Wet van 11 september 1996 tot gemeentelijke herindeling in de samenwerkingsgebieden Midden-Brabant, Breda en Westelijk Noord-Brabant en in een gedeelte van de samenwerkingsgebieden Zuidoost-Brabant en 's-Hertogenbosch
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling in de samenwerkingsgebieden Midden-Brabant, Breda en Westelijk Noord-Brabant en in een gedeelte van de samenwerkingsgebieden Zuidoost-Brabant en 's-Hertogenbosch te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Aarle-Rixtel, Alphen en Riel, Bakel en Milheeze, Beek en Donk, Bergen op Zoom, Bergeyk, Berkel-Enschot, Bladel en Netersel, Breda, Budel, Chaam, Diessen, Dinteloord en Prinsenland, Dongen, Drunen, Dussen, Eersel, Fijnaart en Heijningen, Geertruidenberg, Gemert, 's-Gravenmoer, Halsteren, Heeze, Heusden, Hilvarenbeek, Hoeven, Hooge en Lage Mierde, Hooge en Lage Zwaluwe, Hoogeloon, Hapert en Casteren, Huijbergen, Klundert, Leende, Lieshout, Luyksgestel, Maarheeze, Made en Drimmelen, Moergestel, Nieuw-Ginneken, Nieuw-Vossemeer, Oirschot, Oisterwijk, Oost-, West- en Middelbeers, Ossendrecht, Oud en Nieuw Gastel, Oudenbosch, Prinsenbeek, Putte, Raamsdonk, Reusel, Riethoven, Rijsbergen, Roosendaal en Nispen, Sprang-Capelle, Standdaarbuiten, Steenbergen, Terheijden, Teteringen, Tilburg, Udenhout, Vessem, Wintelre en Knegsel, Vlijmen, Waalwijk, Waspik, Werkendam, Westerhoven, Willemstad, Woensdrecht, Wouw, Zevenbergen en Zundert opgeheven.
1.
Met ingang van de datum van herindeling worden de nieuwe gemeenten Alphen-Chaam, Bergen op Zoom, Bergeyk, Bladel, Breda, Budel, Dongen, Eersel, Geertruidenberg, Gemert-Bakel, Halderberge, Heeze-Leende, Heusden, Hilvarenbeek, Laarbeek, Made, Oirschot, Oisterwijk, Reusel-De Mierden, Roosendaal, Steenbergen, Tilburg, Waalwijk, Werkendam, Woensdrecht, Zevenbergen en Zundert ingesteld.
2.
In bijlage 1 bij deze wet is aangegeven uit het gebied van welke op te heffen gemeenten het gebied van elk der nieuwe gemeenten bestaat, met dien verstande dat de grenzen van de nieuwe gemeenten komen te lopen zoals aangegeven op de bij de wet behorende kaarten.
Artikel 3
De grenzen van de gemeenten Asten, Best, Deurne, Eindhoven, Etten-Leur, Geldrop, Gilze en Rijen, Goirle, Haaren, Helmond, Loon op Zand, Mierlo, Oosterhout, Rucphen, Sint-Oedenrode, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veghel, Veldhoven en Waalre worden gewijzigd als aangegeven op de bij deze wet behorende kaarten.
Artikel 4
De in artikel 36, eerste en tweede lid, van de Wet algemene regels herindeling bedoelde instructies en reglementen van orde van een in bijlage 2 bij deze wet genoemde op te heffen gemeente, gelden voor de in die bijlage genoemde nieuwe gemeente, totdat zij door andere zijn vervangen.
Artikel 5
De in artikel 39, tweede lid, van de Wet algemene regels herindeling bedoelde bevoegdheid tot het heffen en invorderen van gemeentelijke belastingen van een in bijlage 1 bij deze wet genoemde op te heffen gemeente, komt toe aan de organen en ambtenaren van de in die bijlage genoemde nieuwe gemeente.
1.
De in artikel 41, eerste en tweede lid, van de Wet algemene regels herindeling bedoelde gemeenschappelijke regelingen, waaraan uitsluitend wordt deelgenomen door twee of meer van de in bijlage 1 bij deze wet genoemde op te heffen gemeenten, die samen geheel of grotendeels tot een en dezelfde gemeente komen te behoren, vervallen met ingang van de datum van herindeling. De besturen van de in die bijlage genoemde nieuwe gemeenten treffen in verband hiermee de nodige voorzieningen.
2.
Ingevolge artikel 41, derde lid, van de Wet algemene regels herindeling treedt het bestuur van een in bijlage 1 bij deze wet genoemde nieuwe gemeente, in de plaats van de in die bijlage genoemde op te heffen gemeenten.
Artikel 7
De in de artikelen 44 , eerste lid, en 45, tweede lid, van de Wet algemene regels herindeling bedoelde rechten en verplichtingen van een in bijlage 1 bij deze wet genoemde op te heffen gemeente, gaan over op de in die bijlage genoemde nieuwe gemeente.
Artikel 8
De in artikel 48, tweede lid, van de Wet algemene regels herindeling bedoelde uitkeringen aan onderscheidenlijk door een in bijlage 1 bij deze wet genoemde op te heffen gemeente, geschieden aan onderscheidenlijk door de in die bijlage genoemde nieuwe gemeente.
1.
Ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a , van de Wet algemene regels herindeling worden tussentijdse raadsverkiezingen gehouden voor de nieuwe gemeenten die bij deze wet zijn ingesteld. Met de voorbereiding van de verkiezingen bedoeld in de eerste volzin worden de in bijlage 2 bij deze wet genoemde op te heffen gemeenten belast.
2.
Indien de datum van herindeling valt binnen twee jaar voor de datum waarop reguliere verkiezingen voor de leden van de gemeenteraden ingevolge de Kieswet moeten worden gehouden, dan vinden deze verkiezingen niet plaats in de gemeenten die bij deze wet zijn ingesteld.
3.
Indien de datum van herindeling valt binnen een jaar voor de datum waarop de reguliere verkiezingen voor de leden van de gemeenteraden ingevolge de Kieswet moeten worden gehouden, dan eindigt de zittingsperiode van de leden van de raden van de nieuwe gemeenten gelijk met de zittingsperiode van de leden van de raden van de overige gemeenten die volgt op de eerste verkiezingen voor de gemeenteraden na de datum van herindeling.
4.
Ingevolge artikel 52, tweede lid, onder b , van de Wet algemene regels herindeling worden in de gemeenten Goirle en Haaren tussentijdse raadsverkiezingen gehouden. Het tweede, derde vijfde, zesde en zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.
5.
Indien de datum van herindeling valt tussen een en twee jaar voor de datum waarop de reguliere verkiezingen voor de leden van de gemeenteraden ingevolge de Kieswet moeten worden gehouden, dan treden de leden van de raden van de nieuwe gemeenten tegelijk af met ingang van dinsdag 13 april 1999.
6.
Indien de situatie bedoeld in het vijfde lid zich voordoet, worden in 1999 in de nieuwe gemeenten op de uit de Kieswet voortvloeiende datum verkiezingen voor de gemeenteraden gehouden. De stemming voor deze verkiezingen kan plaatsvinden in hetzelfde stemlokaal als de stemming voor de verkiezingen voor provinciale staten. De op grond van artikel J6 van de Kieswet gegeven voorschriften zijn van overeenkomstige toepassing.
7.
De zittingsperiode van de leden van de raden die zijn gekozen bij de in het zesde lid bedoelde verkiezingen eindigt tegelijk met de zittingsperiode van de leden van de raden van de overige gemeenten die volgt op de eerste verkiezingen voor de gemeenteraden na de datum van de herindeling.
Artikel 10
De in artikel 59, eerste lid, van de Wet algemene regels herindeling bedoelde ambtenaren in dienst van een in bijlage 1 bij deze wet genoemde op te heffen gemeente, gaan op de datum van herindeling over in voorlopige dienst van de in die bijlage genoemde nieuwe gemeente.
Artikel 11
De in artikel 70, eerste lid van de Wet algemene regels herindeling bedoelde archiefbescheiden van een in bijlage 1 bij deze wet genoemde op te heffen gemeente, gaan op de datum van herindeling over op de in die bijlage genoemde nieuwe gemeente.
Artikel 12
De in artikel 71, derde lid, van de Wet algemene regels herindeling bedoelde gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van een in bijlage 1 bij deze wet genoemde op te heffen gemeente, wordt op de datum van herindeling overgedragen aan de in die bijlage genoemde nieuwe gemeente.
Artikel 13
[Wijzigt de Wet op de rechterlijke indeling.]
Artikel 14
[Wijzigt de Politiewet 1993.]
Artikel 15
[Wijzigt de Wet verplaatsing mestproduktie.]
Artikel 16
Gedeputeerde staten van Noord-Brabant kunnen bij vaststelling van de grensbeschrijving, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Wet algemene regels herindeling , kennelijke onjuistheden verbeteren in de grenzen zoals die zijn aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Zij zenden de verbeterde kaart zo spoedig mogelijk naar Onze Minister van Binnenlandse Zaken.
1.
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen stelt op de wijze als aangegeven in de artikelen 56, tweede lid, en 107a van de Wet op het basisonderwijs de stichtings- en opheffingsnormen voor scholen voor basisonderwijs vast voor de bij deze wet betrokken gemeenten.
2.
Indien de raad van een bij deze wet betrokken gemeente binnen 3 maanden na de datum van herindeling een besluit neemt tot splitsing van de gemeente, stelt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voor de beide gebiedsdelen een afzonderlijke opheffingsnorm vast. Artikel 107b, eerste lid, eerste, tweede en vierde volzin, tweede lid, eerste en derde volzin, en vijfde lid, van de Wet op het basisonderwijs is van overeenkomstige toepassing.
3.
De ingevolge het eerste en tweede lid vastgestelde stichtings- en opheffingsnormen treden in de plaats van de voor de betrokken gemeenten op grond van artikel 56, derde, vierde en vijfde lid, 107, tweede lid, 107b en 107c van de Wet op het basisonderwijs vastgestelde normen. De nieuwe normen gelden met ingang van 1 januari volgend op de datum van herindeling. Tot en met 31 december volgend op de datum van herindeling blijven op de scholen in de bij deze wet betrokken gemeenten de normen van toepassing die golden op de dag voorafgaande aan de datum van herindeling.
1.
Een nieuwe gemeente kan in de belastingverordening op de onroerende-zaakbelastingen bepalen, dat voor de toepassing van de Wet waardering onroerende zaken met betrekking tot de onroerende zaken gelegen in overgaand gebied, de ingevolge de in dat gebied geldende verordeningen op de onroerende-zaakbelastingen vastgestelde waarden naar de waardepeildatum 1 januari 1992, 1 januari 1993, 1 januari 1994 of 1 januari 1996, geacht worden de waarden per 1 januari 1995 te zijn.
2.
Indien in de verordening op de onroerende-zaakbelastingen van een nieuwe gemeente niet een bepaling is opgenomen als bedoeld in het eerste lid, en de nieuwe gemeente niet overgaat tot het bepalen en vaststellen van de waarde op de voet van de Wet waardering onroerende zaken , wordt voor de toepassing van die wet de waarde van de onroerende zaken, gelegen in de nieuwe gemeente, op de voet van hoofdstuk III van die wet bepaald naar één van de in artikel 41 van die wet genoemde waardepeildata, zoals die is opgenomen in één van de verordeningen onroerende-zaakbelastingen die gelden in overgaand gebied. De op basis van die waardepeildatum vastgestelde waarden worden voor de toepassing van de Wet waardering onroerende zaken geacht de waarden per 1 januari 1995 te zijn.
3.
Ingeval een belanghebbende bezwaar maakt tegen de met toepassing van het eerste dan wel tweede lid vastgestelde waarde van een onroerende zaak en aannemelijk maakt dat toepassing van de hoofdstukken III en IV van de Wet waardering onroerende zaken tot vaststelling van een lagere waarde zou leiden, wordt de waarde op de voet van die hoofdstukken bepaald en vastgesteld.
Artikel 19
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 11 september 1996
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
Uitgegeven de twaalfde september 1996
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Opheffing en instelling van gemeenten
+ § 2. Grenswijzigingen van gemeenten die niet worden opgeheven
+ § 3. Overige bepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht