Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2012. U leest nu de tekst die gold op -.

Wet werk en inkomen kunstenaars

Uitgebreide informatie
Wet van 23 december 2004 tot vaststelling van een nieuwe regeling inzake inkomensvoorziening voor kunstenaars (Wet werk en inkomen kunstenaars)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, ter vereenvoudiging en verduidelijking van de regelgeving alsmede ter bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening van de kunstenaar gewenst is te komen tot een nieuwe Wet werk en inkomen kunstenaars;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. college: het college van burgemeester en wethouders van een gemeente als bedoeld in artikel 23;
c. adviserende instelling: de instelling, bedoeld in artikel 35;
d. Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in artikel 63 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
e. kunstenaar: degene die hier te lande werkzaam is in een beroep of bedrijf in een al dan niet gemengde beroepspraktijk ter uitoefening van de scheppende, uitvoerende of toegepaste kunst;
f. gemengde beroepspraktijk: een beroepspraktijk waarin het inkomen wordt verworven uit werkzaamheden die zijn gerelateerd aan een beroep of bedrijf ter uitoefening van de scheppende, uitvoerende of toegepaste kunst en uit werkzaamheden die niet zijn gerelateerd aan een dergelijk beroep of bedrijf;
g. beroepskosten: de noodzakelijke kosten ter verwerving van het inkomen als kunstenaar;
h. kinderbijslag: kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet ;
i. vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht .
1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. huwelijk: geregistreerd partnerschap;
c. gehuwd: als partner geregistreerd;
d. gehuwde: als partner geregistreerde;
e. echtscheiding: beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders dan door de dood of vermissing van één van de partners.
2.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
3.
Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4.
Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de kunstenaar en zijn echtgenoot hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van een uitkering krachtens deze wet, de Wet investeren in jongeren of de Wet werk en bijstand voor de verlening van uitkering als gehuwden zijn aangemerkt;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract, of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d.
6.
Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt mede verstaan een meerderjarig stiefkind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
7.
Onder voormalig pleegkind wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet op de jeugdzorg of kinderbijslag ontving op grond van de Algemene Kinderbijslagwet .
1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. alleenstaande: de ongehuwde kunstenaar die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
b. alleenstaande ouder: de ongehuwde kunstenaar die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
c. gezin:
1°. de kunstenaar en zijn echtgenoot tezamen;
2°. de kunstenaar, zijn echtgenoot en de tot hun last komende minderjarige kinderen tezamen;
3°. de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen;
d. kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind;
e. ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie aan de alleenstaande ouder of de gehuwde op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald, zal worden betaald of zou worden betaald indien artikel 7, tweede lid, van die wet niet van toepassing zou zijn.
2.
Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt mede verstaan een meerderjarig stiefkind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde.
1.
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de kunstenaar of zijn gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de kunstenaar of zijn gezin door een niet in de uitkering begrepen persoon worden ontvangen.
2.
Niet tot de middelen van de kunstenaar of zijn gezin worden gerekend:
a. de middelen die deze ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van een niet in de uitkering begrepen persoon;
b. kinderbijslag ontvangen ten behoeve van zijn in of buiten Nederland woonachtige kinderen;
c. tegemoetkomingen in de zin van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen ;
d. een eigenwoningbijdrage of een bijzondere bijdrage ontvangen op grond van de Wet bevordering eigenwoningbezit ;
e. elke vermindering of teruggave van loonbelasting, inkomstenbelasting, premies volksverzekeringen of een inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet;
f. vrije vergoedingen en vrije verstrekkingen als bedoeld in Hoofdstuk IIA van de Wet op de loonbelasting 1964, voorzover deze meer bedragen dan de beroepskosten, bedoeld in artikel 17;
g. inkomsten uit arbeid van de tot zijn last komende kinderen, alsmede door hen ontvangen uitkeringen inzake werkloosheid en arbeidsongeschiktheid;
h. rente ontvangen over op grond van artikel 7, tweede lid, onderdelen c en d, niet in aanmerking genomen vermogen en spaargelden;
i. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade;
j. giften en andere dan de in onderdeel i bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade, voorzover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van de verlening van de uitkering verantwoord zijn;
l. tegemoetkomingen op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten .
1.
Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 4 in aanmerking genomen middelen voorzover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek , dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen, en
b. betrekking hebben op het kalenderjaar waarover beroep op uitkering wordt gedaan.
2.
Middelen die het karakter hebben van uitgesteld inkomen worden in aanmerking genomen naar het kalenderjaar waarin deze zijn verworven. Middelen die het karakter hebben van doorbetaling van inkomen over een periode worden in aanmerking genomen naar het kalenderjaar waarin deze te gelde kunnen worden gemaakt.
3.
Indien de echtgenoot van de kunstenaar verkeert in een situatie als bedoeld in artikel 10, wordt zijn inkomen slechts in aanmerking genomen voorzover het inkomen van de gehuwden tezamen, met inbegrip van de uitkering die zou worden verleend indien zijn inkomen niet in aanmerking wordt genomen, meer zou bedragen dan het overeenkomstige bedrag, bedoeld in artikel 8. Op de vaststelling van het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot is deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.
4.
In afwijking van het derde lid wordt, indien de gehuwden gescheiden leven, doch niet duurzaam gescheiden, het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot slechts in aanmerking genomen voorzover deze het overeenkomstige bedrag, bedoeld in artikel 8, te boven gaat.
1.
Indien inkomen in natura in aanmerking wordt genomen wordt de waarde daarvan vastgesteld op het daarvoor door de kunstenaar of zijn gezin opgeofferde bedrag.
2.
Het inkomen uit studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 wordt in aanmerking genomen naar het normbedrag voor levensonderhoud waarnaar deze is berekend, met dien verstande dat het normbedrag voor levensonderhoud, bedoeld in artikel 3.2 van die wet, wordt gesteld op:
a. voor een thuisinwonende studerende: € 271,06 [Red: per 1 januari 2010: € 310,23] per kalendermaand;
b. voor een uitwonende studerende: € 486,94 [Red: per 1 januari 2010: € 557,27] per kalendermaand.
3.
De tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten wordt in aanmerking genomen naar het normbedrag voor de basistoelage, bedoeld in artikel 4.3 van die wet.
1.
Onder vermogen wordt verstaan:
a. de waarde van de bezittingen waarover de kunstenaar of zijn gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken bij aanvang van de uitkering, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering;
b. middelen die worden ontvangen in de periode waarover uitkering is toegekend, voorzover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 5 of 6.
2.
Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:
a. vermogen noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar;
b. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van de kunstenaar of zijn gezin, noodzakelijk zijn;
c. het bij de aanvang van de uitkering aanwezige vermogen, voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, bedoeld in het derde lid;
d. spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin uitkering wordt ontvangen;
e. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 9, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 42.000,00 [Red: per 1 januari 2011: € 46.900,00] ;
f. vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdelen i en j.
3.
De in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde vermogensgrens is:
a. voor een alleenstaande: € 4.975,00 [Red: per 1 januari 2011: € 5.555,00] ;
b. voor een alleenstaande ouder: € 9.950,00 [Red: per 1 januari 2011: € 11.110,00] ;
c. voor de gehuwden tezamen: € 9.950,00 [Red: per 1 januari 2011: € 11.110,00] .
4.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op bezittingen die worden verworven in de periode waarover uitkering is toegekend en op middelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met dien verstande dat de van toepassing zijnde vermogensgrens, bedoeld in het derde lid, daarbij wordt verminderd met het vermogen dat:
a. bij aanvang van de uitkering niet in aanmerking is genomen op grond van het tweede lid, onderdeel c;
b. tijdens de uitkering niet in aanmerking is genomen op grond van dit lid.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het tweede lid, onderdeel a.
Artikel 8. Voorwaarden voor het recht op uitkering
De kunstenaar heeft recht op uitkering indien hij, of voorzover van toepassing zijn gezin:
a. niet over in aanmerking te nemen vermogen beschikt en het in aanmerking te nemen inkomen per maand:
1°. van een alleenstaande lager is dan € 1.024,10 [Red: per 1 juli 2011: € 1.175,56] ;
2°. van een alleenstaande ouder lager is dan € 1.207,43 [Red: per 1 juli 2011: € 1.468,28] ;
3°. van gehuwden lager is dan € 1.349,13 [Red: per 1 juli 2011: € 1.550,01] , en
b. gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen periode als kunstenaar werkzaam is geweest en in die periode met die werkzaamheden een bij die algemene maatregel van bestuur te bepalen bruto-inkomen heeft verworven, of
c. de aanvraag op grond van deze wet heeft ingediend binnen 12 maanden nadat hij met goed gevolg een opleiding op het gebied van de kunst, een voortgezette opleiding op het gebied van de kunst, of een voortgezette opleiding bouwkunst als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek heeft voltooid, voorzover deze opleiding gericht is op de uitoefening van het kunstenaarschap, dan wel een daarmee vergelijkbare, door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij ministeriële regeling aan te wijzen, opleiding heeft voltooid.
1.
De kunstenaar die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, of die woonachtig is in een woning met bijbehorend erf waarvan zijn echtgenoot eigenaar is, heeft recht op uitkering voorzover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.
2.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een woning mede verstaan een woonwagen of een woonschip.
1.
Geen recht op uitkering heeft de kunstenaar die:
a. buiten Nederland zijn woonplaats heeft of die in Nederland zijn woonplaats heeft doch die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland, dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland;
b. niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000;
c. rechtens zijn vrijheid ontnomen is;
d. zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
e. de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt heeft bereikt;
f. onbetaald verlof geniet als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Werkloosheidswet of die gehuwd is met een zodanig persoon, voorzover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is, tenzij de kunstenaar alleenstaande ouder is en hij verlof geniet als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, recht op uitkering hebben, onverminderd de overige vereisten voor dat recht:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, of
b. indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.
Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden, of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
4.
Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing indien het verblijf buiten Nederland noodzakelijk is in verband met de beroepsuitoefening, zo nodig gehoord de adviserende instelling.
5.
De kunstenaar die op grond van artikel 8, onderdeel b, geen recht heeft op uitkering, of wiens uitkering op grond van artikel 11, eerste lid, onderdelen b of c, is beëindigd, heeft niet eerder recht op uitkering dan nadat een periode van zes kalendermaanden na het tijdstip van het besluit tot afwijzing, danwel het tijdstip van de beëindiging van uitkering is verstreken.
1.
Onverminderd de artikelen 8, 10, 19, 25 en 26, wordt het recht op uitkering beëindigd, indien de kunstenaar:
a. of zijn gezin over in aanmerking te nemen vermogen is komen te beschikken of over een in aanmerking te nemen inkomen gelijk aan of hoger dan het voor hem geldende bedrag, bedoeld in artikel 8, onderdeel a;
b. niet kan aantonen alleen of samen met zijn echtgenoot met werkzaamheden volgens bij algemene maatregel van bestuur nader te bepalen voorwaarden in ieder geval gedurende de periode, bedoeld in artikel 19, eerste en tweede lid, over de periode van twaalf kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan respectievelijk de dertiende uitkeringsmaand € 2.800,00, de vijfentwintigste uitkeringsmaand € 4.400,00 en de zevenendertigste uitkeringsmaand € 6.000,00 te hebben verworven;
c. niet kan aantonen in enig jaar als kunstenaar werkzaam te zijn geweest;
d. of zijn echtgenoot daarom verzoekt.
2.
Het college onderzoekt regelmatig of de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b of c, zich voordoen.
3.
Onze Minister kan, na overleg met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij ministeriële regeling regels stellen omtrent de regelmaat waarmee onderzoeken als bedoeld in het tweede lid plaatsvinden en het tijdstip van beëindiging van de uitkering indien een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, zich voordoet.
Artikel 12. Vaststelling en betaling
De uitkering wordt per kalendermaand om niet verleend en betaald en per kalenderjaar vastgesteld.
1.
Indien voor de kunstenaar, bedoeld in artikel 9, recht op uitkering bestaat, heeft die uitkering, in afwijking van artikel 12, de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek of verpanding voorzover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel e.
2.
De uitkering in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek of verpanding, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend tot een bedrag gelijk aan het vermogen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel e.
3.
Indien de uitkering wordt verleend in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek of verpanding komen de kosten verbonden aan de taxatie van de waarde van de woning, de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek of verpanding, alsmede de bijkomende kosten, ten laste van de kunstenaar. Voor deze kosten kan het college een uitkering verlenen die begrepen wordt onder de geldlening onder verband van hypotheek of verpanding.
4.
Indien na beëindiging van uitkering onder verband van hypotheek of verpanding opnieuw recht op uitkering bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek of verpanding.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de vaststelling van de waarde van de woning met bijbehorend erf en de voorwaarden waaronder uitkering in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek of verpanding wordt verleend.
1.
Het door het college verleende voorschot heeft de vorm van een renteloze geldlening.
2.
Indien een uitkering wordt verleend over een periode waarover met toepassing van het eerste lid een of meer voorschotten is verleend, kan deze uitkering zonder machtiging van de kunstenaar worden verrekend met het voorschot of de voorschotten.
1.
De uitkering bedraagt per kalendermaand voor:
a. een alleenstaande: € 648,04 [Red: per 1 juli 2011: € 745,39] ;
b. een alleenstaande ouder: € 828,31 [Red: per 1 juli 2011: € 1034,28] ;
c. gehuwden: € 954,73 [Red: per 1 juli 2011: € 1.103,51] .
2.
Indien de echtgenoot van de kunstenaar in een omstandigheid verkeert als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, wordt de hoogte van de uitkering vastgesteld op het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder.
3.
Vooruitlopend op de definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering, bedoeld in artikel 16, kan op de uitkering het inkomen van de kunstenaar of zijn gezin in mindering worden gebracht, voorzover de som van het bedrag, genoemd in het eerste lid, en het inkomen in een kalendermaand waarin recht op uitkering bestaat, meer bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 16, tweede lid, onderdeel b.
1.
Uiterlijk in het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin uitkering is verleend en binnen acht weken nadat de kunstenaar de benodigde gegevens heeft verstrekt, wordt de uitkering, bedoeld in artikel 15, definitief vastgesteld.
2.
Bij de definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering wordt van het volgende uitgegaan:
a. over de periode in het kalenderjaar waarin geen uitkering is ontvangen wordt niet in aanmerking genomen het bruto-inkomen tot een maximum per maand van het in artikel 8, onderdeel a, genoemde van toepassing zijnde bedrag, vermeerderd met de door de kunstenaar of zijn gezin verschuldigde inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet , voor zover deze hen niet op grond van artikel 46 van de Zorgverzekeringswet zijn vergoed;
b. het na toepassing van onderdeel a overblijvende meerinkomen wordt in aanmerking genomen over de periode waarin in het betreffende kalenderjaar uitkering is verleend, voorzover dat tezamen met het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid, over deze periode per maand meer bedraagt dan:
1°. € 1.355,98 [Red: per 1 juli 2011: € 1.550,63] voor een alleenstaande;
2°. € 1.673,05 [Red: per 1 juli 2011: € 2.010,67] voor een alleenstaande ouder;
3°. € 1.871,42 [Red: per 1 juli 2011: € 2.149,97] voor gehuwden.
3.
In afwijking van het eerste en tweede lid en artikel 5, eerste lid, onderdeel b, wordt bij een kunstenaar wiens uitkering is beëindigd in verband met het bereiken van de maximale uitkeringsduur op grond van artikel 19, het inkomen van de kunstenaar of zijn gezin slechts in aanmerking genomen over de periode van het kalenderjaar voorafgaand aan het tijdstip met ingang waarop de uitkering is beëindigd, voorzover dat inkomen tezamen met het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid, over deze periode per kalendermaand meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in het tweede lid, onderdeel b.
4.
Indien het bedrag van de voorlopig verleende uitkering, bedoeld in artikel 15:
a. lager is dan de definitief vastgestelde hoogte van de uitkering, wordt voor het verschil ambtshalve uitkering verleend;
b. hoger is dan de definitief vastgestelde hoogte van de uitkering, wordt het bedrag dat hoger is dan de definitief vastgestelde uitkering teruggevorderd met toepassing van artikel 28.
1.
Bij de toepassing van de artikelen 8, 15 en 16 wordt het inkomen, bedoeld in die artikelen, verminderd met de in aanmerking te nemen beroepskosten.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in aanmerking te nemen beroepskosten en het inkomen waarover deze kosten worden gerekend.
1.
Met ingang van de dag waarop het netto minimumloon wijzigt, worden de brutonormen en bedragen, genoemd in de artikelen 8, onderdeel a, 15 en 16 herzien.
2.
Onder netto minimumloon wordt verstaan het minimumloon per maand, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, verhoogd met de aanspraak op vakantiebijslag waarop een werknemer op grond van artikel 15 van die wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting, premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet.
3.
De in het tweede lid bedoelde loonbelasting en premies volksverzekeringen worden berekend voor een werknemer, jonger dan 65 jaar, rekening houdend met uitsluitend tweemaal de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, over het minimumloon en de aanspraak op vakantiebijslag daarover, vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, en verminderd met de premies werknemersverzekeringen.
4.
Indien ingevolge een van de socialeverzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels bij ministeriële regeling voor de toepassing van het tweede lid een gemiddeld percentage vastgesteld.
5.
Bij de vaststelling van de brutonormen en bedragen, bedoeld in het eerste lid, is ten aanzien van de verschuldigde loonheffing rekening gehouden met de algemene heffingskorting, alsmede met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet en de vereveningsbijdrage. Met betrekking tot de brutonormen en bedragen, genoemd in artikel 8, onderdeel a, onder 2°, 15, eerste lid, onderdeel b, en 16, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, is tevens rekening gehouden met de alleenstaande ouderkorting.
6.
De vereveningsbijdrage, bedoeld in het vijfde lid, is gelijk aan het bedrag van de premie die een werkgever op grond van de Werkloosheidswet op het overeengekomen loon van een werknemer, die is verzekerd op grond van deze wet, inhoudt.
7.
Van de herziene normen en van de dag waarop de herziening plaatsvindt, wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
1.
Met ingang van de dag waarop de som wijzigt van de budgetten voor levensonderhoud, genoemd in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet studiefinanciering 2000 en het bedrag dat op grond van artikel 3.29, eerste lid, van die wet wordt verstrekt aan een studerende die ten onrechte over een kalendermaand geen reisvoorziening ontvangt, worden de in artikel 6, tweede lid, genoemde bedragen zodanig herzien dat deze gelijk zijn aan deze som.
2.
Met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar worden de in artikel 7, tweede lid, onderdeel e, en derde lid, genoemde bedragen herzien met de procentuele stijging van de consumentenprijsindex.
3.
Van de herziene bedragen en van de dag waarop de herziening plaatsvindt wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
1.
Het recht op uitkering bestaat, al dan niet aaneengesloten, gedurende ten hoogste 4 jaar.
2.
Het recht op uitkering eindigt in elk geval tien jaar na de dag met ingang van welke voor de eerste maal uitkering op grond van deze wet werd toegekend.
3.
Het college onderzoekt regelmatig of het recht op uitkering op grond van het eerste en tweede lid nog bestaat.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de uitvoering van het derde lid.
1.
Het college kan aan de uitkering verplichtingen verbinden die verband houden met de aard en het doel van deze wet, die strekken tot vermindering of beëindiging van het beroep op deze wet of verplichtingen die het college nodig acht voor een doelmatige bedrijfs- en beroepsuitoefening.
2.
De kunstenaar is verplicht:
a. naar behoren een administratie te voeren;
b. zich naar vermogen in te spannen om met zijn kunst zelfstandig in het bestaan te voorzien al dan niet in een gemengde beroepspraktijk;
c. aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag dat aan hem als uitkering wordt betaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is;
d. aan het college desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht terstond ter inzage te verstrekken, voorzover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet;
e. aan de adviserende instelling op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de uitoefening van de taken van de adviserende instelling;
f. zich naar vermogen in te spannen om gebruik te maken van de, op verzoek van de kunstenaar, aangeboden voorzieningen, bedoeld in artikel 21.
3.
De kunstenaar legt de administratie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar over aan het college:
1°. uit eigener beweging over ieder kalenderjaar waarover uitkering is verleend als bedoeld in artikel 16, of
2°. op verzoek van het college.
4.
De verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c en d, gelden ook voor de echtgenoot van de kunstenaar. Voorzover het betreft de echtgenoot die arbeid in een eigen bedrijf of zelfstandig beroep verricht, geldt de verplichting, bedoeld in het derde lid, ook voor de echtgenoot.
5.
Het college stelt bij de uitvoering van deze wet ten aanzien van de kunstenaar en zijn echtgenoot op wie de verplichting, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, rust, de identiteit vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht en neemt de aard en het nummer daarvan op in de administratie.
1.
Op verzoek van de kunstenaar die uitkering ontvangt op grond van deze wet, kan het college, zo nodig gehoord de adviserende instelling, aan hem voorzieningen aanbieden, gericht op het bevorderen van de arbeidsinschakeling in het kader van de uitoefening van een gemengde beroepspraktijk.
2.
Het college kan werkzaamheden die in het kader van de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, worden uitgevoerd, laten verrichten door derden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen hieromtrent regels worden gesteld.
3.
Het college kan de voorziening, bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de kunstenaar ook aan zijn echtgenoot aanbieden.
4.
De gemeenteraad van een gemeente, waarvan het college is aangewezen op grond van artikel 23, eerste lid, stelt bij verordening regels met betrekking tot de toepassing van het eerste lid.
1.
Het college kan de uitkering tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren, indien de kunstenaar:
a. blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen;
b. een verplichting als bedoeld in artikel 20, eerste lid, tweede lid, onderdelen a, b, c en d, of derde lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen, of
c. een verplichting als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdelen c en e, of derde lid, niet binnen de daarvoor door het college vastgestelde termijn is nagekomen;
d. of zijn echtgenoot de verplichting, bedoeld in artikel 20, vierde lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen;
e. of zijn echtgenoot de verplichting, bedoeld in artikel 20, vierde lid, met uitzondering van de verplichting, bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel d, niet binnen de daarvoor door het college vastgestelde termijn is nagekomen.
2.
Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de kunstenaar of zijn echtgenoot de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin de kunstenaar of zijn gezin verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
3.
De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:
a. de maatregel, bedoeld in het eerste lid;
b. de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet in het kader van het financiële beheer.
1.
Het recht op uitkering bestaat jegens het college van een daartoe bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gemeente waartoe de kunstenaar, gelet op zijn woonplaats als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van het Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, behoort.
2.
De aanvraag wordt ingediend bij het college.
3.
Indien de kunstenaar gehuwd is, wordt de aanvraag door de echtgenoten gezamenlijk ingediend, dan wel door een van hen met schriftelijke toestemming van de ander.
4.
Het college stelt het recht op uitkering op aanvraag vast.
5.
Het college besluit, gehoord de adviserende instelling, of:
a. de aanvraag is ingediend door een kunstenaar, en of aan de eisen, bedoeld in artikel 8, onderdelen b en c, voldaan wordt, of
b. de uitkering moet worden beëindigd om de reden, bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel c.
Artikel 23a. Gemeenschappelijke regelingen
Indien bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van deze wet volledig is overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van die wet, treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet, met uitzondering van de paragrafen 5.4 en 6.3, in de plaats van de betrokken colleges.
1.
Indien door het college is vastgesteld dat recht op uitkering bestaat, wordt de uitkering toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de kunstenaar zich heeft gemeld om een uitkering aan te vragen.
2.
Indien de kunstenaar de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, kan het college, in afwijking van het eerste lid, besluiten dat de uitkering wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend.
3.
Het college stelt het recht op uitkering niet eerder vast dan nadat het college uit het onderzoek, bedoeld in artikel 19, derde lid, is gebleken dat recht op uitkering bestaat als bedoeld in artikel 19, eerste en tweede lid.
1.
Indien de kunstenaar of zijn echtgenoot de voor de verlening van de uitkering van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de kunstenaar of zijn echtgenoot anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, kan het college het recht op uitkering voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
2.
Indien bij de beoordeling van het recht op een uitkering blijkt dat het door de kunstenaar verstrekte adres van hemzelf of van zijn echtgenoot afwijkt van het adres waaronder de betrokkene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, schort het college het recht op een uitkering op.
3.
Geen opschorting vindt plaats indien:
a. de afwijking van de adresgegevens redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op of de hoogte van de uitkering;
b. de kunstenaar of zijn echtgenoot van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt, of
c. daarvoor naar het oordeel van het college dringende redenen aanwezig zijn.
4.
Het college doet schriftelijk mededeling van de opschorting, bedoeld in het eerste en tweede lid, aan de kunstenaar en stelt hem daarbij in de gelegenheid binnen een door hem te stellen termijn het verzuim of de afwijking te herstellen.
5.
De opschorting wordt beëindigd zodra het college gebleken is dat de afwijking niet meer bestaat. Indien de afwijking ook na de krachtens het vierde lid gestelde termijn nog bestaat, herziet het college het besluit tot toekenning van de uitkering of trekt zij dit in met ingang van de eerste dag waarover het recht op een uitkering is opgeschort.
1.
Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, kan het college een dergelijk besluit herzien of intrekken:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel 22, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een daar bedoelde verplichting heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
b. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
2.
Als de kunstenaar of zijn echtgenoot in het geval, bedoeld in artikel 25, eerste lid, het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van uitkering intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op uitkering is opgeschort.
1.
De uitkering is niet vatbaar voor vervreemding of verpanding.
2.
Een machtiging tot het in ontvangst nemen van de uitkering, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
3.
Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
Artikel 28. Terugvordering
Kosten van de uitkering kunnen door het college worden teruggevorderd in de gevallen en naar de regels, bedoeld in dit hoofdstuk, en in de gevallen, bedoeld in artikel 16.
1.
Het college kan de kosten van de uitkering terugvorderen, voorzover de uitkering:
a. ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
b. ingevolge artikel 14 bij wijze van een voorschot is verleend en na onderzoek is vastgesteld dat over de betrokken periode geen recht op een uitkering bestaat;
c. anderszins onverschuldigd is betaald voorzover de kunstenaar dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of
d. anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de kunstenaar of zijn gezin naderhand met betrekking tot het kalenderjaar waarover uitkering is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 1.2 beschikt of kan beschikken, voorzover deze middelen bij de definitieve vaststelling op grond van artikel 16 zouden hebben geleid tot terugvordering van uitkering, indien op het moment van deze definitieve vaststelling al over deze middelen zou zijn beschikt.
2.
Terugvordering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, vindt niet plaats, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering.
3.
Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten.
Artikel 30. Terugvordering bij het niet voldoen aan de verplichting tot verlenen van inzage in de administratie
Het college kan de kosten van de uitkering over het voorgaande kalenderjaar terugvorderen, voorzover de kunstenaar of zijn echtgenoot niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 20, derde of vierde lid, laatste volzin.
1.
Onverminderd de artikelen 16, vierde lid, onderdeel b, 29 en 30 kunnen kosten van uitkering, indien de uitkering aan een gezin wordt verleend, van alle gezinsleden worden teruggevorderd.
2.
Indien de uitkering als gezinsuitkering aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de kunstenaar of zijn echtgenoot de verplichtingen, bedoeld in artikel 20, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van de uitkering mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 1.2 bij de verlening van uitkering rekening had moeten worden gehouden.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van uitkering die worden teruggevorderd.
1.
De kunstenaar van wie kosten van uitkering worden teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering op grond van dit hoofdstuk van belang zijn.
2.
Het college kan de kosten van de uitkering, bedoeld in dit hoofdstuk invorderen bij dwangbevel.
3.
De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het college. Indien het college gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene van wie kosten van uitkering worden teruggevorderd.
4.
Zolang de kunstenaar zijn verplichting, bedoeld in het eerste lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het college, in afwijking van artikel 4.93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij invordering van kosten van uitkering bij dwangbevel.
5.
Terugvordering van kosten van uitkering als bedoeld in dit hoofdstuk is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen in artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek omschreven.
1.
Onze Minister wijst één adviserende instelling aan die tot taak heeft het college van advies te dienen of:
a. de aanvraag is ingediend door een kunstenaar en of aan de eisen, bedoeld in de artikel 8, onderdelen b en c, is voldaan;
b. de uitkering moet worden beëindigd om de reden, bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel c;
c. het aanbieden van een voorziening als bedoeld in artikel 21 noodzakelijk is;
d. verblijf in het buitenland als bedoeld in artikel 10, vierde lid, noodzakelijk is in verband met de beroepsuitoefening als kunstenaar.
2.
De adviserende instelling is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, die
blijkens haar statuten tot doel heeft of mede tot doel heeft taken als bedoeld in het eerste lid te vervullen.
3.
Aan een aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden.
1.
Onze Minister trekt de aanwijzing van de adviserende instelling in, indien de instelling:
a. daarom verzoekt;
b. tot ontbinding besluit;
c. in staat van faillissement wordt verklaard.
2.
Onze Minister kan de aanwijzing van de adviserende instelling intrekken, indien de instelling:
a. haar taak niet naar behoren heeft vervuld;
b. haar statuten heeft gewijzigd zonder voorafgaande goedkeuring van Onze Minister;
c. heeft gehandeld in strijd met haar statuten of de voorschriften, bedoeld in artikel 35, derde lid.
1.
Onze Minister regelt in een besluit tot intrekking van de aanwijzing, bedoeld in artikel 36, zo nodig de gevolgen van die intrekking.
2.
Een besluit tot aanwijzing of tot intrekking van de aanwijzing bepaalt de dag waarop de aanwijzing, onderscheidenlijk de intrekking ingaat. Het besluit wordt in de Staatscourant geplaatst.
Artikel 38. Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Onze Minister oefent de hem in de artikelen 35, 36 en 37 verleende taken en bevoegdheden uit in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
1.
Een ieder is verplicht desgevraagd en bevoegd uit eigen beweging aan het college kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken omtrent feiten en omstandigheden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet ten opzichte van de kunstenaar of zijn echtgenoot te wiens behoeve uitkering is gevraagd of wordt verleend en die in zijn dienst dan wel voor hem arbeid verricht, heeft verricht of zou kunnen gaan verrichten. De verplichting strekt zich mede uit tot de inkomsten van de kunstenaar of zijn echtgenoot van wie kosten van uitkering ingevolge hoofdstuk 4 worden of kunnen worden teruggevorderd.
2.
De opgaven en inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd binnen een door het college schriftelijk te stellen termijn verstrekt.
1.
De hieronder vermelde instanties zijn verplicht desgevraagd aan het college, kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet:
a. het college van andere gemeenten;
b. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale Verzekeringsbank, genoemd in respectievelijk de hoofdstukken 5 en 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. de belastingdienst;
d. het College zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, de Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet marktordening gezondheidszorg en de zorgverzekeraars in de zin van de artikelen 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet of van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ;
e. de bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen, stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake vervroegd uittreden en andere organen belast met het doen van uitkeringen of verstrekkingen die in het kader van deze wet als inkomen worden aangemerkt;
f. de Kamers van Koophandel, met dien verstande dat dit, in afwijking van de aanhef van dit lid, geschiedt tegen betaling van de daarvoor op grond van de Handelsregisterwet 2007 vastgestelde vergoeding;
g. de korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 ;
h. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dan wel, voor zover het betreft het onderwijs of onderzoek op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit betreffende de toepassing van de Wet studiefinanciering 2000 , de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten , en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ;
i. Onze Minister van Justitie voor zover het betreft de kunstenaar of een lid van zijn gezin die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
j. de adviserende instelling die in het kader van de uitvoering van deze wet het college van advies dient;
k. de instanties en personen die woonruimte verhuren;
l. de instanties die in het kader van de openbare nutsvoorziening energie en water leveren;
m. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen;
n. de Belastingdienst/Toeslagen betreffende de toekenning van tegemoetkomingen met toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie betreffende de toepassing van de Wet bevordering eigenwoningbezit .
2.
Het vragen door het college en het verstrekken door de in het eerste lid bedoelde instanties van de in het eerste lid bedoelde opgaven en inlichtingen kan geschieden door tussenkomst van het Inlichtingenbureau.
3.
Griffiers van colleges, geheel of ten dele met rechtspraak belast, zijn verplicht desgevraagd aan het college, kosteloos alle gegevens en uittreksels of afschriften van uitspraken, registers en andere stukken te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.
4.
De in het eerste en het derde lid bedoelde verplichtingen strekken zich mede uit tot degene:
a. van wie kosten van uitkering worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk 4;
b. die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, of ten aanzien van wie dat redelijkerwijs kan worden vermoed, als degene:
1°. te wiens behoeve een uitkering is gevraagd of wordt verleend;
2°. van wie kosten van een uitkering worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk 4.
5.
De in het eerste lid en het derde lid bedoelde opgaven en inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, en zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na ontvangst van het verzoek hiertoe, verstrekt.
6.
De in het eerste lid, onderdelen a tot en met j, genoemde instanties treffen desgevraagd met het college en met het Inlichtingenbureau een regeling met betrekking tot de mededeling van wijzigingen in de eerder aan hen gevraagde opgaven en inlichtingen.
7.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het tweede lid en de inhoud en vormgeving van de in het zesde lid bedoelde regelingen.
8.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen een of meer van de in het eerste lid bedoelde instanties worden aangewezen die ten behoeve van aan het college te verstrekken opgaven en inlichtingen, de door het Inlichtingenbureau aan deze instanties verstrekte gegevens van aldaar op dat moment nog onbekende personen opslaan. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. Bij toepassing van de eerste volzin wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald op welke wijze en gedurende welke termijn deze gegevens worden opgeslagen.
9.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere instanties en personen dan genoemd in het eerste en het derde lid worden aangewezen voor wie de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid tot en met zevende lid, eveneens gelden, voorzover het betreft de verstrekking van nader bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen inlichtingen en opgaven.
10.
Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het negende lid, kan tevens worden bepaald dat de daar bedoelde verplichting alleen geldt jegens ambtenaren met opsporingsbevoegdheid.
11.
Onze Minister van Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle overige opgaven en inlichtingen, die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, aan het college, door tussenkomst van het Inlichtingenbureau, waarbij hij gebruik kan maken van het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer.
1.
Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan voor de uitvoering van deze wet noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet is voorgeschreven of toegestaan.
2.
Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing indien:
a. enig wettelijk voorschrift tot bekendmaking verplicht;
b. degene op wie de gegevens betrekking hebben schriftelijk heeft verklaard tegen de verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te hebben;
c. de gegevens niet herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen.
3.
Ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek kunnen desgevraagd gegevens aan derden worden verstrekt voorzover de persoonlijke levenssfeer van de kunstenaar of zijn gezin daardoor niet onevenredig wordt geschaad.
4.
Degene die op grond van de artikelen 39 tot en met 44 gegevens verstrekt dient na te gaan of degene aan wie de gegevens worden verstrekt redelijkerwijs bevoegd is te achten om die gegevens te verkrijgen.
Artikel 42. Vermoeden misdrijf
Het college is verplicht, indien het bij de uitvoering van deze wet het gegronde vermoeden krijgt van een misdrijf dat is gepleegd ten nadele van een Nederlands of buitenlands uitvoeringsorgaan van de sociale verzekeringswetten of van een Nederlands of buitenlands overheidsorgaan, voorzover dit is belast met het verrichten van uitkeringen, het doen van verstrekkingen dan wel het heffen van bijdragen, het betrokken orgaan hiervan in kennis te stellen.
1.
Het college is bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd, onverminderd artikel 107 van de Vreemdelingenwet 2000, uit de administratie terzake van de uitvoering van deze wet aan de hieronder vermelde instanties kosteloos de gegevens te verstrekken:
a. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank, genoemd in respectievelijk de hoofdstukken 5 en 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. de Belastingdienst voor de heffing of invordering van enige rijksbelasting, de premies voor de sociale verzekeringen, bedoeld in artikel 2, onderdelen a en c, van de Wet financiering sociale verzekeringen, of inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet en de Belastingdienst/Toeslagen voor de uitvoering van inkomensafhankelijke regelingen als bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen ;
c. het college van andere gemeenten voor de uitvoering van deze wet, de Wet werk en bijstand , de Wet investeren in jongeren , de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen ;
d. het College zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, de Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet marktordening gezondheidszorg en de zorgverzekeraars in de zin van de artikelen 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet of van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten , voor de uitvoering van de Zorgverzekeringswet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ;
e. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen;
f. buitenlandse organen voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;
g. bestuursorganen van Aruba, Curaçao, en Sint Maarten voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;
h. de adviserende instelling die in het kader van de uitvoering van deze wet het college van advies dient;
i. Onze Minister van Justitie in verband met de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen.
2.
De in het eerste lid bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de kunstenaar of zijn gezin daardoor onevenredig wordt geschaad.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop in ieder geval gegevens dienen te worden verstrekt.
4.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere instanties dan genoemd in het eerste lid worden aangewezen ten behoeve waarvan de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, eveneens gelden.
1.
In de administratie van de gemeente, de adviserende instelling en het Inlichtingenbureau wordt met het oog op de uitvoering van deze wet het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, opgenomen van een natuurlijke persoon.
2.
Bij de verstrekking van gegevens door het college, het Inlichtingenbureau en de in de artikelen 40 en 43 bedoelde instanties wordt, indien daartoe bevoegd, gebruik gemaakt van dit burgerservicenummer. Derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen gebruiken het burgerservicenummer slechts voorzover dat noodzakelijk is voor het verrichten van werkzaamheden die in het kader van de voorzieningen, bedoeld in artikel 21, eerste lid, worden uitgevoerd.
1.
Onze Minister houdt toezicht op:
a. de rechtmatigheid van de uitvoering van deze wet door het college;
b. de doeltreffendheid van deze wet.
2.
Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt onder gezag van Onze Minister uitgeoefend door de Inspectie Werk en Inkomen, genoemd in hoofdstuk 7 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, onder leiding van het hoofd van die inspectie. De artikelen 37, 38, 42 en 44 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen zijn van overeenkomstige toepassing.
3.
Onze Minister kan, indien hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering van deze wet ernstige tekortkomingen constateert, aan het college, nadat het gedurende acht weken in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, een aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen. In een aanwijzing wordt een termijn opgenomen waarbinnen het college de uitvoering in overeenstemming heeft gebracht met deze aanwijzing.
Artikel 45a. Toezicht door gemeenten
Met het toezicht op de naleving van deze wet zijn belast de bij besluit van het college aangewezen ambtenaren.
1.
Het college dient jaarlijks bij Onze Minister een beeld van de uitvoering in.
2.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het beeld van de uitvoering.
3.
Het college verstrekt kosteloos het beeld van de uitvoering.
1.
Het college, de gemeenteraad en de adviserende instelling verstrekken desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen die hij voor het toezicht, de statistiek, de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het college, de gemeenteraad en de adviserende instelling de in het eerste lid bedoelde inlichtingen verzamelen en verstrekken.
3.
De inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden door het college kosteloos verstrekt.
1.
Onze Minister vergoedt ten laste van ’s Rijks kas de door de adviserende instelling gemaakte uitvoeringskosten overeenkomstig de krachtens het derde lid, onderdeel a, gestelde regels.
2.
De adviserende instelling declareert de in een kalenderjaar gemaakte kosten door middel van een kostenopgave over dat jaar. Deze opgave is voorzien van een verklaring van een registeraccountant of een Accountant-Administratieconsulent ten aanzien van wie bij de inschrijving in het in artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten bedoelde register een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 36, derde lid, van die wet.
3.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake:
a. de vergoeding van gemaakte uitvoeringskosten;
b. de wijze en het tijdstip van declareren, alsmede de daarbij door de adviserende instelling nader te verstrekken gegevens;
c. de in het tweede lid bedoelde verklaring en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring.
1.
Onze Minister verleent voorschotten op de vergoeding.
2.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het verlenen van voorschotten.
1.
Onze Minister stelt de vergoeding vast binnen een jaar na ontvangst van de kostenopgave, bedoeld in artikel 51, tweede lid.
2.
Indien de kostenopgave niet is ontvangen binnen 18 maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in artikel 51, tweede lid, kan Onze Minister de vergoeding over dat jaar ambtshalve vaststellen.
Artikel 54
Ten behoeve van de kosten van voorzieningen als bedoeld in artikel 21, eerste lid, niet zijnde uitvoeringskosten, ontvangt het college een uitkering op grond van de Wet participatiebudget .
Artikel 73. Intrekking Wet inkomensvoorziening kunstenaars
De Wet inkomensvoorziening kunstenaars en de artikelen III en IV van de Wet van 5 juli 2000 (Stb. 299) tot wijziging van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars teneinde kunstenaars met een eigen woning niet langer van een beroep op de Wet inkomensvoorziening kunstenaars uit te sluiten worden ingetrokken.
1.
De Wet inkomensvoorziening kunstenaars blijft van toepassing op de definitieve vaststelling van de uitkering, bedoeld in artikel 10 van die wet, over het jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet.
2.
De termijnen, bedoeld in artikel 13 van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars blijven van toepassing op de uitkering, bedoeld in deze wet.
1.
Door het college op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars genomen besluiten gelden als door hem genomen besluiten op grond van deze wet.
2.
Onverminderd artikel 77 brengt het college de in het eerste lid bedoelde besluiten binnen 12 maanden na inwerkingtreding van deze wet in overeenstemming met deze wet, voorzover deze besluiten afwijken van deze wet.
Artikel 76. Aanvragen
Op een aanvraag tot het verlenen van uitkering wordt beslist met toepassing van:
a. de Wet inkomensvoorziening kunstenaars, indien het recht op bijstand ingaat vóór of op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet;
b. deze wet, indien het recht op uitkering ingaat na de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 77. Vermogen
Als het vermogen dat vanaf de uitkeringsverlening niet in aanmerking is genomen, bedoeld in artikel 7, vierde lid, van deze wet, van de kunstenaar of zijn gezin aan wie op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet uitkering werd verleend, geldt het bedrag zoals dat laatstelijk vóór of op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet door het college is vastgesteld.
Artikel 78. Bezwaar- en beroepschriften
Op een bezwaar- en beroepschrift dat:
a. vóór of op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet is ingediend tegen een door het college op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars genomen besluit en waarop op die datum nog niet onherroepelijk is beslist;
b. na de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet is ingediend en betrekking heeft op uitkeringsverlening waarop ingevolge artikel 72 de Wet inkomensvoorziening kunstenaars van toepassing is;
wordt beslist met toepassing van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars.
1.
Artikel 13, eerste lid, is tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip niet van toepassing op de kunstenaar die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet recht had op uitkering en eigenaar was van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woonwagen of bewoond woonschip met bijbehorend erf.
2.
In afwijking van artikel 77 wordt het in de woonwagen of het woonschip met bijbehorend erf gebonden vermogen van de kunstenaar, bedoeld in het eerste lid, met ingang van het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld op de waarde ervan op dat tijdstip.
Artikel 78b. Krediethypotheek
Artikel 8 van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars blijft van toepassing op de uitkering die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet werd verleend met toepassing van genoemd artikel.
1.
Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998 mede op artikel 2, vijfde lid, van deze wet.
2.
Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid mede op artikel 10, derde lid, van deze wet.
3.
Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, Ioaw, Ioaz, Wvg en WIK mede op artikel 10, tweede lid, van deze wet.
Artikel 78d. Overgangsbepaling beëindigingsgronden
Bij algemene maatregel van bestuur kan ten behoeve van de kunstenaar die in of voor het jaar 2004 een uitkering heeft ontvangen op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars en die in 2005 een uitkering aanvraagt op grond van deze wet, worden afgeweken van de perioden en bedragen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b.
Artikel 78e. Overgangsbepaling financiering uitkerings- en uitvoeringskosten
Artikel 50 blijft van toepassing op de vaststelling van de vergoeding, bedoeld in dat artikel, zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van de Wet van 17 december 2009 tot bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Stb. 592), voor kosten die betrekking hebben op kalenderjaren gelegen voor die van inwerkingtreding van die wet.
Artikel 78f. Overgangsrecht gelijkstelling voormalige pleeg- en stiefkinderen aan eigen kinderen
De artikelen 2, zesde en zevende lid, en 3, tweede lid, zijn niet van toepassing, indien voor de inwerkingtreding van deze artikelleden, op grond van artikel 8 recht bestaat op een uitkering voor gehuwden, omdat de ongehuwde kunstenaar wegens een gezamenlijke huishouding met een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind is aangemerkt als gehuwd, voor zolang dit recht op uitkering bestaat, tenzij toepassing van de genoemde artikelleden leidt tot een hogere uitkering.
Artikel 79. Evaluatiebepaling
Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 80. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. In het koninklijk besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet .
Artikel 81. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 23 december 2004
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ,
Uitgegeven de negenentwintigste december 2004
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Het recht op uitkering
+ Hoofdstuk 3. Het geldend maken van het recht op uitkering
+ Hoofdstuk 4. Terugvordering
+ Hoofdstuk 5. Uitvoering en toezicht
+ Hoofdstuk 6. Financiering
+ Hoofdstuk 7. Wijziging andere wetten
+ Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht