Besluit van 2 juli 2001 tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, het Besluit bezoldiging politie, het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994 en het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie in verband met onder meer het vervallen van de tijdelijke aanstelling voor surveillanten en de afschaffing van het maandgeld voor aspiranten
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 maart 2001, nr. EA2001/U57265, directoraat-generaal Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid;
Gelet op artikel 50, eerste lid, en 53d, eerste lid, van de Politiewet 1993 en artikel 9, zesde lid, eerste en tweede volzin, van de LSOP-wet;
De Raad van State gehoord (advies van 17 april 2001, nr. W04.01.130/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 juni 2001, nr. EA2001/U74276, directoraat-generaal Openbare Orde en Veiligheid;
Hebben goedgevonden en verstaan:
ARTIKEL I
[Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie.]
ARTIKEL II
[Wijzigt het Besluit bezoldiging politie.]
ARTIKEL III
[Wijzigt het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994.]
ARTIKEL IV
[Wijzigt het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie.]
1.
De ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is aangesteld op grond van artikel 3, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie zoals dat artikel op dat tijdstip luidde, wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit aangesteld in vaste dienst, tenzij:
a. de ambtenaar aan het bevoegd gezag voor 1 mei 2001 schriftelijk en eenmalig de keuze kenbaar heeft gemaakt voor het handhaven van de aanstelling in tijdelijke dienst, of
b. tegen een aanstelling in vaste dienst bedenkingen bestaan, gebaseerd op een beoordeling overeenkomstig artikel 71, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie.
2.
De ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is aangesteld in tijdelijke dienst op grond van artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit algemene rechtspositie politie zoals dat artikel op dat tijdstip luidde, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 89, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, na afloop van de proeftijd aangesteld in vaste dienst, tenzij de ambtenaar aan het bevoegd gezag voor 1 mei 2001 schriftelijk en eenmalig de keuze kenbaar heeft gemaakt na afloop van de proeftijd een aanstelling in tijdelijke dienst te wensen op grond van artikel 3, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie zoals dat artikel luidde op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
3.
De aspirant in opleiding tot surveillant van politie die op 31 december 2000 en op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is aangesteld in tijdelijke dienst op grond van artikel 3, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie zoals dat artikel luidde op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 89, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, na het voltooien van de basisopleiding op grond van artikel 3, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd van één jaar, tenzij de ambtenaar aan het bevoegd gezag voor 1 mei 2001 schriftelijk en eenmalig de keuze kenbaar heeft gemaakt voor een aanstelling in tijdelijke dienst op grond van artikel 3, tweede en derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie zoals dat artikel luidde op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
4.
In de uitzonderingssituaties, genoemd in het eerste tot en met het derde lid, blijven de artikelen 3, 90 en 96 van het Besluit algemene rechtspositie politie en de Regeling vertrekpremie surveillant van politie zoals die luidden op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit van toepassing.
ARTIKEL VI
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, met dien verstande dat
a. de artikelen I, onderdeel C, II, en III terugwerken tot en met 1 januari 2001, en
b. artikel I, onderdeel A, eerste tot en met zesde lid, terugwerkt tot en met 1 januari 2001 voor zover het betreft degene die op of na 1 januari 2001 is aangesteld als aspirant in opleiding tot surveillant van politie.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 2 juli 2001
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Uitgegeven de zeventiende juli 2001
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
ARTIKEL I
ARTIKEL II
ARTIKEL III
ARTIKEL IV
ARTIKEL V
ARTIKEL VI
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht