Wet van 14 juni 2001 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (pensioenopbouw, waarde-overdracht en waarde-overname alsmede enige andere onderwerpen)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers te wijzigen op het punt van de pensioenopbouw en in verband met die wijziging voorzieningen op te nemen op de voet van de voor deelnemers aan een pensioenregeling waarop de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing is bestaande voorzieningen, ter zake van afkoop van pensioenaanspraken op verzoek van een gewezen deelnemer, voorts de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers aan te passen aan voor die wet relevante wijzigingen in andere wetten en in verband met die wijzigingen regels te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
[Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.]
1.
De maximering van een pensioen of een verhoging van een pensioen, tot 70 percent van het bedrag waarover dat pensioen of die verhoging wordt berekend, op grond van bepalingen van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers zoals die luidden vóór de wijziging ervan bij deze wet, blijft gelden voor een pensioen of een verhoging van een pensioen voor zover berekend over tijd vóór de inwerkingtreding van deze wet.
2.
De bepalingen van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers met betrekking tot het bedrag van een pensioen per jaar zoals die bepalingen luidden vóór de wijziging ervan bij deze wet, blijven gelden:
a. voor diensttijd als minister en kamerlidtijd vóór die wijziging, alsmede voor zodanige tijd na die wijziging ten aanzien van degene die op de dag daarvóór minister of kamerlid was of na die dag maar vóór de eerstvolgende zittingsperiode van de Tweede Kamer der Staten-Generaal minister of kamerlid is geworden;
b. voor tijd met recht op uitkering als gewezen minister of kamerlid vóór die wijziging, alsmede voor zodanige tijd na die wijziging ten aanzien van degene die vóór de eerstvolgende zittingsperiode van de Tweede Kamer der Staten-Generaal diensttijd als minister of kamerlidtijd heeft vervuld.
3.
De bij deze wet vervallen artikelen 93 en 94 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers blijven gelden voor een pensioen, berekend of mede berekend over tijd als bedoeld in het tweede lid, onder a.
4.
Het bij deze wet in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers ingevoegde artikel 107 is van toepassing in geval van ontslag of aftreden op of na 1 januari 1998.
5.
Het bij deze wet in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers ingevoegde artikel 108 is van toepassing op degene die op of na 1 januari 1998 minister of kamerlid is geworden.
6.
Voor de overeenkomstige toepassing van de procedureregels van het Besluit reken- en procedureregels recht op waarde-overdracht, ingevolge de in het vierde en vijfde lid bedoelde artikelen, wordt de datum van inwerkingtreding van deze wet beschouwd als aanvangsdatum van de deelneming aan een pensioenregeling, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van dat besluit.
7.
De verordeningen, bedoeld in de vijfde afdeling van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers worden volgens de wijziging bij deze wet van bepalingen van die afdeling gewijzigd. Deze wijziging treedt in werking op en werkt voor de onderscheidene bepalingen van de verordeningen zonodig terug tot en met de tijdstippen die voor de inwerkingtreding van de wijziging bij deze wet van de in de eerste volzin bedoelde bepalingen gelden. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel III
Artikel 6 van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen is van overeenkomstige toepassing op een pensioenregeling, vervat in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers of in een verordening als bedoeld in de vijfde afdeling van die wet.
Artikel IV
[Wijzigt de wet tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en de Waterschapswet met betrekking tot gedeputeerden, wethouders en waterschapsbestuurders.]
Artikel VI
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat:
a. artikel I, de onderdelen B,2, K,2 en V,2, terugwerkt tot en met 1 juli 1996;
b. artikel I, onderdeel J, terugwerkt tot en met 1 januari 1997;
c. artikel I, de onderdelen A, B,1, C, K,1, L, T, U, V,1, W en DD, terugwerkt tot en met 1 januari 1998.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 14 juni 2001
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Uitgegeven de veertiende augustus 2001
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel I
Artikel II
Artikel III
Artikel IV
Artikel V
Artikel VI
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht