Besluit van 13 mei 2002, houdende wijziging van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken in verband met de vernieuwing van het personeelsbeleid
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 27 november 2001, nr. HDPO/BO/AR-1017/01, Hoofddirectie Personeel en Organisatie, Afdeling Arbeidsvoorwaarden en Rechtspositie;
Gelet op artikel 125, eerste lid, en 134, eerste lid, van de Ambtenarenwet;
De Raad van State gehoord (advies van 22 maart 2002, No. WO2.01.0649/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 2 mei 2002, nr. HDPO/RR/AR-346/02, Hoofddirectie Personeel en Organisatie, Afdeling Arbeidsvoorwaarden en Rechtspositie;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel I
[Wijzigt het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken.]
1.
Degenen die op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit reeds zijn aangesteld als ambtenaar van de Dienst Buitenlandse Zaken, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ) zoals dat voor de inwerkingtreding van dit besluit luidde, zijn ambtenaar van de Dienst Buitenlandse Zaken, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van het RDBZ.
2.
Al naar gelang degene, bedoeld in het eerste lid, is aangesteld in vaste dienst of in tijdelijke dienst, wijzigt de aanstelling in een aanstelling als ambtenaar van de Dienst Buitenlandse Zaken, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van het RDBZ, in vaste dienst, respectievelijk in tijdelijke dienst met handhaving van de oorspronkelijke duur en grond van de aanstelling en met inachtneming van het derde lid.
3.
De aanstellingsgrond van degenen, bedoeld in het eerste lid, die zijn aangesteld als tijdelijk ambtenaar van de DBZ, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder c, van het RDBZ zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, wordt gewijzigd in de aanstellingsgrond, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder f, van het RDBZ. De aanstelling wordt voortgezet voor de oorspronkelijke duur en onder de overige oorspronkelijke voorwaarden.
4.
Voor degenen op wie artikel 6, zesde en zevende lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) niet van overeenkomstige toepassing was op de dag van inwerkingtreding van dit besluit, is artikel 19, zesde en zevende lid, van het RDBZ van toepassing zodra een nieuwe aanstelling wordt verleend.
5.
Plaatsingen, terbeschikkinghoudingen en toevoegingen als bedoeld in de artikelen 30, eerste en vierde lid, 32, eerste lid, respectievelijk 113 van het RDBZ zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, worden voortgezet voor de oorspronkelijke duur en onder de overige oorspronkelijke voorwaarden.
6.
Degene aan wie op grond van artikel 54, eerste of vierde lid, van het RDBZ zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, verlof werd verleend, wordt beschouwd verlof te zijn verleend op grond van het overeenkomstige artikel van hoofdstuk IX, paragraaf 2.
7.
Degene die vóór de inwerkingtreding van dit besluit is geschorst op grond van de artikelen 91, onder b, 92 of  93 van het RDBZ zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, alsmede degene die is geschorst op grond van de in artikel 110 van het RDBZ van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen 81, eerste lid, onder k, 90 of  91 van het ARAR, wordt beschouwd als te zijn geschorst op grond van artikel 87, eerste lid, onder k, 92 respectievelijk 93.
8.
Op bezwaar- en beroepschriften tegen een besluit of een handeling genomen onderscheidenlijk verricht vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is het RDBZ van toepassing zoals dat voordien luidde.
1.
Voor degenen die op de dag van inwerkingtreding van dit besluit waren aangesteld als overplaatsbaar ambtenaar van de DBZ, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder a, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken zoals dat voor de inwerkingtreding van dit besluit luidde, gelden de in het tweede tot en met vierde lid genoemde aanvullende overgangsbepalingen.
2.
De rang welke voor de in het eerste lid bedoelden geldt, vervalt; de daarbijbehorende salarisschaal blijft van kracht.
3.
Aanspraken op toekenning van een hogere salarisschaal, ingevolge toezeggingen welke zijn gebaseerd op het voor hen tot de inwerkingtreding van dit besluit geldende bevorderingsbeleid, blijven behouden. Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen en op welk tijdstip aanspraak op toekenning van een hogere salarisschaal ontstaat op grond van het niveau van de functie waarin betrokkene reeds bij de inwerkingtreding van dit besluit is geplaatst, indien dat functieniveau hoger is dan de daarmee overeenkomende salarisschaal die voor betrokkene geldt.
4.
Voor degenen die op het in Nederland gevestigde deel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zijn geplaatst zonder dat een plaatsingsduur werd vastgesteld is artikel IV, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
Voor degenen die op de dag van inwerkingtreding van dit besluit waren aangesteld als niet-overplaatsbaar ambtenaar van de DBZ, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder b, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken zoals dat voor de inwerkingtreding van dit besluit luidde, gelden de in het tweede en derde lid genoemde aanvullende overgangsbepalingen.
2.
Voor de in het eerste lid bedoelden wordt, tenzij op hen reeds een plaatsingsduur van toepassing is, in afwijking van artikel 26:
a. een plaatsingsduur pas vastgesteld, en
b. de plaatsing in de functie die zij op de dag van inwerkingtreding van dit besluit vervullen, als gevolg van de vaststelling van de plaatsingsduur pas beëindigd,
zodra zij op hun aanvraag in een andere functie zijn geplaatst, dan wel, op hun aanvraag of met hun instemming, op een eerder tijdstip.
3.
De in het eerste lid bedoelden kunnen, indien op hen nog geen plaatsingsduur van toepassing is, een aanvraag indienen om hun arbeidsduur te vermeerderen of te verminderen voor een periode die eindigt met ingang van de datum waarop zij op hun aanvraag of met hun instemming in een andere functie zijn geplaatst, maar niet later dan na vier jaar. De ambtenaar vermeldt daarbij zijn wensen met betrekking tot de omvang van de aanpassing van zijn arbeidsduur en de spreiding van de te werken uren over de week. Een aanvraag wordt toegewezen, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
1.
Voor degenen die op de dag van inwerkingtreding van dit besluit waren aangesteld als tijdelijk ambtenaar van de DBZ, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder c, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken zoals dat voor de inwerkingtreding van dit besluit luidde, gelden de in het tweede lid genoemde aanvullende overgangsbepalingen.
2.
De in het eerste lid bedoelden die voor de inwerkingtreding van dit besluit op grond van de daartoe gestelde regels aanspraak konden maken op een aanstelling als overplaatsbaar dan wel niet-overplaatsbaar ambtenaar van de DBZ in vaste dienst of in tijdelijke dienst voor een proeftijd met uitzicht op vaste dienst, kunnen aanspraak maken op een aanstelling als ambtenaar van de DBZ met overeenkomstige toepassing van de bedoelde regels.
3.
Voor de in het eerste lid bedoelden eindigt de tewerkstelling in de huidige functie zodra de voor hen geldende oorspronkelijke aanstellingsduur is voltooid.
Artikel VI. Aanvullende overgangsbepaling voor honoraire consulaire ambtenaren
Voor degenen die op de dag van inwerkingtreding van dit besluit benoemd waren tot honorair consulair ambtenaar als bedoeld in artikel 133 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken, eindigt de in het eerste lid, eerste volzin, van dat artikel bedoelde benoemingsperiode op de eerstvolgende dag waarop tien jaren, dan wel een ander veelvoud van vijf jaren, sedert hun benoeming zijn verstreken, maar niet eerder dan vijf jaren na de inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel VIII
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor gevallen waarin de artikelen II tot en met VII niet voorzien.
Artikel IX
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 13 mei 2002
De Minister van Buitenlandse Zaken,
Uitgegeven de achtentwintigste juni 2002
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel I
Artikel II. Algemene overgangsbepalingen
Artikel III. Aanvullende overgangsbepaling voor overplaatsbare ambtenaren van de DBZ
Artikel IV. Aanvullende overgangsbepaling voor niet-overplaatsbare ambtenaren van de DBZ
Artikel V. Aanvullende overgangsbepaling voor tijdelijke ambtenaren van de DBZ
Artikel VI. Aanvullende overgangsbepaling voor honoraire consulaire ambtenaren
Artikel VII
Artikel VIII
Artikel IX
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht