Besluit van 22 december 2011 tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsbesluiten
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 21 november 2011, DV/2011/556;
Gelet op de artikelen 3.20, 5.20 en 10.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de artikelen 13bis, 18g, 31a en 39c van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, artikel 21 van de Successiewet 1956, artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968, de artikelen 14b en 15 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, de artikelen 72 en 73 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, artikel 15 van de Wet belasting zware motorrijtuigen, artikel 1:4 van de Algemene douanewet, de artikelen 2a, 64, 65, 66, 66a, 70, 71, 71h en 82 van de Wet op de accijns, voor wat betreft de artikelen 2a, 66 en 66a van de Wet op de accijns mede in samenhang met artikel 70 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 10a en 38 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 31 en 37h van de Wet waardering onroerende zaken, de artikelen 59, 88a en 88b van de Wet belastingen op milieugrondslag en artikel 46 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen:
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 14 december 2011, No. W06.11.0500/III);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 21 december 2011, DB/2011/462;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel I
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001.]
Artikel II
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.]
Artikel III
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.]
1.
Ten aanzien van een werknemer ten aanzien van wie de bewijsregel, bedoeld in artikel 10ea van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, of, voor zover de inhoudingsplichtige een keuze heeft gemaakt als bedoeld in artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964, de bewijsregel, bedoeld in artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zoals dat luidde op 31 december 2010, op 31 december 2011 wordt toegepast:
a. blijft artikel 10ee van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zoals dat luidde op 31 december 2011, onderscheidenlijk artikel 9d van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zoals dat vóór toepassing van artikel III luidde op 31 december 2010, van toepassing ingeval op 31 december 2011 niet meer dan 5 jaar van de looptijd van de bewijsregel, bedoeld in artikel 10ec, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, onderscheidenlijk artikel 9b, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zoals dat luidde op 31 december 2010, is verstreken;
b. is artikel 10ee van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, onderscheidenlijk artikel 9d van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zoals dat luidde op 31 december 2010, niet van toepassing ingeval op 31 december 2011 meer dan 5 jaar van de looptijd van de bewijsregel, bedoeld in artikel 10ec, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, onderscheidenlijk artikel 9b, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zoals dat luidde op 31 december 2010, is verstreken.
2.
Ingeval de werknemer, bedoeld in het eerste lid, na 31 december 2011 door een andere inhoudingsplichtige wordt tewerkgesteld, wordt die inhoudingsplichtige voor de toepassing van het eerste lid geacht dezelfde inhoudingsplichtige te zijn als de inhoudingsplichtige door wie de werknemer op 31 december 2011 werd tewerkgesteld.
Artikel V
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971.]
Artikel VI
Het besluit van 20 augustus 1971, houdende vrijstelling van vennootschapsbelasting voor lichamen bij welke de behartiging van een algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat (Stb. 1971, 559), wordt ingetrokken.
Artikel VII
[Wijzigt het Besluit fiscale eenheid 2003.]
Artikel VIII
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956.]
Artikel IX
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer.]
Artikel X
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.]
Artikel XI
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.]
Artikel XII
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994.]
Artikel XIII
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belasting zware motorrijtuigen.]
Artikel XIV
[Wijzigt het Algemeen douanebesluit.]
Artikel XV
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit accijns.]
Artikel XVI
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit accijns.]
Artikel XVII
[Wijzigt Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken.]
Artikel XVIII
[Wijzigt het Besluit gegevensverstrekking Wet waardering onroerende zaken.]
Artikel XIX
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag.]
Artikel XX
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.]
Artikel XXI
[Wijzigt het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001.]
Artikel XXII
Voor het kalenderjaar 2010 worden de artikelen 23 en 24 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 als volgt gelezen:
1. Het buitenlandse voordeel uit sparen en beleggen bestaat uit het gezamenlijke bedrag van hetgeen de belastingplichtige als bestanddeel van het voordeel uit sparen en beleggen geniet als voordeel uit de rendementsgrondslag in het buitenland.
2. De rendementsgrondslag in het buitenland is de waarde van de bezittingen in het buitenland verminderd met de waarde van de schulden in verband met die bezittingen. Bezittingen in het buitenland zijn:
a. binnen het gebied van een andere Mogendheid gelegen onroerende zaken;
b. rechten die direct of indirect betrekking hebben op binnen het gebied van een andere Mogendheid gelegen onroerende zaken, en
c. rechten op aandelen in de winst van een onderneming waarvan de leiding binnen het gebied van een andere Mogendheid is gelegen, voor zover zij niet voortkomen uit effectenbezit of dienstbetrekking.
3. Bezittingen als bedoeld in het tweede lid behoren alleen tot de rendementsgrondslag in het buitenland voor zover de daaruit genoten opbrengsten zijn onderworpen aan een belasting naar het inkomen die vanwege de andere Mogendheid waarin de bezittingen zijn gelegen, wordt geheven.
1. De in artikel 22 bedoelde vrijstelling voor buitenlands voordeel uit sparen en beleggen wordt toegepast door een vermindering te verlenen op de verschuldigde inkomstenbelasting.
2. De in het eerste lid bedoelde vermindering is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het forfaitair rendement, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van het gemiddelde van de rendementsgrondslag in het buitenland aan het begin van het jaar (begindatum) en aan het einde van het jaar (einddatum) staat tot het noemerinkomen. De vermindering kan, met inachtneming van de verminderingen volgens andere regelen ter voorkoming van dubbele belasting, niet meer bedragen dan de belasting die zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn.
3. Indien de belastingplichtige niet het gehele jaar binnenlands belastingplichtige is, wordt de naar tijdsgelang herleide waarde van de rendementsgrondslag in het buitenland over de periode dat hij in Nederland woonde in aanmerking genomen. Gedeelten van kalendermaanden worden hierbij verwaarloosd. Als noemerinkomen geldt de som van het naar tijdsgelang herleide noemerinkomen over de periode dat de belastingplichtige in Nederland woonde en het naar tijdsgelang herleide belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland over de periode dat hij niet in Nederland woonde. De derde volzin vindt geen toepassing bij de belastingplichtige die volgens artikel 2.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 kiest voor toepassing van de regels van die wet voor binnenlandse belastingplichtigen.
4. Indien de in artikel 23, tweede lid, genoemde zaken, rechten en schulden niet het gehele jaar tot de rendementsgrondslag van de belastingplichtige behoren, wordt zowel op de begindatum als op de einddatum de naar tijdsgelang herleide waarde hiervan als rendementsgrondslag in het buitenland in aanmerking genomen, waarbij gedeelten van kalendermaanden als volle maand worden beschouwd. Behoort de zaak, het recht of de schuld op de begindatum of de einddatum tot de rendementsgrondslag van de belastingplichtige dan wordt de waarde op dat tijdstip als basis genomen voor de toepassing van de eerste volzin. Behoort de zaak, het recht of de schuld op geen van die tijdstippen tot de rendementsgrondslag van de belastingplichtige, dan wordt uitgegaan van de waarde op het tijdstip waarop de zaak, het recht of de schuld niet meer tot de rendementsgrondslag behoort.
5. Onder de belasting die zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 verschuldigd zou zijn over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt verstaan: de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
6. Onder noemerinkomen wordt verstaan het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.
7. In afwijking van het zesde lid, wordt, indien het inkomen van een belastingplichtige hoofdzakelijk uit een Mogendheid afkomstig is en die Mogendheid bij de belastingheffing van het inkomen de persoonlijke- en gezinssituatie van de belastingplichtige volledig in aanmerking neemt, of op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehouden is de persoonlijke- en gezinssituatie volledig in aanmerking te nemen, het noemerinkomen vermeerderd met de op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in het jaar in mindering gebrachte persoonsgebonden aftrek, alsmede met het forfaitair rendement, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van het in aanmerking genomen heffingvrije vermogen. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een Mogendheid, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die als zij een zodanige lidstaat zou zijn, gehouden zou zijn om op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de persoonlijke- en gezinssituatie volledig in aanmerking te nemen.
1.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012, met dien verstande dat:
c. artikel V, artikel VI en artikel XXI, onderdelen K tot en met U, voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2012.
2.
In afwijking van het eerste lid treedt artikel VII in werking met ingang van de dag die is gelegen acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het besluit is geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2012, met dien verstande dat het voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2012.
3.
In afwijking van het eerste lid treden het in artikel II, onderdeel F, opgenomen artikel 10eb, vijfde lid, en het in artikel III, onderdeel C, opgenomen artikel 9a, vijfde lid , in werking met ingang van 1 januari 2013.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 22 december 2011
De Staatssecretaris van Financiën,
Uitgegeven de dertigste december 2011
De Minister van Veiligheid en Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel I
Artikel II
Artikel III
Artikel IV
Artikel V
Artikel VI
Artikel VII
Artikel VIII
Artikel IX
Artikel X
Artikel XI
Artikel XII
Artikel XIII
Artikel XIV
Artikel XV
Artikel XVI
Artikel XVII
Artikel XVIII
Artikel XIX
Artikel XX
Artikel XXI
Artikel XXII
Artikel XXIII
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht