Wet van 8 december 2011 tot wederzijdse bijstand in de Europese Unie bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen 2012
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen tot uitvoering van de op 16 maart 2010 door de Raad van de Europese Unie vastgestelde Richtlijn 2010/24/EU betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen (PbEU 2010, L 84);
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
Deze wet strekt tot uitvoering van de op 16 maart 2010 door de Raad van de Europese Unie vastgestelde Richtlijn 2010/24/EU betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen (PbEU 2010, L 84) en geeft regels over de door Nederland te verlenen en te vragen bijstand bij de invordering van de in het tweede lid bedoelde schuldvorderingen die in een andere lidstaat onderscheidenlijk in Nederland ontstaan.
2.
Deze wet is van toepassing op schuldvorderingen die voortvloeien uit:
a. alle vormen van belastingen en rechten, geheven door of ten behoeve van een lidstaat of zijn territoriale of staatkundige onderdelen, lokale overheden daaronder begrepen, dan wel ten behoeve van de Europese Unie;
b. restituties, interventies en andere maatregelen die deel uitmaken van het stelsel van volledige of gedeeltelijke financiering door het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), met inbegrip van in het kader van deze maatregelen te innen bedragen;
c. heffingen en andere rechten uit hoofde van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker;
d. bestuursrechtelijke sancties, boetes, heffingen en toeslagen die verband houden met de schuldvorderingen waarvoor om wederzijdse bijstand kan worden verzocht overeenkomstig de voorgaande onderdelen, en:
1°. die zijn opgelegd door de administraties die bevoegd zijn om de desbetreffende belastingen of rechten te heffen dan wel om administratieve onderzoeken daarnaar te verrichten, of
2°. die op verzoek van de in onderdeel 1° genoemde administraties zijn bevestigd door administratieve of gerechtelijke instanties;
e. heffingen voor in het kader van administratieve procedures in verband met belastingen en rechten afgegeven verklaringen en soortgelijke documenten;
f. interesten en kosten die zijn verbonden aan de schuldvorderingen waarvoor om wederzijdse bijstand kan worden verzocht op overeenkomstig de voorgaande onderdelen.
3.
Deze wet is niet van toepassing op:
a. verplichte socialezekerheidsbijdragen, te betalen aan een lidstaat, een onderdeel van die lidstaat of een publiekrechtelijke socialezekerheidsinstelling;
b. heffingen die niet genoemd worden in het tweede lid;
c. contractueel verschuldigde bedragen, zoals betalingen voor openbare nutsvoorzieningen;
d. strafrechtelijke sancties die zijn opgelegd op grond van een strafvordering en andere niet onder het tweede lid, onderdeel d, vallende strafrechtelijke sancties.
Artikel 2
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. lidstaat: lidstaat van de Europese Unie;
b. richtlijn: Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen (PbEU 2010, L 84);
c. bevoegde autoriteit: de door een lidstaat als zodanig aangewezen autoriteit;
d. verzoekende autoriteit: een centraal verbindingsbureau, een verbindingsbureau of een verbindingsdienst van een lidstaat die een verzoek om bijstand indient ter zake van een schuldvordering als bedoeld in artikel 1, tweede lid;
e. aangezochte autoriteit: een centraal verbindingsbureau, een verbindingsbureau of een verbindingsdienst van een lidstaat waaraan een verzoek om bijstand wordt gericht ter zake van een schuldvordering als bedoeld in artikel 1, tweede lid;
f. centraal verbindingsbureau: een door een bevoegde autoriteit van een lidstaat aangewezen bureau dat primair verantwoordelijk is voor de contacten met de andere lidstaten op het gebied van de onder de richtlijn vallende wederzijdse bijstand;
g. verbindingsbureau: een door een bevoegde autoriteit van een lidstaat aangewezen bureau dat verantwoordelijk is voor de contacten met andere lidstaten ten behoeve van de wederzijdse bijstand betreffende een of meer specifieke vormen of categorieën van de in artikel 1 bedoelde belastingen en rechten;
h. verbindingsdienst: een door een bevoegde autoriteit van een lidstaat aangewezen dienst die op grond van de richtlijn verzoekt om wederzijdse bijstand of die deze verleent in verband met zijn specifieke territoriale of functionele bevoegdheid;
i. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
j. persoon:
1°. een natuurlijk persoon;
2°. een rechtspersoon;
3°. indien de geldende wetgeving in een lidstaat in die mogelijkheid voorziet, een vereniging van personen die bevoegd is rechtshandelingen te verrichten, maar niet de wettelijke status van rechtspersoon bezit, of
4°. een andere juridische constructie, ongeacht de aard of vorm ervan, met of zonder rechtspersoonlijkheid, die activa bezit of beheert die, met inbegrip van de daardoor gegenereerde inkomsten, aan een onder deze wet vallende belasting zijn onderworpen;
k. langs elektronische weg: door middel van elektronische apparatuur voor gegevensverwerking, met inbegrip van digitale compressie, en gegevensopslag, met gebruikmaking van draden, radio, optische of andere elektronisch magnetische middelen;
l. CCN-netwerk: het op het gemeenschappelijke communicatienetwerk (common communications network – CCN) gebaseerde gemeenschappelijke platform dat de Europese Unie ontwikkeld heeft voor het elektronische berichtenverkeer tussen autoriteiten die bevoegd zijn op het gebied van douane en belastingen.
Artikel 3
Onze Minister wordt voor Nederland aangewezen als bevoegde autoriteit en centraal verbindingsbureau. Onze Minister is tevens verantwoordelijk voor de contacten met de Europese Commissie. Voor Nederland worden geen verbindingsbureau en verbindingsdienst aangewezen.
Artikel 4
Op verzoek van de verzoekende autoriteit van een andere lidstaat verstrekt Onze Minister, met inachtneming van de artikelen 5 tot en met 7, alle inlichtingen die normaliter voor die verzoekende autoriteit van belang zijn ten behoeve van de invordering van haar schuldvorderingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid.
Artikel 5
Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk omtrent het aan het verzoek om inlichtingen te verlenen gevolg.
1.
Indien een verzoek om inlichtingen voor inwilliging vatbaar is, wordt hieraan uitvoering gegeven door Onze Minister. Met het oog op die inlichtingenverstrekking laat Onze Minister alle administratieve onderzoeken verrichten die noodzakelijk zijn om deze inlichtingen te verkrijgen.
2.
Onze Minister van Economische Zaken verleent desgevraagd zijn medewerking aan de uitvoering van een verzoek om inlichtingen.
3.
De colleges van gedeputeerde staten, de colleges van burgemeester en wethouders en de dagelijkse besturen van waterschappen verlenen desgevraagd hun medewerking aan de uitvoering van een verzoek om inlichtingen.
4.
De uitvoering van een verzoek om inlichtingen geschiedt met overeenkomstige toepassing van de wettelijke voorschriften en procedures die van toepassing zijn bij het verzamelen van gegevens ten behoeve van de invordering van een in Nederland ontstane schuldvordering van soortgelijke aard als die waarop het verzoek om inlichtingen betrekking heeft.
1.
Onze Minister is niet gehouden inlichtingen te verstrekken wanneer:
a. deze niet zouden kunnen worden verkregen voor de invordering van in Nederland ontstane soortgelijke schuldvorderingen;
b. daarmee een commercieel, een industrieel of een beroepsgeheim zou worden onthuld;
c. mededeling daarvan een aantasting zou kunnen vormen van de veiligheid of in strijd zou kunnen zijn met de openbare orde van Nederland.
2.
In geen geval wordt het tweede lid uitgelegd in die zin dat Onze Minister mag weigeren inlichtingen te verstrekken, louter omdat de inlichtingen bij een bank, een andere financiële instelling of een als vertegenwoordiger, agent of trustee optredende persoon berusten, of omdat de inlichtingen betrekking hebben op eigendomsbelangen in een persoon.
3.
Onze Minister brengt de verzoekende autoriteit op de hoogte van de beweegredenen die zich verzetten tegen het voldoen aan een verzoek om inlichtingen.
Artikel 8
Op verzoek van de verzoekende autoriteit van een andere lidstaat worden alle stukken, gerechtelijke en buitengerechtelijke akten en beslissingen met betrekking tot schuldvorderingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, of de invordering daarvan, die uitgaan van de verzoekende lidstaat, in Nederland betekend aan de geadresseerde met inachtneming van de artikelen 9 tot en met 11.
Artikel 9
Het verzoek, bedoeld in artikel 8, gaat vergezeld van een toelichting op de betekening (uniform notificatieformulier). Dit formulier wordt bij de betekening uitgereikt aan de betrokken persoon.
1.
Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk omtrent het aan het verzoek tot betekening te verlenen gevolg.
2.
Onze Minister stelt de verzoekende autoriteit onverwijld in kennis van het gevolg dat in Nederland aan het verzoek tot betekening is gegeven.
1.
Indien het verzoek tot betekening voor inwilliging vatbaar is, draagt Onze Minister zorg voor de betekening van de akte of beslissing waarop het verzoek betrekking heeft met overeenkomstige toepassing van de wettelijke voorschriften en procedures betreffende het betekenen van een overeenkomstige Nederlandse akte of beslissing.
2.
Onze Minister stelt de verzoekende autoriteit onverwijld in kennis van de datum waarop het document aan de geadresseerde is betekend.
Artikel 12
Op verzoek van de verzoekende autoriteit van een andere lidstaat worden schuldvorderingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, waarvoor een titel voor het nemen van executiemaatregelen in de verzoekende lidstaat (oorspronkelijke titel) bestaat, in Nederland ingevorderd met inachtneming van de artikelen 13 tot en met 20.
1.
Het verzoek tot invordering gaat vergezeld van een uniforme titel voor het nemen van invorderingsmaatregelen als bedoeld in artikel 12 van de richtlijn (uniforme titel).
2.
Het verzoek kan vergezeld gaan van andere, in de verzoekende lidstaat afgegeven documenten die betrekking hebben op de schuldvordering.
3.
De uniforme titel, bedoeld in het eerste lid, wordt hier te lande rechtstreeks erkend en behandeld als executoriale titel van een Nederlandse schuldvordering.
Artikel 14
Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk omtrent het aan het verzoek tot invordering te verlenen gevolg.
1.
Indien Onze Minister besluit gevolg te geven aan het verzoek tot invordering dat betrekking heeft op een schuldvordering als bedoeld in artikel 1, tweede lid, draagt hij een door hem aan te wijzen ontvanger op tot invordering van de schuldvordering over te gaan.
2.
Ter zake van de invordering van de schuldvordering, bedoeld in het eerste lid, is de Invorderingswet 1990 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 7, 20, 21, 22, derde lid, 22a, 23, 23a, 25, derde tot en met eenentwintigste lid, 26 en 32 tot en met 57 van die wet. De invordering van de schuldvordering geschiedt, met inachtneming van de eerste volzin, met overeenkomstige toepassing van de wettelijke voorschriften en procedures die gelden voor de invordering van een soortgelijke Nederlandse schuldvordering of, bij het ontbreken van een vergelijkbare Nederlandse schuldvordering, met overeenkomstige toepassing van de wettelijke voorschriften en procedures die gelden voor de invordering van de inkomstenbelasting.
3.
Onze Minister stelt de verzoekende autoriteit met bekwame spoed in kennis van het gevolg dat aan het verzoek tot invordering is gegeven.
Artikel 16
Onze Minister stelt de verzoekende autoriteit in kennis van ieder besluit omtrent uitstel van betaling of de betaling in termijnen.
1.
Ter zake van een verzoek tot invordering is rente verschuldigd overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990.
2.
Voor de berekening van de verschuldigde rente wordt als vervaldag aangemerkt de datum waarop het verzoek is ontvangen.
Artikel 18
De invordering geschiedt in euro’s.
1.
Aan het verzoek tot invordering hoeft niet te worden voldaan:
a. in gevallen waarin deze bijstand, wegens de situatie van de schuldenaar, ernstige moeilijkheden van economische of sociale aard in Nederland zou opleveren;
b. indien het totaalbedrag van de schuldvorderingen waarvoor om bijstand bij invordering wordt verzocht lager is dan € 1500.
2.
Onze Minister brengt de verzoekende autoriteit op de hoogte van de beweegredenen die zich verzetten tegen het voldoen aan een verzoek tot invordering.
1.
Indien een beslissing van de in artikel 29, eerste lid, bedoelde bevoegde instantie leidt tot aanpassing van het verzoek en van de uniforme titel vindt verdere afhandeling van de invorderingsmaatregelen plaats op basis van deze aangepaste uniforme titel.
2.
De invorderingsmaatregelen die al zijn genomen op grond van de eerder afgegeven uniforme titel, kunnen op grond van de aangepaste uniforme titel worden voortgezet, tenzij het verzoek is gewijzigd wegens ongeldigheid van de oorspronkelijke titel in de verzoekende lidstaat of van de eerder afgegeven uniforme titel.
3.
De artikelen 13 en 29 zijn van toepassing op de aangepaste uniforme titel.
1.
Op verzoek van de verzoekende autoriteit van een andere lidstaat worden ter waarborging van de invordering van schuldvorderingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, in Nederland conservatoire maatregelen genomen, met inachtneming van het tweede en derde lid en de artikelen 22 en 23, indien:
a. in de verzoekende lidstaat nog geen oorspronkelijke titel bestaat voor de schuldvordering; of
b. bij de indiening van het verzoek de schuldvordering of de oorspronkelijke titel in de verzoekende lidstaat wordt betwist;
voor zover dergelijke maatregelen op grond van het nationale recht en de bestuursrechtelijke bepalingen van de verzoekende lidstaat in een soortgelijke situatie eveneens mogelijk zijn.
2.
Indien in de verzoekende lidstaat met het oog op het nemen van conservatoire maatregelen een document is opgesteld, wordt dit aan het verzoek tot het nemen van conservatoire maatregelen gehecht. In Nederland wordt geen erkenning, aanvulling of vervanging van het betreffende document verlangd.
3.
Het verzoek tot het nemen van conservatoire maatregelen kan vergezeld gaan van andere, in de verzoekende lidstaat afgegeven documenten die betrekking hebben op de schuldvordering.
1.
Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk omtrent het aan het verzoek tot het nemen van conservatoire maatregelen te verlenen gevolg.
2.
Indien Onze Minister besluit gevolg te geven aan het verzoek draagt hij een door hem aan te wijzen ontvanger op rechterlijk verlof te vragen tot aanwending van die middelen van bewaring van recht die voor de waarborging van de invordering van een soortgelijke in Nederland ontstane schuldvordering zijn toegelaten.
3.
Onze Minister stelt de verzoekende autoriteit met bekwame spoed in kennis van het gevolg dat aan het verzoek om conservatoire maatregelen is gegeven.
Artikel 23
Voor de toepassing van artikel 21 zijn de artikelen 15, tweede lid, 19, 20 en 29 van overeenkomstige toepassing.
1.
Een verzoek om bijstand hoeft niet in behandeling te worden genomen als het niet wordt gedaan door middel van het standaardformulier dat voldoet aan de in of krachtens de richtlijn gestelde voorwaarden. Een verzoek om bijstand hoeft eveneens niet in behandeling te worden genomen indien het uniform notificatieformulier en de uniforme titel niet voldoen aan de in of krachtens de richtlijn gestelde voorwaarden.
2.
De standaardformulieren, bedoeld in het eerste lid, het uniform notificatieformulier en de uniforme titel worden verzonden langs elektronische weg via het CCN-netwerk met inachtneming van de in of krachtens de richtlijn gestelde voorwaarden.
3.
Indien Nederland toch uitvoering geeft aan een verzoek om bijstand dat niet aan de voorwaarden van het eerste en het tweede lid voldoet, doet dit geen afbreuk aan de geldigheid van de maatregelen die zijn genomen om uitvoering te geven aan het verzoek dan wel de verstrekte inlichtingen.
4.
Een verzoek om bijstand, een uniform notificatieformulier en een uniforme titel dienen vergezeld te gaan van een vertaling in het Nederlands.
5.
Het feit dat in het vierde lid bedoelde documenten geheel of ten dele niet in het Nederlands, maar in een andere taal gesteld zijn doet niets af aan de geldigheid noch aan de geldigheid van de procedure, mits die taal is overeengekomen tussen Onze Minister en de bevoegde autoriteit van de verzoekende lidstaat.
6.
Indien een verzoek om bijstand vergezeld gaat van andere dan in het vierde lid bedoelde documenten kan, indien noodzakelijk, Onze Minister een vertaling in het Nederlands verlangen.
1.
Aan een verzoek om bijstand als bedoeld in dit hoofdstuk behoeft niet te worden voldaan indien de betreffende schuldvordering waarop dit verzoek betrekking heeft meer dan vijf jaar oud is, te rekenen vanaf de datum waarop de schuldvordering in de verzoekende lidstaat opeisbaar is geworden tot de datum van het initiële verzoek om bijstand met betrekking tot die schuldvordering. In afwijking van de eerste volzin vangt de daar bedoelde termijn aan:
a. bij betwisting van de schuldvordering of van de oorspronkelijke titel in de verzoekende lidstaat op het tijdstip waarop de schuldvordering of oorspronkelijke titel niet langer kan worden betwist in de verzoekende lidstaat;
b. bij een verleend uitstel van betaling of bij betaling in termijnen in de verzoekende lidstaat op het tijdstip waarop de enige of laatste betalingstermijn is verstreken.
2.
In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, onderdeel b, is Onze Minister niet gehouden tot het verlenen van bijstand met betrekking tot schuldvorderingen die meer dan tien jaar oud zijn, te rekenen vanaf de datum waarop de schuldvordering in de verzoekende lidstaat opeisbaar is geworden.
3.
Onze Minister stelt de bevoegde autoriteit van de verzoekende lidstaat in kennis van iedere maatregel die de verjaringstermijn van de schuldvordering waarvoor de invorderingsmaatregelen of conservatoire maatregelen zijn gevraagd, stuit, schorst of verlengt of die dat tot gevolg kan hebben.
1.
Onze Minister staat toe dat aan een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat verstrekte inlichtingen in die andere lidstaat voor een ander doel gebruikt worden dan voor het nemen van invorderingsmaatregelen, conservatoire maatregelen of voor de heffing en invordering van verplichte socialezekerheidsbijdragen indien die inlichtingen in Nederland voor soortgelijke doeleinden kunnen worden gebruikt.
2.
Onze Minister kan binnen tien werkdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de kennisgeving van een verzoekende autoriteit van een andere lidstaat, zich verzetten tegen het voornemen van de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat om de ontvangen inlichtingen aan een bevoegde autoriteit van een derde lidstaat te verstrekken.
3.
Toestemming voor het overeenkomstig het eerste lid gebruiken van overeenkomstig het tweede lid doorgegeven inlichtingen kan alleen worden verleend door Onze Minister.
1.
Onze Minister kan, na overleg met de bevoegde autoriteit van een verzoekende lidstaat erin toestemmen dat door de verzoekende autoriteit gemachtigde ambtenaren:
a. aanwezig zijn in de kantoren van de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, dan wel van andere ambtenaren die belast zijn met de invordering van schuldvorderingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid;
b. aanwezig zijn bij onderzoeken die in Nederland worden uitgevoerd;
c. bijstand verlenen aan de in onderdeel a genoemde ambtenaren tijdens rechtszaken.
2.
Bij het overleg worden de voorwaarden vastgesteld waaronder Onze Minister de in het eerste lid bedoelde toestemming verleent.
3.
In het overleg kan worden overeengekomen dat ambtenaren uit de verzoekende lidstaat in Nederland personen kunnen ondervragen en documenten kunnen onderzoeken.
4.
Ambtenaren uit de verzoekende lidstaat die in Nederland aanwezig zijn, dienen te allen tijde een schriftelijke opdracht te kunnen overleggen waaruit hun identiteit en bevoegdheid blijkt.
5.
Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in het eerste en derde lid wordt ingesteld, is verplicht de door Onze Minister aangewezen ontvanger alsmede de ambtenaar die ingevolge het eerste en derde lid bij dit onderzoek aanwezig is, ten behoeve van dit onderzoek toegang te verlenen.
1.
Ter zake van het verrichten van werkzaamheden voor de invordering van schuldvorderingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, door de door Onze Minister aangewezen ontvanger en door een deurwaarder op grond van de bepalingen van de Invorderingswet 1990 of enige andere wettelijke bepaling worden aan degene die in gebreke is gebleven het verschuldigde tijdig te betalen kosten in rekening gebracht volgens de Kostenwet invordering rijksbelastingen.
2.
Tot het verrichten van werkzaamheden waartoe deurwaarders bevoegd zijn, zijn ter zake van de uitvoering van de artikelen 11, 15 en 21 mede bevoegd de belastingdeurwaarders.
3.
Met uitzondering van de kosten die op grond van een wettelijk voorschrift in rekening kunnen worden gebracht aan degene die in gebreke is gebleven de schuldvordering te voldoen, komen de kosten voor de uitvoering van de verzoeken om wederzijdse bijstand ten laste van de overheid die deze maakt.
4.
Onze Minister en de verzoekende autoriteit kunnen per geval specifieke afspraken maken over de modaliteiten van de vergoeding van kosten wanneer de invordering tot een bijzonder probleem leidt, zeer hoge kosten veroorzaakt of verband houdt met de georganiseerde misdaad.
5.
De verzoekende lidstaat blijft aansprakelijk ten opzichte van Nederland voor de kosten en mogelijke verliezen die het gevolg zijn van eisen die als niet gerechtvaardigd erkend zijn wat betreft de gegrondheid van de schuldvordering of de geldigheid van de oorspronkelijke titel.
6.
Onder inhouding van de kosten, als bedoeld in het eerste lid, worden de ingevorderde bedragen, inclusief de rente, overgemaakt aan de verzoekende lidstaat.
1.
De bevoegde instantie van de verzoekende lidstaat beslist over geschillen in verband met de schuldvordering, de oorspronkelijke titel, de uniforme titel of de geldigheid van een betekening door een bevoegde autoriteit in de verzoekende lidstaat. Indien een belanghebbende in de loop van de invorderingsprocedure de schuldvordering, de oorspronkelijke titel of de uniforme titel in Nederland betwist, deelt Onze Minister hem mee dat hij een rechtsgeding aanhangig moet maken bij de bevoegde instantie van de verzoekende lidstaat overeenkomstig de in die lidstaat geldende rechtsregels.
2.
Zodra Onze Minister van de verzoekende autoriteit of van de betrokken persoon informatie heeft ontvangen over een rechtsgeding dat in de verzoekende lidstaat aanhangig is gemaakt, schorst hij de invordering voor het betwiste gedeelte van de schuldvordering in afwachting van een definitieve beslissing. Gedurende het aanhangig zijn van het geding kunnen conservatoire maatregelen worden genomen.
3.
Indien de rechtsregels in de verzoekende lidstaat dit toelaten, kan de betwiste schuldvordering, of het betwiste deel daarvan, op grond van een met redenen omkleed verzoek van de verzoekende autoriteit toch worden ingevorderd. Indien de uitkomst van het geschil, bedoeld in het tweede lid, voor de betrokken persoon gunstig uitvalt, is de verzoekende autoriteit gehouden tot terugbetaling van het ingevorderde bedrag, vermeerderd met vergoedingen volgens in Nederland geldende rechtsregels.
4.
Over geschillen in verband met genomen executiemaatregelen of de geldigheid van een betekening door Onze Minister wordt in Nederland beslist overeenkomstig de in Nederland geldende rechtsregels.
5.
Indien door de bevoegde autoriteiten van de verzoekende lidstaat of Onze Minister een procedure voor onderling overleg is ingeleid en de uitkomst van deze procedure van invloed kan zijn op de vordering waarvoor om bijstand is verzocht, worden de invorderingsmaatregelen geschorst of gestaakt totdat de procedure voor onderling overleg is geëindigd. De invorderingsmaatregelen worden niet geschorst of gestaakt indien het gaat om een spoedeisende zaak vanwege fraude of insolventie. Bij de schorsing of staking van de invorderingsmaatregelen is het tweede lid, tweede volzin, van overeenkomstige toepassing.
1.
Onze Minister doet een verzoek om inlichtingen aan de aangezochte autoriteit van een andere lidstaat wanneer de gevraagde inlichtingen van belang kunnen zijn voor de invordering van een schuldvordering als bedoeld in artikel 1, tweede lid.
2.
Het verzoek wordt gedaan door middel van een standaardformulier dat voldoet aan de in of krachtens de richtlijn gestelde voorwaarden.
3.
Het standaardformulier wordt langs elektronische weg verzonden via het CCN-netwerk met inachtneming van de in of krachtens de richtlijn gestelde voorwaarden.
1.
Onze Minister doet een verzoek om betekening aan de aangezochte autoriteit van een andere lidstaat wanneer de betekening van belang kan zijn voor de invordering van een schuldvordering als bedoeld in artikel 1, tweede lid.
2.
Het verzoek wordt gedaan door middel van een standaardformulier en gaat vergezeld van een toelichting op de betekening (uniform notificatieformulier), die beide voldoen aan de in of krachtens de richtlijn gestelde voorwaarden.
3.
Het uniform notificatieformulier wordt, tezamen met het verzoek, langs elektronische weg verzonden via het CCN-netwerk, met inachtneming van de in of krachtens de richtlijn gestelde voorwaarden.
Artikel 32
Onze Minister doet alleen een verzoek om betekening wanneer betekening volgens de Nederlandse rechtsregels niet mogelijk is of buitensporige problemen zou veroorzaken.
1.
Onze Minister doet een verzoek aan de aangezochte autoriteit van een andere lidstaat voor de invordering van een schuldvordering als bedoeld in artikel 1, tweede lid, mits het in te vorderen bedrag ten minste € 1 500 bedraagt.
2.
Een verzoek tot invordering wordt gedaan door middel van een standaardformulier en gaat vergezeld van een uniforme titel, die beide voldoen aan de in of krachtens de richtlijn gestelde voorwaarden. Voorts kan het verzoek vergezeld gaan van andere, in Nederland afgegeven documenten die betrekking hebben op de schuldvordering.
3.
De uniforme titel wordt tezamen met het verzoek langs elektronische weg verzonden via het CCN-netwerk, met inachtneming van de in of krachtens de richtlijn gestelde voorwaarden.
Artikel 34
Een verzoek tot invordering wordt slechts gedaan indien in Nederland de ter beschikking staande passende invorderingsmaatregelen zijn aangewend, tenzij:
a. het duidelijk is dat er in Nederland geen voor invordering vatbare vermogensbestanddelen zijn of dat de invorderingsmaatregelen niet tot een volledige betaling van de schuldvordering zullen leiden en Onze Minister specifieke inlichtingen heeft die erop wijzen dat de betrokken persoon vermogensbestanddelen in de aangezochte lidstaat heeft;
b. de aanwending van die maatregelen in Nederland tot onevenredige moeilijkheden zou leiden.
1.
Een verzoek tot invordering wordt alleen gedaan wanneer voor de betrokken schuldvordering hier te lande een executoriale titel tot stand is gekomen.
2.
Een verzoek tot invordering wordt slechts gedaan wanneer de in te vorderen schuldvordering niet wordt betwist en de hier te lande tot stand gekomen executoriale titel niet wordt aangevochten, tenzij artikel 47, derde lid, toepassing vindt.
3.
Zodra Onze Minister kennis neemt van relevante inlichtingen over de zaak die de aanleiding tot het verzoek tot invordering vormt, doet hij deze aan de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat toekomen.
1.
Onze Minister stelt de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat onverwijld in kennis van een wijziging van het verzoek tot invordering of van de intrekking van het verzoek, met opgave van de redenen voor die wijziging of intrekking.
2.
Indien een beslissing van de in artikel 47, eerste lid, bedoelde bevoegde instantie leidt tot de aanpassing van de uniforme titel doet Onze Minister de kennisgeving vergezeld gaan van deze aangepaste uniforme titel.
3.
De artikelen 33 en 47 zijn van toepassing op de aangepaste titel.
1.
Stuiting, schorsing of verlenging van de verjaringstermijn van de schuldvordering waarvoor een verzoek tot invorderingsmaatregelen is gedaan, geschiedt overeenkomstig de bepalingen van de Invorderingswet 1990 .
2.
De overeenkomstig een verzoek om bijstand als bedoeld in artikel 1, tweede lid, door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat genomen maatregelen, die, indien zij hier te lande zouden zijn genomen, tot gevolg zouden hebben gehad dat de verjaring zou zijn gestuit, geschorst of verlengd worden voor wat dit gevolg betreft beschouwd als hier te lande genomen.
3.
De aangezochte lidstaat wordt in kennis gesteld van iedere maatregel die de verjaringstermijn van de schuldvordering waarvoor de invorderingsmaatregelen zijn gevraagd, stuit, schorst of verlengt of die dit tot gevolg kan hebben.
1.
Onze Minister doet een verzoek aan de aangezochte autoriteit van een andere lidstaat tot het nemen van conservatoire maatregelen.
2.
Het verzoek wordt gedaan door middel van een standaardformulier.
3.
Indien in Nederland een document is opgesteld met het oog op het nemen van conservatoire maatregelen met betrekking tot de schuldvordering waarvoor om wederzijdse bijstand is verzocht, wordt dit gehecht aan het verzoek tot het nemen van conservatoire maatregelen in de aangezochte lidstaat.
4.
Het verzoek om conservatoire maatregelen kan vergezeld gaan van andere documenten die betrekking hebben op de schuldvordering.
Artikel 39
Voor de toepassing van artikel 38 zijn de artikelen 30, tweede en derde lid, 33, eerste lid, 35, derde lid, 36, 37 en 47 van overeenkomstige toepassing.
1.
In de gevallen waarin dat ter verzekering van de inning van schuldvorderingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, noodzakelijk is, kan Onze Minister zich, behalve uit eigen beweging, ook op verzoek van Onze Minister van Economische Zaken, een college van gedeputeerde staten, een college van burgemeester en wethouders of een dagelijks bestuur van een waterschap tot de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat wenden met een verzoek om inlichtingen, een verzoek om betekening, een verzoek tot invordering of een verzoek tot het nemen van conservatoire maatregelen.
2.
Onze Minister van Economische Zaken, het college van gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders en het dagelijks bestuur van een waterschap verstrekken zodanige gegevens als nodig kunnen zijn voor een juiste toepassing van dit hoofdstuk en voorts alle andere inlichtingen die voor een verzoek om bijstand nuttig kunnen zijn.
Artikel 41
Wanneer het verzoek om bijstand is gedaan op verzoek van Onze Minister van Economische Zaken, een college van gedeputeerde staten, een college van burgemeester en wethouders of een dagelijks bestuur van een waterschap, wordt degene die het verzoek heeft gedaan onverwijld op de hoogte gesteld van de vragen en mededelingen van de aangezochte autoriteit van de lidstaat waaraan het verzoek, bedoeld in de artikelen 30, 31, 33 en 38, was gericht met betrekking tot de uitvoering van het verzoek om bijstand.
Artikel 42
Wanneer de communicatie niet langs de voorgeschreven elektronische weg of met gebruikmaking van standaardformulieren geschiedt, doet dit geen afbreuk aan de geldigheid van een verzoek om bijstand, de verkregen inlichtingen of de getroffen maatregelen.
1.
Verzoeken als bedoeld in de artikelen 30, 31, 33 en 38 dienen vergezeld te gaan van een vertaling in de officiële taal of in één van de officiële talen van de aangezochte lidstaat, tenzij Onze Minister een andere taal is overeengekomen met de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat.
2.
Het document waarvoor om betekening wordt verzocht op grond van artikel 31 behoeft geen vertaling.
3.
Indien een verzoek vergezeld gaat van andere documenten dan die bedoeld in het eerste en tweede lid, voegt Onze Minister op verzoek van de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat een vertaling bij in de officiële taal of één van de officiële talen van de aangezochte lidstaat, tenzij Onze Minister een andere taal is overeengekomen met de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat.
1.
Op inlichtingen die worden verkregen door Nederland van een andere lidstaat is de verplichting tot geheimhouding, bedoeld in artikel 67 van de Invorderingswet 1990, van overeenkomstige toepassing.
2.
De aan Onze Minister verstrekte inlichtingen mogen worden gebruikt voor het nemen van invorderingsmaatregelen of conservatoire maatregelen voor schuldvorderingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid. Tevens mogen zij worden gebruikt voor heffing en invordering van verplichte socialezekerheidsbijdragen.
3.
In afwijking van het tweede lid mogen de inlichtingen worden gebruikt voor andere doeleinden in Nederland indien, krachtens de wetgeving van de lidstaat die de inlichtingen verstrekt, de inlichtingen kunnen worden gebruikt voor met die andere doeleinden vergelijkbare doeleinden.
4.
De aan Nederland verstrekte inlichtingen mogen aan een derde lidstaat worden verstrekt indien Onze Minister of de aangezochte autoriteit van oordeel is dat deze inlichtingen voor het in artikel 23, eerste lid, van de richtlijn beoogde doel van nut kunnen zijn voor een derde lidstaat, mits deze verstrekking geschiedt in overeenstemming met de regels en procedures zoals opgenomen in de richtlijn. Onze Minister stelt de lidstaat waaruit de inlichtingen afkomstig zijn in kennis van zijn voornemen de inlichtingen met een derde lidstaat te delen. Onze Minister verstrekt deze inlichtingen niet aan een derde lidstaat, indien de lidstaat waar de inlichtingen vandaan komen binnen tien werkdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van een kennisgeving, zich hiertegen verzet.
5.
Toestemming voor het door een derde lidstaat overeenkomstig het derde lid gebruiken van overeenkomstig het vierde lid doorgegeven inlichtingen kan alleen worden verleend door de lidstaat waarvan de inlichtingen afkomstig zijn.
6.
Inlichtingen verkregen op grond van de richtlijn kunnen in Nederland als bewijs worden aangevoerd of gebruikt op dezelfde wijze als vergelijkbare inlichtingen die zijn verkregen in Nederland zelf.
1.
Indien de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat en Onze Minister zodanig overeenkomen, kunnen ambtenaren van de rijksbelastingdienst, onder de door de aangezochte lidstaat gestelde voorwaarden:
a. aanwezig zijn in de kantoren van de ambtenaren in de aangezochte lidstaat;
b. aanwezig zijn bij onderzoeken die worden uitgevoerd in de aangezochte lidstaat;
c. bijstand verlenen aan de ambtenaren van de aangezochte lidstaat tijdens rechtszaken in die lidstaat.
2.
Voor zover dit is toegestaan in de aangezochte lidstaat, kan worden overeengekomen dat ambtenaren van de rijksbelastingdienst personen kunnen ondervragen en documenten kunnen onderzoeken.
3.
Ambtenaren van de rijksbelastingdienst die aanwezig zijn in de aangezochte lidstaat dienen te allen tijde een schriftelijke opdracht te kunnen overleggen waaruit hun identiteit en bevoegdheid blijkt.
1.
Wanneer de invordering in de aangezochte lidstaat tot een bijzonder probleem leidt, zeer hoge kosten veroorzaakt of verband houdt met de georganiseerde misdaad, kunnen Onze Minister en de verzoekende autoriteit per geval specifieke afspraken maken over de modaliteiten van een vergoeding van de kosten.
2.
Nederland blijft ten opzichte van de aangezochte lidstaat aansprakelijk voor de kosten en mogelijke verliezen die het gevolg zijn van verzoeken die als niet gerechtvaardigd erkend zijn wat betreft de gegrondheid van de schuldvordering of de geldigheid van de oorspronkelijke titel.
1.
Over geschillen in verband met de schuldvordering, de oorspronkelijke titel, de uniforme titel of de geldigheid van een betekening door een bevoegde instantie in Nederland wordt beslist overeenkomstig de in Nederland geldende rechtsregels.
2.
Wanneer een geschil als bedoeld in het eerste lid aanhangig is, stelt Onze Minister de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat daarvan in kennis. Voorts wordt medegedeeld welk gedeelte van de schuldvordering niet wordt betwist.
3.
Op grond van een met redenen omkleed verzoek kan Onze Minister de aangezochte lidstaat verzoeken de betwiste schuldvordering toch in te vorderen. Indien de uitkomst van het geschil, bedoeld in het tweede lid, voor de betrokken persoon gunstig uitvalt, is Nederland gehouden tot terugbetaling van het ingevorderde bedrag, vermeerderd met vergoedingen volgens de in de aangezochte lidstaat geldende rechtsregels.
1.
Het bepaalde in deze wet laat onverlet de toepassing van de meer uitgebreide wederzijdse bijstand welke met andere lidstaten is of zal worden overeengekomen, onder meer met betrekking tot de betekening van gerechtelijke of buitengerechtelijke akten.
2.
Bij het verlenen van die meer uitgebreide bijstand uit hoofde van bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen kunnen lidstaten gebruikmaken van het elektronisch communicatienetwerk en de standaardformulieren die voor de uitvoering van deze richtlijn worden gebruikt.
3.
Wanneer Nederland dergelijke multilaterale of bilaterale overeenkomsten sluit of regelingen treft voor onder deze richtlijn vallende aangelegenheden, behalve voor het afwikkelen van een op zichzelf staand geval, stelt Onze Minister de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Artikel 49
De Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen wordt ingetrokken. De in de eerste volzin bedoelde wet blijft van toepassing op verzoeken om wederzijdse bijstand die voor 1 januari 2012 zijn gedaan.
Artikel 50
Deze wet wordt aangehaald als: Wet wederzijdse bijstand in de Europese Unie bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen 2012.
Artikel 51
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te
’s-Gravenhage, 8 december 2011
De Staatssecretaris van Financiën,
De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Uitgegeven de eenentwintigste december 2011
De Minister van Veiligheid en Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Bijstand door Nederland te verlenen
+ Hoofdstuk 3. Bijstand door Nederland te vragen
+ Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht