Let op. Deze wet is vervallen op 1 april 2004. U leest nu de tekst die gold op 31 maart 2004.

Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie

Uitgebreide informatie
Wet van 16 september 1954, houdende tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te geven omtrent tuchtrechtelijke handhaving van verordeningen van hoofdbedrijf- en bedrijfschappen en van lichamen, ingesteld ter gemeenschappelijke behartiging van belangen, als bedoeld in artikel 110 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Voor de toepassing van deze wet worden onder lichaam verstaan de bedrijfslichamen bedoeld in artikel 66, vierde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie en de lichamen, ingesteld ter gemeenschappelijke behartiging van belangen, bedoeld in artikel 110 van die wet.
Artikel 2
Voor de toepassing van deze wet wordt onder het College verstaan het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Artikel 3
De tuchtrechtelijke maatregelen in de zin van de artikelen 105 en 113 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie, die op overtreding van verordeningen van een lichaam kunnen worden gesteld, zijn:
1°. berisping;
2°. geldboete;
3°. openbaarmaking van de tuchtbeschikking op kosten van de veroordeelde.
Artikel 4
De tuchtrechtelijke maatregel van berisping bestaat uit een schriftelijk of mondeling vermaan tot de betrokkene in verband met het begane feit.
1.
Het bedrag van de geldboete is ten minste € 2.
2.
Het hoogste bedrag van de geldboete wordt bij verordening bepaald en is niet hoger dan € 450. De geldboete kan geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk worden opgelegd.
3.
In de instellingsverordening als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de wet kan worden bepaald, dat het lichaam op overtreding van daarbij aangewezen verordeningen een hogere geldboete dan € 450 kan stellen. In geen geval zal het bedrag der geldboete hoger zijn dan € 4 500.
1.
In de gevallen, waarin het tuchtgerecht de openbaarmaking van zijn tuchtbeschikking gelast, bepaalt het tevens de wijze, waarop aan die last uitvoering wordt gegeven.
2.
De kosten van openbaarmaking worden in de tuchtbeschikking op een bepaald bedrag geschat.
1.
Indien een feit, dat tuchtrechtelijk kan worden afgedaan, wordt begaan door of vanwege een rechtspersoon of een vennootschap, wordt de tuchtrechtelijke vervolging ingesteld en worden maatregelen genomen
hetzij tegen die rechtspersoon of die vennootschap,
hetzij tegen hen, die tot het feit opdracht hebben gegeven of die feitelijk leiding hebben gehad bij het verboden handelen of nalaten,
hetzij tegen beiden.
2.
Een feit wordt onder meer begaan door of vanwege een rechtspersoon of een vennootschap, indien het begaan wordt door personen, die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde handelen in de sfeer van de rechtspersoon of de vennootschap, ongeacht of deze personen ieder afzonderlijk het feit hebben begaan, dan wel bij hen gezamenlijk de elementen van dat feit aanwezig zijn.
3.
Indien een tuchtrechtelijke vervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon of een vennootschap, wordt deze tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de bestuurder en, indien er meer bestuurders zijn, door één dezer. Het tuchtgerecht kan de persoonlijke verschijning van een bestuurder bevelen.
1.
Het bestuur van het betrokken lichaam regelt bij verordening de rechtsgang van het tuchtrechtelijke geding alsmede de samenstelling en de bevoegdheden van het tuchtgerecht of de tuchtgerechten en, indien van tuchtbeschikkingen voorziening bij een ander tuchtgerecht kan worden gevraagd, de samenstelling en bevoegdheden van dat tuchtgerecht.
2.
De verordening geeft waarborgen voor een deugdelijke berechting. Zij behoeft de goedkeuring van Onze betrokken Ministers en van Onze Minister van Justitie.
3.
De verordening kan inhouden, dat aan de betrokkene en aan de in artikel 7, derde lid, bedoelde bestuurder, die, na door het tuchtgerecht bij aangetekend schrijven te zijn opgeroepen om in persoon te verschijnen, zonder geldige redenen, zulks ter beoordeling van het tuchtgerecht, wegblijven, tuchtrechtelijke maatregelen kunnen worden opgelegd.
4.
Het tuchtgerecht is niet bevoegd over een zaak te oordelen, indien noch de voorzitter, noch een der leden noch de secretaris voldoet aan de vereisten voor benoeming tot rechter in een arrondissements-rechtbank.
1.
De betrokkene kan, tenzij het tuchtgerecht beveelt, dat hij in persoon zal verschijnen, zich op de terechtzitting doen vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze aldaar verklaart daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn, of wel door een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde.
2.
Het tuchtgerecht kan weigeren bepaalde personen, die niet zijn advocaat, als gemachtigde toe te laten. Bij zodanige weigering houdt het tuchtgerecht de zaak tot de volgende zitting aan.
3.
Het tuchtgerecht stelt bij aangetekende brief de betrokkene met de aanhouding en de reden daarvan in kennis en roept hem tevens op om op de voor de zaak bepaalde nadere zitting in persoon of bij een andere gemachtigde tegenwoordig te zijn.
4.
De betrokkene kan zich te allen tijde door een raadsman doen bijstaan.
5.
Het tuchtgerecht kan weigeren bepaalde personen, die niet zijn advocaat, als raadsman toe te laten. Bij zodanige weigering houdt het tuchtgerecht op verzoek van de betrokkene de zaak tot een volgende zitting aan.
1.
Voor de aanvang van de behandeling ter terechtzitting van het tuchtgerecht kan elk der zittende leden door de betrokkene worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden, die het vormen van een onpartijdig oordeel zouden kunnen bemoeilijken.
2.
Op grond van zodanige feiten of omstandigheden kan een lid zich verschonen.
3.
De overige leden beslissen zo spoedig mogelijk of de wraking of verschoning wordt toegestaan. In geval van staking van stemmen is het verzoek tot wraking of verschoning toegestaan.
1.
Het tuchtgerecht is bevoegd ambtshalve of op verzoek van de betrokkene getuigen bij aangetekend schrijven op te roepen.
2.
Ieder, die als getuige is opgeroepen, is verplicht voor het tuchtgerecht te verschijnen.
3.
Indien de getuige niet op de oproeping verschijnt, kan het tuchtgerecht de officier van justitie bij de arrondissements-rechtbank, binnen welker rechtsgebied het tuchtgerecht zitting houdt, verzoeken de getuige ter terechtzitting van het tuchtgerecht te dagvaarden en daarbij te voegen een bevel tot medebrenging.
4.
Met betrekking tot het horen van de getuigen en hun recht van verschoning vinden de artikelen 217-220 van het Wetboek van Strafvordering overeenkomstige toepassing.
5.
De voorzitter van het tuchtgerecht kan de getuige beëdigen dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen.
1.
Het tuchtgerecht kan ambtshalve of op verzoek van de betrokkene een of meer deskundigen benoemen, ten einde het gerecht voor te lichten, zo nodig, met opdracht een onderzoek in te stellen en het gerecht een verslag uit te brengen.
2.
Het tuchtgerecht roept de deskundigen bij aangetekend schrijven op.
3.
De deskundige is verplicht zijn taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten. Ten aanzien van de deskundigen en hun verhoor vinden de artikelen 217-220 van het Wetboek van Strafvordering overeenkomstige toepassing.
4.
Het tuchtgerecht kan de deskundige geheimhouding opleggen.
Artikel 13
Degeen, die als getuige of deskundige is opgeroepen, ontvangt een vergoeding overeenkomstig het Tarief in strafzaken.
1.
De tuchtbeschikking houdt de gronden in en wijst de voorschriften aan, waarop zij rust.
2.
De inhoud van de tuchtbeschikking wordt bij aangetekend schrijven ter kennis van de betrokkene en van het lichaam gebracht.
Artikel 15
De betrokkene kan tegen de tuchtbeschikking beroep instellen bij het College.
Artikel 16
Geen beroep kan worden ingesteld, indien een ander gewoon rechtsmiddel tegen de tuchtbeschikking openstaat of opengestaan heeft.
Artikel 17
Het beroep kan worden ingesteld ter zake dat:
a. de tuchtbeschikking niet inhoudt de gronden of niet aanwijst de voorschriften, waarop de veroordeling rust;
b. de regelen omtrent de samenstelling van het tuchtgerecht en zijn bevoegdheid zijn geschonden;
c. het tuchtgeding is gevoerd in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijke rechtspraak;
d. het tuchtgerecht niet in redelijkheid tot de opgelegde maatregel of maatregelen heeft kunnen komen.
Artikel 18
Het beroep wordt ingesteld binnen veertien dagen na verzending van het bij artikel 14 bedoelde schrijven.
1.
Het beroep wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, ingesteld door een schriftelijke verklaring door of namens de betrokkene aan de griffier van het College.
2.
De griffier doet van het afleggen van de verklaring binnen vijf dagen mededeling aan het tuchtgerecht en aan het lichaam, welks verordening zou zijn overtreden.
Artikel 20
Het tuchtgerecht doet binnen een en twintig dagen na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het tweede lid van het voorgaande artikel, de stukken toekomen aan de griffier van het College.
Artikel 21
De betrokkene, door of namens wie beroep is ingesteld, is, op straffe van niet-ontvankelijkheid, verplicht binnen een en twintig dagen, nadat het beroep is ingesteld, ter griffie van het College een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van beroep.
1.
Is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond, dan kan, zonder dat een nader onderzoek door het College vereist is, de voorzitter bij met redenen omklede beschikking het beroep niet-ontvankelijk of ongegrond verklaren. De griffier doet afschrift van de beschikking bij aangetekend schrijven aan de betrokkene, het tuchtgerecht en het lichaam toekomen.
2.
Tegen de beschikking, in het voorgaande lid vermeld, kan de betrokkene binnen veertien dagen na de verzending van het afschrift er van verzet doen bij het College. Artikel 19 is van overeenkomstige toepassing.
3.
Het College verklaart het verzet niet-ontvankelijk, gegrond of ongegrond. Indien het verzet gegrond wordt verklaard, vervalt de beschikking. De laatste zin van het eerste lid is van toepassing.
4.
Is het College van oordeel, dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond is, dan kan het zonder nader onderzoek het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaren, echter niet dan na de betrokkene in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord.
5.
De beschikking van het College ter zake van het gedane verzet is met redenen omkleed.
6.
De griffier brengt de beschikking van het College ter kennis van de betrokkene, het tuchtgerecht en het lichaam.
1.
Indien het voorgaande artikel geen toepassing vindt of het verzet gegrond is verklaard, bepaalt de voorzitter de dag voor de behandeling der zaak. De griffier brengt bij aangetekend schrijven de rechtsdag ter kennis van de betrokkene en van het lichaam.
2.
Voor de behandeling ter terechtzitting worden de processtukken in origineel of in door de griffier gewaarmerkte afschriften gedurende ten minste zes dagen ter griffie, ter griffie van een rechtbank of elders ter kosteloze inzage voor de betrokkene of zijn gemachtigde en voor het lichaam nedergelegd. De nederlegging wordt door de griffier tijdig ter kennis van de betrokkene en van het lichaam gebracht.
3.
De in het vorige lid bedoelde termijn kan met toestemming van de betrokkene worden verkort.
4.
Is de termijn niet in acht genomen, dan bepaalt het College een nieuwe rechtsdag, tenzij de betrokkene in persoon of bij gemachtigde is verschenen. In dit laatste geval kan op zijn verzoek uitstel worden verleend.
5.
In de gevallen, waarin op de terechtzitting de behandeling van de zaak voor een bepaalde tijd wordt uitgesteld of geschorst, wordt geen nieuwe kennisgeving gedaan.
Artikel 24
Op het rechtsgeding voor het College zijn de artikelen 9- 13 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 25
Aan de betrokkene of zijn gemachtigde en aan de raadsman wordt de gelegenheid gegeven het woord te voeren en de middelen van beroep toe te lichten.
1.
Het College kan ambtshalve of op verzoek van de betrokkene het lichaam uitnodigen inlichtingen te verschaffen.
2.
Het lichaam kan zich ter terechtzitting van het College doen vertegenwoordigen.
3.
De vertegenwoordiger van het lichaam wordt desverlangd door het College in de gelegenheid gesteld het woord te voeren.
Artikel 27
Na de behandeling van de zaak ter terechtzitting bepaalt de voorzitter de dag voor de uitspraak. Het College kan ook terstond uitspraak doen.
1.
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk, verwerpt het of verklaart het gegrond.
2.
Indien het College niet voldoende is ingelicht, kan het bevelen, dat de behandeling der zaak op een nader te bepalen datum zal worden hervat.
1.
Indien het College het beroep gegrond verklaart, vernietigt het de tuchtbeschikking; het doet alsdan de zaak zelf af of verwijst haar naar een tuchtgerecht van het lichaam, welks verordening zou zijn overtreden, om haar af te doen met inachtneming van de beslissing van het College.
2.
Indien een nader onderzoek noodzakelijk is en het College de zaak zelf afdoet, geschiedt dit onderzoek overeenkomstig de rechtsgang, welke is vastgesteld voor het tuchtgerecht, waarvan de beschikking is vernietigd.
1.
De uitspraak van het College houdt de gronden in en wijst de voorschriften aan, waarop zij rust.
2.
De uitspraak wordt door de voorzitter van de kamer, die de uitspraak heeft gedaan, en de griffier ondertekend. Indien de voorzitter zich in de onmogelijkheid bevindt de uitspraak te ondertekenen, geschiedt zulks door het oudst benoemde gewone of buitengewone lid, dat de uitspraak mede gewezen heeft. Indien de griffier zich in de onmogelijkheid bevindt, wordt daarvan instede van de ondertekening melding gemaakt.
Artikel 31
De griffier brengt de uitspraak van het College ter kennis van de betrokkene, het tuchtgerecht en het lichaam.
Artikel 32
De tenuitvoerlegging van tuchtbeschikkingen en van uitspraken van het College geschiedt op last van het dagelijks bestuur van het betrokken lichaam. Het dagelijks bestuur kan niet van tenuitvoerlegging afzien, tenzij met goedkeuring van de voorzitter van het College.
Artikel 33
Geen tuchtbeschikking wordt tenuitvoergelegd, zolang daartegen enig gewoon rechtsmiddel openstaat.
1.
Het dagelijks bestuur van het lichaam brengt binnen veertien dagen na het onherroepelijk worden van de tuchtbeschikking of van de uitspraak van het College bij aangetekend schrijven ter kennis van de betrokkene, binnen welke termijn hij de opgelegde geldboete of de kosten van openbaarmaking van de tuchtbeschikking moet voldoen. Die termijn kan op ten hoogste twee maanden worden gesteld en kan telkens worden verlengd, doch mag de duur van twee jaren niet te boven gaan.
2.
Bij gebreke van volledige betaling binnen de in het voorgaande lid bedoelde termijn wordt het niet betaalde bedrag ingevorderd op dezelfde wijze als de heffingen, bedoeld in artikel 126, eerste lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie.
Artikel 127 van die wet is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 35
Indien in strijd met artikel 32 van tenuitvoerlegging wordt afgezien of indien de in het voorgaande artikel gestelde termijnen niet worden in acht genomen, wordt geacht zich een geval voor te doen, als bedoeld in artikel 99, eerste lid, sub b , van de Wet op de Bedrijfsorganisatie.
Artikel 36
De opbrengsten van de geldboeten komen aan het betrokken lichaam. Het bestuur van het lichaam geeft aan de opbrengsten een bijzondere bestemming. Het besluit van het bestuur behoeft de goedkeuring van de Sociaal-Economische Raad.
Artikel 38
Deze wet kan worden aangehaald als Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie.
Artikel 39
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 16 September 1954
De Minister van Justitie,
De Minister voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie,
De Minister van Economische Zaken,
De Staatssecretaris van Sociale Zaken,
De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening,
De Minister van Financiën,
De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting,
Uitgegeven de acht en twintigste September 1954.
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Titel I. Algemene bepalingen
+ Titel II. Van de tuchtrechtelijke maatregelen
+ Titel III. Van de tuchtgerechten
+ Titel IV. Van het beroep
+ Titel V. Van de tenuitvoerlegging
+ Titel VI. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht