiger rechtspersoon, dan wijst hij op zijn beurt een natuurlijk persoon aan die hem bij uitsluiting van ieder ander vertegenwoordigt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en bij de nakoming van zijn verplichtingen.
3.
Artikel 29, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de natuurlijke persoon die als vertegenwoordiger is aangesteld en op de natuurlijke persoon, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 83
Alvorens de Pensioen- & Verzekeringskamer ten behoeve van het financiële toezicht op een in een andere lid-staat gelegen bijkantoor ter plaatse inzage als bedoeld in artikel 57, eerste lid, neemt of doet nemen, stelt zij daaromtrent de toezichthoudende autoriteit van die lid-staat in kennis.
1.
Een verzekeraar met zetel in Nederland die voornemens is een bijkantoor te openen in een staat buiten de Unie, stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer daarvan schriftelijk in kennis.
2.
Deze kennisgeving geschiedt onder opgave van:
a. de staat waarin de verzekeraar voornemens is het bijkantoor te openen;
b. een programma van werkzaamheden, met betrekking waartoe bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld en waarin met name de aard van de risico's van schadeverzekering dan wel de aard van de overeenkomsten van levensverzekering die door het bijkantoor zullen worden gedekt onderscheidenlijk gesloten en de voorziene organisatiestructuur – met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle – ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;
c. het adres van het bijkantoor; en
d. de naam en het adres van de vertegenwoordiger en, zo de vertegenwoordiger rechtspersoon is, de naam en het adres van de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 83c, tweede lid.
3.
De verzekeraar doet de in het tweede lid bedoelde gegevens vergezeld gaan van een vertaling voor zover de Pensioen- & Verzekeringskamer zulks verlangt.
4.
Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer van de verzekeraar een herstelplan ingevolge artikel 137a heeft verlangd of indien de verzekeraar, gezien de werkzaamheden die hij vanuit het bijkantoor voornemens is te verrichten, niet voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen ten aanzien van:
a. de deskundigheid, de voornemens, de handelingen of de antecedenten van de personen die het dagelijks beleid van de verzekeraar bepalen of van de vertegenwoordiger en, zo de vertegenwoordiger rechtspersoon is, de deskundigheid, de voornemens, de handelingen of de antecedenten van de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 83c, tweede lid;
b. de technische voorzieningen;
c. de solvabiliteitsmarge;
d. de administratieve organisatie;
e. de maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering,
dan wel indien naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer aanwijzingen bestaan dat de verzekeraar niet aan deze eisen zal kunnen voldoen, geeft de Pensioen- & Verzekeringskamer geen toestemming voor opening van het bijkantoor. Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit lid verstaan de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
5.
De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt binnen zes weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, haar beslissing over het verlenen van toestemming voor het openen van het bijkantoor bekend aan de verzekeraar.
1.
Een verzekeraar meldt een wijziging van de gegevens, bedoeld in artikel 83a, tweede lid, onderdelen b tot en met d, ten minste een maand tevoren schriftelijk aan de Pensioen- & Verzekeringskamer.
2.
De verzekeraar doet de in het tweede lid bedoelde gegevens vergezeld gaan van een vertaling voor zover de Pensioen- & Verzekeringskamer zulks verlangt.
3.
Indien de verzekeraar beschikt over de ingevolge artikel 68 vereiste solvabiliteitsmarge en de Pensioen- & Verzekeringskamer geen bedenkingen heeft tegen de wijziging maakt zij dit aan de verzekeraar bekend.
4.
Indien het voornemen bestaat om de bedrijfsuitoefening vanuit het bijkantoor te staken, stelt de verzekeraar de Pensioen- & Verzekeringskamer daarvan ten minste een maand tevoren schriftelijk in kennis. Zodra de verzekeraar zijn voornemen uitvoert, meldt hij dit onverwijld aan de Pensioen- & Verzekeringskamer.
1.
Met inachtneming van het recht van een derde land heeft de vertegenwoordiger ten aanzien van de uitoefening van het verzekeringsbedrijf vanuit de bijkantoren in de betrokken staten van rechtswege alle bevoegdheden die de verzekeraar bezit. Hij maakt daarvan gebruik voor zover de Pensioen- & Verzekeringskamer zulks verlangt.
2.
Is de vertegenwoordiger rechtspersoon, dan wijst hij op zijn beurt een natuurlijk persoon aan die hem bij uitsluiting van ieder ander vertegenwoordigt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en bij de nakoming van zijn verplichtingen.
3.
Artikel 29, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de natuurlijke persoon die als vertegenwoordiger is aangesteld en op de natuurlijke persoon, bedoeld in het tweede lid.
1.
Een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan Nederland die voor de eerste maal een bijkantoor in Nederland opent, legt binnen twee weken daarna aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over een exemplaar van zijn statuten, een akte van aanstelling van zijn vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 85, eerste lid, alsook, indien de vertegenwoordiger rechtspersoon is, de statuten van deze rechtspersoon, een uittreksel uit diens inschrijving in het handelsregister en een akte van aanstelling van de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 85, vierde lid.
2.
De verzekeraar legt een afschrift van elke wijziging in zijn statuten aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over en brengt elke wijziging in de akte van aanstelling van zijn vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 85, eerste lid, ter kennis van de Pensioen- & Verzekeringskamer, een en ander binnen twee weken na de totstandkoming van de wijziging. Dezelfde verplichting rust op de vertegenwoordiger die rechtspersoon is met betrekking tot elke wijziging in zijn statuten en in de akte van aanstelling van de door hem overeenkomstig artikel 85, vierde lid, aangewezen natuurlijke persoon.
1.
Een verzekeraar die voor de eerste maal een bijkantoor opent, stelt als zijn vertegenwoordiger een natuurlijk persoon of een rechtspersoon aan.
2.
De vertegenwoordiger heeft ten aanzien van de uitoefening van het verzekeringsbedrijf vanuit de bijkantoren in Nederland van rechtswege alle bevoegdheden die de verzekeraar bezit. Hij maakt daarvan gebruik voor zover de Pensioen- & Verzekeringskamer zulks verlangt.
3.
De vertegenwoordiger is gehouden namens de verzekeraar te voldoen aan de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften. Het ontbreken van de vertegenwoordiger of zijn in gebreke zijn ontslaat de verzekeraar niet van de verplichting te voldoen aan deze voorschriften.
4.
Is de vertegenwoordiger rechtspersoon, dan wijst hij op zijn beurt een natuurlijk persoon aan die hem bij uitsluiting van ieder ander vertegenwoordigt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en bij de nakoming van zijn uit deze wet voortvloeiende verplichtingen.
5.
Mededelingen aan de vertegenwoordiger kunnen rechtsgeldig worden gestuurd aan het adres van het bijkantoor dat is opgegeven ingevolge de procedure, bedoeld in artikel 37, of zoals dat is gewijzigd ingevolge de procedure, bedoeld in artikel 38. Voor de toepassing van deze wet wordt als woonplaats van de verzekeraar en van de vertegenwoordiger in Nederland dat bijkantoor aangemerkt.
6.
Zolang de vertegenwoordiger ontbreekt, wordt de verzekeraar geacht zijn woonplaats te hebben ten parkette van de officier van justitie bij de rechtbank binnen welker rechtsgebied de verzekeraar volgens het vijfde lid, laatste volzin, het laatst zijn woonplaats had, of anders ten parkette van de officier van justitie bij de rechtbank binnen welker rechtsgebied de Pensioen- & Verzekeringskamer is gevestigd.
1.
Ontslag van de vertegenwoordiger is niet geldig tenzij het gepaard gaat met de aanstelling van een opvolger. Het ontslag gaat niet in voordat een akte van ontslag en een akte van aanstelling van de opvolger aan de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn overgelegd. Is de opvolger rechtspersoon, dan doet de verzekeraar de akte van aanstelling vergezeld gaan van de statuten van deze rechtspersoon, een uittreksel uit diens inschrijving in het handelsregister en een akte van aanstelling van de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 85, vierde lid.
2.
De vertegenwoordiger die heeft bedankt, behoudt zijn hoedanigheid totdat hij van zijn bedanken kennis heeft gegeven aan de Pensioen- & Verzekeringskamer.
1.
De vertegenwoordiger houdt van rechtswege op vertegenwoordiger te zijn vanaf de dag van het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de verlening van surséance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van één of meer van de goederen, bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek , of de ondercuratelestelling.
2.
De aanwijzing, bedoeld in artikel 85, vierde lid, vervalt van rechtswege vanaf de dag van het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de verlening van surséance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van één of meer van de goederen, bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek , of de ondercuratelestelling van de aangewezen natuurlijke persoon alsmede vanaf de dag van verlening van surséance van betaling of faillietverklaring van de vertegenwoordiger.
1.
Van het overlijden, het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de surséance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van één of meer van de goederen, bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek , of de ondercuratelestelling van de vertegenwoordiger of de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 85, vierde lid, alsmede van het ontslag van deze natuurlijke persoon geeft de verzekeraar onderscheidenlijk de vertegenwoordiger binnen een week aan de Pensioen- & Verzekeringskamer kennis.
2.
In de gevallen, genoemd in het eerste lid, alsook in het geval dat de vertegenwoordiger of de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 85, vierde lid, heeft bedankt, legt de verzekeraar aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over een akte van aanstelling van de vertegenwoordiger alsook, indien de vertegenwoordiger rechtspersoon is, de statuten van deze rechtspersoon, een uittreksel uit diens inschrijving in het handelsregister en een akte van aanstelling van de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 85, vierde lid. De verzekeraar verstrekt de in dit lid bedoelde gegevens binnen twee weken na de betrokken aanstelling.
1.
Een verzekeraar met zetel buiten de Unie mag vanuit de bijkantoren in Nederland geen ander bedrijf dan hetzij het schadeverzekeringsbedrijf hetzij het levensverzekeringsbedrijf uitoefenen.
2.
Een schadeverzekeraar mag geen schaden verzekeren, veroorzaakt door of ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer en muiterij. In overeenkomsten van zee-, transport-, luchtvaart- en reisverzekering mogen evenwel de algemeen gebruikelijke molestclausules worden opgenomen zolang de Pensioen- & Verzekeringskamer daartegen geen bedenkingen naar voren heeft gebracht.
Artikel 90
Een levensverzekeraar doet binnen twee weken na het voor de eerste maal sluiten van een nieuw type overeenkomst van verzekering aan de Pensioen- & Verzekeringskamer opgave van de technische grondslagen voor de berekening van het desbetreffende tarief en van de desbetreffende technische voorzieningen.
1.
Ontslag van de vertegenwoordiger is niet geldig tenzij het gepaard gaat met de aanstelling van een opvolger met gebruikmaking van het model, bedoeld in artikel 40, derde lid. Het ontslag gaat niet in voordat een akte van ontslag en de akte van aanstelling van de opvolger aan de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn overgelegd en zij aan het bestuur van de verzekeraar heeft meegedeeld dat zij tegen het ontslag geen bedenkingen heeft. Is de opvolger rechtspersoon, dan doet de verzekeraar de akte van aanstelling vergezeld gaan van de statuten van deze rechtspersoon, een uittreksel uit diens inschrijving in het handelsregister en de akte van aanstelling van de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 45, vijfde lid, opgemaakt overeenkomstig artikel 40, derde lid.
2.
De vertegenwoordiger die heeft bedankt, behoudt zijn hoedanigheid totdat hij van zijn bedanken kennis heeft gegeven aan de Pensioen- & Verzekeringskamer en zij aan het bestuur van de verzekeraar heeft meegedeeld dat zij daartegen geen bedenkingen heeft.
1.
De vertegenwoordiger houdt van rechtswege op vertegenwoordiger te zijn vanaf de dag van het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de verlening van surséance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van één of meer van de goederen, bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek , of de ondercuratelestelling.
2.
De aanwijzing, bedoeld in artikel 45, vijfde lid, vervalt van rechtswege vanaf de dag van het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de verlening van surséance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van één of meer van de goederen, bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek , of de ondercuratelestelling van de aangewezen natuurlijke persoon alsmede vanaf de dag van verlening van surséance van betaling of faillietverklaring van de vertegenwoordiger.
1.
Van het overlijden, het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de surséance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van één of meer van de goederen, bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling van de vertegenwoordiger of de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 45, vijfde lid, alsmede van het ontslag van deze natuurlijke persoon geeft de verzekeraar onderscheidenlijk de vertegenwoordiger binnen een week aan de Pensioen- & Verzekeringskamer kennis.
2.
In de gevallen, genoemd in het eerste lid, alsook in het geval dat de vertegenwoordiger of de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 45, vijfde lid, heeft bedankt, stelt de verzekeraar of wijst de vertegenwoordiger binnen een door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen termijn een nieuwe vertegenwoordiger onderscheidenlijk een ander natuurlijk persoon aan. Artikel 40, eerste lid, aanhef en onderdeel b , is van overeenkomstige toepassing.
3.
Zolang de vertegenwoordiger ontbreekt, wordt de verzekeraar geacht zijn woonplaats te hebben ten parkette van de officier van justitie bij de rechtbank binnen welker rechtsgebied de verzekeraar volgens artikel 45, zesde lid, het laatst zijn woonplaats had, of anders ten parkette van de officier van justitie bij de rechtbank binnen welker rechtsgebied de Pensioen- & Verzekeringskamer is gevestigd.
1.
Een verzekeraar met zetel buiten de Unie houdt voor zijn vanuit de bijkantoren in Nederland aangegane verplichtingen uit overeenkomsten van verzekering toereikende technische voorzieningen aan.
2.
Een levensverzekeraar stelt, rekening houdend met alle financiële aspecten van zijn onderneming, de premies voor te sluiten overeenkomsten van verzekering op adequate wijze vast.
3.
[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter zake van het eerste tot en met het derde lid nadere regels worden gesteld.
5.
De technische voorzieningen worden volledig door waarden gedekt, ten aanzien waarvan is voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan tegen de aard en de waardering van deze waarden bedenkingen naar voren brengen, aan welke bedenkingen de verzekeraar dient tegemoet te komen.
6.
De waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen moeten in toereikende mate in dezelfde muntsoort kunnen worden geïnd of te gelde gemaakt als die waarin de verplichtingen luiden. Deze waarden moeten in Nederland aanwezig zijn.
7.
In afwijking van het zesde lid, laatste volzin, mogen met betrekking tot een overeenkomst van communautaire co-assurantie de waarden ter keuze van de verzekeraar ook aanwezig zijn in de andere lid-staten van waaruit de overige co-assuradeuren deelnemen aan de overeenkomst.
8.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het bepaalde in het zesde lid. Daarbij kan tevens worden bepaald dat en in hoeverre de Pensioen- & Verzekeringskamer vrijstelling of ontheffing kan verlenen van gegeven voorschriften. Aan een vrijstelling en een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld of voorschriften worden verbonden en zij kunnen worden ingetrokken.
9.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat en in hoeverre vorderingen op herverzekeraars als de waarden, bedoeld in het vijfde lid, in aanmerking kunnen worden genomen. Deze waarden behoeven niet in Nederland aanwezig te zijn.
10.
Artikel 67 is van overeenkomstige toepassing.
1.
Een verzekeraar met zetel buiten de Unie dient voor het verzekeringsbedrijf dat hij vanuit de bijkantoren in Nederland uitoefent, te beschikken over een solvabiliteitsmarge ten aanzien waarvan artikel 68 van overeenkomstige toepassing is, met dien verstande dat het minimum bedrag van het garantiefonds de helft beloopt van het krachtens artikel 68, tweede lid, vast te stellen bedrag.
2.
De waarden die de solvabiliteitsmarge vertegenwoordigen, dienen ten belope van ten minste het garantiefonds in Nederland aanwezig te zijn en voor het overige deel in de Unie.
Artikel 97
Een verzekeraar met zetel buiten de Unie voert hier te lande de administratie met betrekking tot de bijkantoren in Nederland en bewaart hier te lande de desbetreffende zakelijke gegevens en bescheiden.
1.
Een verzekeraar draagt zorg voor een goede administratieve organisatie en adequate interne controleprocedures.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan aan verzekeraars regels stellen voor hun bedrijfsvoering met betrekking tot de administratieve organisatie – met inbegrip van de financiële administratie – en de interne controle.
1.
Een verzekeraar draagt zorg voor adequate maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering.
2.
Met het oog op een integere bedrijfsvoering worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan verzekeraars regels gesteld ter zake van:
a. het tegengaan van verstrengeling van tegenstrijdige belangen;
b. het voorkomen van betrokkenheid van de verzekeraar en van zijn werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in de verzekeraar of in de financiële markten in het algemeen schaden;
c. het voorkomen van betrokkenheid van de verzekeraar en van zijn werknemers bij handelingen die anderszins in het maatschappelijk verkeer zodanig onaanvaardbaar zijn, dat deze het vertrouwen in de verzekeraar of in de financiële markten in het algemeen schaden;
d. het vaststellen van de identiteit, de aard en de achtergrond van de cliënten van de verzekeraar;
e. andere bij algemene maatregel van bestuur te noemen onderwerpen.
3.
Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit artikel verstaan de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
1.
Een verzekeraar doet het boekjaar gelijk lopen met het kalenderjaar.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen. Aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld of voorschriften worden verbonden en zij kan worden ingetrokken.
1.
Een verzekeraar dient binnen vier maanden na afloop van elk boekjaar bij de Pensioen- & Verzekeringskamer staten in, die te zamen een duidelijk beeld geven van het door de verzekeraar gevoerde beheer en van zijn financiële toestand. De indiening geschiedt in tweevoud en voor wat betreft de staten die ingevolge het zesde lid openbaar worden gemaakt, in drievoud, tenzij de Pensioen- & Verzekeringskamer andere aantallen vaststelt.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verzekeraar, categorieën van verzekeraars of alle verzekeraars voorschrijven dat een of meer van deze staten met een hogere frequentie of binnen een kortere termijn worden ingediend of dat staten vergezeld worden van een toelichting.
3.
Een van de staten behelst het actuarieel verslag dat wordt voorzien van een verklaring van de actuaris. Met zijn verklaring bevestigt de actuaris dat hij zich ervan heeft overtuigd dat de in het actuarieel verslag genoemde voorzieningen prudent zijn vastgesteld en voor het levensverzekeringsbedrijf de in een staat opgenomen sterftevergelijking juist is weergegeven. Ten bewijze van een en ander waarmerkt de actuaris de betrokken staten. Hij is bevoegd zijn verklaring nader toe te lichten of op enig punt een voorbehoud te maken. De verzekeraar machtigt bij de opdracht tot het onderzoek de actuaris schriftelijk om desgevraagd of ingevolge een daartoe strekkende overeenkomst tussen de verzekeraar, de actuaris en de Pensioen- & Verzekeringskamer, aan de Pensioen- & Verzekeringskamer alle inlichtingen te verstrekken, die redelijkerwijze geacht kunnen worden nodig te zijn voor de vervulling van de haar bij of krachtens deze wet opgelegde taak. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de verzekeraar in de gelegenheid aanwezig te zijn bij het verstrekken van inlichtingen door de actuaris.
4.
Indien de actuaris naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze de toevertrouwde taak met betrekking tot de verzekeraar naar behoren zal vervullen, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer bepalen dat hij niet bevoegd is een verklaring als bedoeld in het derde lid met betrekking tot die verzekeraar af te leggen.
5.
De modellen van de staten worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. In de algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke staten openbaar moeten worden gemaakt.
6.
De verzekeraar legt de openbaar te maken staten op al zijn kantoren in Nederland ter inzage van een ieder tot achttien maanden na afloop van het boekjaar. Tot zolang verstrekt hij ieder op verzoek een afschrift tegen ten hoogste de kostprijs.
7.
De verzekeraar dient zijn jaarrekening in drievoud bij de Pensioen- & Verzekeringskamer in zodra hij deze openbaar heeft gemaakt of krachtens het recht van de staat van zijn zetel openbaar moet hebben gemaakt. Op deze jaarrekening is het vijfde lid van overeenkomstige toepassing.
8.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan bepalen dat de staten, bedoeld in het tweede lid, niet vergezeld gaan van een verklaring als bedoeld in het derde lid of van een verklaring als bedoeld in artikel 100a, eerste lid.
1.
Een verzekeraar doet de staten, bedoeld in artikel 100, eerste lid, vergezeld gaan van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Ten bewijze dat de staten door hem zijn onderzocht of, indien het staten betreft als bedoeld in artikel 100, tweede lid, in zijn onderzoek zijn betrokken, waarmerkt de accountant de staten. De verzekeraar machtigt bij de opdracht tot het onderzoek de accountant schriftelijk desgevraagd of ingevolge een daartoe strekkende overeenkomst tussen de verzekeraar, de accountant en de Pensioen- & Verzekeringskamer, aan de Pensioen- & Verzekeringskamer alle inlichtingen te verstrekken, die redelijkerwijze geacht kunnen worden nodig te zijn voor de vervulling van de haar bij of krachtens deze wet opgelegde taak. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de verzekeraar in de gelegenheid aanwezig te zijn bij het verstrekken van inlichtingen door de accountant.
2.
De accountant, bedoeld in het eerste lid, meldt de Pensioen- & Verzekeringskamer zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid kennis heeft gekregen en die:
a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van de vergunning zijn gesteld;
b. in strijd is met de bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen;
c. het voortbestaan van de verzekeraar bedreigt; of
d. leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.
3.
Op de accountant die naast zijn werkzaamheden voor de verzekeraar ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het tweede lid, van overeenkomstige toepassing indien de verzekeraar dochtermaatschappij is van de andere onderneming of instelling, dan wel indien de andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de verzekeraar. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder dochtermaatschappij verstaan een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24 a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat een verzekeraar tevens dochtermaatschappij kan zijn van een natuurlijk persoon of vennootschap.
4.
De accountant die op grond van het tweede of derde lid tot een melding aan de Pensioen- & Verzekeringskamer is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.
5.
Indien de accountant naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze de toevertrouwde taak met betrekking tot de verzekeraar naar behoren zal vervullen, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer bepalen dat hij niet bevoegd is een verklaring als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot die verzekeraar af te leggen.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verzekeraar, categorieën van verzekeraars of alle verzekeraars voorschrijven dat bijzondere opgaven met een door de Pensioen- & Verzekeringskamer bepaalde frequentie en binnen een door haar bepaalde termijn worden ingediend.
2.
De modellen van de bijzondere opgaven worden bij ministeriële regeling vastgesteld. Deze opgaven worden niet openbaar gemaakt.
3.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan bepalen dat de bijzondere opgaven vergezeld gaan van een verklaring als bedoeld in artikel 100, derde lid of van een verklaring als bedoeld in artikel 100a, eerste lid.
1.
Een verzekeraar dient, tenzij de Pensioen- & Verzekeringskamer een ander aantal vaststelt, zijn jaarverslag in drievoud bij haar in zodra hij het openbaar heeft gemaakt of krachtens het recht van de staat van zijn zetel openbaar moet hebben gemaakt.
2.
Artikel 100, vijfde lid, geldt ook voor het ingediende jaarverslag.
1.
Een schadeverzekeraar dient binnen zes maanden na afloop van het boekjaar bij de Pensioen- & Verzekeringskamer een opgave in met betrekking tot de vanuit de bijkantoren in Nederland gesloten overeenkomsten van verzekering met betrekking tot in andere lid-staten dan Nederland gelegen risico's. In die opgave worden per lid-staat en per branchegroep de in dat boekjaar geboekte premies, schaden en provisies vermeld, telkens zonder aftrek van herverzekering. Deze gegevens, alsmede de frequentie en de gemiddelde kosten van de schadegevallen, worden voor de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen evenwel afzonderlijk vermeld.
2.
Een levensverzekeraar dient binnen zes maanden na afloop van het boekjaar bij de Pensioen- & Verzekeringskamer een opgave in met betrekking tot de vanuit de bijkantoren in Nederland in dienstverrichting naar andere lid-staten gesloten overeenkomsten van verzekering. In die opgave worden per lid-staat en per branche de in dat boekjaar geboekte premies vermeld, zonder aftrek van herverzekering.
3.
De in het eerste lid bedoelde branchegroepen en de modellen van de opgave, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden door de Pensioen- & Verzekeringskamer vastgesteld.
4.
De Pensioen- & Verzekeringskamer legt de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens met betrekking tot een lid-staat in geaggregeerde vorm over aan de toezichthoudende autoriteit van die lid-staat indien deze daarom verzoekt.
1.
Een verzekeraar met zetel buiten de Unie:
a. legt een authentiek afschrift van elke wijziging in zijn statuten aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over en brengt elke wijziging in de akte van aanstelling van zijn vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 45, eerste lid, ter kennis van de Pensioen- & Verzekeringskamer, een en ander binnen twee weken na de totstandkoming van de desbetreffende wijziging. Dezelfde verplichting rust op de vertegenwoordiger die rechtspersoon is met betrekking tot elke wijziging in zijn statuten en in de akte van aanstelling van de door hem overeenkomstig artikel 45, vijfde lid, aangewezen natuurlijke persoon;
b. brengt elke wijziging in de samenstelling van zijn bestuur en raad van commissarissen en elke aanstelling van een vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 91, eerste lid, en 93, tweede lid, vooraf ter kennis van de Pensioen- & Verzekeringskamer;
c. brengt elke wijziging in de samenstelling van de personen die het dagelijks beleid bepalen van de groep waartoe de verzekeraar behoort en uit dien hoofde het dagelijks beleid van de verzekeraar mede bepalen vooraf ter kennis van de Pensioen- & Verzekeringskamer;
d. brengt elke wijziging in de samenstelling van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de verzekeraar behoort en uit dien hoofde het beleid van de verzekeraar mede bepalen vooraf ter kennis van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
2.
Een wijziging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, c of d, wordt niet doorgevoerd indien de Pensioen- & Verzekeringskamer binnen zes weken na ontvangst van de melding of, indien de Pensioen- & Verzekeringskamer om nadere gegevens of inlichtingen heeft verzocht, binnen zes weken na de ontvangst van die gegevens of inlichtingen aan de verzekeraar bekend maakt dat zij niet met de voorgenomen wijziging instemt.
3.
Indien zich een wijziging voordoet van de antecedenten, bedoeld in artikel 29, tweede of vierde lid, stelt de verzekeraar de Pensioen- & Verzekeringskamer daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
4.
Een levensverzekeraar doet binnen twee weken aan de Pensioen- & Verzekeringskamer opgave van de wijzigingen in zijn algemene en bijzondere polisvoorwaarden en in de technische grondslagen voor de berekening van zijn tarieven en van de technische voorzieningen.
1.
Het is een verzekeraar met zetel buiten de Unie verboden overeenkomsten van verzekering, gesloten vanuit een bijkantoor in Nederland, zonder toestemming van degenen die aan die overeenkomsten rechten kunnen ontlenen, over te boeken naar een vestiging van deze verzekeraar buiten Nederland.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gegeven verbod indien de verzekeraar aannemelijk maakt dat de belangen van degenen die aan de betrokken overeenkomsten rechten kunnen ontlenen, zich tegen de overboeking niet verzetten. Aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld of voorschriften worden verbonden.
1.
Een verzekeraar met zetel buiten de Unie die voornemens is vanuit Nederland voor de eerste maal diensten te verrichten naar een andere lid-staat, stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer daarvan schriftelijk in kennis onder opgave van die lid-staat en van de aard van de risico’s van schadeverzekering die bij deze dienstverrichting zullen worden gedekt dan wel van de aard van de overeenkomsten van levensverzekering die bij deze dienstverrichting zullen worden gesloten.
2.
De verzekeraar doet de in het eerste lid bedoelde gegevens vergezeld gaan van een vertaling voor zover de Pensioen- & Verzekeringskamer zulks verlangt.
3.
Indien de verzekeraar in het bezit is van een vergunning, beschikt over de ingevolge artikel 96 vereiste solvabiliteitsmarge en de Pensioen- & Verzekeringskamer geen bedenkingen heeft tegen het verrichten van diensten, verstrekt zij hem op zijn aanvraag een verklaring waarin zulks wordt medegedeeld. Tevens wordt daarin opgave gedaan van de branches waarvoor de verzekeraar een vergunning bezit.
Artikel 106
De verzekeraar legt elke voorgenomen wijziging in de aard van de risico’s van schadeverzekering of in de aard van de overeenkomsten van levensverzekering ten opzichte van de opgave, bedoeld in artikel 105, eerste lid, aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over. Artikel 105, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 107
In geval van communautaire co-assurantie zijn de artikelen 105 en 106 slechts van toepassing op de verzekeraar die als eerste verzekeraar optreedt.
Artikel 108
Een verzekeraar met zetel buiten Nederland mag uitsluitend diensten verrichten naar Nederland in branches tot de uitoefening waarvan hij in de staat van de betrokken vestiging bevoegd is.
1.
Een schadeverzekeraar mag geen diensten verrichten naar Nederland in de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen:
a. zonder te zijn aangesloten bij het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
b. zonder zijn verplichtingen jegens het Waarborgfonds Motorverkeer na te komen uit hoofde van de artikelen 24 , eerste lid, en 24 a , eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen ;
c. zonder zijn verplichtingen na te komen tot kennisgeving uit hoofde van artikel 13, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen jegens het overheidsorgaan aldaar bedoeld;
d. zonder dat zijn voorwaarden van verzekering voldoen aan de door de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen gestelde eisen; en
e. zonder dat hij een natuurlijk persoon of een rechtspersoon als schade-afhandelaar heeft aangesteld die zijn woonplaats in Nederland heeft en die belast wordt met het namens hem afwikkelen van vorderingen van benadeelden als bedoeld in artikel 1 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.
2.
Indien de schade-afhandelaar een natuurlijk persoon is die een kantoor houdt, wordt dit kantoor als zijn woonplaats aangemerkt.
3.
De schade-afhandelaar dient over voldoende bevoegdheden te beschikken om de verzekeraar, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De schade-afhandelaar houdt zich namens de verzekeraar niet bezig met de uitoefening van het verzekeringsbedrijf.
4.
Binnen twee weken na de aanvang van het verrichten van diensten in de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen legt de verzekeraar aan de Pensioen- & Verzekeringskamer de akte van aanstelling van de schade-afhandelaar over, waaruit diens naam, adres en bevoegdheden blijken.
5.
Ontslag van de schade-afhandelaar is niet geldig tenzij het gepaard gaat met de aanstelling van een opvolger. Het ontslag gaat niet in voordat de akten van ontslag en van aanstelling van de opvolger aan de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn overgelegd en zij aan het bestuur van de verzekeraar heeft meegedeeld dat zij daartegen geen bedenkingen heeft.
6.
De schade-afhandelaar die heeft bedankt, behoudt zijn hoedanigheid totdat hij van zijn bedanken kennis heeft gegeven aan de Pensioen- & Verzekeringskamer en zij aan het bestuur van de verzekeraar heeft meegedeeld dat zij daartegen geen bedenkingen heeft.
7.
Van het overlijden, het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de surséance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek , de onderbewindstelling van één of meer van de goederen, bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek , of de ondercuratelestelling van de schade-afhandelaar geeft de verzekeraar binnen twee weken aan de Pensioen- & Verzekeringskamer kennis, onder overlegging van de akte van aanstelling van de opvolger van de schade-afhandelaar met ingang van de dag van het overlijden, het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de surséance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek , de onderbewindstelling van één of meer van de goederen, bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek , of de ondercuratelestelling.
8.
De verzekeraar legt iedere wijziging in de akte van aanstelling binnen twee weken na de totstandkoming van de desbetreffende wijziging aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over. De verzekeraar stelt de verzekeringnemer binnen twee weken in kennis van een wijziging in de naam of het adres van de schade-afhandelaar.
9.
Binnen twee weken na de aanvang van het verrichten van diensten in de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen legt de verzekeraar aan de Pensioen- & Verzekeringskamer een door hem ondertekende verklaring over dat zijn voorwaarden van verzekering voldoen aan de door de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen gestelde eisen.
10.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen aan een verzekeraar die geen aansprakelijkheden dekt ten aanzien waarvan de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen van toepassing is en die de risico’s van de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitsluitend als bijkomende risico’s dekt. Aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld of voorschriften worden verbonden en zij kan worden ingetrokken.
1.
In geval van communautaire co-assurantie zijn de artikelen 109, 111 en 116 slechts van toepassing op de verzekeraar die als eerste verzekeraar optreedt.
2.
Artikel 118 is niet van toepassing op verzekeraars die vanuit een vestiging buiten de Unie deelnemen aan overeenkomsten van communautaire co-assurantie.
1.
Een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan Nederland die voornemens is vanuit een vestiging in de Unie voor de eerste maal diensten te verrichten naar Nederland, kan daarmee aanvangen nadat de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat van de zetel de Pensioen- & Verzekeringskamer schriftelijk van dit voornemen in kennis heeft gesteld, onder bijvoeging van:
a. een verklaring dat de verzekeraar beschikt over de vereiste solvabiliteitsmarge;
b. een opgave van de branches waarvoor de verzekeraar een vergunning bezit;
c. een opgave van de aard van de:
1°. in Nederland gelegen risico’s die de schadeverzekeraar voornemens is te dekken;
2°. overeenkomsten die de levensverzekeraar voornemens is te sluiten; en
d. indien de verzekeraar risico’s behorende tot de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen wenst te dekken:
1°. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de verzekeraar is aangesloten bij het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
2°. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de verzekeraar zich heeft gemeld bij het Waarborgfonds Motorverkeer teneinde te voldoen aan zijn verplichtingen jegens dat fonds uit hoofde van de artikelen 24 , eerste lid, en 24 a , eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen ;
3°. een opgave van naam en adres van de schade-afhandelaar, bedoeld in artikel 109, eerste lid, onderdeel e.
2.
Indien de verzekeraar voornemens is een wijziging aan te brengen in de aard van de risico’s of van de overeenkomsten ten opzichte van de opgave, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c , is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat van de zetel van een verzekeraar na afloop van het boekjaar verzoeken om een opgave, waarin zijn vermeld:
a. met betrekking tot een schadeverzekeraar de in dat boekjaar in dienstverrichting naar Nederland per lid-staat en per branchegroep geboekte premies, schaden en provisies, telkens zonder aftrek van herverzekering;
b. met betrekking tot een levensverzekeraar de in dat boekjaar in dienstverrichting naar Nederland per lid-staat en per branche geboekte premies, zonder aftrek van herverzekering.
2.
De in het eerste lid, onderdeel a , bedoelde gegevens, alsmede de frequentie en de gemiddelde kosten van de schadegevallen, worden voor de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen evenwel afzonderlijk vermeld.
1.
Een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan Nederland die voornemens is vanuit een bijkantoor buiten de Unie voor de eerste maal diensten te verrichten naar Nederland, legt aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over:
a. een verklaring, afgegeven door de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat van de zetel:
1°. dat de verzekeraar beschikt over de vereiste solvabiliteitsmarge;
2°. dat de door haar aan de verzekeraar verleende vergunning hem in staat stelt vanuit de staat van het bijkantoor diensten te verrichten; en
3°. waarin de branches zijn vermeld waarvoor de verzekeraar in de lid-staat van de zetel een vergunning bezit;
b. een opgave van de aard van de:
1°. in Nederland gelegen risico’s die de schadeverzekeraar voornemens is te dekken;
2°. overeenkomsten die de levensverzekeraar voornemens is te sluiten; en
c. bescheiden waaruit de bevoegdheid, bedoeld in artikel 108, blijkt.
2.
Indien de verzekeraar risico’s behorende tot de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen wenst te dekken, legt hij aan de Pensioen- & Verzekeringskamer tevens over bescheiden als bedoeld in artikel 111, eerste lid, onderdeel d.
3.
De verzekeraar kan het verrichten van diensten aanvangen vanaf de officieel bevestigde datum van ontvangst door de Pensioen- & Verzekeringskamer van de in het eerste of tweede lid bedoelde bescheiden.
4.
Indien de verzekeraar voornemens is een wijziging aan te brengen in de aard van de risico’s of van de overeenkomsten ten opzichte van de opgave, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b , zijn het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing.
1.
Een verzekeraar die vanuit een bijkantoor buiten de Unie diensten verricht naar Nederland, dient binnen zes maanden na afloop van het boekjaar bij de Pensioen- & Verzekeringskamer een opgave in van de in dat boekjaar uit hoofde van het verrichten van diensten naar Nederland:
a. met betrekking tot de schadeverzekering per branchegroep geboekte premies, schaden en provisies, telkens zonder aftrek van herverzekering, welke gegevens, alsmede de frequentie en de gemiddelde kosten van de schadegevallen, voor de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen afzonderlijk worden vermeld;
b. met betrekking tot de levensverzekering per branche geboekte premies, zonder aftrek van herverzekering.
2.
De in het eerste lid, onderdeel a , bedoelde branchegroepen en de modellen van de opgaven worden door de Pensioen- & Verzekeringskamer vastgesteld.
1.
Een verzekeraar die bij het verrichten van diensten naar Nederland in strijd handelt met de belangen van degenen die als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen zullen worden betrokken bij overeenkomsten van verzekering of inbreuk maakt op hier te lande geldende voorschriften maakt daaraan op verzoek van de Pensioen- & Verzekeringskamer een einde. Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer op dat verzoek niet binnen de door haar gestelde termijn een bevredigend antwoord heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende gevolg is gegeven aan haar verzoek, stelt zij, indien het gaat om het verrichten van diensten vanuit een andere lid-staat, de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat van de zetel van de verzekeraar daarvan in kennis.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan aan een verzekeraar voorschriften of een verbod opleggen ter zake van acquisitie met betrekking tot overeenkomsten van verzekering, door de verzekeraar te sluiten bij het verrichten van diensten naar Nederland. De voorschriften en het verbod kunnen slechts worden opgelegd in het belang van degenen die als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen zullen worden betrokken bij deze overeenkomsten of indien de verzekeraar inbreuk maakt op hier te lande geldende voorschriften.
3.
In geval van het verrichten van diensten vanuit een andere lid-staat dan Nederland vaardigt de Pensioen- & Verzekeringskamer voorschriften of een verbod ter zake van acquisitie niet uit dan nadat zij de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat van de zetel van de verzekeraar van haar voornemen daartoe in kennis heeft gesteld.
4.
Van het besluit van de Pensioen- & Verzekeringskamer, houdende voorschriften of een verbod ter zake van acquisitie, en de intrekking daarvan, wordt in de Staatscourant mededeling gedaan zodra de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, zodra op het beroep is beslist.
5.
Het is verboden in Nederland te bemiddelen bij of op andere soortgelijke wijze mee te werken aan de voorbereiding of de totstandkoming van overeenkomsten van verzekering met betrekking waartoe aan een verzekeraar een verbod van acquisitie is opgelegd, dan wel te handelen in strijd met de voorschriften of het verbod, opgelegd ingevolge het tweede lid.
6.
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat van de zetel van de verzekeraar in kennis van de door haar genomen maatregelen.
1.
Een verzekeraar met zetel buiten de Unie die voornemens is vanuit een bijkantoor in een andere lid-staat voor de eerste maal diensten te verrichten naar Nederland, kan, met inachtneming van het tweede lid, daarmee aanvangen nadat hij de Pensioen- & Verzekeringskamer schriftelijk van dit voornemen in kennis heeft gesteld, onder bijvoeging van:
a. een verklaring, afgegeven door de bevoegde toezichthoudende autoriteit in de Unie, dat de verzekeraar beschikt over de vereiste solvabiliteitsmarge;
b. een verklaring, afgegeven door de toezichthoudende autoriteit van de betrokken lid-staat, waarin de branches zijn vermeld waarvoor de verzekeraar een vergunning bezit;
c. een opgave van de aard van de:
1°. in Nederland gelegen risico’s die de schadeverzekeraar voornemens is te dekken;
2°. overeenkomsten die de levensverzekeraar voornemens is te sluiten; en
d. indien de verzekeraar risico’s behorende tot de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen wenst te dekken, bescheiden als bedoeld in artikel 111, eerste lid, onderdeel d.
2.
De verzekeraar kan het verrichten van diensten aanvangen vanaf de officieel bevestigde datum van ontvangst door de Pensioen- & Verzekeringskamer van de in het eerste lid bedoelde bescheiden.
3.
Indien de verzekeraar voornemens is een wijziging aan te brengen in de aard van de risico’s of van de overeenkomsten ten opzichte van de opgave, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c , zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 117
Artikel 112 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de Pensioen- & Verzekeringskamer haar verzoek richt aan de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat waar zich het betrokken bijkantoor van de verzekeraar bevindt.
1.
Een verzekeraar met zetel buiten de Unie, die vanuit een vestiging buiten de Unie diensten verricht naar Nederland, dient:
a. naar het recht van de staat van zijn zetel rechtspersoon te zijn;
b. in de staat van zijn zetel bevoegd te zijn tot uitoefening van het directe verzekeringsbedrijf en dit bedrijf vanuit een vestiging in die staat daadwerkelijk uit te oefenen; en
c. met betrekking tot het gehele door hem uitgeoefende verzekeringsbedrijf te beschikken over een solvabiliteitsmarge, die ten minste overeenkomt met de ingevolge artikel 68 vereiste solvabiliteitsmarge.
2.
De verzekeraar die voornemens is vanuit een vestiging buiten de Unie voor de eerste maal diensten te verrichten naar Nederland, legt, onder vermelding van de adressen van zijn zetel en van de vestiging van waaruit hij de diensten wenst te verrichten, aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over:
a. een authentiek afschrift van de akte van oprichting, een exemplaar van zijn statuten alsmede een lijst met namen en adressen van zijn bestuurders en commissarissen;
b. bescheiden waaruit blijkt dat de verzekeraar voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen;
c. een opgave van de aard van de:
1°. in Nederland gelegen risico’s die de schadeverzekeraar voornemens is te dekken;
2°. overeenkomsten die de levensverzekeraar voornemens is te sluiten; en
d. bescheiden waaruit de bevoegdheid, bedoeld in artikel 108, blijkt.
3.
Indien de verzekeraar risico’s behorende tot de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen wenst te dekken, legt hij aan de Pensioen- & Verzekeringskamer tevens over bescheiden als bedoeld in artikel 111, eerste lid, onderdeel d.
4.
De verzekeraar kan het verrichten van diensten aanvangen vanaf de officieel bevestigde datum van ontvangst door de Pensioen- & Verzekeringskamer van de in het tweede of derde lid bedoelde bescheiden.
5.
Indien de verzekeraar voornemens is een wijziging aan te brengen in de aard van de risico’s of van de overeenkomsten ten opzichte van de opgave, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c , zijn het tweede tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 119
Artikel 114 is van overeenkomstige toepassing.
1.
Een verzekeraar die bij het verrichten van diensten naar Nederland in strijd handelt met de belangen van degenen die als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen zullen worden betrokken bij overeenkomsten van verzekering of inbreuk maakt op hier te lande geldende voorschriften maakt daaraan op verzoek van de Pensioen- & Verzekeringskamer een einde. Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer op dat verzoek niet binnen de door haar gestelde termijn een bevredigend antwoord heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende gevolg is gegeven aan haar verzoek, stelt zij, indien het gaat om het verrichten van diensten vanuit een andere lid-staat, de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat van waaruit de diensten worden verricht daarvan in kennis.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan aan een verzekeraar voorschriften of een verbod opleggen ter zake van acquisitie met betrekking tot overeenkomsten van verzekering, door de verzekeraar te sluiten bij het verrichten van diensten naar Nederland. De voorschriften en het verbod kunnen slechts worden opgelegd in het belang van degenen die als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen zullen worden betrokken bij deze overeenkomsten of indien de verzekeraar inbreuk maakt op hier te lande geldende voorschriften.
3.
In geval van het verrichten van diensten vanuit een andere lid-staat dan Nederland vaardigt de Pensioen- & Verzekeringskamer voorschriften of een verbod ter zake van acquisitie niet uit dan nadat zij de toezichthoudende autoriteit van die lid-staat van haar voornemen daartoe in kennis heeft gesteld.
4.
Artikel 115, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5.
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat van waaruit de diensten worden verricht in kennis van de door haar genomen maatregelen.
1.
Een schadeverzekeraar met zetel in Nederland kan met schriftelijke toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer zonder medewerking of toestemming van degenen die aan die overeenkomsten rechten kunnen ontlenen bij akte zijn rechten en verplichtingen uit of krachtens een of meer overeenkomsten van schadeverzekering:
a. gesloten vanuit een vestiging in de Unie overdragen aan een andere verzekeraar met zetel in de Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in de Unie;
b. gesloten vanuit een vestiging in Nederland overdragen aan een andere verzekeraar met zetel buiten de Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland;
c. gesloten vanuit een bijkantoor in een andere lid-staat overdragen aan een andere verzekeraar met zetel buiten de Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in de Unie indien de wetgeving van de betrokken lid-staten voorziet in een dergelijke overdracht en de betrokken toezichthoudende autoriteiten daarmee instemmen.
2.
Een schadeverzekeraar met zetel buiten de Unie kan met schriftelijke toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer bij akte zijn rechten en verplichtingen uit of krachtens een of meer overeenkomsten van schadeverzekering, gesloten vanuit een bijkantoor in Nederland, zonder medewerking of toestemming van degenen die aan die overeenkomsten rechten kunnen ontlenen, overdragen aan:
a. een andere verzekeraar met zetel in de Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in de Unie;
b. een andere verzekeraar met zetel buiten de Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland.
3.
Voor zover bij het sluiten van de overeenkomsten van schadeverzekering, bedoeld in het tweede lid, in een andere lid-staat gelegen risico’s zijn verzekerd, kan de verzekeraar zijn rechten en verplichtingen onder de in de aanhef van dat lid gestelde voorwaarden tevens overdragen aan een andere verzekeraar met zetel buiten de Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in de lid-staat waar het risico is gelegen.
4.
Indien de wetgeving van een andere lid-staat niet voorziet in een toestemmingsprocedure voor een verzekeraar met zetel aldaar tot overdracht van zijn rechten en verplichtingen uit of krachtens een of meer overeenkomsten van schadeverzekering, gesloten vanuit een bijkantoor in Nederland, aan een andere verzekeraar met zetel buiten de Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland, kan de overdracht bij akte plaatsvinden met schriftelijke toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer en zonder medewerking of toestemming van degenen die aan die overeenkomsten rechten kunnen ontlenen. De Pensioen- & Verzekeringskamer verleent geen toestemming alvorens de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat van de zetel van de overdragende verzekeraar heeft verklaard met die overdracht in te stemmen.
5.
Met overdracht van de rechten en verplichtingen uit of krachtens alle overeenkomsten van schadeverzekering wordt gelijkgesteld de overgang van deze rechten en verplichtingen bij een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a , en de artikelen 122, eerste, tweede en zesde tot en met negende lid, en 123, eerste, vierde en vijfde lid, zijn op deze overgang van overeenkomstige toepassing.
1.
Een aanvraag ter verkrijging van toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer tot overdracht van rechten en verplichtingen gaat vergezeld van een ontwerp-overeenkomst met alle ter toelichting dienende stukken.
2.
Voor een overdracht aan een verzekeraar met zetel in Nederland verleent de Pensioen- & Verzekeringskamer geen toestemming indien deze verzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, niet beschikt over de vereiste solvabiliteitsmarge of indien de Pensioen- & Verzekeringskamer een herstelplan ingevolge artikel 137a heeft verlangd van de verzekeraar.
3.
Voor een overdracht aan een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan Nederland verleent de Pensioen- & Verzekeringskamer geen toestemming alvorens de toezichthoudende autoriteit van die lid-staat heeft verklaard dat deze verzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over de vereiste solvabiliteitsmarge.
4.
Voor een overdracht aan een verzekeraar met zetel buiten de Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland verleent de Pensioen- & Verzekeringskamer geen toestemming indien het betrokken bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht, niet beschikt over de vereiste solvabiliteitsmarge of indien de Pensioen- & Verzekeringskamer een herstelplan ingevolge artikel 137a heeft verlangd van de verzekeraar. Indien een andere toezichthoudende autoriteit in de Unie belast is met het toezicht op de solvabiliteitsmarge van het betrokken bijkantoor verleent de Pensioen- & Verzekeringskamer geen toestemming alvorens laatstbedoelde toezichthoudende autoriteit heeft verklaard dat het bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over de vereiste solvabiliteitsmarge en dat, indien van toepassing, van het bijkantoor geen met een herstelplan in de zin van artikel 137a overeenkomend plan is verlangd.
5.
Voor een overdracht aan een verzekeraar met zetel buiten de Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in een andere lid-staat gelegen bijkantoor kan de Pensioen- & Verzekeringskamer alleen toestemming verlenen indien:
a. de wetgeving van de lid-staat waar het overnemende bijkantoor is gelegen, voorziet in de mogelijkheid van een dergelijke overdracht;
b. de toezichthoudende autoriteit van die lid-staat dan wel, indien een andere toezichthoudende autoriteit in de Unie belast is met het toezicht op de solvabiliteitsmarge van het betrokken bijkantoor, laatstbedoelde toezichthoudende autoriteit heeft verklaard dat het bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over de vereiste solvabiliteitsmarge;
c. de betrokken toezichthoudende autoriteit van die lid-staat geen herstelplan heeft verlangd van het bijkantoor; en
d. de betrokken toezichthoudende autoriteit instemt met de overdracht.
6.
Voor zover een overdracht als bedoeld in artikel 121, eerste lid, onderdeel a, betrekking heeft op overeenkomsten van schadeverzekering, gesloten vanuit een in een andere lid-staat dan Nederland gelegen bijkantoor van de verzekeraar, en in geval van een overdracht als bedoeld in artikel 121, eerste lid, onderdeel c, legt de Pensioen- & Verzekeringskamer na ontvangst van de vereiste gegevens de ontwerp-overeenkomst met alle ter toelichting dienende stukken voor advies voor aan de toezichthoudende autoriteit van elke betrokken lid-staat.
7.
Indien een in het zesde lid bedoelde toezichthoudende autoriteit haar advies niet binnen drie maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek aan de Pensioen- & Verzekeringskamer heeft uitgebracht, wordt zulks gelijkgesteld met een gunstig advies.
8.
Voor zover een overdracht betrekking heeft op overeenkomsten van schadeverzekering bij het sluiten waarvan in een andere lid-staat dan Nederland gelegen risico’s zijn verzekerd, verleent de Pensioen- & Verzekeringskamer geen toestemming alvorens de toezichthoudende autoriteit van die lid-staat heeft verklaard met de overdracht in te stemmen.
9.
Indien de in het achtste lid bedoelde toezichthoudende autoriteit haar oordeel niet binnen drie maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek aan de Pensioen- & Verzekeringskamer heeft kenbaar gemaakt, wordt zulks gelijkgesteld met een instemming.
1.
De verzekeraar die zijn rechten en verplichtingen met toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer heeft overgedragen, doet van de overdracht mededeling in de Staatscourant en op andere door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen wijze. Voor zover in de overdracht overeenkomsten zijn betrokken, waarbij risico’s zijn verzekerd, die in een andere lid-staat dan Nederland zijn gelegen, doet de verzekeraar van de overdracht tevens mededeling in die lid-staat. De inhoud van deze publikaties behoeft de voorafgaande toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
2.
De overdracht wordt ten aanzien van alle andere belanghebbenden dan de betrokken verzekeraars van kracht met ingang van de tweede dag, volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publikatie is geplaatst.
3.
Indien een verzekeringnemer die lid is van een onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in Nederland of van een onderneming dan wel instelling op onderlinge grondslag met zetel buiten de Unie, ingevolge de overdracht geen overeenkomst van schadeverzekering meer bij deze verzekeraar heeft lopen, eindigt zijn lidmaatschap uit dien hoofde van rechtswege met ingang van de tweede dag, volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publikatie is geplaatst.
4.
De bij een overdracht betrokken verzekeringnemers kunnen gedurende drie maanden na de dagtekening van de Staatscourant waarin de publikatie is geplaatst de overeenkomst van schadeverzekering schriftelijk opzeggen met ingang van de dag na afloop van deze termijn. De verzekeraar geeft alsdan de vooruitbetaalde premie alsmede de voldane assurantiebelasting terug voor het gedeelte dat evenredig is aan het op de hiervoor bedoelde dag nog niet verstreken gedeelte van de termijn waarvoor de premie en de assurantiebelasting werden betaald.
5.
Indien bij de overdracht het lidmaatschap van een onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in Nederland of van een onderneming dan wel instelling op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland is verkregen, eindigt in geval van opzegging overeenkomstig het vierde lid dit lidmaatschap en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid voor een tekort van rechtswege eveneens met ingang van de dag na afloop van de termijn, bedoeld in dat lid.
1.
Indien een toezichthoudende autoriteit van een andere lid-staat dan Nederland de Pensioen- & Verzekeringskamer vraagt om haar advies of instemming betreffende een overdracht van rechten en verplichtingen uit of krachtens een of meer overeenkomsten van schadeverzekering, geeft zij haar oordeel binnen drie maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek.
2.
Indien de overdracht geschiedt aan een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan Nederland in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een buiten Nederland gelegen vestiging, verleent de Pensioen- & Verzekeringskamer geen instemming voor zover de overdracht betrekking heeft op vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor gesloten overeenkomsten waarvan de risico’s in Nederland zijn gelegen en de overdracht niet in het belang is van degenen die aan de betrokken overeenkomsten rechten kunnen ontlenen.
3.
Indien de overdracht geschiedt aan een verzekeraar met zetel buiten de Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een buiten Nederland gelegen vestiging, verleent de Pensioen- & Verzekeringskamer geen instemming voor zover de overdracht betrekking heeft op vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor gesloten overeenkomsten waarvan de risico’s in Nederland zijn gelegen, tenzij de overdracht in het belang is van degenen die aan de betrokken overeenkomsten rechten kunnen ontlenen.
1.
De toestemming verleend door de toezichthoudende autoriteit van een andere lid-staat dan Nederland aan een verzekeraar met zetel in die lid-staat tot overdracht van rechten en verplichtingen uit of krachtens een of meer overeenkomsten van schadeverzekering in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland dan wel in het kader van het verrichten van diensten naar Nederland vanuit een vestiging in de Unie, treedt in de plaats van de medewerking of de toestemming van degenen die aan die overeenkomsten rechten kunnen ontlenen.
2.
De verzekeraar die zijn rechten en verplichtingen overeenkomstig het eerste lid heeft overgedragen, doet van de overdracht mededeling in de Staatscourant en op andere door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen wijze. De inhoud van deze publikaties behoeft de voorafgaande toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
3.
De overdracht wordt ten aanzien van alle andere belanghebbenden dan de betrokken verzekeraars van kracht op het volgens het recht van de betrokken lid-staat te bepalen tijdstip, dan wel, bij gebreke van een regeling in die lid-staat, met ingang van de tweede dag, volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publikatie is geplaatst.
4.
De bij een overdracht betrokken verzekeringnemers kunnen de overeenkomst van schadeverzekering volgens de door het recht van de betrokken lid-staat bepaalde wijze opzeggen. Bij gebreke van een regeling in die lid-staat is artikel 123, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
5.
Indien bij de overdracht het lidmaatschap van een onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in Nederland of van een onderneming dan wel instelling op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland is verkregen, eindigt in geval van opzegging overeenkomstig het vierde lid dit lidmaatschap en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid voor een tekort van rechtswege eveneens volgens de door het recht van de betrokken lid-staat bepaalde wijze, dan wel, bij gebreke van een regeling in die lid-staat, met ingang van de dag na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 123, vierde lid.
Artikel 126
Een verzekeraar met zetel buiten de Unie die zijn rechten en verplichtingen uit of krachtens een of meer overeenkomsten van schadeverzekering, door hem bij het verrichten van diensten naar Nederland gesloten, met toestemming van de bevoegde buitenlandse autoriteit aan een andere verzekeraar heeft overgedragen, doet van de overdracht in Nederland mededeling op door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen wijze. De inhoud van de publikatie behoeft de voorafgaande toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
Artikel 127
De artikelen 121 tot en met 126 zijn niet van toepassing ten aanzien van de overdracht van rechten en verplichtingen uit overeenkomsten van herverzekering.
1.
Een verzekeraar met zetel in Nederland kan zich zonder schriftelijke toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer niet omzetten in een andere rechtsvorm.
2.
Een aanvraag ter verkrijging van toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer tot omzetting gaat vergezeld van een ontwerp van een notariële akte van omzetting die de nieuwe statuten bevat met alle ter toelichting dienende stukken.
3.
Indien met toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer omzetting heeft plaatsgevonden, doet de verzekeraar van de omzetting mededeling in de Staatscourant en op andere door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen wijze. Voor zover door de verzekeraar in de uitoefening van het directe schadeverzekeringsbedrijf risico’s zijn verzekerd die in een andere lid-staat dan Nederland zijn gelegen, doet de verzekeraar van de omzetting tevens mededeling in die lid-staat. De inhoud van deze publikaties behoeft de voorafgaande toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
4.
De bij een omzetting betrokken verzekeringnemers kunnen gedurende drie maanden na dagtekening van de Staatscourant waarin de publikatie is geplaatst de overeenkomst van schadeverzekering schriftelijk opzeggen met ingang van de dag na afloop van deze termijn. De verzekeraar geeft alsdan de vooruitbetaalde premie alsmede de voldane assurantiebelasting terug voor het gedeelte dat evenredig is aan het op de hiervoor bedoelde dag nog niet verstreken gedeelte van de termijn waarvoor de premie en de assurantiebelasting werden betaald.
5.
Indien bij de omzetting het lidmaatschap van een onderlinge waarborgmaatschappij is verkregen, eindigt in geval van opzegging overeenkomstig het vierde lid dit lidmaatschap van rechtswege eveneens met ingang van de dag na afloop van de termijn, bedoeld in dat lid.
6.
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de toezichthoudende autoriteiten van de lid-staten op het grondgebied waarvan een bijkantoor van de verzekeraar is gelegen, alsmede de toezichthoudende autoriteiten van de lid-staten waarheen de verzekeraar vanuit Nederland diensten verricht, in kennis van de omzetting.
1.
Een levensverzekeraar met zetel in Nederland kan slechts met schriftelijke toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer en bij akte zijn rechten en verplichtingen uit een of meer overeenkomsten van levensverzekering:
a. gesloten vanuit een vestiging in de Unie overdragen aan een andere verzekeraar met zetel in de Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in de Unie;
b. gesloten vanuit een vestiging in Nederland overdragen aan een andere verzekeraar met zetel buiten de Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland;
c. gesloten vanuit een bijkantoor in een andere lid-staat overdragen aan een andere verzekeraar met zetel buiten de Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in de Unie indien de wetgeving van de betrokken lid-staten voorziet in een dergelijke overdracht en de betrokken toezichthoudende autoriteiten daarmee instemmen.
2.
Een levensverzekeraar met zetel buiten de Unie kan slechts met schriftelijke toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer en bij akte zijn rechten en verplichtingen uit een of meer overeenkomsten van levensverzekering, gesloten vanuit een bijkantoor in Nederland, overdragen aan:
a. een andere verzekeraar met zetel in de Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in de Unie;
b. een andere verzekeraar met zetel buiten de Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland.
3.
Voor zover overeenkomsten van levensverzekering als bedoeld in het tweede lid in dienstverrichting naar een andere lid-staat zijn gesloten, kan de verzekeraar zijn rechten en verplichtingen onder de in de aanhef van dat lid gestelde voorwaarden tevens overdragen aan een andere verzekeraar met zetel buiten de Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in die lid-staat.
4.
Indien de wetgeving van een andere lid-staat niet voorziet in een toestemmingsprocedure voor een verzekeraar met zetel aldaar tot overdracht van zijn rechten en verplichtingen uit een of meer overeenkomsten van levensverzekering, gesloten vanuit een bijkantoor in Nederland, aan een andere verzekeraar met zetel buiten de Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland, kan de overdracht bij akte plaatsvinden met schriftelijke toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer. De Pensioen- & Verzekeringskamer verleent geen toestemming alvorens de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat van de zetel van de overdragende verzekeraar heeft verklaard met die overdracht in te stemmen.
5.
Een levensverzekeraar met vestiging in Nederland kan slechts met schriftelijke toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer en bij akte zijn rechten en verplichtingen uit een of meer overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel a , van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, in de gevallen, genoemd in artikel 52, eerste en tweede lid, van die wet, overdragen aan de aldaar bedoelde verzekeraars.
6.
In afwijking van het eerste tot en met derde lid kan een verzekeraar zijn rechten en verplichtingen uit een individuele overeenkomst van levensverzekering op schriftelijk verzoek van de verzekeringnemer overdragen.
7.
Met overdracht van de rechten en verplichtingen uit alle overeenkomsten van levensverzekering wordt gelijkgesteld de overgang van deze rechten en verplichtingen bij een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a , het vijfde lid, en de artikelen 130, eerste, tweede en vierde tot en met achtste lid, en 131, eerste tot en met derde lid, vierde lid, eerste volzin, vijfde, zevende en achtste lid, zijn op deze overgang van overeenkomstige toepassing.
1.
Een aanvraag ter verkrijging van toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer tot overdracht van rechten en verplichtingen gaat vergezeld van een ontwerp-overeenkomst met alle ter toelichting dienende stukken.
2.
Voor een overdracht aan een verzekeraar met zetel in Nederland verleent de Pensioen- & Verzekeringskamer geen toestemming indien de Pensioen- & Verzekeringskamer een herstelplan ingevolge artikel 137a heeft verlangd van deze verzekeraar of indien deze verzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, niet beschikt over de vereiste solvabiliteitsmarge.
3.
Op de aanvraag ter verkrijging van toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer tot de overdracht is artikel 122, derde tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
4.
Voor zover een overdracht als bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdeel a, betrekking heeft op overeenkomsten van levensverzekering, gesloten vanuit een in een andere lid-staat dan Nederland gelegen bijkantoor van de verzekeraar, en in geval van een overdracht als bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdeel c, legt de Pensioen- & Verzekeringskamer na ontvangst van de vereiste gegevens de ontwerp-overeenkomst met alle ter toelichting dienende stukken voor advies voor aan de toezichthoudende autoriteit van elke betrokken lid-staat.
5.
Indien een in het vierde lid bedoelde toezichthoudende autoriteit haar advies niet binnen drie maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek aan de Pensioen- & Verzekeringskamer heeft uitgebracht, wordt zulks gelijkgesteld met een gunstig advies.
6.
Voor zover een overdracht betrekking heeft op in dienstverrichting naar een andere lid-staat dan Nederland gesloten overeenkomsten van levensverzekering, verleent de Pensioen- & Verzekeringskamer geen toestemming alvorens de toezichthoudende autoriteit van die lid-staat heeft verklaard met de overdracht in te stemmen.
7.
Indien de in het zesde lid bedoelde toezichthoudende autoriteit haar oordeel niet binnen drie maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek aan de Pensioen- & Verzekeringskamer heeft kenbaar gemaakt, wordt zulks gelijkgesteld met een instemming.
8.
Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer aanvankelijk geen bedenkingen heeft tegen het ontwerp van de tot overdracht strekkende overeenkomst, maakt zij dit aan de verzekeraar bekend. Heeft zij aanvankelijk wel bedenkingen, dan maakt zij deze bedenkingen eveneens aan de verzekeraar bekend.
1.
Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer tegen het ontwerp aanvankelijk geen bedenkingen heeft of nadat aan deze bedenkingen is tegemoetgekomen, doet de verzekeraar van zijn voornemen tot overdracht van rechten en verplichtingen mededeling in de Staatscourant en op andere door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen wijze. Daarbij wordt mededeling gedaan van een door de Pensioen- & Verzekeringskamer vast te stellen termijn, binnen welke de betrokken polishouders zich bij de Pensioen- & Verzekeringskamer schriftelijk tegen de overdracht kunnen verzetten.
2.
Indien polishouders, vertegenwoordigende een vierde of meer van het betrokken verzekerd bedrag, zich binnen de gestelde termijn tegen de overdracht hebben verzet, kan een overdracht niet volgen, ook niet ten aanzien van hen die zich tegen de overdracht niet hebben verzet. De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt dit aan de verzekeraar bekend.
3.
Heeft de Pensioen- & Verzekeringskamer alsnog bedenkingen tegen de overdracht, dan maakt zij deze bedenkingen na afloop van de gestelde termijn aan de verzekeraar bekend.
4.
Indien zich niet binnen de gestelde termijn polishouders, vertegenwoordigende een vierde of meer van het betrokken verzekerd bedrag, tegen de overdracht hebben verzet en tegen de overdracht ook bij de Pensioen- & Verzekeringskamer geen bedenkingen bestaan of aan deze bedenkingen is tegemoetgekomen, verleent de Pensioen- & Verzekeringskamer de verzekeraar toestemming tot de overdracht. De overdracht kan dan volgen en is van kracht ten aanzien van alle belanghebbenden.
5.
De verzekeraar die zijn rechten en verplichtingen met toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer heeft overgedragen, doet van de overdracht mededeling in de Staatscourant met vermelding van de datum waarop zij is geschied. Voor zover in de overdracht overeenkomsten zijn betrokken die in dienstverrichting naar een andere lid-staat zijn gesloten, doet de verzekeraar van de overdracht tevens mededeling in die lid-staat. De inhoud van deze publikaties behoeft de voorafgaande toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
6.
Op een verzekeringnemer die lid is van een onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in Nederland of van een onderneming dan wel instelling op onderlinge grondslag met zetel buiten de Unie is artikel 123, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
7.
In dit artikel wordt onder verzekerd bedrag verstaan het verzekerd kapitaal, vermeerderd met tienmaal de verzekerde jaarlijkse renten.
8.
Voor de toepassing van het eerste, tweede of vierde lid wordt onder polishouder verstaan de verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger, doch indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, de tot uitkering gerechtigde. Indien de verzekeringnemer bij een overeenkomst als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel B, of artikel 9 van de Pensioen- en spaarfondsenwet ontbreekt, wordt onder polishouder verstaan degene die wegens het verbreken van de band met de onderneming van zijn werkgever een premievrije aanspraak op uitkeringen heeft verkregen.
1.
Indien een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan Nederland toestemming vraagt aan de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat van zijn zetel om zijn rechten en verplichtingen uit een of meer overeenkomsten van levensverzekering in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland over te dragen aan een andere verzekeraar, doet hij van de voorgenomen overdracht onverwijld mededeling in de Staatscourant en op andere door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen wijze. Daarbij wordt mededeling gedaan van een door de Pensioen- & Verzekeringskamer vast te stellen termijn, binnen welke de betrokken polishouders zich bij de Pensioen- & Verzekeringskamer schriftelijk tegen de overdracht kunnen verzetten.
2.
Indien polishouders, vertegenwoordigende een vierde of meer van het betrokken verzekerd bedrag, zich binnen de gestelde termijn tegen de overdracht hebben verzet, luidt het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer, bedoeld in het vijfde lid, afwijzend.
3.
Artikel 131, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.
Voor de toepassing van het eerste of tweede lid wordt onder polishouder verstaan de verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger, doch indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, de tot uitkering gerechtigde. Artikel 131, achtste lid, laatste volzin, is van toepassing.
5.
Indien een toezichthoudende autoriteit van een andere lid-staat dan Nederland de Pensioen- & Verzekeringskamer vraagt om haar advies of instemming betreffende een overdracht van rechten en verplichtingen uit een of meer overeenkomsten van levensverzekering, geeft zij haar oordeel binnen drie maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek.
6.
Indien de overdracht geschiedt aan een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan Nederland in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een buiten Nederland gelegen vestiging, verleent de Pensioen- & Verzekeringskamer geen instemming voor zover de overdracht betrekking heeft op vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor gesloten overeenkomsten waarbij geen sprake is van het verrichten van diensten en de overdracht niet in het belang is van degenen die aan de betrokken overeenkomsten rechten kunnen ontlenen.
7.
Indien de overdracht geschiedt aan een verzekeraar met zetel buiten de Unie in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een buiten Nederland gelegen vestiging, verleent de Pensioen- & Verzekeringskamer geen instemming voor zover de overdracht betrekking heeft op vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor gesloten overeenkomsten waarbij geen sprake is van het verrichten van diensten, tenzij de overdracht in het belang is van degenen die aan de betrokken overeenkomsten rechten kunnen ontlenen.
1.
De toestemming verleend door de toezichthoudende autoriteit van een andere lid-staat dan Nederland aan een verzekeraar met zetel in die lid-staat tot overdracht van rechten en verplichtingen uit een of meer overeenkomsten van levensverzekering in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland dan wel in het kader van het verrichten van diensten naar Nederland vanuit een vestiging in de Unie, treedt in de plaats van de medewerking of de toestemming van degenen die aan die overeenkomsten rechten kunnen ontlenen.
2.
De verzekeraar die zijn rechten en verplichtingen overeenkomstig het eerste lid heeft overgedragen, doet van de overdracht mededeling in de Staatscourant en op andere door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen wijze. De inhoud van deze publikaties behoeft de voorafgaande toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
3.
De overdracht wordt ten aanzien van alle andere belanghebbenden dan de betrokken verzekeraars van kracht op het volgens het recht van de betrokken lid-staat te bepalen tijdstip, dan wel, bij gebreke van een regeling in die lid-staat, met ingang van de tweede dag, volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publikatie is geplaatst.
4.
Indien een verzekeringnemer die lid is van een onderneming dan wel instelling op onderlinge grondslag ingevolge de overdracht geen overeenkomst van levensverzekering meer bij deze verzekeraar heeft lopen, eindigt zijn lidmaatschap van rechtswege volgens de door het recht van de betrokken lid-staat bepaalde wijze, dan wel, bij gebreke van een regeling in die lid-staat, met ingang van de tweede dag, volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publikatie is geplaatst.
Artikel 134
Een verzekeraar met zetel buiten de Unie die zijn rechten en verplichtingen uit een of meer overeenkomsten van levensverzekering, door hem bij het verrichten van diensten naar Nederland gesloten, met toestemming van de bevoegde buitenlandse autoriteit aan een andere verzekeraar heeft overgedragen, doet van de overdracht in Nederland mededeling op door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen wijze. De inhoud van de publikatie behoeft de voorafgaande toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
Artikel 135
De artikelen 129 tot en met 134 zijn niet van toepassing ten aanzien van de overdracht van rechten en verplichtingen uit overeenkomsten van herverzekering.
1.
Een verzekeraar met zetel in Nederland kan zich zonder schriftelijke toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer niet omzetten in een andere rechtsvorm.
2.
Een aanvraag ter verkrijging van toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer tot omzetting gaat vergezeld van een ontwerp van een notariële akte van omzetting die de nieuwe statuten bevat met alle ter toelichting dienende stukken.
3.
Indien met toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer omzetting heeft plaatsgevonden, doet de verzekeraar van de omzetting mededeling in de Staatscourant en op andere door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen wijze. Voor zover door de verzekeraar in dienstverrichting naar een andere lid-staat dan Nederland overeenkomsten in de uitoefening van het directe levensverzekeringsbedrijf zijn gesloten, doet de verzekeraar van de omzetting tevens mededeling in die lid-staat. De inhoud van deze publikaties behoeft de voorafgaande toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
4.
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de toezichthoudende autoriteiten van de lid-staten op het grondgebied waarvan een bijkantoor van de verzekeraar is gelegen, alsmede de toezichthoudende autoriteiten van de lid-staten waarheen de verzekeraar vanuit Nederland diensten verricht, in kennis van de omzetting.
1.
Indien een verzekeraar met zetel in Nederland niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 66 gestelde eisen met betrekking tot de technische voorzieningen, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer de vrije beschikking door de verzekeraar over zijn waarden, waar zij zich ook bevinden, beperken of hem verbieden om anders dan met schriftelijke machtiging van de Pensioen- & Verzekeringskamer te beschikken over deze waarden.
2.
Alvorens een beperking of een verbod uit te vaardigen, stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer de toezichthoudende autoriteiten in de andere lid-staten waar de verzekeraar een bijkantoor heeft of waarheen hij vanuit zijn vestigingen in de Unie diensten verricht, op de hoogte van haar voornemen.
3.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de autoriteiten, bedoeld in het tweede lid, verzoeken overeenkomstige maatregelen te treffen ten aanzien van de in de betrokken lid-staten aanwezige waarden, onder opgave van die waarden.
4.
De beperking of het verbod wordt door de Pensioen- & Verzekeringskamer door middel van een deurwaardersexploot aan de verzekeraar bekendgemaakt.
5.
De verzekeraar kan de ongeldigheid van een rechtshandeling, verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de wederpartij de maatregel kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
6.
De Pensioen- & Verzekeringskamer heft de beperking of het verbod op zodra de verzekeraar weer voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen.
7.
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de toezichthoudende autoriteiten, bedoeld in het tweede lid, in kennis van de uitvaardiging van de beperking of het verbod en de opheffing daarvan.
1.
Indien de rechten van degenen die als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen betrokken zijn bij overeenkomsten van verzekering, gesloten door een verzekeraar, naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer in het gedrang komen, kan zij van de verzekeraar een herstelplan verlangen, tenzij de verzekeraar niet langer beschikt over het minimum bedrag aan vereiste solvabiliteitsmarge.
2.
Indien op grond van de in het eerste lid bedoelde omstandigheden de Pensioen- & Verzekeringskamer een herstelplan verlangt van de verzekeraar en de financiële positie van de verzekeraar verslechtert, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer aan de verzekeraar voorschrijven dat hij over een hoger minimum bedrag aan vereiste solvabiliteitsmarge beschikt dan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is voorgeschreven, teneinde te waarborgen dat de verzekeraar in staat is in de nabije toekomst te blijven voldoen aan het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorgeschreven minimum bedrag aan vereiste solvabiliteitsmarge. Bij de vaststelling van het niveau van een hoger minimum bedrag aan vereiste solvabiliteitsmarge wordt uitgegaan van het in het eerste lid bedoelde herstelplan en kan de termijn worden bepaald binnen welke termijn het hogere vereiste, als bedoeld in de eerste volzin, dient te zijn bereikt.
3.
Een verzekeraar dient binnen een door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen termijn, bij de Pensioen- & Verzekeringskamer een herstelplan ter toestemming in, dat aangeeft op welke wijze en binnen welke termijn een einde wordt gemaakt aan de omstandigheden die aanleiding gaven tot het verlangen van het herstelplan.
4.
Een herstelplan bevat voor de volgende drie boekjaren ten minste gegevens betreffende:
a. een raming van de kosten van beheer, met name van de algemene lopende kosten en de provisies;
b. een gedetailleerde prognose van de vermoedelijke ontvangsten en uitgaven betreffende directe verzekeringen, de geaccepteerde herverzekeringen en overdrachten uit hoofde van herverzekering;
c. de te verwachten balanspositie;
d. een raming van de financiële middelen ter dekking van de verplichtingen en van de vereiste solvabiliteitsmarge; en
e. het algemene herverzekeringsbeleid.
1.
Indien een verzekeraar niet meer beschikt over het minimum bedrag aan vereiste solvabiliteitsmarge, bedoeld in artikel 68, eerste lid, dient hij - tenzij het tweede lid van toepassing is - binnen acht weken of zoveel eerder als de Pensioen- & Verzekeringskamer bepaalt, bij de Pensioen- & Verzekeringskamer een saneringsplan ter toestemming in, dat aangeeft op welke wijze en binnen welke termijn de solvabiliteitsmarge weer op de vereiste omvang zal worden gebracht.
2.
Indien de solvabiliteitsmarge is gedaald of naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer zal dalen beneden het vereiste garantiefonds, dient de verzekeraar bij de Pensioen- & Verzekeringskamer binnen een door haar te bepalen termijn een financieringsplan ter toestemming in, dat aangeeft hoe op korte termijn de solvabiliteitsmarge weer op de vereiste omvang zal worden gebracht.
3.
Ingeval artikel 137a, eerste lid, reeds toepassing vond, geeft het saneringsplan tevens aan hoe het herstelplan waarvoor reeds toestemming is verleend daarin wordt verwerkt. Ingeval het eerste lid reeds toepassing vond, geeft het financieringsplan tevens aan hoe het saneringsplan waarvoor reeds toestemming is verleend daarin wordt verwerkt.
4.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan op aanvraag van de verzekeraar wijzigingen in een plan waarvoor toestemming is verleend toestaan dan wel, bij gewijzigde omstandigheden, wijzigingen in het plan eisen of de toestemming intrekken.
5.
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt, wanneer het eerste of tweede lid toepassing zal vinden en zij daartoe aanleiding vindt, de toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten waar de verzekeraar een bijkantoor heeft of waarheen hij vanuit zijn vestigingen in de Unie diensten verricht, hiervan op de hoogte.
Artikel 139
Een verzekeraar wiens solvabiliteitsmarge niet voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen, doet aan de Pensioen- & Verzekeringskamer binnen de door haar te bepalen termijn en op de door haar te bepalen wijze opgave van de in artikel 67 bedoelde waarden en van de wijzigingen die daarin vervolgens optreden.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan in het geval, bedoeld in artikel 138, eerste lid, in uitzonderlijke omstandigheden, waarbij zij van oordeel is dat de financiële positie van de verzekeraar nog verder zal verslechteren, alsook in het geval, bedoeld in artikel 138, tweede lid, de vrije beschikking door de verzekeraar over zijn waarden, waar zij zich ook bevinden, beperken of hem verbieden om anders dan met schriftelijke machtiging van de Pensioen- & Verzekeringskamer te beschikken over deze waarden.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer deelt haar beslissing - zo mogelijk voordat deze van kracht wordt - mee aan de toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten waar de verzekeraar een bijkantoor heeft of waarheen hij vanuit zijn vestigingen in de Unie diensten verricht. Zij kan deze autoriteiten verzoeken overeenkomstige maatregelen te treffen ten aanzien van de in de betrokken lid-staten aanwezige waarden, onder opgave van die waarden.
3.
De beslissing waarbij de beperking of het verbod wordt opgelegd, wordt door de Pensioen- & Verzekeringskamer door middel van een deurwaardersexploot aan de verzekeraar bekendgemaakt.
4.
De verzekeraar kan de ongeldigheid van een rechtshandeling, verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de wederpartij de maatregel kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
5.
De Pensioen- & Verzekeringskamer heft de beperking of het verbod op, zodra de verzekeraar weer voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen met betrekking tot de solvabiliteitsmarge. De Pensioen- & Verzekeringskamer doet van de opheffing mededeling aan de in het tweede lid bedoelde toezichthoudende autoriteiten.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, indien aan een verzekeraar op grond van artikel 137a, tweede lid, een hoger minimum bedrag aan vereiste solvabiliteitsmarge is voorgeschreven en die verzekeraar niet of niet meer beschikt over dit minimum bedrag aan vereiste solvabiliteitsmarge, in uitzonderlijke omstandigheden, waarbij zij van oordeel is dat de financiële positie van de verzekeraar nog verder zal verslechteren, de vrije beschikking door de verzekeraar over zijn waarden, waar zij zich ook bevinden, beperken of hem verbieden om anders dan met schriftelijke machtiging van de Pensioen- & Verzekeringskamer te beschikken over deze waarden.
2.
Artikel 140, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien de toezichthoudende autoriteit van een andere lid-staat de Pensioen- & Verzekeringskamer ervan in kennis heeft gesteld dat een verzekeraar bij de uitoefening van het verzekeringsbedrijf vanuit een bijkantoor in die lid-staat of bij het verrichten van diensten naar die lid-staat vanuit Nederland of een andere lid-staat inbreuk maakt op aldaar geldende voorschriften, maakt de verzekeraar op verzoek van de Pensioen- & Verzekeringskamer aan deze inbreuk een einde.
2.
Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer op dat verzoek niet binnen de door haar gestelde termijn een bevredigend antwoord heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende gevolg is gegeven aan haar verzoek, kan zij aan de verzekeraar voorschriften of een verbod opleggen ter zake van de uitoefening van het verzekeringsbedrijf vanuit het betrokken bijkantoor onderscheidenlijk het verrichten van diensten naar de in het eerste lid bedoelde lid-staat, onverminderd de overige bevoegdheden van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
3.
Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften of het verbod, opgelegd ingevolge het tweede lid.
4.
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de in het eerste lid bedoelde toezichthoudende autoriteit in kennis van de door haar genomen maatregelen.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer vaardigt een beperking of een verbod als bedoeld in de artikelen 137, eerste lid, en 140, eerste lid, uit indien de toezichthoudende autoriteit van een andere lid-staat waar de verzekeraar zijn zetel heeft dit verzoekt.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan in dringende gevallen de in het eerste lid bedoelde maatregelen treffen zonder een daartoe strekkend verzoek van de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat waar de verzekeraar zijn zetel heeft, indien de verzekeraar inbreuk maakt op hier te lande geldende voorschriften.
3.
De beperking of het verbod heeft betrekking op de in Nederland aanwezige waarden. Indien de maatregel wordt getroffen op verzoek van de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat waar de verzekeraar zijn zetel heeft en die autoriteit opgave van deze waarden heeft gedaan, houdt de Pensioen- & Verzekeringskamer daarmee rekening.
4.
De beperking of het verbod wordt door de Pensioen- & Verzekeringskamer door middel van een deurwaardersexploot aan de verzekeraar bekendgemaakt.
5.
De verzekeraar kan de ongeldigheid van een rechtshandeling, verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de wederpartij de maatregel kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
6.
De Pensioen- & Verzekeringskamer heft de beperking of het verbod op zodra de betrokken toezichthoudende autoriteit dat verzoekt of indien naar haar oordeel daartoe aanleiding bestaat. Zij maakt de opheffing bekend aan de verzekeraar.
7.
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de toezichthoudende autoriteit, bedoeld in het eerste lid, in kennis van de uitvaardiging van de beperking of het verbod en de opheffing daarvan.
8.
Indien een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat een bijkantoor heeft in Nederland of diensten verricht naar Nederland en de toezichthoudende autoriteit van die lid-staat de Pensioen- & Verzekeringskamer in kennis heeft gesteld van de intrekking van een vergunning die overeenkomt met de in artikel 24, eerste lid, bedoelde vergunning van die verzekeraar, doet de Pensioen- & Verzekeringskamer daarvan mededeling in de Staatscourant . Bij deze publikatie wordt tevens mededeling gedaan van de beperking of het verbod, opgelegd ingevolge het eerste lid.
1.
Indien een verzekeraar met zetel buiten de Unie niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 94 gestelde eisen met betrekking tot de technische voorzieningen, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer de vrije beschikking door de verzekeraar over zijn waarden, die betrekking hebben op zijn vanuit Nederland uitgeoefende verzekeringsbedrijf, beperken of hem verbieden om anders dan met schriftelijke machtiging van de Pensioen- & Verzekeringskamer te beschikken over deze waarden.
2.
Alvorens een beperking of een verbod uit te vaardigen, stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer de toezichthoudende autoriteit in een andere lid-staat die belast is met het toezicht, bedoeld in artikel 49, tweede lid, op de hoogte van haar voornemen.
3.
De beperking of het verbod wordt door de Pensioen- & Verzekeringskamer door middel van een deurwaardersexploot aan de verzekeraar bekendgemaakt.
4.
De verzekeraar kan de ongeldigheid van een rechtshandeling, verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de wederpartij de maatregel kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
5.
De Pensioen- & Verzekeringskamer heft de beperking of het verbod op zodra de verzekeraar weer voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen. Zij maakt de opheffing bekend aan de verzekeraar.
6.
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de toezichthoudende autoriteiten, bedoeld in het tweede lid, alsmede de toezichthoudende autoriteiten van de lid-staten waarheen de verzekeraar vanuit Nederland diensten verricht in kennis van de uitvaardiging van de beperking of het verbod en de opheffing daarvan.
Artikel 143a
Artikel 137a is van overeenkomstige toepassing op verzekeraars met zetel buiten de Unie.
1.
Indien een verzekeraar niet meer beschikt over het minimum bedrag aan vereiste solvabiliteitsmarge, bedoeld in artikel 68, eerste lid, dient hij - tenzij het tweede lid van toepassing is - binnen acht weken of zoveel eerder als de Pensioen- & Verzekeringskamer bepaalt, bij de Pensioen- & Verzekeringskamer een saneringsplan ter toestemming in, dat aangeeft op welke wijze en binnen welke termijn de solvabiliteitsmarge weer op de vereiste omvang zal worden gebracht.
2.
Indien de solvabiliteitsmarge is gedaald of naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer zal dalen beneden het vereiste garantiefonds, dient de verzekeraar bij de Pensioen- & Verzekeringskamer binnen een door haar te bepalen termijn een financieringsplan ter toestemming in, dat aangeeft hoe op korte termijn de solvabiliteitsmarge weer op de vereiste omvang zal worden gebracht.
3.
Ingeval een herstelplan overeenkomstig artikel 137a, eerste lid, is toegepast, geeft het saneringsplan tevens aan hoe het herstelplan waarvoor reeds toestemming is verleend daarin wordt verwerkt. Ingeval het eerste lid reeds toepassing vond, geeft het financieringsplan tevens aan hoe het saneringsplan waarvoor reeds toestemming is verleend daarin wordt verwerkt.
4.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan op aanvraag van de verzekeraar wijzigingen in een plan waarvoor toestemming is verleend toestaan dan wel, bij gewijzigde omstandigheden, wijzigingen in het plan eisen of de toestemming intrekken.
5.
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt, wanneer het eerste of tweede lid toepassing zal vinden en zij daartoe aanleiding vindt, de toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten waar de verzekeraar een bijkantoor heeft of waarheen hij vanuit Nederland diensten verricht, hiervan op de hoogte.
Artikel 145
Een verzekeraar wiens solvabiliteitsmarge niet voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen dan wel de in een andere lid-staat dan Nederland gestelde eisen indien een voordeelregeling overeenkomstig artikel 49 van toepassing is, doet aan de Pensioen- & Verzekeringskamer binnen de door haar te bepalen termijn en op de door haar te bepalen wijze opgave van de in artikel 95 bedoelde waarden en van de wijzigingen die daarin vervolgens optreden.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan in het geval, bedoeld in artikel 144, eerste lid, in uitzonderlijke omstandigheden, waarbij zij van oordeel is dat de financiële positie van de verzekeraar nog verder zal verslechteren, alsook in het geval, bedoeld in artikel 144, tweede lid, de vrije beschikking door de verzekeraar over zijn waarden, die betrekking hebben op zijn vanuit Nederland uitgeoefende verzekeringsbedrijf, beperken of hem verbieden om anders dan met schriftelijke machtiging van de Pensioen- & Verzekeringskamer te beschikken over deze waarden.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer deelt haar beslissing - zo mogelijk voordat deze van kracht wordt - mee aan de toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten waar de verzekeraar een bijkantoor heeft of waarheen hij vanuit Nederland diensten verricht. Zij kan deze autoriteiten verzoeken overeenkomstige maatregelen te treffen ten aanzien van de in de betrokken lid-staten aanwezige waarden.
3.
Ten aanzien van een verzekeraar waarvan de solvabiliteitsmarge onder toezicht staat van de toezichthoudende autoriteit van een andere lid-staat dan Nederland, vaardigt de Pensioen- & Verzekeringskamer een beperking of een verbod uit ten aanzien van de hier te lande aanwezige waarden, indien die toezichthoudende autoriteit dit verzoekt op grond van het feit dat de verzekeraar naar haar oordeel in soortgelijke omstandigheden verkeert als bedoeld in artikel 144, eerste of tweede lid.
4.
De beslissing waarbij de beperking of het verbod wordt opgelegd, wordt door de Pensioen- & Verzekeringskamer door middel van een deurwaardersexploot aan de verzekeraar bekendgemaakt.
5.
De verzekeraar kan de ongeldigheid van een rechtshandeling, verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de wederpartij de maatregel kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
6.
De Pensioen- & Verzekeringskamer heft de beperking of het verbod op, zodra de verzekeraar weer voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen met betrekking tot de solvabiliteitsmarge, dan wel, indien de beperking of het verbod uitsluitend berust op het derde lid, zodra de aldaar bedoelde toezichthoudende autoriteit dit verzoekt. Zij maakt de opheffing bekend aan de verzekeraar. Tevens doet de Pensioen- & Verzekeringskamer van de opheffing mededeling aan de in het tweede lid bedoelde toezichthoudende autoriteiten.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, indien aan een verzekeraar op grond van artikel 137a, tweede lid, een hoger minimum bedrag aan vereiste solvabiliteitsmarge is voorgeschreven en die verzekeraar niet of niet meer beschikt over dit minimum bedrag aan vereiste solvabiliteitsmarge, in uitzonderlijke omstandigheden, waarbij zij van oordeel is dat de financiële positie van de verzekeraar nog verder zal verslechteren, de vrije beschikking door de verzekeraar over zijn waarden, waar zij zich ook bevinden, beperken of hem verbieden om anders dan met schriftelijke machtiging van de Pensioen- & Verzekeringskamer te beschikken over deze waarden.
2.
Artikel 146, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien de toezichthoudende autoriteit van een andere lid-staat de Pensioen- & Verzekeringskamer ervan in kennis heeft gesteld dat een verzekeraar bij het verrichten van diensten naar die lid-staat vanuit Nederland inbreuk maakt op aldaar geldende voorschriften, maakt de verzekeraar op verzoek van de Pensioen- & Verzekeringskamer aan deze inbreuk een einde.
2.
Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer op dat verzoek niet binnen de door haar gestelde termijn een bevredigend antwoord heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende gevolg is gegeven aan haar verzoek, kan zij aan de verzekeraar voorschriften of een verbod opleggen ter zake van het verrichten van diensten naar de in het eerste lid bedoelde lid-staat, onverminderd de overige bevoegdheden van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
3.
Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften of het verbod, opgelegd ingevolge het tweede lid.
4.
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de in het eerste lid bedoelde toezichthoudende autoriteit in kennis van de door haar genomen maatregelen.
1.
Dit hoofdstuk is van toepassing op levensverzekeraars:
a. met zetel in Nederland;
b. met zetel buiten de Unie voor zover het betreft het vanuit de bijkantoren in Nederland uitgeoefende verzekeringsbedrijf, tenzij een voordeelregeling overeenkomstig artikel 49 van toepassing is, waarbij de Pensioen- & Verzekeringskamer niet de toezichthoudende autoriteit is, belast met het toezicht op de in artikel 96 bedoelde solvabiliteitsmarge van die verzekeraar.
2.
In afwijking van artikel 14, eerste lid, zijn dit hoofdstuk en de artikelen 28, tweede tot en met vierde lid, 29, eerste en tweede lid, 29a, 70, 71, 73, eerste lid, 75, eerste lid, onderdelen a en b, tweede en derde lid, 175 tot en met 176, en 188b tot en met 188m tevens van overeenkomstige toepassing op opvanginstellingen die het verzekeringsbedrijf uitsluitend als herverzekeraar uitoefenen.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt een vertrouwenscommissie in.
2.
De leden van de vertrouwenscommissie worden door Onze Minister benoemd en ontslagen. Elke benoeming geschiedt op voordracht op te maken door de Pensioen- & Verzekeringskamer en de representatieve organisaties van verzekeraars gezamenlijk.
3.
De werkwijze en samenstelling van de vertrouwenscommissie worden in de statuten van de Pensioen- & Verzekeringskamer vastgelegd.
4.
De vertrouwenscommissie heeft tot taak:
a. de Pensioen- & Verzekeringskamer te adviseren in gevallen waarin dat volgens dit hoofdstuk is voorgeschreven;
b. desgevraagd de Pensioen- & Verzekeringskamer te adviseren bij de ingevolge dit hoofdstuk door haar te nemen beslissingen;
c. desgevraagd de Pensioen- & Verzekeringskamer behulpzaam te zijn bij het onderzoeken van de mogelijkheden van een vrijwillige vorm van samenwerking tussen een verzekeraar waarop het opvanginstrument kan worden toegepast en een andere verzekeraar, dan wel overname door laatstbedoelde verzekeraar.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, gehoord de vertrouwenscommissie, het opvanginstrument in werking stellen indien:
a. artikel 138, tweede lid, of 144, tweede lid, van toepassing is en met betrekking tot het opgestelde financieringsplan van de verzekeraar de toestemming is geweigerd; en
b. de portefeuille van de verzekeraar naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer nog levensvatbaar is.
2.
Met het weigeren van toestemming voor het financieringsplan, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijk gesteld het intrekken van een verleende toestemming voor een financieringsplan, het niet binnen de door de Pensioen- & Verzekeringskamer bepaalde termijn indienen van een financieringsplan, of het niet binnen de door de Pensioen- & Verzekeringskamer bepaalde termijn aanbrengen van door haar aangegeven wijzigingen in een plan waarvoor toestemming is verleend.
3.
De opvang geschiedt aan de hand van een door de Pensioen- & Verzekeringskamer, gehoord de vertrouwenscommissie, op te stellen opvangplan.
4.
De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt de inwerkingstelling van het opvanginstrument en het daarbij behorende opvangplan bekend aan de verzekeraar en de opvanginstelling.
5.
De verzekeraar en de opvanginstelling handelen overeenkomstig het opvangplan.
6.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, gehoord de vertrouwenscommissie, het opvangplan wijzigen.
Artikel 147c1
De statuten van de opvanginstelling, met inbegrip van wijzigingen daarin, behoeven de voorafgaande toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
1.
De opvang door een opvanginstelling kan bestaan uit verplichte herverzekering van de portefeuille van de verzekeraar of verplichte overdracht van de portefeuille van de verzekeraar.
2.
In geval van verplichte herverzekering van de portefeuille worden de verplichtingen van de verzekeraar uit overeenkomsten van directe verzekering geheel of ten dele herverzekerd bij een door de Pensioen- & Verzekeringskamer aan te wijzen opvanginstelling. De voorwaarden waaronder verplichte herverzekering plaatsvindt, worden opgesteld door de opvanginstelling en behoeven de instemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
3.
In geval van verplichte overdracht van de portefeuille worden de rechten en verplichtingen uit overeenkomsten van directe verzekering van de verzekeraar overgedragen aan een door de Pensioen- & Verzekeringskamer aan te wijzen opvanginstelling. De opvanginstelling brengt daarbij de solvabiliteitsmarge op de ingevolge artikel 68 vereiste omvang.
1.
Verplichte overdracht van de portefeuille van de verzekeraar vindt slechts plaats nadat de rechtbank binnen welker rechtsgebied de verzekeraar zijn woonplaats heeft op verzoek van de Pensioen- & Verzekeringskamer daartoe aan haar machtiging heeft verleend.
2.
De rechtbank verleent de machtiging, tenzij de Pensioen- & Verzekeringskamer in redelijkheid niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat de portefeuille van de verzekeraar nog levensvatbaar is.
3.
De Pensioen- & Verzekeringskamer zendt een afschrift van haar verzoekschrift tot machtiging aan de verzekeraar.
4.
De rechtbank behandelt het verzoek van de Pensioen- & Verzekeringskamer tot machtiging met de meeste spoed op een niet openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voor zover daarvan bij deze wet niet is afgeweken. De uitspraak wordt niet in het openbaar gedaan.
5.
De rechtbank kan inzage nemen of doen nemen van de zakelijke gegevens en bescheiden van de verzekeraar. Artikel 57 is daarbij van overeenkomstige toepassing.
6.
De rechtbank geeft geen beschikking dan nadat de verzekeraar en de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn gehoord althans behoorlijk zijn opgeroepen.
7.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, terugwerkend tot aan het begin van de dag waarop zij is uitgesproken, niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening.
8.
De rechtbank kan op verzoek van de Pensioen- & Verzekeringskamer de machtiging intrekken.
9.
De Pensioen- & Verzekeringskamer doet van de verlening van de machtiging mededeling aan de betrokken verzekeraar en de opvanginstelling.
10.
Tegen de beschikking staat geen hoger beroep open.
11.
Beroep in cassatie tegen de beschikking wordt ingesteld binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak van de rechtbank. De behandeling heeft in raadkamer plaats en geschiedt met de grootste spoed. De uitspraak wordt niet in het openbaar gedaan.
Artikel 147f
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verzoek tot het verlenen of tot het intrekken van een machtiging bij de rechtbank indienen zonder tussenkomst van een procureur.
Artikel 147g
Tot het instellen van beroep in cassatie tegen de beschikkingen van de rechtbank uit hoofde van dit hoofdstuk is, buiten de Pensioen- & Verzekeringskamer, de verzekeraar bevoegd, ongeacht of deze bij de rechtbank is verschenen.
Artikel 147h
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de verzekeraar en de opvanginstelling instructies geven in het belang van de goede werking van het opvanginstrument. De verzekeraar en de opvanginstelling volgen de instructies van de Pensioen- & Verzekeringskamer op. De instructies van de Pensioen- & Verzekeringskamer kunnen geen betrekking hebben op de voorwaarden van het herverzekeringscontract, bedoeld in artikel 147d, tweede lid, laatste volzin.
1.
Bij de toepassing van het opvanginstrument draagt de verzekeraar aan de opvanginstelling de waarden over die dienen tot dekking van de technische voorzieningen, voor zover deze voorzieningen betrekking hebben op de verplichtingen die worden herverzekerd, onderscheidenlijk worden overgedragen.
2.
Voor zover de opvang betrekking heeft op verplichtingen waarvoor ingevolge artikel 67 dan wel artikel 95 een afzonderlijke administratie van waarden is voorgeschreven, draagt de verzekeraar de aldus geadministreerde waarden aan de opvanginstelling over.
3.
De verzekeraar draagt niet meer waarden over dan benodigd voor de herverzekering, onderscheidenlijk overdracht, van de portefeuille.
4.
Indien voor de opvang meer waarden benodigd zijn dan de in het eerste lid bedoelde, draagt de verzekeraar aan de opvanginstelling tevens aanvullende waarden over tot het benodigde bedrag.
1.
De opvanginstelling maakt de overdracht van de portefeuille van de verzekeraar nadat deze heeft plaatsgevonden onverwijld bekend in de Staatscourant. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de opvanginstelling gelasten van de overdracht tevens mededeling te doen op een andere, door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen, wijze. De inhoud van deze bekendmaking onderscheidenlijk mededeling behoeft de voorafgaande instemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
2.
De overdracht wordt ten aanzien van alle andere belanghebbenden dan de betrokken verzekeraars van kracht met ingang van de tweede dag, volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de bekendmaking is geplaatst.
3.
Op de overdracht zijn de artikelen 129, eerste tot en met derde en vijfde tot en met zevende lid, 130, 131 en 134 niet van toepassing.
4.
De Pensioen- & Verzekeringskamer geeft van de overdracht kennis:
a. indien het een verzekeraar met zetel in Nederland betreft, aan de toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten waar de verzekeraar een bijkantoor heeft of waarheen hij diensten verricht vanuit zijn vestigingen in de Unie;
b. indien het een verzekeraar met zetel buiten de Unie betreft, aan de toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten waarheen hij diensten verricht vanuit een bijkantoor in Nederland.
5.
Voordat de overdracht plaatsvindt stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer de toezichthoudende autoriteiten, bedoeld in het vierde lid, in kennis van de voorgenomen overdracht, tenzij het met het opvanginstrument te bereiken doel daardoor in gevaar komt.
1.
Voor toepassing van het opvanginstrument wordt op enig moment ten hoogste € 181 512 086,44 [Red: voor het jaar 2006 € 220.783.206] ter beschikking gesteld, met dien verstande dat:
a. per opvangsituatie maximaal € 90 756 043,22 [Red: voor het jaar 2006: € 110.391.603] ter beschikking kan worden gesteld; en
b. het ter beschikking staande bedrag ten aanzien waarvan naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer bij het inwerking stellen van het opvanginstrument, gehoord de vertrouwenscommissie, het aanmerkelijke risico bestaat dat het niet wordt terugbetaald, nooit hoger is dan € 90 756 043,22 [Red: voor het jaar 2006: € 110.391.603] .
2.
De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden jaarlijks door Onze Minister aangepast aan de procentuele ontwikkeling van de totale vereiste solvabiliteitsmarge van de verzekeraars, bedoeld in artikel 147a, eerste lid, zoals die blijkt uit de meest recente jaarlijkse financiële verslaglegging van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
3.
In de maand januari van elk jaar worden door Onze Minister de voor dat jaar geldende bedragen, bedoeld in het tweede lid, in de Staatscourant bekend gemaakt.
4.
Indien als gevolg van toepassing van het opvanginstrument voor een daarop volgende toepassing niet meer de maximale bedragen, bedoeld in het eerste lid, ter beschikking staan, bepaalt de Pensioen- & Verzekeringskamer de alsdan maximaal ter beschikking staande bedragen.
5.
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt, gehoord de vertrouwenscommissie, het bedrag vast dat in een voorkomend geval beschikbaar wordt gesteld voor de toepassing van het opvanginstrument. De Pensioen- & Verzekeringskamer bepaalt, met inachtneming van de tweede volzin van het zevende lid, per verzekeraar in hoeverre dit bedrag in de vorm van aandelen in de opvanginstelling wordt genomen en in hoeverre dit bedrag in de vorm van een achtergestelde lening aan de opvanginstelling wordt verstrekt. Verzekeraars nemen de aandelen en verstrekken de achtergestelde lening. Voor dit nemen van de aandelen, het houden ervan en het uitoefenen van de daarmee verbonden zeggenschap is geen verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 175, eerste lid, vereist. De Pensioen- & Verzekeringskamer bepaalt de voorwaarden van de achtergestelde lening waaraan verzekeraars zich houden.
6.
De verzekeraars, bedoeld in artikel 147a, eerste lid, verschaffen het op grond van het vijfde lid vastgestelde bedrag. De Pensioen- & Verzekeringskamer legt daartoe aan deze verzekeraars een aanslag op.
7.
Het bedrag van de aanslag wordt binnen een door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen termijn aan de opvanginstelling voldaan. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan evenwel bepalen dat een of meer verzekeraars het bedrag van de aanslag geheel of gedeeltelijk aan een ander voldoen, om deze in staat te stellen zijn aandelen in de opvanginstelling aan deze verzekeraar of verzekeraars over te dragen.
8.
Ingeval een verzekeraar niet aan het zevende lid voldoet, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer een dwangbevel uitvaardigen, dat wordt executoir verklaard door de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de Pensioen- & Verzekeringskamer is gevestigd en dan een executoriale titel oplevert, die met de toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering door de Pensioen- & Verzekeringskamer tenuitvoergelegd kan worden.
9.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het eerste, vierde en zesde lid.
10.
Het zesde lid is niet van toepassing op opvanginstellingen en op verzekeraars ten aanzien waarvan het opvanginstrument wordt toegepast of is toegepast en die uit dien hoofde nog verplichtingen hebben.
11.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verzekeraar ontheffing verlenen van het zesde lid, eerste volzin, indien naar haar oordeel de bijdrage tot gevolg zal hebben dat de solvabiliteitsmarge van die verzekeraar niet meer zal voldoen aan artikel 68 of artikel 96 en de verzekeraar niet in staat is de solvabiliteitsmarge binnen een redelijke termijn op de vereiste omvang te brengen.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt, gehoord de vertrouwenscommissie, een vergoedingsplan voor de opvang vast.
2.
Onverminderd de bevoegdheden die in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek worden toegekend aan de organen van de opvanginstelling, vindt de uitkering van dividend en de teruggave van kapitaal aan de aandeelhouders van de opvanginstelling, alsmede de rentevergoeding en de terugbetaling van de achtergestelde lening aan de schuldeisers uit hoofde van die aan de opvanginstelling verstrekte achtergestelde lening plaats volgens het vergoedingsplan.
3.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan indien dringende omstandigheden dit vergen en gehoord de vertrouwenscommissie, het vergoedingsplan wijzigen.
1.
Indien de opvanginstelling de portefeuille overdraagt aan een andere verzekeraar, zijn de artikelen 130, achtste lid, en 131, eerste tot en met vierde lid, eerste volzin, niet van toepassing.
2.
Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer geen bedenkingen heeft tegen de overdracht, verleent zij de opvanginstelling toestemming tot de overdracht.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt, gehoord de vertrouwenscommissie, het einde van de toepassing van het opvanginstrument vast.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt het einde van de toepassing van het opvanginstrument bekend aan de verzekeraar en de opvanginstelling.
3.
Indien na beëindiging van de toepassing van het opvanginstrument waarbij een portefeuille-overdracht heeft plaatsgevonden bij de opvanginstelling een batig saldo resteert, keert de opvanginstelling dit uit aan de verzekeraar ten behoeve waarvan het opvanginstrument is toegepast.
4.
De opvanginstelling trekt na beëindiging van de toepassing van het opvanginstrument in ieder geval de aandelen in die niet het minimumkapitaal, bedoeld in artikel 67, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vertegenwoordigen. De aandeelhouders werken hieraan mee.
Artikel 147n
De vergunning van een verzekeraar waarvan de portefeuille ingevolge de bepalingen van dit hoofdstuk is overgedragen, wordt ingetrokken met inachtneming van de artikelen 149, 150 en 153.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een vergunning intrekken indien de verzekeraar:
a. daarom verzoekt;
b. niet meer voldoet aan de eisen die voor het verkrijgen van de vergunning zijn gesteld;
c. niet binnen de ingevolge de artikelen 138 onderscheidenlijk 144 door de Pensioen- & Verzekeringskamer goedgekeurde termijn de solvabiliteitsmarge op de vereiste omvang heeft gebracht;
d. ernstig in gebreke blijft aan verplichtingen, hem bij of krachtens de wet in of buiten Nederland opgelegd, te voldoen;
e. met zetel in Nederland dan wel, vanuit zijn bijkantoren in Nederland, indien hij zijn zetel buiten de Unie heeft, de bedrijfsuitoefening in de betrokken branche gedurende meer dan zes maanden heeft gestaakt; of
f. binnen twaalf maanden na de verlening van de vergunning daarvan geen gebruik heeft gemaakt.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer trekt de vergunning in op het tijdstip waarop een machtiging is verleend als bedoeld in artikel 156, aanhef en derde lid, onderdeel b, of zo spoedig mogelijk daarna, voor zover de verzekeraar onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip nog een vergunning heeft.
3.
De Pensioen- & Verzekeringskamer trekt de vergunning in op het tijdstip waarop tijdens de noodregeling voor de eerste keer activa van de verzekeraar te gelde worden gemaakt met het oogmerk de opbrengst te verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden, of zo spoedig mogelijk na bedoeld tijdstip, indien een machtiging is verleend als bedoeld in artikel 156, derde lid, onderdeel c, voor zover de verzekeraar onmiddellijk voorafgaand aan het voor de eerste keer te gelde maken nog een vergunning heeft. De bewindvoerder stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer in kennis van het voor de eerste keer te gelde maken van de activa, zo mogelijk voorafgaand aan het te gelde maken, of anders onverwijld daarna, tenzij de vergunning reeds is ingetrokken.
1.
Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer is belast met het toezicht, bedoeld in artikel 49, tweede lid, deelt zij, alvorens tot intrekking van een aan de betrokken verzekeraar verleende vergunning over te gaan, haar voornemen mee aan de toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten waar de verzekeraar een bijkantoor heeft.
2.
Indien de toezichthoudende autoriteit van een andere lid-staat dan Nederland is belast met het toezicht, bedoeld in artikel 49, tweede lid, en deze toezichthoudende autoriteit een aan de betrokken verzekeraar verleende vergunning wegens ontoereikendheid van de onder haar toezicht staande solvabiliteitsmarge heeft ingetrokken of zal intrekken, trekt de Pensioen- & Verzekeringskamer de betrokken vergunning eveneens in. Deze intrekking gaat niet eerder in dan op het tijdstip waarop de intrekking in die andere lid-staat ingaat.
1.
De werking van het besluit tot intrekking van een vergunning wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien de verzekeraar de voorzitter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen, op dat verzoek is beslist.
2.
Indien een besluit tot intrekking van een vergunning ertoe leidt dat een zorgverzekeraar in de zin van de Zorgverzekeringswet geen zorgverzekeringen als bedoeld in die wet meer mag aanbieden of uitvoeren, wordt de werking van dat besluit, zonodig in afwijking van het eerste lid, opgeschort met een termijn van drie maanden nadat dit formele rechtskracht heeft gekregen.
3.
De Pensioen- & Verzekeringskamer doet van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid in de Staatscourant mededeling, zodra de intrekking van kracht is geworden. Zij kan, indien zij dit in het belang van verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen acht, het besluit eveneens op andere door haar te bepalen wijze publiceren. Van de intrekking van een vergunning van een opvanginstelling wordt geen mededeling gedaan indien geen verplichte portefeuille-overdracht als bedoeld in artikel 147d, derde lid, heeft plaatsgevonden.
4.
De Pensioen- & Verzekeringskamer brengt de intrekking van een vergunning, verleend:
a. aan een verzekeraar met zetel in Nederland ter kennis van de toezichthoudende autoriteiten van de lid-staten waar de verzekeraar een bijkantoor heeft of waarheen hij diensten verricht;
b. aan een verzekeraar met zetel buiten de Unie ten aanzien van wie zij is belast met het toezicht, bedoeld in artikel 49, tweede lid, ter kennis van de toezichthoudende autoriteiten van de lid-staten waar de verzekeraar een bijkantoor heeft of waarheen hij vanuit Nederland diensten verricht.
1.
Houdt de verzekeraar op te bestaan, dan vervallen de aan hem verleende vergunningen. Artikel 150, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.
Herleeft de rechtspersoon vervolgens, dan is artikel 152 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 152
De intrekking van de vergunning verplicht de verzekeraar het betrokken gedeelte van het bedrijf af te wikkelen, tenzij de intrekking gepaard gaat met de verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf. De verzekeraar die verplicht is zijn bedrijf af te wikkelen, blijft onderworpen aan de bepalingen van deze wet.
1.
Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer een vergunning intrekt op grond van artikel 148, onderdelen b, c of d, beperkt zij de uitoefening van de beschikkingsbevoegdheid door de verzekeraar over zijn waarden of verbiedt zij hem om anders dan met haar schriftelijke machtiging over deze waarden te beschikken, voor zover zulks niet reeds is geschied.
2.
Bij de publikatie, bedoeld in artikel 150, derde lid, wordt tevens mededeling gedaan van de beperking of het verbod, opgelegd ingevolge het eerste lid of de artikelen 137, eerste lid, 140, eerste lid, 143, eerste lid, en 146, eerste lid.
3.
De verzekeraar kan niet op grond van de beperking of het verbod, opgelegd ingevolge het eerste lid of artikel 142, eerste of tweede lid, een beroep doen op de ongeldigheid van een rechtshandeling die voor de openbaarmaking is verricht, tenzij de wederpartij de beperking onderscheidenlijk het verbod kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
4.
Indien het besluit tot intrekking wordt vernietigd, heft de Pensioen- & Verzekeringskamer de beperking of het verbod, opgelegd ingevolge het eerste lid, op.
Artikel 154
De intrekking van een vergunning door de toezichthoudende autoriteit van een andere lid-staat dan Nederland, verplicht de verzekeraar met zetel in die lid-staat de uitoefening van zijn bedrijf door middel van een bijkantoor in Nederland of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland af te wikkelen. Hij blijft daarbij onderworpen aan de bepalingen van deze wet.
1.
Wanneer het belang der gezamenlijke schuldeisers bij de afwikkeling van het bedrijf van een verzekeraar een bijzondere voorziening vordert, kan de rechtbank binnen welker rechtsgebied de verzekeraar zijn woonplaats heeft, op verzoek van de Pensioen- & Verzekeringskamer de noodregeling uitspreken. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder verzekeraar verstaan:
a. de verzekeraar die in het bezit is van een vergunning hem door de Pensioen- & Verzekeringskamer verleend;
b. de verzekeraar waarvan die vergunning is ingetrokken of vervallen;
c. de verzekeraar met zetel in Nederland of de verzekeraar met zetel buiten de Unie met een bijkantoor in Nederland die nimmer in het bezit is geweest van een door de Pensioen- & Verzekeringskamer verleende vergunning, dan wel de verzekeraar met zetel in een andere lidstaat dan Nederland met een bijkantoor in Nederland, die nimmer in het bezit is geweest van een door de toezichthoudende autoriteit van die lidstaat verleende vergunning die overeenkomt met door de Pensioen- & Verzekeringskamer verleende vergunningen.
2.
Bij het uitspreken van de noodregeling benoemt de rechtbank een van haar leden of van de leden van een andere rechtbank tot rechter-commissaris en benoemt zij één of meer bewindvoerders. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan voor de benoeming van de bewindvoerder of bewindvoerders voordrachten doen.
3.
Bij het uitspreken van de noodregeling verleent de rechtbank op verzoek van de Pensioen- & Verzekeringskamer aan de bewindvoerders een machtiging die strekt tot:
a. overdracht van het geheel of van een gedeelte van de rechten en verplichtingen van de verzekeraar uit of krachtens overeenkomsten van verzekering;
b. vereffening van het geheel of van een gedeelte van de portefeuille van de verzekeraar; of
c. zowel overdracht als bedoeld in onderdeel a als vereffening als bedoeld in onderdeel b.
Zo lang nog niet blijkt dat de verzekeraar een negatief eigen vermogen heeft, strekken de machtigingen, bedoeld in onderdelen b en c, mede tot vereffening van het vermogen van de onderneming van de verzekeraar.
4.
De rechtbank behandelt het verzoek van de Pensioen- & Verzekeringskamer tot het uitspreken van de noodregeling met de meeste spoed op een niet openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voor zover daarvan bij deze wet niet is afgeweken.
5.
De rechtbank geeft geen beschikking als bedoeld in het eerste lid dan nadat de verzekeraar en de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn gehoord, althans behoorlijk zijn opgeroepen.
6.
Indien de machtiging strekt tot overdracht als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, kan op voordracht van de rechter-commissaris of op verzoek van de bewindvoerders de machtiging worden uitgebreid tot een machtiging die strekt tot zowel overdracht als vereffening.
7.
Op een voordracht of verzoek als bedoeld in het zesde lid wordt niet beslist dan nadat de rechter de Pensioen- & Verzekeringskamer in de gelegenheid heeft gesteld haar mening daaromtrent kenbaar te maken. De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt met de meeste spoed haar mening kenbaar.
8.
Nadat de Pensioen- & Verzekeringskamer haar mening ingevolge het zevende lid kenbaar heeft gemaakt, of, indien zij niet van de in het zevende lid bedoelde gelegenheid gebruikt heeft gemaakt, behandelt de rechtbank de voordracht of het verzoek, bedoeld in het zesde lid met de meeste spoed op een niet openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voor zover daarvan bij deze wet niet is afgeweken.
9.
Ten aanzien van een verzekeraar met zetel buiten de Unie hebben de machtigingen betrekking op het vanuit zijn bijkantoren in Nederland uitgeoefende verzekeringsbedrijf. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welke activa en passiva tot dat bedrijf moeten worden gerekend.
10.
De Pensioen- & Verzekeringskamer zendt een afschrift van haar verzoekschriften als bedoeld in het eerste en derde lid en de voordracht of het verzoek, bedoeld in het zesde lid, aan de verzekeraar en geeft van de inhoud daarvan kennis aan:
a. indien het een verzekeraar met zetel in Nederland betreft, de toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten waar de verzekeraar een bijkantoor heeft of waarheen hij diensten verricht vanuit zijn vestigingen in de Unie;
b. indien het een verzekeraar met zetel buiten de Unie betreft, de toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten waarheen hij diensten verricht vanuit een bijkantoor in Nederland en, indien een andere toezichthoudende autoriteit in de Unie belast is met het toezicht op de solvabiliteitsmarge van de betrokken verzekeraar, die toezichthoudende autoriteit.
Indien het een voordracht of verzoek als bedoeld in het zesde lid betreft, zendt de griffier een afschrift daarvan aan de Pensioen- & Verzekeringskamer.
11.
De rechtbank kan inzage nemen of doen nemen van de zakelijke gegevens en bescheiden van de verzekeraar. Artikel 57 is daarbij van overeenkomstige toepassing.
12.
De beschikkingen, bedoeld in het eerste en zesde lid, worden met redenen omkleed. De beschikking, houdende dat de noodregeling niet wordt uitgesproken, wordt niet op een openbare terechtzitting uitgesproken. De griffier doet van de zakelijke inhoud van de beschikking mededeling in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen, de Staatscourant, alsmede in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. In de laatstbedoelde publicatie wordt tevens vermeld dat op de noodregeling, behoudens uitzonderingen, Nederlands recht van toepassing is.
13.
De griffier stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer onverwijld in kennis van de beschikkingen, bedoeld in het eerste, derde en zesde lid.
14.
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt, onverwijld nadat zij in kennis is gesteld van de beschikkingen, bedoeld in het eerste, derde en zesde lid, de toezichthoudende autoriteiten van alle andere lid-staten in kennis van de beschikkingen, alsmede van de mogelijke gevolgen in het desbetreffende geval.
15.
De beschikkingen, bedoeld in het eerste, derde en zesde lid, zijn uitvoerbaar bij voorraad. De beschikking, bedoeld in het eerste lid, werkt terug tot aan het begin van de dag waarop zij is uitgesproken. De in dit lid bedoelde uitvoerbaarheid en terugwerkende kracht gelden niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening.
16.
In afwijking van het vijftiende lid werkt de beschikking niet terug ten aanzien van een door een verzekeraar voor het tijdstip waarop de rechtbank de beschikking heeft gegeven gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of een overdracht of vestiging van een pandrecht op grond daarvan, of enige uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst volledig uit te voeren.
17.
Het vijftiende lid kan niet aan derden worden tegengeworpen ten aanzien van een door een verzekeraar, na het tijdstip waarop de rechtbank de in het eerste lid genoemde beschikking heeft gegeven, gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek , of enige uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst volledig uit te voeren, indien de zekerheidsnemer kan aantonen dat deze niet op de hoogte was of behoorde te zijn van de door de rechtbank gegeven beschikking.
18.
Bij de beschikking, bedoeld in het eerste lid, bepaalt de rechtbank de duur van de machtiging op ten hoogste anderhalf jaar. Indien een machtiging tot overdracht wordt uitgebreid tot een machtiging tot zowel overdracht en vereffening, bepaalt de rechtbank de duur van de machtiging tot zowel overdracht als vereffening op de resterende duur van de machtiging tot overdracht. Voor het verstrijken van de gestelde termijn kunnen de bewindvoerders eenmaal of meermalen verlenging van de geldigheidsduur voor ten hoogste anderhalf jaar verzoeken. Het verzoek wordt behandeld op dezelfde wijze als een verzoek tot het uitspreken van de noodregeling. Zolang bij de afloop van de geldigheidsduur van de machtiging op een verzoek tot verlenging niet is beschikt, blijft de machtiging gehandhaafd.
1.
De bewindvoerders geven van de machtigingen, bedoeld in artikel 156, derde lid, aanhef en onderdelen b en c, onmiddellijk aan alle bekende schuldeisers schriftelijk kennis.
2.
De kennisgeving aan schuldeisers met een vordering uit hoofde van verzekering vermeldt tevens welke de belangrijkste gevolgen van de machtiging voor de overeenkomsten uit hoofde van verzekering zijn en de rechten en verplichtingen van de schuldeiser met een vordering uit hoofde van verzekering.
3.
Iedere schuldeiser kan zijn vordering en schriftelijke opmerkingen betreffende zijn vordering indienen bij de bewindvoerders.
1.
De kennisgeving, bedoeld in artikel 156a, eerste lid, aan een bekende schuldeiser met gewone verblijfplaats of woonplaats in een lid-staat, die een vordering uit hoofde van verzekering heeft, geschiedt in een officiële taal van die lid-staat.
2.
De kennisgeving, bedoeld in artikel 156a, eerste lid, aan een bekende schuldeiser met gewone verblijfplaats of woonplaats in een lid-staat, die een andere vordering heeft dan de vordering, bedoeld in het eerste lid, geschiedt in het Nederlands met een formulier dat in alle officiële talen van de Unie het opschrift draagt «Oproep tot indiening van schuldvorderingen. Termijnen».
3.
Elke schuldeiser met gewone verblijfplaats of woonplaats in een lid-staat kan zijn vordering en schriftelijke opmerkingen betreffende zijn vordering indienen in een officiële taal van die lid-staat met een verklaring met als opschrift in de Nederlandse taal «Indiening van een vordering», onderscheidenlijk «Indiening van opmerkingen betreffende een vordering».
Artikel 156c
Indien een machtiging is gegeven als bedoeld in artikel 156, derde lid, aanhef en onderdelen b of c:
a. stellen de bewindvoerders alle bekende schuldeisers regelmatig op passende wijze in kennis van in ieder geval het verloop van de noodregeling, en
b. stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer de toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten die zulks verzoeken in kennis van het verloop van de procedure.
Artikel 156d
De rechter-commissaris houdt toezicht op de overdracht onderscheidenlijk de vereffening, bedoeld in artikel 156, derde lid.
1.
De rechtbank kan op verzoek van de bewindvoerders of ambtshalve de noodregeling beëindigen. De griffier doet van de intrekking mededeling in de Staatscourant alsmede in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer geeft van het beëindigen van de noodregeling kennis aan de in artikel 156, tiende lid, bedoelde toezichthoudende autoriteiten.
3.
De bewindvoerders kunnen een verzoek tot het beëindigen van de noodregeling bij de rechtbank indienen zonder tussenkomst van een procureur.
4.
Door de beschikking, bedoeld in het eerste lid, en de mededeling, bedoeld in artikel 165, vierde lid, vervallen van rechtswege de bevoegdheden, welke de bewindvoerders ingevolge de machtigingen, bedoeld in artikel 156 of de bijzondere machtiging, bedoeld in artikel 165, eerste lid, hadden verkregen.
Artikel 158
Op verzoek van de bewindvoerders benoemt de rechtbank een van haar leden tot rechter-commissaris die toezicht houdt op de vereffening welke plaats heeft ingevolge artikel 163a. Met betrekking tot de beschikkingen van de rechter-commissaris, gegeven ter uitvoering van het in de eerste volzin bepaalde, zijn de artikelen 66 en 67, eerste lid, van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing. Het tweede lid van artikel 67 van die wet is van overeenkomstige toepassing voor zover de daarin opgesomde artikelen in artikel 163a van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Hetgeen in de genoemde artikelen is bepaald met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde is van toepassing op de bewindvoerders onderscheidenlijk de verzekeraar dan wel het bijkantoor.
1.
Indien de rechtbank de machtiging verleent, oefenen de bewindvoerders bij uitsluiting alle bevoegdheden van de bestuurders, de commissarissen of de vertegenwoordiger van de verzekeraar uit.
2.
De bewindvoerders waken voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.
3.
De bestuurders, de commissarissen of de vertegenwoordiger van de verzekeraar verlenen bij de uitoefening door de bewindvoerders van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden alle door hen gevraagde medewerking.
4.
Indien meer dan één bewindvoerder is benoemd, is voor de geldigheid van hun handelingen toestemming van de meerderheid of bij staking van stemmen een beslissing van de voorzieningenrechter van de rechtbank vereist. De bewindvoerder aan wie bij de machtigingen, bedoeld in artikel 156, derde lid, een bepaalde werkkring is aangewezen, is binnen de grenzen daarvan zelfstandig tot handelen bevoegd.
5.
De rechtbank kan te allen tijde een bewindvoerder, na deze en de Pensioen- & Verzekeringskamer gehoord, althans behoorlijk opgeroepen te hebben, ontslaan en door een ander vervangen, of aan de bewindvoerder één of meer andere bewindvoerders toevoegen, een en ander op verzoek van de bewindvoerder, de andere bewindvoerders, de Pensioen- & Verzekeringskamer of één of meer schuldeisers dan wel ambtshalve.
6.
De bewindvoerders kunnen de bestuurders of de vertegenwoordiger van de verzekeraar machtigen bepaalde handelingen te verrichten.
7.
Een besluit van aandeelhouders of leden van een verzekeraar met zetel in Nederland behoeft, om van kracht te zijn, de toestemming van de bewindvoerders.
8.
Wordt een besluit van aandeelhouders of leden dat ingevolge de statuten of reglementen van een verzekeraar met zetel in Nederland voor een handeling is vereist, niet genomen of verkrijgt dit besluit niet de volgens de statuten of reglementen vereiste toestemming, dan kunnen de bewindvoerders dit besluit nemen.
9.
De bewindvoerders kunnen personen machtigen alle of een deel van de bevoegdheden uit te oefenen die zij ingevolge het eerste lid hebben. De bewindvoerders kunnen de rechtbank verzoeken een beloning voor de gemachtigden vast te stellen. De bewindvoerders doen van de naam en woonplaats van een door hen gemachtigde alsook van de intrekking van een machtiging mededeling in de Staatscourant.
10.
Het loon van de personen, aangewezen ingevolge artikel 156, elfde lid, het loon en de verschotten van de bewindvoerders, alsmede de overige kosten van de noodregeling worden bepaald door de rechtbank en vormen een boedelschuld.
Artikel 162
Ingevolge de hun verleende machtiging kunnen de bewindvoerders, ongeacht hetgeen daaromtrent bij de statuten van de verzekeraar is bepaald:
a. alle nog niet gedane stortingen op de aandelen in het geplaatste kapitaal onderscheidenlijk het waarborgkapitaal van een verzekeraar uitschrijven en innen;
b. naheffingen opleggen en innen tot het in de statuten van een onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in Nederland of van een onderneming dan wel instelling op onderlinge grondslag met zetel buiten de Unie bepaalde maximum.
1.
Het uitspreken van de noodregeling heeft tot gevolg dat de verzekeraar niet kan worden genoodzaakt tot betaling van zijn schulden die voor het uitspreken van de noodregeling zijn ontstaan. Alle uit dien hoofde aangevangen executies worden geschorst en gelegde beslagen vervallen. Artikel 36 van de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing op de in de eerste zin bedoelde schulden.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op vorderingen als bedoeld in artikel 171, vierde lid.
3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 163a, geldt het in het eerste lid bepaalde niet voor:
a. vorderingen die door pand of hypotheek op goederen van de verzekeraar zijn gedekt;
b. termijnen van huurkoop;
c. vorderingen voortvloeiend uit een financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
4.
Voor zover vorderingen die door pand of hypotheek zijn gedekt, niet op de daaraan onderworpen goederen kunnen worden verhaald, werkt de uitspraak wel ten aanzien van deze vorderingen.
5.
Het uitspreken van de noodregeling werkt niet ten voordele van de borgen en andere medeschuldenaren van de verzekeraar.
1.
De bewindvoerders kunnen uitkeringen doen op vorderingen die niet voortvloeien uit handelingen met de verzekeraar na het uitspreken van de noodregeling verricht, voor zover dit gelet op de liquiditeitspositie van de verzekeraar verantwoord is te achten en mits is voldaan aan de volgende leden.
2.
De bewindvoerders maken een staat op waaruit blijken de aard en het bedrag van de baten en schulden van de verzekeraar, de namen en woonplaatsen van de schuldeisers alsmede het bedrag der vorderingen van iedere schuldeiser. Een door de bewindvoerders gewaarmerkt afschrift van deze staat wordt ter kosteloze inzage van een ieder ter griffie van de rechtbank neergelegd.
3.
Op verzoek van de bewindvoerders bepaalt de rechter-commissaris de dag waarop uiterlijk de vorderingen moeten worden ingediend, en voorts dag, uur en plaats, waarop de verificatievergadering zal worden gehouden. De bewindvoerders geven van deze beschikkingen onmiddellijk aan alle bekende schuldeisers schriftelijk kennis en doen daarvan aankondiging in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen. De artikelen 110 tot en met 113 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen is bepaald met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde van toepassing is op de bewindvoerders onderscheidenlijk de verzekeraar dan wel het bijkantoor. Artikel 169, vijfde lid, onderdeel e, is van overeenkomstige toepassing.
4.
Een afschrift van de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen en van de lijst van betwiste vorderingen wordt door de bewindvoerders ter griffie van de rechtbank neergelegd om aldaar gedurende veertien dagen voorafgaande aan de verificatievergadering kosteloos voor een ieder ter inzage te liggen. De bewindvoerders geven alle bekende schuldeisers voor het begin van deze periode schriftelijk van de nederlegging bericht waarbij zij een nadere oproeping tot de verificatievergadering voegen. Voorts doen de bewindvoerders van de nederlegging mededeling in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen.
5.
Met betrekking tot de verificatie zijn de artikelen 119 tot en met 122, 123 tot en met 127, 129, 132 tot en met 137, 260, eerste lid, 261 en 262, eerste en derde lid, van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing. Daarbij zijn de bepalingen met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde van toepassing op de bewindvoerders onderscheidenlijk de verzekeraar. Artikel 59 van de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing met uitzondering van het aldaar bepaalde ten aanzien van de vergoeding bedoeld in artikel 63a, derde lid, en de vergoeding voor het gebruik, bedoeld in artikel 63b, vierde lid, van de Faillissementswet. In afwijking van de in artikel 127, eerste lid, van de Faillissementswet genoemde termijn geldt de termijn die ingevolge het derde lid van dit artikel voor de indiening van vorderingen is bepaald. De vorderingen welke opeisbaar worden op of na de datum van de beschikking, bedoeld in artikel 156, eerste lid, worden geverifieerd voor de waarde welke zij hebben op het tijdstip waarop deze vorderingen opeisbaar worden, met dien verstande dat dit ten aanzien van vorderingen welke vallen onder de werking van artikel 165, eerste lid, slechts geldt voor zover deze bepaling niet reeds op deze vorderingen is toegepast.
6.
De bestuurders van de verzekeraar dan wel de vertegenwoordigers van het bijkantoor wonen de verificatievergadering bij teneinde aldaar alle inlichtingen over de oorzaken van de in artikel 156, eerste lid, bedoelde toestand en de staat van de boedel te geven die hen door de rechter-commissaris worden gevraagd. De schuldeisers kunnen de rechter-commissaris verzoeken omtrent bepaalde door hen op te geven punten inlichtingen aan de bestuurders dan wel de aan vertegenwoordigers van het bijkantoor te vragen. De vragen aan de bestuurders dan wel aan de vertegenwoordigers van het bijkantoor gesteld en de door hen gegeven antwoorden worden in het proces-verbaal opgetekend. In afwijking van het bepaalde in artikel 121, vierde lid, van de Faillissementswet levert het proces-verbaal van de verificatievergadering ten aanzien van de verbintenissen van de verzekeraar welke ingevolge artikel 165, eerste lid, worden overgedragen slechts kracht van gewijsde op voor zover de desbetreffende bedingen niet worden gewijzigd.
7.
Na de verificatie van de schuldvorderingen maken de bewindvoerders een uitdelingslijst op. Zij onderwerpen die aan de goedkeuring van de rechter-commissaris. De lijst houdt in een staat van ontvangsten en uitgaven, daaronder begrepen het loon van de bewindvoerders, de namen van de schuldeisers, en voorts het geverifieerde bedrag van ieders vordering en de daarop te ontvangen uitkering. De artikelen 180, tweede lid, 181 en 182, eerste lid, van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing. Onverminderd het bepaalde in het tiende lid is artikel 233 van die wet eveneens van overeenkomstige toepassing.
8.
Bij het opmaken van de uitdelingslijst wordt met betrekking tot de vorderingen die zijn betwist of waarvan de voorrang is betwist of die voorwaardelijk zijn toegelaten een bedrag aan liquide middelen afgezonderd tot tenminste het beloop van het totaal van de bedragen die bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker gesteld.
9.
De door de rechter-commissaris goedgekeurde uitdelingslijst wordt door de bewindvoerders ter griffie van de rechtbank neergelegd om aldaar gedurende veertien dagen kosteloos voor de schuldeisers ter inzage te liggen. De bewindvoerders doen van de nederlegging mededeling in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen. Voorts geven de bewindvoerders aan ieder der erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeisers schriftelijk van de nederlegging kennis, onder vermelding van het voor hem uitgetrokken bedrag. De artikelen 184 tot en met 186, 187, eerste, tweede en derde lid, 189 en 191 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen daarin is bepaald met betrekking tot de curator van toepassing is op de bewindvoerders en dat in afwijking van de in artikel 184 van de Faillissementswet bedoelde termijn geldt de in de eerste zin van dit lid genoemde termijn. Indien ten gevolge van het krachtens artikel 184 dan wel artikel 186 van de Faillissementswet gedane verzet een verificatiegeschil ontstaat, wordt ten aanzien van de vorderingen waarop dit verzet betrekking heeft, het achtste lid van dit artikel overeenkomstig toegepast, en kan vervolgens, nadat voor zoveel nodig tevens dienovereenkomstig wijziging van de overige in de ter inzage neergelegde lijst opgenomen uitkeringsbedragen heeft plaats gehad, met inachtneming van het overigens in dit artikel bepaalde, tot uitkering worden overgegaan. Indien het gedane verzet niet tot een verificatiegeschil leidt, kan met inachtneming van het bij de beschikking op het verzet bepaalde tot uitkering worden overgegaan zodra die beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.
10.
In afwijking van de laatste zin van het zevende lid kan op geverifieerde vorderingen welke opeisbaar worden op of na de datum van de beschikking als bedoeld in artikel 156, eerste lid, voor zover artikel 165, eerste lid, niet reeds op deze vorderingen werd toegepast, een uitkering eerst worden gedaan zodra deze vorderingen opeisbaar zijn geworden. Tot dat tijdstip wordt een bedrag aan liquide middelen afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de bedragen die bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker gesteld.
1.
De kennisgeving, bedoeld in artikel 163a, derde lid, tweede volzin, aan een bekende schuldeiser met gewone verblijfplaats of woonplaats in een lid-staat, die een vordering uit hoofde van verzekering heeft, geschiedt in een officiële taal van die lid-staat.
2.
De kennisgeving, bedoeld in artikel 163a, derde lid, tweede volzin, aan een bekende schuldeiser met gewone verblijfplaats of woonplaats in een lid-staat, die een andere vordering heeft dan de vordering, bedoeld in het eerste lid, geschiedt in het Nederlands met een formulier dat in alle officiële talen van de Europese Unie het opschrift draagt: «Oproep tot indiening van schuldvorderingen. Termijnen».
1.
Met betrekking tot verrekening en schuldoverneming vinden de artikelen 234 en 235 van de Faillissementswet overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de schuldenaar van de verzekeraar die zijn schuld wil verrekenen met een vordering aan order of toonder, gehouden is te bewijzen dat hij het papier reeds op het ogenblik der uitspraak, waarbij het verzoek werd toegewezen, te goeder trouw had verkregen.
2.
Met betrekking tot wederkerige overeenkomsten in het algemeen en tot termijnzaken, overeenkomsten van huurkoop, huurovereenkomsten en arbeidsovereenkomsten in het bijzonder, waarbij de verzekeraar ten aanzien waarvan de noodregeling is uitgesproken, partij is, vinden de artikelen 236, 237, 237 a, 238 en 239 van de Faillissementswet overeenkomstige toepassing.
3.
De bewindvoerders kunnen bestuurders, commissarissen en de vertegenwoordiger namens de verzekeraar ontslaan. Bij dit ontslag worden de overeengekomen of wettelijke termijnen in acht genomen, met dien verstande echter dat een termijn van zes weken in elk geval voldoende is.
4.
Met betrekking tot de voldoening van een schuld aan de verzekeraar nadat de noodregeling is uitgesproken, vindt artikel 240 van de Faillissementswet overeenkomstige toepassing.
1.
Indien het opvanginstrument, bedoeld in artikel 147d, ten tijde van het uitspreken van de noodregeling reeds in werking is gesteld, kan de toepassing ervan door de Pensioen- & Verzekeringskamer worden voortgezet in de vorm bedoeld in artikel 147d, derde lid.
2.
De bewindvoerders verlenen hieraan hun medewerking.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, gehoord de vertrouwenscommissie, het opvanginstrument, bedoeld in artikel 147d, in werking stellen tijdens de noodregeling indien de portefeuille van de verzekeraar naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer levensvatbaar is.
2.
De bewindvoerders verlenen hieraan hun medewerking.
3.
De opvang blijft in een dergelijk geval beperkt tot de verplichte overdracht van de portefeuille, bedoeld in artikel 147d, derde lid.
4.
Artikel 147c, eerste en tweede lid, is niet van toepassing.
1.
Indien na de inwerkingstelling van het opvanginstrument overeenkomstig artikel 147c, eerste lid, of artikel 164b, eerste lid, de verplichte overdracht van de portefeuille naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer niet tot stand kan worden gebracht, doet zij hiervan mededeling aan de bewindvoerders.
2.
Zolang de Pensioen- & Verzekeringskamer deze mededeling niet heeft gedaan, verleent de rechtbank de bewindvoerders geen bijzondere machtiging als bedoeld in artikel 165, eerste lid.
3.
De rechtbank verleent de bijzondere machtiging evenmin zolang de Pensioen- & Verzekeringskamer het opvanginstrument niet in werking heeft gesteld, tenzij de Pensioen- & Verzekeringskamer aan de bewindvoerders mededeling heeft gedaan van haar oordeel dat er geen aanleiding is tot het in werking stellen van het opvanginstrument.
1.
De rechtbank kan tegelijk met de in artikel 156, derde lid, bedoelde machtigingen of daarna de bewindvoerders op hun verzoek een bijzondere machtiging verlenen die strekt tot een of meer van de volgende handelingen:
a. wijziging, bij de overdracht van rechten en verplichtingen uit of krachtens overeenkomsten van verzekering, van die overeenkomsten;
b. verkorting van de duur van overeenkomsten van verzekering.
2.
Wijzigingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a , die op overeenkomsten van levensverzekering betrekking hebben, kunnen niet tot gevolg hebben dat aan verzekeringnemers meer verplichtingen worden opgelegd.
4.
Zodra overdracht van rechten en verplichtingen krachtens de in artikel 156, derde lid, bedoelde machtigingen heeft plaatsgevonden, doen de bewindvoerders van deze overdracht en, zo handelingen door hen zijn verricht krachtens de in het eerste lid bedoelde bijzondere machtiging, van deze handelingen mededeling in de Staatscourant, in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen dagbladen en in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. De bewindvoerders kunnen, indien zij dit in het belang van verzekeringnemers, verzekerden of schuldeisers met een vordering uit hoofde van verzekering achten, de bedoelde overdracht en handelingen tevens op andere wijze publiceren.
5.
De overdracht en de wijziging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a , worden ten aanzien van alle andere belanghebbenden dan de betrokken verzekeraars van kracht met ingang van de tweede dag, volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publikatie is geplaatst. Op de overdracht zijn de artikelen 121, eerste tot en met derde en vijfde lid, 122, eerste en tweede lid, 123, 129, eerste tot en met derde, vijfde tot en met zevende lid, 130, eerste, tweede en achtste lid, en 131 niet van toepassing.
6.
De Pensioen- & Verzekeringskamer geeft van de overdracht en de handelingen kennis aan de in artikel 156, tiende lid, bedoelde toezichthoudende autoriteiten.
7.
Wijzigingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, laten onverlet de uitkeringen die overeenkomstig artikel 163a zijn gedaan voor de dag van de indiening van het verzoek om de machtiging als bedoeld in het eerste lid.
1.
Een vereniging waarvan ten minste 35% van de verzekeringnemers van de verzekeraar ten aanzien waarvan de noodregeling is uitgesproken lid is, kan zich aanmelden bij de bewindvoerders.
2.
De bewindvoerders horen de vereniging alvorens zij de bevoegdheden, bedoeld in artikel 165, eerste lid, uitoefenen, indien deze op een door de bewindvoerders te bepalen moment ten genoegen van de bewindvoerders heeft aangetoond dat zij aan de in het eerste lid gestelde vereisten voldoet.
Artikel 165b
In geval van overdracht van rechten en verplichtingen ingevolge de machtigingen, bedoeld in artikel 156, derde lid, aanhef en onderdelen a en c, of de bijzondere machtiging, bedoeld in artikel 165, eerste lid, draagt de verzekeraar de waarden over die dienen tot dekking van de technische voorzieningen voor zover deze voorzieningen betrekking hebben op de verplichtingen die worden overgedragen.
Artikel 166
Een overdracht van rechten en verplichtingen ingevolge de machtigingen, bedoeld in artikel 156, derde lid, aanhef en onderdelen a en c, mag geen nadeel toebrengen aan de rechten van de overblijvende schuldeisers.
Artikel 168
Voor de toepassing van de artikelen 194, 342 en 343 van het Wetboek van Strafrecht wordt met faillissement gelijkgesteld de rechtstoestand waarin een verzekeraar verkeert zolang te zijnen aanzien de noodregeling als bedoeld in artikel 156 van kracht is.
1.
De bewindvoerders dienen, de Pensioen- & Verzekeringskamer gehoord, een verzoek tot faillietverklaring in, indien blijkt dat de verzekeraar een negatief eigen vermogen heeft en het met de verleende machtiging te bereiken doel is verwezenlijkt of niet meer kan worden verwezenlijkt. De Pensioen- & Verzekeringskamer dient een verzoek tot faillietverklaring in indien geen machtiging werd verleend en geen redelijk vooruitzicht meer bestaat dat het met een machtiging te bereiken doel alsnog kan worden verwezenlijkt.
2.
Bij de beoordeling van de omvang van het eigen vermogen van een verzekeraar met zetel buiten de Unie worden uitsluitend de activa en passiva in aanmerking genomen die moeten worden gerekend tot het vanuit zijn bijkantoren in Nederland uitgeoefende verzekeringsbedrijf.
3.
De noodregeling en de machtiging houden van rechtswege op van kracht te zijn ingeval de verzekeraar in staat van faillissement wordt verklaard.
Artikel 170
De bewindvoerders brengen tijdens de noodregeling telkens na verloop van drie maanden, alsmede na beëindiging van de noodregeling zo spoedig mogelijk verslag omtrent hun werkzaamheden uit aan de rechtbank. Een afschrift van dit verslag zenden de bewindvoerders aan Onze Minister en aan de Pensioen- & Verzekeringskamer.
1.
In geval van toepassing van de noodregeling op grond van dit hoofdstuk worden de boedelschulden, overeenkomstig de bepalingen van de Faillissementswet , al naar gelang de aard van de betrokken boedelschuld hetzij omgeslagen over ieder deel van de boedel, hetzij uitsluitend van een bepaalde bate van de boedel afgetrokken. Onder boedelschulden vallen in ieder geval de kosten van inschrijving in een openbaar register in een andere lid-staat dan Nederland.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid en behoudens vorderingen door pand of hypotheek gedekt, worden in geval van een noodregeling van een schadeverzekeraar volgende vorderingen verhaald op de boedel in de volgende volgorde:
a. de vorderingen uit hoofde van verzekering betreffende periodieke uitkeringen ter zake van ziekte, letsel of overlijden van natuurlijke personen, ontstaan uit of krachtens overeenkomsten van schadeverzekering, met uitzondering evenwel van uitkeringen, krachtens overeenkomst van herverzekering aan een andere verzekeraar verschuldigd, en van uitkeringen ter zake van pensioenen, toegezegd aan werknemers of gewezen werknemers van de verzekeraar of aan hun nabestaanden;
b. de vorderingen van werknemers en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot reeds vervallen termijnen van pensioen voor zover de vordering niet ouder is dan een jaar;
c. de vorderingen van werknemers, niet zijnde bestuurders van de verzekeraar bij wie zij in dienst zijn, en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot in de toekomst tot uitkering komende termijnen van toegezegd pensioen;
d. de vorderingen van werknemers met betrekking tot het loon over het voorafgaande jaar en hetgeen over het lopende jaar is verschuldigd, benevens het bedrag van de verhoging van dat loon ingevolge artikel 625 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede het bedrag van de uitgaven, door de werknemer voor de verzekeraar als werkgever gedaan, en de bedragen, door de verzekeraar aan de werknemer krachtens titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verschuldigd;
e. de vorderingen uit hoofde van verzekering betreffende niet-periodieke uitkeringen ter zake van ziekte, letsel of overlijden van natuurlijke personen, ontstaan uit of krachtens overeenkomsten van schadeverzekering, met uitzondering evenwel van uitkeringen, krachtens overeenkomst van herverzekering aan een andere verzekeraar verschuldigd;
f. de vorderingen uit hoofde van verzekering betreffende uitkeringen ter zake van andere dan in de onderdelen a en e bedoelde schaden, ontstaan uit overeenkomsten van schadeverzekering;
g. de vorderingen tot teruggave van bedragen die zonder rechtsgrond zijn betaald of aan de betaling waarvan de rechtsgrond is komen te ontvallen, welke betaling heeft plaatsgevonden in de veronderstelling dat daarmee premies zijn betaald.
3.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid en behoudens vorderingen door pand of hypotheek gedekt, worden in geval van een noodregeling van een levensverzekeraar de volgende vorderingen verhaald op de boedel in de volgende volgorde:
a. de vorderingen van werknemers en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot reeds vervallen termijnen van pensioen, voor zover de vordering niet ouder is dan een jaar;
b. de vorderingen van werknemers, niet zijnde bestuurders van de verzekeraar waarbij zij in dienst zijn, en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot in de toekomst tot uitkering komende termijnen van toegezegd pensioen;
c. de vorderingen van werknemers met betrekking tot het loon over het voorafgaande jaar en hetgeen over het lopende jaar verschuldigd is, benevens het bedrag van de verhoging van dat loon ingevolge artikel 625 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede het bedrag van de uitgaven, door de werknemer voor de verzekeraar gedaan, en de bedragen, door de verzekeraar aan de werknemer krachtens titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verschuldigd;
d. de vorderingen uit hoofde van verzekering en rechten betreffende uitkeringen, die zijn ontstaan of nog zullen ontstaan uit overeenkomsten van levensverzekering;
e. de vorderingen tot teruggave van bedragen die zonder rechtsgrond zijn betaald of aan de betaling waarvan de rechtsgrond is komen te ontvallen, welke betaling heeft plaatsgevonden in de veronderstelling dat daarmee premies zijn betaald.
4.
Onder de vorderingen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, e en f, en derde lid, onderdeel d, worden mede verstaan de vorderingen ter zake van uitkeringen krachtens lopende overeenkomsten van verzekering, ontstaan op of na de dag waarop de noodregeling is uitgesproken, alsmede de vordering tot teruggave van premies die een verzekeraar heeft ontvangen in de niet beantwoorde verwachting dat een verzekeringsovereenkomst zou worden gesloten, dan wel heeft ontvangen op grond van een verzekeringsovereenkomst die vervolgens is ontbonden of vernietigd.
5.
Vorderingen die niet worden genoemd in het tweede en derde lid, worden eerst dan voldaan indien de vorderingen, bedoeld in het tweede en derde lid zijn voldaan en indien vaststaat dat in de toekomst zodanige vorderingen niet meer zullen ontstaan, naar evenredigheid van elke vordering, behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang.
6.
De in het vijfde lid bedoelde redenen van voorrang gelden zowel voor vorderingen van schuldeisers met gewone verblijfplaats, woonplaats of statutaire zetel in Nederland als voor soortgelijke vorderingen van schuldeisers met gewone verblijfplaats, woonplaats of statutaire zetel in een andere lidstaat dan Nederland.
1.
Een in een andere lid-staat van herkomst dan Nederland genomen beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel wordt van rechtswege erkend.
2.
De beslissing heeft rechtsgevolgen binnen Nederland vanaf het tijdstip dat zij rechtsgevolgen heeft in de lid-staat van herkomst.
Artikel 171b
De beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel, de saneringsmaatregel zelf en de rechtsgevolgen van de saneringsmaatregel worden beheerst door het recht van de lid-staat van herkomst, tenzij de wet anders bepaalt.
1.
De beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel laat onverlet het goederenrechtelijke recht van een schuldeiser of een derde op een goed of goederen, zowel bepaalde goederen als gehelen met een wisselende samenstelling van onbepaalde goederen, die toebehoren aan de verzekeraar en die zich op het tijdstip waarop de beslissing tot opening van de liquidatieprocedure rechtsgevolgen heeft, bevinden op het grondgebied van een andere lid-staat dan de lid-staat van herkomst.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder goederenrechtelijk recht in ieder geval verstaan:
a. het recht een goed te gelde te maken of te laten maken en te worden voldaan uit de opbrengst van of de inkomsten uit het goed, in het bijzonder op grond van een recht van pand of recht van hypotheek;
b. het uitsluitende recht een vordering te innen, in het bijzonder op grond van een pandrecht op de vordering of op grond van een cessie tot zekerheid van de vordering;
c. het recht om een goed van een ieder die het zonder recht houdt op te eisen, van dat goed afgifte te verlangen of van dat goed een ongestoord genot te verlangen;
d. het goederenrechtelijke recht om van een goed de vruchten te trekken.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt met een goederenrechtelijk recht gelijkgesteld het in een openbaar register ingeschreven recht tot verkrijging van een goederenrechtelijk recht als bedoeld in het eerste lid, dat aan derden kan worden tegengeworpen.
4.
Voor de toepassing van dit artikel is de lid-staat waar een goed zich bevindt:
a. met betrekking tot registergoederen en rechten op registergoederen: de lid-staat onder het gezag waarvan het desbetreffende register wordt gehouden;
b. met betrekking tot zaken, voor zover niet vallend onder onderdeel a: de lid-staat op het grondgebied waarvan de zaak zich bevindt;
c. met betrekking tot schuldvorderingen: de lid-staat op het grondgebied waarvan de statutaire zetel van de derde-schuldenaar is.
1.
Ingeval de verzekeraar een zaak heeft gekocht, laat de beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel onverlet de op een eigendomsvoorbehoud berustende rechten van de verkoper, indien de zaak waarop het eigendomsvoorbehoud betrekking heeft zich op het tijdstip waarop de beslissing tot vaststelling van de saneringsmaatregel rechtsgevolgen heeft, bevindt op het grondgebied van een andere lid-staat dan de lid-staat van herkomst.
2.
Ingeval de verzekeraar een zaak heeft verkocht, is de beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel geen grond voor ontbinding of beëindiging van de overeenkomst tot verkoop, en belet de saneringsmaatregel de koper niet de eigendom van de gekochte zaak te verkrijgen, indien de zaak zich op het tijdstip waarop de beslissing tot vaststelling van de saneringsmaatregel gevolgen heeft, bevindt op het grondgebied van een andere lid-staat dan de lid-staat van herkomst.
3.
Artikel 171c, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 171e
Indien degene die zowel schuldeiser als schuldenaar is van de verzekeraar bevoegd is zijn schuld te verrekenen met de vordering op de verzekeraar op grond van het recht dat van toepassing is op de vordering van de verzekeraar, laat de beslissing tot vaststelling van de saneringsmaatregel de bedoelde bevoegdheid onverlet.
Artikel 171f
De artikelen 171c tot en met 171e staan er niet aan in de weg dat een vordering wordt ingesteld tot nietigheid, vernietiging of het niet kunnen worden tegengeworpen van een rechtshandeling wegens de benadeling van het geheel van schuldeisers welke van die rechtshandeling het gevolg is.
Artikel 171g
In afwijking van artikel 171b worden de gevolgen van een saneringsmaatregel voor arbeidsovereenkomsten en andere rechtsverhoudingen ter zake van het verrichten van arbeid uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat dat op die overeenkomst of rechtsverhouding van toepassing is.
Artikel 171h
In afwijking van artikel 171b worden de gevolgen van een saneringsmaatregel voor een overeenkomst die het recht geeft op het genot of de verkrijging van een onroerende zaak uitsluitend beheerst door het recht van de lid-staat op het grondgebied waarvan de onroerende zaak is gelegen.
Artikel 171i
In afwijking van artikel 171b worden de gevolgen van een saneringsmaatregel voor de rechten van de verzekeraar op een registergoed beheerst door het recht van de lid-staat onder het gezag waarvan het register wordt gehouden.
1.
In afwijking van artikel 171b worden, onverminderd artikel 171c, de gevolgen van een saneringsmaatregel voor de rechten en verplichtingen van deelnemers aan een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1, onder 13, van richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141) uitsluitend beheerst door het recht dat op die markt van toepassing is.
2.
Het eerste lid staat er niet aan in de weg dat een vordering wordt ingesteld tot nietigheid, vernietiging of het niet kunnen worden tegengeworpen van een rechtshandeling wegens de benadeling van het geheel van schuldeisers die van die rechtshandeling het gevolg is.
Artikel 171k
In afwijking van artikel 171b wordt de rechtsgeldigheid van een rechtshandeling, onder bezwarende titel aangegaan door de verzekeraar na het tijdstip tot vaststelling van een saneringsmaatregel, waarmee hij beschikt over een registergoed of effecten of andere waardepapieren waarvan het bestaan of de overdracht inschrijving in een wettelijk voorgeschreven register of op een wettelijk voorgeschreven rekening veronderstelt, of die zijn geplaatst in een door het recht van een lid-staat beheerst gecentraliseerd effectendepot, beheerst door het recht van de lid-staat onder het gezag waarvan het register, de rekening of het depot wordt gehouden dan wel, indien het een onroerende zaak betreft, door het recht van de lid-staat waar de onroerende zaak is gelegen.
Artikel 171l
In afwijking van artikel 171b worden de gevolgen van de saneringsmaatregel voor een aanhangige rechtsvordering betreffende een goed waarover de verzekeraar het beheer en de beschikking heeft verloren, uitsluitend beheerst door het recht van de lid-staat waar het rechtsgeding aanhangig is.
Artikel 171m
Artikel 171b is niet van toepassing op regels betreffende de nietigheid, de vernietigbaarheid van voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen en evenmin op de regels die bepalen of dergelijke rechtshandelingen kunnen worden tegengeworpen, indien degene die voordeel heeft gehad bij die rechtshandeling bewijst dat:
a. die rechtshandeling wordt beheerst door het recht van een andere lid-staat dan de lid-staat van herkomst; en
b. dat recht in het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid dat die rechtshandeling wordt aangetast respectievelijk niet kan worden tegengeworpen.
1.
Behoudens de bevoegdheid tot het aanwenden van een dwangmaatregel en de bevoegdheid tot het doen van een uitspraak in een geding of een geschil heeft de bewindvoerder uit een andere lid-staat van herkomst dan Nederland in Nederland de bevoegdheden die hij in de lid-staat van herkomst heeft. De wijze van uitoefenen van deze bevoegdheden in Nederland wordt beheerst door het Nederlandse recht.
2.
Indien op grond van het recht van de lid-staat van herkomst personen zijn aangewezen om de bewindvoerder te vertegenwoordigen of anderszins bij te staan, kunnen zij de bevoegdheden die zij hebben op grond van het recht van die lid-staat uitoefenen op het grondgebied van Nederland.
1.
Voor het bewijs van aanwijzing van de bewindvoerder uit een andere lid-staat dan Nederland volstaat een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het aanwijzingsbesluit of van ieder ander door de bevoegde instanties van de lid-staat gegeven schriftelijke verklaring.
2.
De bewindvoerder uit een andere lid-staat dan Nederland toont op verlangen van een ieder tegenover wie hij zijn bevoegdheden wenst uit te oefenen een vertaling in de Nederlandse taal van het afschrift.
Artikel 171p
Op verzoek van een bewindvoerder uit een andere lid-staat dan Nederland worden de gegevens met betrekking tot een saneringsmaatregel, vastgesteld in een andere lid-staat dan Nederland door de griffier van de rechtbank te 's-Gravenhage ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Faillissementswet .
1.
Indien een verzekeraar met zetel buiten de Unie een bijkantoor heeft in Nederland en een of meer bijkantoren in andere lid-staten, trachten zowel de rechtbank als de Pensioen- & Verzekeringskamer hun optreden te coördineren met de bevoegde instanties onderscheidenlijk de toezichthoudende autoriteiten van die andere lid-staten.
2.
In het in het eerste lid bedoelde geval tracht de in Nederland benoemde bewindvoerder zijn optreden te coördineren met de bewindvoerders in de andere lid-staten waarin aan de verzekeraar een vergunning is verleend.
1.
Het is iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar, een gekwalificeerde deelneming in een verzekeraar met zetel in Nederland te houden, te verwerven of te vergroten dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een verzekeraar met zetel in Nederland uit te oefenen.
2.
Een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid wordt verleend, tenzij:
a. de Pensioen- & Verzekeringskamer van oordeel is dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de betrokken verzekeraar die in strijd is met het belang van degenen die als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen betrokken zijn of zullen worden bij overeenkomsten van verzekering, gesloten of te sluiten door een rechtstreeks of middellijk bij de handeling betrokken verzekeraar;
b. De Pensioen- & Verzekeringskamer van oordeel is dat de handeling ertoe zou leiden of zou kunnen leiden dat de betrokken verzekeraar behoort of zou gaan behoren tot een groep waarbinnen de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de verzekeraar;
c. de Pensioen- & Verzekeringskamer van oordeel is dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële sector; of
d. de Pensioen- & Verzekeringskamer van oordeel is dat een integere bedrijfsvoering onvoldoende is gewaarborgd, waarbij onder integere bedrijfsvoering wordt verstaan de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995; of
e. Onze Minister van oordeel is dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële sector.
3.
Aan een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid kunnen op grond van de overwegingen als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b, c en d, onderscheidenlijk het tweede lid, onderdeel e, beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
4.
Ingeval het houden, het verwerven of het vergroten van een gekwalificeerde deelneming in een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid is verricht, zonder dat voor die handeling een verklaring van geen bezwaar is verkregen of de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is de in overtreding zijnde natuurlijke persoon of rechtspersoon gehouden binnen een door Onze Minister dan wel vanwege Onze Minister door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen termijn de verrichte handeling ongedaan te maken dan wel de beperkingen alsnog in acht te nemen. Deze verplichting vervalt op het tijdstip waarop en voor zover voor de desbetreffende handeling alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken.
5.
Ingeval het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid geschiedt, zonder dat voor het houden, het verwerven of het vergroten van de gekwalificeerde deelneming dan wel voor het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid een verklaring van geen bezwaar is verkregen of de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is een mede door de uitgeoefende zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit kan worden vernietigd op vordering van Onze Minister dan wel vanwege Onze Minister van de Pensioen- & Verzekeringskamer. Het besluit wordt in dat geval door de rechtbank, binnen welker rechtsgebied de verzekeraar gevestigd is, vernietigd indien het besluit zonder dat de desbetreffende zeggenschap zou zijn uitgeoefend, anders zou hebben geluid dan wel niet zou zijn genomen, tenzij voor het tijdstip van de uitspraak alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken. De rechtbank regelt voor zover nodig de gevolgen van de vernietiging.
6.
Ingeval aan de verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het eerste lid verbonden voorschriften niet worden nagekomen, kan Onze Minister dan wel vanwege Onze Minister de Pensioen- & Verzekeringskamer een termijn vaststellen waarbinnen de in overtreding zijnde natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon de niet nagekomen voorschriften alsnog moet vervullen.
1.
Voor het geval van een houder van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 175, eerste lid, die aan het hoofd staat van een groep waartoe een of meer verzekeraars als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, en een of meer kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a , van de Wet toezicht kredietwezen 1992 behoren en waartoe ten minste één verzekeraar met zetel in Nederland behoort die een vergunning als bedoeld in artikel 24, eerste lid, heeft verkregen, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer, in overeenstemming met de autoriteit die ingevolge de Wet toezicht kredietwezen 1992 belast is met het toezicht op kredietinstellingen, op grond van de overwegingen als bedoeld in artikel 175, tweede lid, onderdelen a en b, voorschriften formuleren.
2.
De voorschriften worden overeenkomstig artikel 175, derde lid, door Onze Minister aan een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 175, eerste lid, verbonden.
3.
Indien de voorschriften worden gewijzigd, kan Onze Minister, de Pensioen- & Verzekeringskamer gehoord, dan wel in door Onze Minister bepaalde gevallen vanwege Onze Minister de Pensioen- & Verzekeringskamer, de gewijzigde voorschriften verbinden aan de verklaring van geen bezwaar die aan een houder als bedoeld in het eerste lid is verleend.
4.
De voorschriften worden bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant .
1.
Op een aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 175, eerste lid, wordt beslist door Onze Minister, de Pensioen- & Verzekeringskamer gehoord, dan wel in door Onze Minister bepaalde gevallen vanwege Onze Minister door de Pensioen- & Verzekeringskamer.
2.
Indien een verklaring van geen bezwaar wordt verleend, kan de aanvrager tevens toestemming worden verleend tot het vergroten van de gekwalificeerde deelneming, waarbij als bovengrens 20, 33, 50 of 100 procent kan gelden. Indien een verklaring van geen bezwaar wordt verleend voor een deelneming in een verzekeraar, kan op verzoek van de aanvrager worden bepaald dat de verleende verklaring van geen bezwaar geldt voor alle groepsmaatschappijen gezamenlijk, onverminderd artikel 23 van de Wet toezicht kredietwezen 1992.
3.
De aanvraag wordt ingediend bij de Pensioen- & Verzekeringskamer. De Pensioen- & Verzekeringskamer zendt de aanvraag, vergezeld van haar advies, aan Onze Minister behoudens in de gevallen waarin zij vanwege Onze Minister beslist.
4.
Op de aanvraag wordt binnen dertien weken beslist.
5.
De verleende verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 175, eerste lid, wordt door Onze Minister dan wel vanwege Onze Minister door de Pensioen- & Verzekeringskamer aan de betrokken verzekeraar bekendgemaakt.
6.
Van de afgifte van een verklaring van geen bezwaar wordt door Onze Minister dan wel vanwege Onze Minister door de Pensioen- & Verzekeringskamer mededeling gedaan in de Staatscourant , behoudens voor zover Onze Minister of de Pensioen- & Verzekeringskamer van oordeel is, dat publikatie zou leiden of zou kunnen leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de beslissing betrokkenen of derden.
7.
Een verklaring van geen bezwaar kan door Onze Minister, de Pensioen- & Verzekeringskamer gehoord, dan wel in door Onze Minister bepaalde gevallen vanwege Onze Minister door de Pensioen- & Verzekeringskamer worden gewijzigd of ingetrokken:
a. op aanvraag van de houder;
b. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de verklaring van geen bezwaar zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van de aanvraag de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
c. indien niet alsnog binnen de termijn als bedoeld in artikel 175, zesde lid, aan alle bij de verklaring van geen bezwaar gestelde voorschriften wordt voldaan.
8.
Indien zich met betrekking tot een verleende verklaring van geen bezwaar omstandigheden voordoen of feiten bekend worden welke:
a. naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer tot strijd met het belang leiden of zouden kunnen leiden van degenen die als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen betrokken zijn of zullen worden bij overeenkomsten van verzekering, gesloten of te sluiten door een rechtstreeks of middellijk bij de handeling betrokken verzekeraar onderscheidenlijk tot een invloed op de betrokken verzekeraar die in strijd is met het belang van degenen die als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen betrokken zijn of zullen worden bij overeenkomsten van verzekering, gesloten of te sluiten door een rechtstreeks of middellijk bij de handeling betrokken verzekeraar
b. naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer ertoe leiden of zouden kunnen leiden dat de betrokken verzekeraar zou gaan behoren tot een groep waarbinnen de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de verzekeraar;
c. naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer ertoe leiden of zouden kunnen leiden dat een integere bedrijfsvoering onvoldoende is gewaarborgd, waarbij onder integere bedrijfsvoering wordt verstaan de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995; of
d. naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer of Onze Minister leiden of zouden kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële sector;
en derhalve zo zij voor het tijdstip waarop de verklaring van geen bezwaar werd verleend zich hadden voorgedaan, of bekend waren geweest, een verklaring van geen bezwaar zou zijn geweigerd dan wel de verklaring van geen bezwaar onder het stellen van beperkingen of het verbinden van voorschriften zou zijn verleend, kan Onze Minister, de Pensioen- & Verzekeringskamer gehoord, dan wel in door Onze Minister bepaalde gevallen vanwege Onze Minister de Pensioen- & Verzekeringskamer, aan de verklaring van geen bezwaar nadere beperkingen stellen of nadere voorschriften verbinden of de verklaring van geen bezwaar intrekken.
9.
De wijziging of de intrekking van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 175, eerste lid, wordt door Onze Minister dan wel vanwege Onze Minister door de Pensioen- & Verzekeringskamer aan de betrokken verzekeraar bekendgemaakt.
10.
Indien de omvang van een deelneming waarvoor een verklaring van geen bezwaar is afgegeven onder de 10 procent daalt, vervalt de afgegeven verklaring van geen bezwaar van rechtswege.
11.
Van de wijziging of de intrekking van een verklaring van geen bezwaar wordt door Onze Minister dan wel vanwege Onze Minister door de Pensioen- & Verzekeringskamer mededeling gedaan in de Staatscourant , behoudens voor zover Onze Minister of de Pensioen- & Verzekeringskamer van oordeel is, dat publikatie zou leiden of zou kunnen leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de beslissing betrokkenen of derden.
1.
Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer vooraf in kennis van een zodanige wijziging van diens gekwalificeerde deelneming in een verzekeraar met zetel in Nederland:
a. waardoor de omvang van deze deelneming boven de 20, 33, 50 of 95 procent stijgt, 100 procent wordt dan wel waardoor de verzekeraar een dochtermaatschappij wordt;
b. waardoor de omvang van deze deelneming onder de 10, 20, 33, 50, 95 of 100 procent daalt dan wel waardoor de verzekeraar ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.
2.
Een verzekeraar met zetel in Nederland stelt, voor zover hem bekend, de Pensioen- & Verzekeringskamer in de maand juli van elk jaar in kennis van de identiteit van iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een gekwalificeerde deelneming in deze verzekeraar houdt. Tevens stelt de verzekeraar met zetel in Nederland, zodra zulks hem bekend wordt, de Pensioen- & Verzekeringskamer in kennis van iedere verwerving, afstoting of wijziging van een gekwalificeerde deelneming in deze verzekeraar:
a. waardoor de omvang van deze deelneming boven de 20, 33, 50 of 95 procent stijgt, 100 procent wordt dan wel waardoor de verzekeraar een dochtermaatschappij wordt; of
b. waardoor de omvang van deze deelneming onder de 10, 20, 33, 50, 95 of 100 procent daalt dan wel waardoor de verzekeraar ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.
3.
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt Onze Minister eens per jaar in kennis van de gegevens waarover zij ingevolge het eerste en het tweede lid beschikt.
1.
Een onderneming met zetel buiten de Unie die een deelneming heeft verworven in een onderneming met zetel in Nederland die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 24, eerste lid, waardoor deze haar dochtermaatschappij is geworden, doet daarvan onverwijld schriftelijk mededeling aan de Pensioen- & Verzekeringskamer.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen in kennis van elke verwerving van een deelneming als bedoeld in het eerste lid.
1.
In dit artikel wordt verstaan onder:
a. eerste richtlijn schadeverzekering: eerste richtlijn nr. 73/239/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan ( PbEG L 228);
b. eerste richtlijn levensverzekering: eerste richtlijn nr. 79/267/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 maart 1979 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe levensverzekeringsbedrijf, en de uitoefening daarvan ( PbEG L 63).
2.
Onze Minister kan, ter uitvoering van artikel 29 ter , vijfde lid, van de eerste richtlijn schadeverzekering en artikel 32 ter , vijfde lid, van de eerste richtlijn levensverzekering bepalen dat met ingang van een door hem te bepalen tijdstip ondernemingen met zetel in een door hem aan te wijzen staat buiten de Unie, alvorens zij een deelneming verwerven in een onderneming met zetel in Nederland die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 24, eerste lid, waardoor deze hun dochtermaatschappij wordt, hem daarvan schriftelijk in kennis stellen.
3.
De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt met ingang van het tijdstip, bedoeld in het tweede lid, Onze Minister desgevraagd in kennis van elke aanvraag van een eerste vergunning, ingediend door een dochtermaatschappij met zetel in Nederland van een onderneming met zetel in de door Onze Minister ingevolge het tweede lid aangewezen staat.
4.
Onze Minister kan, ter uitvoering van een besluit als bedoeld in artikel 29 ter , vierde lid, tweede alinea, van de eerste richtlijn schadeverzekering en artikel 32 ter , vierde lid, tweede alinea, van de eerste richtlijn levensverzekering, bepalen dat met ingang van een door hem te bepalen tijdstip:
a. het aan ondernemingen met zetel in een door Onze Minister aan te wijzen staat buiten de Unie is verboden een deelneming te verwerven in een onderneming met zetel in Nederland die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 24, eerste lid, indien deze daardoor dochtermaatschappij van de betrokken onderneming wordt; en
b. de Pensioen- & Verzekeringskamer met betrekking tot ondernemingen met zetel in Nederland die dochtermaatschappij zijn van een onderneming met zetel in de ingevolge onderdeel a aangewezen staat en die voor de eerste maal een vergunning aanvragen, haar beslissingen op deze aanvragen opschort dan wel aan niet meer dan een door Onze Minister te bepalen aantal van deze ondernemingen een vergunning verleent.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop een beperking van het aantal ondernemingen waaraan een vergunning mag worden verleend als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b , moet worden toegepast.
6.
Onze Minister bepaalt het tijdstip waarop de maatregelen, genomen ingevolge het tweede of het vierde lid, worden beëindigd.
7.
Onze Minister kan van het verbod, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a , ontheffing verlenen.
8.
Na beëindiging van de opschorting, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b , neemt de Pensioen- & Verzekeringskamer de betrokken aanvragen opnieuw in behandeling. Artikel 36, eerste lid, is op deze behandeling van overeenkomstige toepassing.
9.
Bij overtreding van het verbod, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a , is degene die de deelneming heeft verworven, gehouden binnen een door Onze Minister te bepalen termijn de deelneming ongedaan te maken.
10.
Handelingen, verricht uit hoofde van een deelneming die in strijd met het verbod, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a , is verworven, zijn nietig.
11.
Het vierde lid is niet van toepassing op aanvragen van vergunningen door dochtermaatschappijen van verzekeraars met zetel in de Unie en op verwerving van deelnemingen door verzekeraars met zetel in de Unie.
Artikel 180
Het is verboden in Nederland te bemiddelen bij of op andere soortgelijke wijze mee te werken aan de voorbereiding of de totstandkoming van overeenkomsten van verzekering met een verzekeraar die:
a. het verzekeringsbedrijf uitoefent zonder in het bezit te zijn van de ingevolge artikel 24, eerste lid, vereiste vergunning;
b. een bijkantoor in Nederland heeft zonder te hebben voldaan aan de procedure die ingevolge deze wet is vereist voor verzekeraars met zetel in een andere lid-staat dan Nederland;
c. diensten verricht naar Nederland zonder te hebben voldaan aan de procedure die ingevolge deze wet is vereist voor verzekeraars met zetel buiten Nederland.
1.
Degene die als gemachtigde van een verzekeraar voor diens rekening een overeenkomst van verzekering heeft gesloten, draagt er zorg voor dat in de polis dan wel in een daaraan toegevoegd aanhangsel de naam van de verzekeraar en, in geval van co-assurantie, het aandeel dat hij namens de verzekeraar heeft geaccepteerd, wordt vermeld. In geval van een overeenkomst van schadeverzekering draagt hij er tevens zorg voor dat elke wijziging in het door hem namens de verzekeraar geaccepteerde aandeel in een aanhangsel wordt vermeld.
2.
Wordt, nadat de gemachtigde de overeenkomst van verzekering heeft gesloten of, in geval van een overeenkomst van schadeverzekering, het door de gemachtigde geaccepteerde aandeel in de overeenkomst is gewijzigd, niet of niet terstond aan de verzekeringnemer een polis of een aanhangsel afgegeven, dan stelt de gemachtigde de verzekeringnemer binnen vier weken na het sluiten van de overeenkomst of na het aanbrengen van de wijziging schriftelijk in kennis van de in het eerste lid bedoelde gegevens. Behoort de overeenkomst evenwel tot de portefeuille van een bemiddelaar in verzekeringen als bedoeld in de Wet financiële dienstverlening , dan doet de gemachtigde binnen twee weken de kennisgeving aan deze bemiddelaar.
3.
Wordt, nadat een overeenkomst van verzekering is gesloten of, in geval van een overeenkomst van schadeverzekering, het door de verzekeraar geaccepteerde aandeel in de overeenkomst is gewijzigd, niet of niet terstond aan de verzekeringnemer een polis of een aanhangsel afgegeven, waarin de naam van de verzekeraar en, in geval van co-assurantie, diens aandeel of de daarin aangebrachte wijziging is vermeld, dan stelt de bemiddelaar tot wiens portefeuille de overeenkomst behoort de verzekeringnemer binnen vier weken na het sluiten van de overeenkomst of na het aanbrengen van de wijziging schriftelijk van deze gegevens in kennis.
4.
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien binnen de betrokken termijn de overeenkomst van verzekering is tenietgegaan en daaraan door de verzekeringnemer of andere belanghebbenden geen rechten meer kunnen worden ontleend.
5.
Met betrekking tot overeenkomsten van schadeverzekering die een gemachtigde namens een of meer verzekeraars heeft gesloten met verzekeringnemers die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel rechtspersonen zijn, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer toestaan dat - in afwijking van het eerste, tweede en derde lid - in de polis of een aanhangsel, dan wel in een schriftelijke kennisgeving als bedoeld in het tweede en derde lid, wordt volstaan met de vermelding van het aandeel dat de gemachtigde namens de gezamenlijke door hem vertegenwoordigde verzekeraars in de overeenkomst heeft geaccepteerd of van de wijziging die daarin is aangebracht, mits:
a. de gemachtigde onder door de Pensioen- & Verzekeringskamer te stellen voorwaarden en op een door deze goed te keuren plaats de in het eerste lid bedoelde gegevens deponeert;
b. in de polis of het aanhangsel en in de schriftelijke kennisgeving wordt verwezen naar de in onderdeel a bedoelde deponering.
6.
Het vijfde lid is met betrekking tot overeenkomsten van schadeverzekering die zijn gesloten met andere dan de in dat lid bedoelde verzekeringnemers, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in de polis die voor de eerste maal wordt afgegeven of in een daaraan toegevoegd aanhangsel, dan wel in een daaraan voorafgaande schriftelijke kennisgeving als bedoeld in het tweede of derde lid, de namen van de verzekeraars en de namens ieder hunner geaccepteerde aandelen worden vermeld. Indien daarin nadien wijzigingen worden aangebracht, die volgens richtlijnen van de Pensioen- & Verzekeringskamer als belangrijk zijn aan te merken, wordt de verzekeringnemer overeenkomstig het tweede en derde lid opnieuw schriftelijk in kennis gesteld van de namen van de verzekeraars en de namens ieder hunner geaccepteerde aandelen.
7.
De gemachtigde of de betrokken bemiddelaar stelt de verzekeringnemer desgevraagd met de meeste spoed schriftelijk in kennis van de naam van de verzekeraar en, in geval van co-assurantie, van de aandelen die de verzekeraars hebben geaccepteerd of van de wijzigingen die daarin zijn aangebracht.
1.
Gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde omtrent afzonderlijke verzekeraars zijn verstrekt of zijn verkregen en gegevens en inlichtingen die van een instantie als bedoeld in de artikelen 183, eerste lid, of 183 a , eerste lid, zijn ontvangen, worden niet gepubliceerd en zijn geheim.
2.
Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt of van een instantie als bedoeld in de artikelen 183, eerste lid, of 183 a , eerste lid, ontvangen, of van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van zakelijke gegevens en bescheiden verkregen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.
3.
Het eerste en tweede lid laten, ten aanzien van degene op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering .
4.
Het eerste en tweede lid laten evenzo, ten aanzien van degene op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en van artikel 66 van de Faillissementswet welke betrekking hebben op het als getuige of als partij in een comparitie van partijen dan wel als deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak, voor zover het gaat om gegevens of inlichtingen omtrent een verzekeraar die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden. Het in de vorige volzin bepaalde geldt niet voor gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op verzekeraars die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging de desbetreffende verzekeraar in staat te stellen zijn bedrijf voort te zetten.
5.
De Pensioen- & Verzekeringskamer is, in afwijking van het eerste en tweede lid, bevoegd met gebruikmaking van gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak, mededelingen te doen mits deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke verzekeraars.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, in afwijking van artikel 182, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel aan Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, tenzij:
a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn;
c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
2.
Voor zover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn verkregen van een buitenlandse overheidsinstantie dan wel van een buitenlandse van overheidswege aangewezen instantie, die is belast met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, verstrekt de Pensioen- & Verzekeringskamer deze niet aan een Nederlandse of buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste lid, tenzij de buitenlandse instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
3.
Indien een buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste lid aan degene die de gegevens of inlichtingen op grond van dat lid heeft verstrekt, verzoekt om die gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, mag dat verzoek slechts worden ingewilligd:
a. voor zover het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste of tweede lid; dan wel
b. voor zover die buitenlandse instantie op een andere wijze dan in deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor geldende procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; alsmede
c. pas na overleg met Onze Minister van Justitie indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, in afwijking van artikel 182, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen die geen betrekking hebben op derden die betrokken zijn bij pogingen de verzekeraar in staat te stellen zijn bedrijf voort te zetten verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan een rechter-commissaris voor zover die is belast met het toezicht uit hoofde van artikel 156d in een noodregeling indien een machtiging is verleend als bedoeld in artikel 156, derde lid, aanhef en onderdeel a, of, indien een machtiging is verleend als bedoeld in artikel 156, derde lid, aanhef en onderdeel c, zo lang de bewindvoerder nog niet activa te gelde heeft gemaakt met het oogmerk deze te verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer verstrekt geen gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid:
a. indien de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen;
b. indien de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, en deze instanties niet instemmen met het verstrekken van de gegevens of inlichtingen.
3.
Artikel 182, eerste tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de op grond van het eerste lid verstrekte gegevens.
Artikel 183b
In afwijking van artikel 182 kunnen in een noodregeling gegevens of inlichtingen die geen betrekking hebben op derden die betrokken zijn bij pogingen de verzekeraar in staat te stellen zijn bedrijf voort te zetten, door de bewindvoerder worden opgenomen in de verslagen, bedoeld in artikel 170, indien een machtiging is verleend als bedoeld in artikel 156, derde lid, aanhef en onderdeel b, of, indien een machtiging is verleend als bedoeld in artikel 156, aanhef en derde lid, onderdeel c, activa van de verzekeraar te gelde zijn gemaakt met het oogmerk de opbrengst te verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden.
Artikel 183c
In afwijking van artikel 182 is artikel 183a van overeenkomstige toepassing op gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op derden die betrokken zijn bij pogingen de verzekeraar in staat te stellen zijn bedrijf voort te zetten, ongeacht of de verleende machtiging een machtiging is als bedoeld in artikel 156, derde lid, aanhef en onderdeel a, b of c, en ongeacht of activa te gelde zijn gemaakt met het oogmerk de opbrengst te verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden.
1.
Ter uitvoering van verdragen tot uitwisseling van gegevens of inlichtingen dan wel ter uitvoering van bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties met betrekking tot het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer ten behoeve van een instantie die werkzaam is in een staat die met Nederland partij is bij een verdrag of die met Nederland valt onder eenzelfde bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, en die in die staat belast is met de uitvoering van wettelijke regelingen inzake het toezicht op het verzekeringsbedrijf, inlichtingen vragen aan of een onderzoek instellen of doen instellen bij een ieder die ingevolge deze wet onder haar toezicht valt dan wel bij een ieder waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over gegevens of inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van de wettelijke regelingen als hiervoor bedoeld.
2.
Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid worden gevraagd, verstrekt deze gegevens of inlichtingen binnen een door de Pensioen- & Verzekeringskamer te stellen termijn.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan toestaan dat een functionaris van een buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 184, eerste lid, deelneemt aan de uitvoering van een verzoek als bedoeld in dat lid.
2.
Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in artikel 184, eerste lid, wordt ingesteld, verleent aan de in het eerste lid bedoelde functionaris alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.
3.
De in het eerste lid bedoelde functionaris volgt de aanwijzingen op van de persoon die met de uitvoering van het verzoek is belast.
1.
De verzekeraars en de verzekeraars, bedoeld in artikel 1, onderdeel c , van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf dragen, volgens bij ministeriële regeling, de Pensioen- & Verzekeringskamer gehoord, te stellen regels, de kosten van de Pensioen- & Verzekeringskamer, verbonden aan de uitvoering van deze wet en van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf . De Pensioen- & Verzekeringskamer legt de in de eerste volzin bedoelde verzekeraars hiertoe jaarlijks een aanslag op.
2.
De kosten en beloning van door de Pensioen- & Verzekeringskamer aangewezen personen als bedoeld in artikel 54, derde lid, onderdeel a, en de kosten van publikaties, bedoeld in artikel 54, derde lid, onderdeel b , en negende lid, komen ten laste van de betrokken verzekeraar, die daartoe van de Pensioen- & Verzekeringskamer een aanslag ontvangt.
3.
De verzekeraar voldoet het bedrag van de aanslag binnen een door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen termijn.
4.
Ingeval de verzekeraar niet aan het derde lid voldoet, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer een dwangbevel uitvaardigen, dat wordt executoir verklaard door de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de Pensioen- & Verzekeringskamer is gevestigd en dan een executoriale titel oplevert, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd.
1.
Voor de uitvoering van deze wet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
2.
Onze Minister kan representatieve organisaties van verzekeraars aanwijzen.
1.
In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
2.
Ten aanzien van besluiten tot intrekking van een vergunning, tot weigering van toestemming voor een financieringsplan en tot inwerkingstelling van het opvanginstrument blijft artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing. Artikel 147c, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
Ingeval beroep wordt ingesteld tegen besluiten als bedoeld in de artikelen 54, 122, 124, 128, 130, 131, 132, 136, 137, 137a, 138, 140, 141, 142, 143, 144, 146, 147, 147c, 147h, 150, 176 en 188a, eerste lid, zal de terechtzitting worden gehouden met gesloten deuren. De uitspraak wordt alsdan niet in het openbaar uitgesproken.
1.
Onze Minister is bevoegd aan de Pensioen- & Verzekeringskamer de gegevens of inlichtingen te vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de Pensioen- & Verzekeringskamer deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het bedrijfseconomisch toezicht nodig blijkt.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer is verplicht aan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen te verstrekken. Indien Onze Minister de Pensioen- & Verzekeringskamer vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die onder artikel 182, eerste en tweede lid, vallen, is de Pensioen- & Verzekeringskamer niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te verstrekken, indien:
a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke verzekeraar die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 24, eerste lid, of waarvan die vergunning is ingetrokken of vervallen, en ten aanzien waarvan overeenkomstig artikel 156 de noodregeling is uitgesproken of die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;
b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een verzekeraar in staat te stellen zijn bedrijf voort te zetten; of
c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel 183, eerste lid, of zijn verkregen naar aanleiding van een verificatie bij een in een andere staat gelegen bijkantoor van een verzekeraar met zetel in Nederland, tenzij de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die instantie onderscheidenlijk van de toezichthoudende autoriteit van de staat waar de verificatie ter plaatse is verricht.
3.
Onze Minister is bevoegd een derde op te dragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn.
4.
Onze Minister mag de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend gebruiken voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de Pensioen- & Verzekeringskamer deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.
5.
Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen. Artikel 182 is van toepassing.
6.
Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.
7.
De Wet openbaarheid van bestuur , de Wet Nationale ombudsman en titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die Onze Minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.
1.
Onze Minister en de Pensioen- & Verzekeringskamer kunnen een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van voorschriften gesteld, bij of krachtens de artikelen 13, vijfde lid, eerste volzin, 13, zesde lid, tweede volzin, 14, tweede lid, 19, 20, 24, eerste lid, 28, eerste tot en met derde lid, 28, vierde lid, eerste volzin, 28, vijfde lid, 29, eerste tot en met vierde lid, 29a, 42, eerste lid, onderdeel e, 42, tweede lid, 45, tweede lid, laatste volzin, 45, derde lid, eerste volzin, 45, derde lid, laatste volzin, 45, vierde lid, tweede volzin, 45, vijfde lid, 49, derde en zesde lid, 51, 52, eerste tot en met zesde lid, en zevende lid, tweede volzin, 54, tweede lid, 54, derde lid, onderdeel a, 54, vijfde lid, eerste volzin, 54a, tweede tot en met vierde lid, 55, tweede en derde lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 55a, 56, zesde lid, laatste volzin, 57, tweede volzin, 58, eerste tot en met vijfde lid, 59, 60, 61, 64, eerste en tweede lid, 65, 66, eerste tot en met achtste lid, 67, eerste en tweede lid, 68, eerste tot en met vierde lid, zesde lid, 69f, 69i, derde lid, eerste en tweede volzin, 69j, eerste lid, 69k, eerste lid, eerste volzin, 70, eerste en tweede lid, 70a, eerste en tweede lid, 71, eerste lid, 71, tweede lid, tweede volzin, 72, eerste tot en met derde lid, vijfde volzin, 72, vijfde en zesde lid, 72a, eerste lid, eerste en derde volzin, 72c, eerste lid, 73, eerste en tweede lid, 74, eerste en tweede lid, 75, eerste en tweede lid, 76, eerste lid, 76, tweede lid, tweede volzin, 82, eerste lid, laatste volzin, 82, tweede lid, 83c, eerste lid, laatste volzin, 83c, tweede lid, 85, eerste lid, 85, tweede lid, tweede volzin, 85, derde lid, eerste volzin, 85, derde lid, laatste volzin, 85, vierde lid, 89, eerste en tweede lid, 90, 93, tweede lid, 94, eerste tot en met zesde, achtste en negende lid, 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, 97, 98, eerste en tweede lid, 98a, eerste en tweede lid, 99, eerste en tweede lid, 100, eerste tot en met derde lid, vijfde volzin, 100, vijfde en zesde lid, 100, zevende lid, eerste volzin, 100a, eerste lid, eerste en derde volzin, 100b, eerste lid, 101, eerste lid, 102, eerste en tweede lid, 103, eerste lid, onderdeel a, eerste volzin, 103, eerste lid, onderdeel a, laatste volzin, 103, vierde lid, 104, eerste lid, 104, tweede lid, tweede volzin, 108, 109, eerste, derde en vierde lid, 109, tiende lid, tweede volzin, 113, derde lid, 114, eerste lid, 115, eerste lid, eerste volzin, 115, tweede lid, eerste volzin, 115, vijfde lid, 116, tweede en derde lid, 118, eerste tot en met vijfde lid, 119, 120, eerste lid, eerste volzin, 120, tweede lid, eerste volzin, 120, vierde lid, 123, eerste lid, 125, tweede lid, 126, 128, derde lid, 131, eerste en vijfde lid, 132, eerste lid, 133, tweede lid, 134, 136, derde lid, 137, eerste lid, 137a, tweede en derde lid, 138, eerste, tweede en vierde lid, 139, 140, eerste lid, 140a, eerste lid, 141, eerste en derde lid, 143, eerste lid, 143a, 144, eerste, tweede en vierde lid, 145, 146, eerste lid, 146a, eerste lid 147, eerste tot en met derde lid, 147c, vijfde lid, 147h, tweede volzin, 147i, eerste, tweede en vierde lid, 147j, eerste lid, 147k, vijfde lid, derde en laatste volzin, zevende en negende lid, 147m, derde en vierde lid, 152, 153, eerste lid, 154, 165b, 175, eerste, vierde en zesde lid, 176, achtste lid, 179, negende lid, 180, 184, tweede lid, 185, tweede lid, 186, eerste en derde lid, en 187, eerste lid, voor zover zij zijn belast met de uitvoering van het toezicht ter zake van die artikelen.
3.
Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
1.
Onze Minister en de Pensioen- & Verzekeringskamer kunnen een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van voorschriften gesteld, bij of krachtens de artikelen 13, vijfde lid, eerste volzin, 13, zesde lid, tweede volzin, 14, tweede lid, 19, 20, 24, eerste lid 28, eerste tot en met derde lid, 28, vierde lid, eerste volzin, 28, vijfde lid, 29, eerste tot en met vierde lid, 29a, 37, eerste lid, 38, eerste, tweede en vijfde lid, 42, eerste lid, onderdeel e, 42, tweede lid, 45, tweede lid, laatste volzin, 45, derde lid, eerste volzin, 45, derde lid, laatste volzin, 45, vierde lid, tweede volzin, 45, vijfde lid, 49, derde en zesde lid, 51, 52, eerste tot en met zesde lid, en zevende lid, tweede volzin, 52, derde lid, tweede volzin, 53, eerste en tweede volzin, 54, tweede lid, 54, derde lid, onderdeel a, 54, vijfde lid, eerste volzin, 54a, tweede tot en met vierde lid, 55, tweede en derde lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 55a , 56, zesde lid, laatste volzin, 57, tweede volzin, 58, eerste tot en met vijfde lid, 59, 60, 61, 62, 64, eerste en tweede lid, 65, 66, eerste tot en met achtste lid, 67, eerste en tweede lid, 68, eerste tot en met zesde lid, 69f, 69i, derde lid, eerste en tweede volzin, 69j, eerste lid, 69k, eerste lid, eerste volzin, 70, eerste en tweede lid, 70a, eerste en tweede lid, 71, eerste lid, 71, tweede lid, tweede volzin, 72, eerste tot en met derde lid, vijfde volzin, 72, vijfde en zesde lid, 72a, eerste lid, eerste en derde volzin, 72a, tweede en derde lid, 72b, 72c, eerste lid, 73, eerste en tweede lid, 74, eerste en tweede lid, 75, eerste tot en met vierde lid, 76, eerste lid, 76, tweede lid, tweede volzin, 77, eerste tot en met derde en zevende lid, 78, eerste volzin, 80, eerste tot en met derde lid, 81, eerste tot en met derde en zesde lid, 82, eerste lid, laatste volzin, 82, tweede lid, 83a, eerste tot en met derde lid, 83b, eerste, tweede en vierde lid, 83c, eerste lid, laatste volzin, 83c, tweede lid, 84, eerste en tweede lid, 85, eerste lid, 85, tweede lid, tweede volzin, 85, derde lid, eerste volzin, 85, derde lid, laatste volzin, 85, vierde lid, 88, eerste en tweede lid, 89, eerste en tweede lid, 90, 93, eerste en tweede lid, 94, eerste tot en met zesde, achtste en negende lid, 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, 97, 98, eerste en tweede lid, 98a, eerste en tweede lid, 99, eerste en tweede lid, 100, eerste tot en met derde lid, vijfde volzin, 100, vijfde en zesde lid, 100, zevende lid, eerste volzin, 100a, eerste lid, eerste en derde volzin, 100a, tweede en derde lid, 100b, eerste lid, 101, eerste lid, 102, eerste en tweede lid, 103, eerste lid, onderdeel a, eerste volzin, 103, eerste lid, onderdeel a, laatste volzin, 103, eerste lid, onderdelen b tot en met d, 103, tweede tot en met vierde lid, 104, eerste lid, 104, tweede lid, tweede volzin, 105, eerste en tweede lid, 106, 108, 109, eerste, derde, vierde en zevende lid, 109, achtste lid, eerste volzin, 109, achtste lid, tweede volzin, 109, negende lid, 109, tiende lid, tweede volzin, 111, eerste en tweede lid, 113, eerste tot en met vierde lid, 114, eerste lid, 115, eerste lid, eerste volzin, 115, tweede lid, eerste volzin, 115, vijfde lid, 116, eerste tot en met derde lid, 118, eerste tot en met vijfde lid, 119, 120, eerste lid, eerste volzin, 120, tweede lid, eerste volzin, 120, vierde lid, 123, eerste lid, 125, tweede lid, 126, 128, derde lid, 131, eerste en vijfde lid, 132, eerste lid, 133, tweede lid, 134, 136, derde lid, 137, eerste lid, 137a, tweede en derde lid, 138, eerste, tweede en vierde lid, 139, 140, eerste lid, 140a, eerste lid, 141, eerste en derde lid, 143, eerste lid, 143a, 144, eerste, tweede en vierde lid, 145, 146, eerste lid, 146a, eerste lid, 147, eerste tot en met derde lid, 147c, vijfde lid, 147h, tweede volzin, 147i, eerste, tweede en vierde lid, 147j, eerste lid, 147k, vijfde lid, derde en laatste volzin, zevende en negende lid, 147m, derde en vierde lid, 152, 153, eerste lid, 154, 165b, 175, eerste, vierde en zesde lid, 176, achtste lid, 177, eerste en tweede lid, 178, eerste lid, 179, tweede en negende lid, 180, 181, eerste tot en met derde lid, 181, zesde lid, laatste volzin, 181, zevende lid, 184, tweede lid, 185, tweede lid, 186, eerste en derde lid, en 187, eerste lid, voor zover zij zijn belast met de uitvoering van het toezicht ter zake van die artikelen.
2.
De bestuurlijke boete komt toe aan de staat indien deze door de Minister van Financiën is opgelegd, of aan de Pensioen- & Verzekeringskamer indien deze door haar is opgelegd.
3.
Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
1.
Het bedrag van de boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt.
2.
De bijlage bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen boete.
3.
De bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd.
4.
Onze Minister, dan wel de Pensioen- & Verzekeringskamer voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, kan het bedrag van de boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog is.
5.
Voor overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 19, 20, 42, eerste lid, onderdeel e, 51, eerste lid, 55a, 66, vierde en vijfde lid, eerste volzin, 66, zevende en achtste lid, 68, eerste, tweede, vierde lid, eerste volzin en zesde lid, 70a, tweede lid, 72, vijfde lid, 98a, tweede lid, 94, vierde en vijfde lid, eerste volzin, 94, achtste en negende lid, 100, vijfde lid, en 187, eerste lid, wordt het bedrag van de boete bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage behorend bij die algemene maatregel van bestuur, met dien verstande dat de boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt. Ten aanzien van ministeriële regelingen, bedoeld in de artikelen 25, tweede lid en 147k, negende lid, is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing.
Artikel 188e
Degene jegens wie door Onze Minister, dan wel de Pensioen- & Verzekeringskamer voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
1.
Indien Onze Minister, dan wel de Pensioen- & Verzekeringskamer voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, voornemens is een boete op te leggen, geeft hij, dan wel de Pensioen- & Verzekeringskamer voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
2.
In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht, stelt Onze Minister, dan wel de Pensioen- & Verzekeringskamer voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, de betrokkene in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd, tenzij het een overtreding betreft die in de bijlage of de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 188d, is aangewezen.
1.
Onze Minister, dan wel de Pensioen- & Verzekeringskamer voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, legt de boete op bij beschikking.
2.
De beschikking vermeldt in ieder geval:
a. het feit ter zake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift;
b. het bedrag van de boete en de gegevens op basis waarvan dit bedrag is bepaald; en
c. de termijn, bedoeld in artikel 188i, eerste lid, waarbinnen de boete moet worden betaald.
1.
De werking van de beschikking tot oplegging van een boete wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt de werking van de beschikking tot oplegging van een boete voor een overtreding die op grond van artikel 188f, tweede lid, is aangewezen, opgeschort totdat de bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het bezwaar is beslist.
1.
De boete wordt betaald binnen zes weken na de inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd.
2.
De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken zijn verstreken, tenzij het een overtreding betreft die op grond van artikel 188f, tweede lid, is aangewezen.
3.
Indien de boete niet tijdig is betaald, stuurt Onze Minister, dan wel de Pensioen- & Verzekeringskamer indien zij de boete heeft opgelegd, schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging, dat de boete, voor zover deze niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het vierde lid zal worden ingevorderd.
4.
Bij gebreke van tijdige betaling kan Onze Minister, dan wel de Pensioen- & Verzekeringskamer indien zij de boete heeft opgelegd, de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering, bij dwangbevel invorderen.
5.
Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6.
Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de staat, dan wel de Pensioen- & Verzekeringskamer indien zij de boete heeft opgelegd.
7.
Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding desgevraagd anders beslist.
8.
Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de boete ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld.
1.
De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt indien ter zake van de overtreding een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
2.
Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een overtreding als bedoeld in artikel 188c vervalt, indien Onze Minister, dan wel de Pensioen- & Verzekeringskamer voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, ter zake van die overtreding reeds een boete heeft opgelegd.
1.
De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt drie jaren na de dag waarop de overtreding is begaan.
2.
De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij een boete wordt opgelegd.
Artikel 188l
De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek.
1.
Met het oog op de belangen van degenen die als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen betrokken zijn of zullen worden bij overeenkomsten van verzekering, gesloten of te sluiten met de verzekeraar, kunnen Onze Minister en de Pensioen- & Verzekeringskamer, onverminderd artikel 182, eerste en tweede lid, het feit ter zake waarvan de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, het overtreden voorschrift, alsmede de naam, het adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, ter openbare kennis brengen.
2.
Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
Artikel 188n
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, in afwijking van artikel 182, teneinde de naleving van deze wet te bevorderen ter openbare kennis brengen:
haar weigering om een aangevraagde vergunning, ontheffing of verklaring van geen bezwaar te verlenen, wanneer deze weigering niet meer in beroep kan worden getroffen en de aanvrager handelt als was hem de vergunning, ontheffing of verklaring van geen bezwaar verleend;
het feit dat een verzekeraar het directe verzekeringsbedrijf uitoefent zonder in het bezit te zijn van de ingevolge artikel 24, eerste lid, vereiste vergunning;
het feit dat een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan Nederland een bijkantoor in Nederland heeft zonder te hebben voldaan aan de procedure, bedoeld in artikel 37;
het feit dat een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan Nederland diensten verricht naar Nederland zonder te hebben voldaan aan de procedure, bedoeld in artikel 111 onderscheidenlijk 113;
het feit dat een verzekeraar met zetel buiten de Unie diensten verricht naar Nederland zonder voldaan te hebben aan de procedure, bedoeld in artikel 116 onderscheidenlijk 118;
het feit dat een schadeverzekeraar diensten naar Nederland verricht in de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen zonder te hebben voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel 109;
het feit dat een verzekeraar zich niet houdt aan de voorschriften of het verbod, bedoeld in artikel 141, tweede lid, of artikel 147, tweede lid.
Artikel 188o
Degene jegens wie door de Pensioen- & Verzekeringskamer een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn handelen of nalaten op grond van artikel 188n ter openbare kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer geeft, indien zij voornemens is op grond van artikel 188n een feit ter openbare kennis te brengen, de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
2.
In aanvulling op artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht, is de Pensioen- & Verzekeringskamer niet gehouden de betrokkene in de gelegenheid te stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.
Artikel 188q
De beschikking om op grond van artikel 188n een feit ter openbare kennis te brengen vermeldt in ieder geval:
het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht;
de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht; en
de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht.
Artikel 188r
Tenzij de bevordering van de naleving van deze wet geen uitstel toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel 188n een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
Artikel 188s
In afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht treedt de beschikking in werking op de dag waarop het feit ter openbare kennis is gebracht zonder dat de werking voor de duur van de beroepstermijn of, indien beroep is ingesteld, van het beroep wordt opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.
1.
De bevoegdheid om op grond van artikel 188n een feit ter openbare kennis te brengen vervalt indien ter zake van het feit een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
2.
Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als bedoeld in artikel 188n vervalt, indien de Pensioen- & Verzekeringskamer het feit reeds ter openbare kennis heeft gebracht.
1.
De bevoegdheid om op grond van artikel 188n een feit ter openbare kennis te brengen vervalt drie jaren na de dag waarop het feit heeft plaats gehad.
2.
De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis wordt gebracht.
Artikel 188v
De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 188n ter openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het daaraan voorafgaande onderzoek.
1.
De aanwijzing van een rechtspersoon als Verzekeringskamer, door Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gedaan op grond van artikel 2 a van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf, wordt beschouwd te zijn gedaan op grond van artikel 3.
2.
De benoemingen van de voorzitter en de andere leden van het bestuur alsmede de benoemingen van de voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht van de Verzekeringskamer ingevolge het bepaalde in artikel 2 d , eerste onderscheidenlijk tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf, worden beschouwd te zijn gedaan op grond van artikel 6, eerste onderscheidenlijk tweede lid.
1.
Een verzekeraar met zetel in Nederland die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een vergunning als bedoeld in artikel 10 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf bezit, wordt beschouwd de vergunning te hebben verkregen op grond van artikel 35.
2.
Een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan Nederland die het verzekeringsbedrijf vanuit een bijkantoor in Nederland uitoefent en die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een vergunning als bedoeld in artikel 10 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf bezit, wordt beschouwd te hebben voldaan aan artikel 37.
3.
Een verzekeraar met zetel buiten de Unie die het verzekeringsbedrijf vanuit een bijkantoor in Nederland uitoefent en die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een vergunning als bedoeld in artikel 10 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf bezit, wordt beschouwd de vergunning te hebben verkregen op grond van artikel 47.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een vergunning verleend aan een schadeverzekeraar die op 1 januari 1986 het schadeverzekeringsbedrijf uitoefende en waarop artikel 190, derde lid, van toepassing is, intrekken indien de verzekeraar:
a. in de staat van zijn zetel niet bevoegd is tot uitoefening van het betrokken directe schadeverzekeringsbedrijf of dit bedrijf niet vanuit een vestiging in die staat daadwerkelijk uitoefent; of
b. met betrekking tot zijn gehele in en buiten Nederland uitgeoefende schadeverzekeringsbedrijf niet over een solvabiliteitsmarge beschikt, die ten minste overeenkomt met de ingevolge artikel 68 vereiste solvabiliteitsmarge.
2.
Een intrekking als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld met een intrekking op grond van artikel 148, aanhef en onderdeel b.
1.
Een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan Nederland die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet heeft voldaan aan de artikelen 50 g dan wel 50 t of 50 m dan wel 50 z van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf wordt beschouwd te hebben voldaan aan de artikelen 111 onderscheidenlijk 113.
2.
Een verzekeraar met zetel buiten de Unie die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet heeft voldaan aan de artikelen 50 g dan wel 50 t of 50 m dan wel 50 z van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf wordt beschouwd te hebben voldaan aan de artikelen 116 onderscheidenlijk 118.
1.
Een beschikking van de Verzekeringskamer, genomen op grond van de artikelen 4, eerste lid, 6, zesde lid, 17, vierde lid, 24 in samenhang met 22, vierde lid, 25, eerste lid, 26, vijfde lid, 27, tweede lid, 29 g , tweede lid, 34, 35 a , tweede lid, 37, vijfde lid, 42, vijfde lid, 50 e , tiende lid, 50 k , tweede lid, 50 o , eerste lid, 50 x , tweede lid, 50 bb , eerste lid, 53 b , vierde lid, 53 c , vierde lid, 54, eerste lid, 54, derde lid, 55, eerste of tweede lid, 57, eerste lid, 63, eerste lid, of 83, vijfde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf, wordt, voor zover deze beschikking strekt, beschouwd te zijn genomen op grond van de artikelen 18, eerste lid, 13, zesde lid, 28, vierde lid, 45, vierde lid, 49, eerste lid, 52, derde lid, 71, tweede lid, dan wel 99, tweede lid, 147, tweede lid, 54, 76, tweede lid, dan wel 104, tweede lid, 66, vierde lid, 94, vijfde lid, 109, tiende lid, 115, tweede lid, dan wel 120, tweede lid, 115, tweede lid, dan wel 120, tweede lid, 115, tweede lid, dan wel 120, tweede lid, 115, tweede lid, dan wel 120, tweede lid, 130, achtste lid, 131, vierde lid, 142, tweede lid, dan wel 143, eerste lid, 142, eerste lid, 138, eerste of tweede lid, dan wel 144, eerste of tweede lid, 140, eerste lid, dan wel 146, eerste lid, 153, eerste lid, onderscheidenlijk 181, vijfde lid.
2.
Een beschikking van Onze Minister, genomen op grond van artikel 81 b , vierde lid, aanhef en onderdeel a , van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf, wordt, voor zover deze beschikking strekt, beschouwd te zijn genomen op grond van artikel 179, vierde lid, aanhef en onderdeel a.
1.
Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 81 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf en die op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt niet is vervallen of ingetrokken, wordt beschouwd te zijn verleend op grond van artikel 176 voor de in de artikelen 174 en 175 genoemde handelingen die overeenkomen met de handelingen waarvoor de verklaring van geen bezwaar was verleend, met dien verstande dat voor zover die verklaring van geen bezwaar betrekking heeft op het verwerven of vergroten van een deelneming of het uitoefenen van zeggenschap die tevens wordt beschouwd te zijn verleend voor het houden van een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in de artikelen 1, eerste lid, onderdeel w, en 174, tweede lid.
2.
Ten aanzien van handelingen waarop het eerste lid niet van toepassing is en waarvoor ingevolge de artikelen 174 of 175 een verklaring van geen bezwaar is vereist en waarop artikel 81 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf niet van toepassing was, blijven de verboden als bedoeld in de artikelen 174 en 175 buiten toepassing tot de eerste dag van de negende kalendermaand na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
3.
Ten aanzien van een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in de artikelen 1, eerste lid, onderdeel w, en 174, tweede lid, die reeds werd gehouden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet en waarvoor ingevolge de artikelen 174 onderscheidenlijk 175 een verklaring van geen bezwaar vereist is, wordt de verzekeraar als bedoeld in artikel 174, eerste lid, onderscheidenlijk de natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 175, eerste lid, beschouwd te beschikken over een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 174, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 175, eerste lid.
1.
Op een schadeverzekeraar met zetel in Nederland die op 1 januari 1986 het verzekeringsbedrijf uitoefende en aan wie een vergunning is verleend en die voorts gedurende het laatst verstreken boekjaar voor 1 augustus 1978 niet een premie-inkomen van zesmaal het minimum bedrag van het garantiefonds, bedoeld in artikel 68, tweede lid, laatste volzin, heeft geboekt, zijn laatstgenoemde bepaling en artikel 68, derde lid, niet van toepassing. Voor de toepassing van dit lid heeft het minimum bedrag van het garantiefonds de waarde zoals deze gold op 1 juli 1994.
2.
De ontheffing is van kracht tot het einde van het boekjaar waarin een zodanig premie-inkomen zal zijn geboekt.
3.
Zolang de ontheffing van kracht is, zal de solvabiliteitsmarge van de verzekeraar niet mogen dalen beneden een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag, en zijn ten aanzien van deze solvabiliteitsmarge de artikelen 68, vijfde lid, en 139 van overeenkomstige toepassing.
4.
Het eerste lid is niet van toepassing op de verzekeraar die zijn werkzaamheden uitbreidt met een of meer branches voor de uitoefening waarvan hij een vergunning behoeft of die in een andere lid-staat een bijkantoor wil openen dan wel zijn werkzaamheden aldaar wil uitbreiden.
Artikel 196
Ten aanzien van overeenkomsten van verzekering die met een onderlinge waarborgmaatschappij zijn gesloten voor 26 juli 1976 en waaruit de rechten en verplichtingen na het in werking treden van deze wet worden overgedragen, geldt artikel 62, aanhef en onderdeel a , van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van de overdracht af, zulks in afwijking van artikel 47, tweede lid, van de Overgangswet voor het nieuwe Burgerlijk Wetboek.
Artikel 197
De artikelen 85, 86, 86 a , 86 b 88 en 89 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn vanaf 1 januari 1986 van overeenkomstige toepassing op een vruchtgebruik van en een pandrecht op aandelen in het waarborgkapitaal van een onderlinge waarborgmaatschappij, gevestigd voor die datum.
Artikel 198
Ten aanzien van de kosten, verbonden aan de uitvoering van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf, voor zover deze op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet zijn verhaald, blijft het bepaalde bij of krachtens artikel 85 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf van toepassing.
Artikel 199
Ingeval voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beroep is ingesteld tegen een beslissing, genomen ingevolge de Wet toezicht verzekeringsbedrijf, wordt de zaak geheel afgedaan met toepassing van de voorschriften die voor dat tijdstip golden.
Artikel 200
Ingeval voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de faillietverklaring van een verzekeraar is uitgesproken of een machtiging als bedoeld in artikel 66 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf is verleend, blijven op het faillissement en op de vereffening of de overdracht van verbintenissen de bepalingen van toepassing die voor dat tijdstip golden.
Artikel 201
Ingeval voor 1 juni 1987 de faillietverklaring is uitgesproken van een levensverzekeraar die in het bezit was van een verklaring als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Wet op het Levensverzekeringbedrijf, Stb. 1922, 716, blijven op het faillissement de bepalingen van toepassing die voor die datum golden.
Artikel 202
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald onder welke beperkingen of voorschriften de bestaande voorzieningen die getroffen zijn voor 4 december 1985 en die in strijd zijn met artikel 13, vierde lid, aanhef en onderdeel a , onder 3°, onderdelen b en c , onderdeel d , onder 2°, en onderdeel e , onder 2°, kunnen worden voortgezet.
Artikel 203
Indien een andere lid-staat dan Nederland de richtlijn nr. 92/49/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG ( PbEG L 228) of de richtlijn nr. 92/96/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de Richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG ( PbEG L 360) niet of onvolledig heeft uitgevoerd, kan Onze Minister bepalen dat en in hoeverre de Pensioen- & Verzekeringskamer op verzekeraars met zetel in die lid-staat deze wet of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf toepast, zoals laatstgenoemde wet gold voor de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 204
Een verzekeraar die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ingevolge de Wet toezicht verzekeringsbedrijf verplicht is tot afwikkeling van het betrokken gedeelte van zijn bedrijf is gedurende de afwikkeling onderworpen aan de bepalingen van deze wet.
Artikel 205
Een verzekeraar met zetel in een andere lid-staat dan Nederland die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet het verzekeringsbedrijf vanuit een bijkantoor in Nederland uitoefent, geeft binnen een maand na dit tijdstip aan de Verzekeringskamer het adres van het bijkantoor op waaraan mededelingen aan de vertegenwoordiger kunnen worden gestuurd.
Artikel 206
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 207
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 208
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 209
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 210
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 211
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 212
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 213
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 214
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 215
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 216
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 217
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 218
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 219
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 220
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 221
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 222
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 223
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 224
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 225
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 226
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 227
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 228
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 229
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 230
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 231
De Wet van 18 december 1986, Stb. 637, tot wijziging van de Wet toezicht schadeverzekeringsbedrijf wordt ingetrokken.
Artikel 232
De Wet van 23 februari 1989, Stb. 52, tot aanvulling van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf met bepalingen omtrent hulpverlening op reis wordt ingetrokken.
Artikel 233
De Wet van 23 mei 1990, Stb. 285, tot aanvulling van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf met bepalingen omtrent rechtsbijstandverzekering wordt ingetrokken.
Artikel 234
De Wet van 20 juni 1990, Stb. 337, tot wijziging van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf in verband met de tweede richtlijn schadeverzekering wordt ingetrokken.
Artikel 235
De Wet van 27 juni 1990, Stb. 341, tot wijziging van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf wordt ingetrokken.
Artikel 236
De Wet van 15 april 1992, Stb. 203, tot wijziging van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf en de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen in verband met de richtlijn 90/618/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 8 november 1990 wordt ingetrokken.
Artikel 237
De Wet van 1 juli 1992, Stb. 441, tot wijziging van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf in verband met de tweede richtlijn levensverzekering wordt ingetrokken.
Artikel 238
De Wet van 23 december 1992, Stb. 719, tot wijziging van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf in verband met de richtlijn inzake de toepassing van de overeenkomst tussen de EEG en Zwitserland betreffende het directe schadeverzekeringsbedrijf wordt ingetrokken.
Artikel 239
De Wet toezicht verzekeringsbedrijf wordt ingetrokken.
Artikel 240
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 juli 1994.
Artikel 241
Deze wet wordt aangehaald als: Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 9 maart 1994
De Minister van Financiën,
Uitgegeven de veertiende april 1994
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
+ Hoofdstuk II. De toegang tot het verzekeringsbedrijf
+ Hoofdstuk III. De uitoefening van het verzekeringsbedrijf
+ Hoofdstuk IV. Het verrichten van diensten naar Nederland
+ Hoofdstuk V. Overdracht van rechten en verplichtingen uit overeenkomsten van schadeverzekering en omzetting van de rechtsvorm van een schadeverzekeraar
+ Hoofdstuk VI. Overdracht van rechten en verplichtingen uit overeenkomsten van levensverzekering en omzetting van de rechtsvorm van een levensverzekeraar
+ Hoofdstuk VII. Bijzondere maatregelen
+ Hoofdstuk VIIA. Opvanginstrument voor levensverzekeraars
+ Hoofdstuk VIII. Intrekking van een vergunning
+ Hoofdstuk IX. Noodregeling en in andere lid-staten dan Nederland vastgestelde saneringsmaatregelen
+ Hoofdstuk X. Bijzondere bepalingen
+ Hoofdstuk XI. Beroep
+ Hoofdstuk XIA. Onderzoek door onze minister
+ Hoofdstuk XI B. Dwangsom en bestuurlijke boete
+ Hoofdstuk XI C. Openbaarmaking van overtredingen
+ Hoofdstuk XII. Overgangsbepalingen
+ Hoofdstuk XIII. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht