Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2006. U leest nu de tekst die gold op -.

Wet verplaatsing mestproductie

Uitgebreide informatie
Wet van 2 december 1993, houdende regelen inzake het verplaatsen van de productie van dierlijke meststoffen
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is bij wet regelen te stellen omtrent het verplaatsen van mestproductie;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
mestproductierecht: hoeveelheid dierlijke meststoffen uitgedrukt in onderscheidenlijk kilogrammen fosfaat varkens- en kippenmest, in kilogrammen fosfaat rundvee- en kalkoenenmest en in kilogrammen fosfaat afkomstig van de mest van één of meer andere krachtens artikel 1 van de Meststoffenwet aangewezen diersoorten, die ingevolge artikel 55, eerste, vijfde, zesde, zevende en achtste lid, van de Meststoffenwet op een bedrijf gedurende een kalenderjaar ten hoogste mag worden geproduceerd, zoals deze hoeveelheid in voorkomend geval is gewijzigd door toepassing van het bepaalde bij of krachtens de Meststoffenwet en bij deze wet;
niet-gebonden mestproductierecht: deel van het mestproductierecht dat de hoeveelheid overeenkomend met 125 kg fosfaat per jaar per hectare tot een bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond te boven gaat;
verplaatsing: het, met benutting van een overeenkomstig deze wet geregistreerd niet-gebonden mestproductierecht en in afwijking in zoverre van artikel 55, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, van de Meststoffenwet, gaan produceren van dierlijke meststoffen op een andere locatie of een ander bedrijf;
bedrijf: geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van de landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden;
Bureau Heffingen: Bureau Heffingen van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te Assen;
dierlijke meststoffen: dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet;
landbouwgrond: landbouwgrond, bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet;
tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond: tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet;
Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
2.
Voor de toepassing van deze wet wordt onder bedrijf mede verstaan dat geheel van productie-eenheden dat als één bedrijf is opgegeven op grond van de krachtens artikel 7 van de Meststoffenwet gestelde regelen inzake de registratie van de productie van dierlijke meststoffen, voor zover zodanig bedrijf niet reeds is gesplitst of samengevoegd op grond van de krachtens artikel 58 van de Meststoffenwet gestelde regelen, alsmede elk afzonderlijk geheel van productie-eenheden dat na inwerkingtreding van deze wet is ontstaan door splitsing van een oorspronkelijk bedrijf.
3.
Indien op een bedrijf mestproductierechten zijn geregistreerd betreffende meer dan een van de krachtens artikel 1 van de Meststoffenwet aangewezen diersoorten wordt, voor de bepaling van de omvang van het desbetreffende niet-gebonden mestproductierecht, de bij het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond aan een mestproductierecht toegedeeld overeenkomstig door Onze Minister vast te stellen regelen.
4.
Voor de toepassing van het begrip bedrijf wordt geen rekening gehouden met handelingen waarvan, op grond van de omstandigheid dat zij geen wezenlijke verandering van feitelijke verhoudingen hebben ten doel gehad of waarvan op grond van andere bepaalde feiten en omstandigheden, moet worden aangenomen dat zij achterwege gebleven zouden zijn indien daarmede niet de toepassing van deze wet voor het vervolg geheel of ten dele onmogelijk zou worden gemaakt.
Artikel 2
Verplaatsing is slechts toegestaan overeenkomstig de regels van deze wet.
Artikel 3
Het is verboden na verplaatsing een grotere hoeveelheid dierlijke meststoffen te produceren dan voortvloeit uit het bepaalde in deze wet, een en ander onverminderd de hoeveelheid die op grond van artikel 55 van de Meststoffenwet mag worden geproduceerd.
Artikel 4
Het is verboden te verplaatsen van een locatie of bedrijf, geheel of gedeeltelijk gelegen buiten de in de bij deze wet behorende bijlage aangegeven gebieden, naar een locatie of bedrijf geheel of gedeeltelijk gelegen binnen deze gebieden. Het is op overeenkomstige wijze verboden om tussen de aangewezen gebieden onderling, te verplaatsen.
1.
Bij de in artikel 9 bedoelde kennisgeving en daaropvolgende registratie neemt het niet-gebonden mestproductierecht:
a. af op het bedrijf waarvandaan de voorgenomen verplaatsing plaatsvindt met de desbetreffende overeenkomstig artikel 9 geregistreerde hoeveelheid;
b. toe op het bedrijf waarheen verplaatst gaat worden met een hoeveelheid gelijk aan de desbetreffende overeenkomstig artikel 9 geregistreerde hoeveelheid.
2.
De hoeveelheid mestproductierechten welke overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 bepalend is voor de vaststelling van de hoeveelheid niet-gebonden mestproductierechten varkens- en kippenmest en rundvee- en kalkoenenmest welke na één of meer kennisgevingen als bedoeld in artikel 9 in totaal kan worden geregistreerd, is ten hoogste gelijk aan de desbetreffende gerealiseerde mestproductie in 1988, 1989 of 1990.
3.
De in het tweede lid bedoelde gerealiseerde mestproductie wordt bepaald aan de hand van de krachtens de artikelen 8 en 13 van de Meststoffenwet , zoals deze vóór 1 januari 1998 luidden deze inzake de aangiften voor de overschotheffing voor die jaren opgegeven aantallen dieren of toegepaste correcties.
4.
Bij de bepaling van de in het tweede en derde lid bedoelde gerealiseerde mestproductie kan de belanghebbende uit een van de aldaar bedoelde jaren het jaar kiezen waarin deze mestproductie het grootst was.
5.
De in het tweede lid bedoelde gerealiseerde mestproductie wordt slechts in aanmerking genomen voor zover deze gelijk is aan of lager is dan de in artikel 55, eerste, vijfde, zesde en zevende lid, van de Meststoffenwet vastgelegde maximaal toegestane mestproductie.
6.
De in het tweede lid bedoelde vaststelling heeft geen betrekking op kennisgevingen en registraties betreffende de hoeveelheden die overeenkomstig deze wet zijn geregistreerd.
1.
Bij de bepaling en de berekening van de in artikel 5 bedoelde hoeveelheid niet-gebonden mestproductierechten welke overeenkomstig deze wet ten hoogste kan worden geregistreerd, kunnen door Onze Minister nadere regelen worden gesteld welke onder meer betrekking kunnen hebben op:
- het voor de toepassing van deze wet ambtshalve vaststellen van de in dat artikel bedoelde hoeveelheden;
- de gevallen waarin en de wijze waarop van de in dat artikel bedoelde bepaling en berekening kan of moet worden afgeweken.
2.
Door Onze Minister kunnen regelen worden gesteld omtrent de wijze waarop en de gevallen waarin de overeenkomstig de artikelen 9 en 10 aan te melden en te registreren niet-gebonden mestproductierechten met een bij die regelen te bepalen percentage worden gekort, welk kortingspercentage echter niet groter kan zijn dan 25%.
3.
De krachtens artikel 9, tweede lid, van de Meststoffenwet, gestelde regelen zijn van overeenkomstige toepassing op de bepaling van de omvang van de mestproductie van de in deze wet bedoelde diersoorten.
1.
Bij de gevolgen van grondtransacties op de omvang van het mestproductierecht en het niet-gebonden mestproductierecht blijft artikel 55 van de Meststoffenwet onverkort van toepassing.
2.
Onder grondtransacties worden in dit artikel verstaan, eigendomsovergangen, het tot stand komen of eindigen van pachtovereenkomsten en het vestigen, overdragen of tenietgaan van zakelijke gebruiksrechten.
3.
Onder het tot stand komen en eindigen van pachtovereenkomsten wordt in dit artikel verstaan, het aangaan van een pachtovereenkomst voor tenminste de duur als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Pachtwet ( Stb. 1958, 37), welke vervolgens is goedgekeurd door de grondkamer, een door de grondkamer goedgekeurde beëindiging van een zodanige pachtovereenkomst, een door de rechter uitgesproken ontbinding van een zodanige pachtovereenkomst, een afwijzing door de rechter van een verzoek tot verlenging van een zodanige pachtovereenkomst, of het eindigen van een zodanige overeenkomst als gevolg van een kennisgeving als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de Pachtwet , waarna niet overeenkomstig artikel 36, derde lid, van de Pachtwet verlenging is verzocht.
1.
Indien sprake is van een in artikel 7, tweede lid, bedoelde beëindiging van een pachtovereenkomst welke, ongeacht de overeengekomen duur van zodanige overeenkomst, is aangegaan op een tijdstip gelegen in de periode vanaf 1 januari 1987 tot de dag van inwerkingtreding van deze wet, gaat een mestproductierecht over, overeenkomstig de hoeveelheid die ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Meststoffenwet bij het aangaan van de pachtovereenkomst naar de pachter overging, met inachtneming evenwel van het bepaalde in de overige bepalingen van deze wet en de Meststoffenwet .
2.
Indien sprake is van een in artikel 7, tweede lid, bedoelde beëindiging van een pachtovereenkomst welke, ongeacht de overeengekomen duur van zodanige overeenkomst, is aangegaan op een tijdstip gelegen vóór 1 januari 1987, gaat een mestproductierecht over op basis van de door partijen aan de verpachte lokatie toe te rekenen mestproductiecapaciteit, met inachtneming evenwel van het bepaalde in de overige bepalingen van deze wet en de Meststoffenwet .
3.
De betrokken partijen kunnen een andere hoeveelheid overeenkomen dan volgt uit het bepaalde in het eerste en tweede lid, met inachtneming evenwel van het bepaalde in de overige bepalingen van deze wet en de Meststoffenwet .
4.
De in het eerste tot en met derde lid bedoelde hoeveelheid dient door de betrokken partijen gezamenlijk te worden aangegeven op het in artikel 9, eerste lid, bedoelde formulier.
1.
Degene die voornemens is te verplaatsen en degene van wiens bedrijf het desbetreffende niet-gebonden mestproductierecht afkomstig is geven van de verplaatsing gezamenlijk kennis aan het Bureau Heffingen met gebruikmaking van het daartoe bestemde, door Onze Minister vastgestelde formulier.
2.
Het formulier dient overeenkomstig de daarbij aangegeven wijze volledig en naar waarheid te worden ingevuld.
3.
Er kan eerst aanspraak op het in het eerste lid bedoelde mestproductierecht worden gemaakt vanaf het moment van de registratie van de kennisgeving door het Bureau Heffingen.
4.
Registratie vindt niet plaats indien:
- een grotere hoeveelheid niet-gebonden mestproductierechten ter registratie wordt aangeboden dan volgt uit de artikelen 5 en 6;
- blijkens de toepassing van paragraaf 3 van het Besluit mestbank en mestboekhouding ( Meststoffenwet ) ( Stb. 1987, 170) noch in het eerste jaar noch in het tweede jaar volgend op de inwerkingtreding van deze wet een productie van dierlijke meststoffen heeft plaatsgevonden op het bedrijf waarvan het niet-gebonden mestproductierecht afkomstig is;
- het in het eerste lid bedoelde formulier niet of niet volledig is ingevuld of indien uit aan het Bureau Heffingen ter beschikking staande andere gegevens blijkt dat de verplaatsing geen doorgang kan vinden.
5.
Voor het lopende kalenderjaar waarin de registratie plaatsvindt, kan degene op wiens naam de registratie plaatsvindt het niet-gebonden mestproductierecht nog slechts benutten in de mate waarin het niet-gebonden mestproductierecht in dat kalenderjaar niet werd benut op het bedrijf waarvan dit afkomstig is, één en ander met inachtneming van de artikelen 5 en 6.
1.
Degene die voornemens is te verplaatsen naar een ander aan hem toebehorend bedrijf of een andere aan hem toebehorende locatie die op 31 december 1986, indien het betreft de productie van dierlijke meststoffen afkomstig van varkens, kippen, rundvee of kalkoenen, dan wel op 31 december 1991, indien het betreft de productie van dierlijke meststoffen afkomstig van eenden, vossen, nertsen, konijnen, geiten of schapen, nog niet tot zijn bedrijf behoorde geeft daarvan kennis aan het Bureau Heffingen met gebruikmaking van het daartoe bestemde, door Onze Minister vastgestelde formulier.
2.
Artikel 9, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde kennisgeving.
1.
In afwijking van artikel 228 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek kan op mestproductierechten geen pandrecht worden gevestigd.
2.
Bij door Onze Minister te stellen regelen kan worden bepaald dat alvorens het Bureau Heffingen de in artikel 9, eerste lid, bedoelde kennisgeving in behandeling neemt, van deze kennisgeving mededeling wordt gedaan aan in die regelen aan te geven derde-belanghebbenden.
3.
Onze Minister kan nadere regelen stellen omtrent de uitvoering van het tweede lid, waarbij in elk geval kan worden bepaald welke gegevens door het Bureau Heffingen aan de derde-belanghebbende kenbaar worden gemaakt, binnen welke termijn zulks door het Bureau Heffingen dient te geschieden, de periode waarin het Bureau Heffingen de in artikel 9, eerste lid, bedoelde kennisgeving niet in behandeling neemt, alsmede de wijze waarop en de termijn waarbinnen de in die regeling bedoelde derde-belanghebbende zich bij het Bureau Heffingen dient aan te melden en de bescheiden die deze derde-belanghebbende aan het Bureau Heffingen dient te overleggen.
1.
Met betrekking tot de toepassing van de bepalingen van deze wet dienen gegevens te worden bijgehouden overeenkomstig de door Onze Minister gestelde regelen.
2.
Bij de in het eerste lid bedoelde regelen kan tevens worden bepaald dat de gegevens dienen te worden verstrekt op de daarbij aangegeven wijze aan daartoe aan te wijzen organen.
Artikel 14
Het is verboden onjuiste gegevens als bedoeld in artikel 13, op te maken, over te leggen en af te dragen.
Artikel 15
Onze Minister doet over de werking van de eerste twee jaren van deze wet aan de beide Kamers der Staten-Generaal een verslag toekomen.
Artikel 16
Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan de belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Artikel 17
Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van bestuur.
1.
Bij door Onze Minister te stellen regelen kan worden bepaald dat een verzoek om registratie of kennisgeving als bedoeld in artikel 9, 10 of 12, eerst in behandeling wordt genomen nadat een daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan.
2.
Al naar gelang sprake is van een registratiehandeling krachtens artikel 9, 10 of 12 kan het in het eerste lid bedoelde bedrag verschillend worden vastgesteld.
Artikel 19
Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 69 en 70 van de Meststoffenwet is van toepassing op het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Artikel 20
Handelen in strijd met de artikelen 2, 3, 4, 9, tweede en zesde lid, 10, 13, 14, 17 en 19 is een strafbaar feit.
1.
Het Verplaatsingsbesluit Meststoffenwet ( Stb. 1987, 171) wordt ingetrokken op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
2.
In het belang van een goede invoering van deze wet kan Onze Minister regelen stellen omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop één of meer onderdelen van het Verplaatsingsbesluit Meststoffenwet nog kunnen of moeten worden toegepast.
1.
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2.
De verschillende artikelen van deze wet of onderdelen daarvan, komen te vervallen op een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
3.
De verschillende artikelen van deze wet of onderdelen daarvan kunnen op een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen verschillend kan worden vastgesteld, voor een bij de maatregel te bepalen gebied buiten werking worden gesteld.
4.
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet verplaatsing mestproductie.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 2 december 1993
De Minister van Landbouw en Visserij,
Uitgegeven de achtentwintigste december 1993
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
Artikel 22a
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht