1.
De kamerleden ontvangen een vergoeding voor aan de uitoefening van het kamerlidmaatschap verbonden kosten die € 2.540,91 per jaar bedraagt.
2.
Het kamerlid aan wie ingevolge artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ontvangt een onkostenvergoeding ter hoogte van de helft van het in het eerste lid genoemde bedrag.
3.
Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het voorafgaande jaar.
1.
De kamerleden ontvangen ter vergoeding van reiskosten een bedrag van € 3640 per jaar.
2.
Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt aangepast bij ministeriële regeling overeenkomstig de wijziging in de vergoeding die geldt voor het burgerlijk rijkspersoneel voor dienstreizen voor het gebruik van een eigen motorvoertuig indien openbaar vervoer niet mogelijk of niet doelmatig is.
1.
De kamerleden ontvangen ter vergoeding van verblijfkosten een bedrag waarvan de hoogte afhankelijk is van de afstand van de woonplaats van het kamerlid of het door het kamerlid bewoonde deel van de woonplaats tot het gebouw van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.
2.
Het in het eerste lid bedoelde bedrag bedraagt bij:
0 km: € 335,32 per jaar;
10 km: € 3.338,69 per jaar;
75 km: € 6.678,72 per jaar;
150 km en meer: € 10.853,07 per jaar.
Het bedrag behorende bij de afstanden, afgerond op hele kilometers, tussen de in bovenstaand schema genoemde afstanden, wordt berekend naar evenredigheid met het verschil tussen de in het schema aangegeven bedragen bij de naasthogere en naastlagere afstand.
3.
De bedragen, genoemd in het tweede lid, worden jaarlijks bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de voor het burgerlijk rijkspersoneel vastgestelde vergoeding van reis- en verblijfskosten van dienstreizen.
Artikel 19
Ten aanzien van een kamerlid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, worden als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 aangewezen:
a. de vergoeding, bedoeld in artikel 16, eerste lid;
b. het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid;
c. het bedrag, bedoeld in artikel 18, eerste lid.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Vergoeding voor de werkzaamheden
+ Hoofdstuk III. Vergoeding voor secundaire voorzieningen
+ Hoofdstuk IV. Toelage en andere voorzieningen van de voorzitter
- Hoofdstuk V. Kostenvergoedingen
+ Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht