Besluit van 7 mei 2001 tot wijziging van enige algemene maatregelen van bestuur in verband met onder meer de uitvoering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst 1999-2000 sector Rechterlijke Macht
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 27 februari 2001, nr. 5083302/01/6;
Gelet op artikel 54 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren;
De Raad van State gehoord (advies van 30 maart 2001, nr. W03.01.0127/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 27 april 2001, nr. 5094729/01/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
ARTIKEL I
[Wijzigt het Besluit eindejaarsuitkering rechterlijke ambtenaren.]
ARTIKEL II
[Wijzigt het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren.]
ARTIKEL III
[Wijzigt de Regeling ziektekostenvoorziening rechterlijke ambtenaren. ]
ARTIKEL IV
Met betrekking tot het gedeelte van het tijdvak, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Regeling ziektekostenvoorziening rechterlijke ambtenaren zoals dit ingevolge dit besluit komt te luiden, dat is gelegen voor 1 januari 2000, blijft het oude recht van toepassing.
1.
Indien het belang van de dienst zich daartegen niet verzet, kan de functionele autoriteit in het jaar 2000 eenmaal op verzoek van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding het aantal uren dat de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding in dat jaar wekelijks gemiddeld meer werkt dan zijn arbeidsduur gemiddeld per week bedraagt en hij deswege met een maximum van vier per week opspaart, verlagen.
2.
Het aantal uren waarmee het totale aantal in een jaar opgespaarde uren kan worden verlaagd, bedraagt voor de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding met een volledige taak ten hoogste 32 uren. Voor een rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding met een gedeeltelijke taak kan het totale aantal in een jaar opgespaarde uren met ten hoogste een in evenredigheid lager aantal uren worden verlaagd. Het totale aantal in een jaar opgespaarde uren kan alleen worden verlaagd met een aantal uren dat deelbaar is door het getal vier.
3.
Onze Minister stelt vast voor welke datum verzoeken als bedoeld in het eerste lid kunnen worden ingediend.
4.
De functionele autoriteit beslist op of na de in het derde lid bedoelde datum gelijktijdig op de voor die datum ingediende verzoeken.
5.
De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding ontvangt voor elk uur waarmee zijn totale aantal in een jaar opgespaarde uren overeenkomstig het eerste en tweede lid wordt verlaagd, een vergoeding ten bedrage van het salaris per uur dat hij geniet op de door Onze Minister krachtens het derde lid vastgestelde datum.
1.
Een kantonrechter of een vice-president van een arrondissementsrechtbank die is aangewezen als coördinerend kantonrechter, geniet gedurende de periode van die aanwijzing, in plaats van het salaris behorende bij het ambt van kantonrechter of vice-president van een arrondissementsrechtbank, het salaris behorende bij het ambt van coördinerend vice-president van een arrondissementsrechtbank.
2.
In afwijking van artikel 14 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren worden kantonrechters of vice-presidenten van een arrondissementsrechtbank, die zijn aangewezen als coördinerend kantonrechter, in salariscategorie 7 ingepast op het bedrag dat in die categorie het naast hogere bedrag is van het naast hogere bedrag.
3.
De toelage die een kantonrechter of een vice-president van een arrondissementsrechtbank in verband met zijn aanwijzing als coördinerend kantonrechter geniet op grond van artikel 46, eerste lid, onder a, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, vervalt.
4.
Gedurende zijn aanwijzing als zodanig ontvangt een coördinerend kantonrechter de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 1 van het Besluit onkostenvergoeding rechterlijke ambtenaren, die behoort bij het ambt van coördinerend vice-president van een arrondissementsrechtbank.
ARTIKEL VII
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug als volgt:
a. wat artikel I betreft: tot en met 1 januari 1999;
b. wat artikel II, onderdeel A, onder a, en onderdeel C, onder a en b, betreft: tot en met 1 februari 1997;
c. wat de artikelen II, onderdeel B, III, IV, V en VI betreft: tot en met 1 januari 2000.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 7 mei 2001
De Minister van Justitie,
Uitgegeven de zevende juni 2001
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
ARTIKEL I
ARTIKEL II
ARTIKEL III
ARTIKEL IV
ARTIKEL V
ARTIKEL VI
ARTIKEL VII
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht