Wet van 5 juni 2003 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 ten behoeve van de stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de doelstelling van een duurzame en milieuhygiënisch verantwoorde elektriciteitsvoorziening in de Elektriciteitswet 1998 vorm te geven door aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet de taak te geven te bevorderen dat in Nederland geïnvesteerd wordt in productie-installaties voor duurzame elektriciteit en klimaatneutrale elektriciteit alsmede te bevorderen dat installaties voor warmtekrachtkoppeling op rendabele wijze kunnen worden geëxploiteerd;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
[Wijzigt de Elektriciteitswet 1998.]
1.
Tot en met 31 december 2003 is de vergunninghouder, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van de Elektriciteitswet 1998 verplicht een aanbod tot het leveren van elektriciteit te aanvaarden, indien een beschermde afnemer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, van de Elektriciteitswet 1998 dit aanbod doet en deze afnemer elektriciteit opwekt met een installatie voor warmtekrachtkoppeling.
2.
De vergoeding die de vergunninghouder in 2003 aan de beschermde afnemer, bedoeld in het eerste lid, verschuldigd is voor het leveren van elektriciteit opgewekt met een installatie voor warmtekrachtkoppeling, wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 71 van de Elektriciteitswet 1998 zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel M, van dit wetsvoorstel.
1.
Artikel 72e, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 geldt niet voor de begroting van het jaar waarin artikel I, onderdeel M, in werking treedt.
2.
In afwijking van artikel 72n, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998, vangt de voor subsidie in aanmerking komende periode aan op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel M, of zoveel later als in de aanvraag is aangegeven, mits de aanvraag is ontvangen binnen zes maanden na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel M.
3.
In afwijking van artikel 72n, vierde lid, onderdeel a, van de Elektriciteitswet 1998, wordt voor het eerste kalenderjaar waarbinnen het tijdstip valt waarop dit artikel in werking treedt, het maximale aantal te subsidiëren GWh berekend naar rato van de maanden van dat kalenderjaar die resteren na afschaffing van artikel 36o van de Wet belastingen op milieugrondslag.
4.
Artikel 72p, derde lid, en artikel 72ab, derde lid, gelden niet ten behoeve van het jaar waarin artikel I, onderdeel M, in werking zal treden.
5.
Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen ten behoeve van de goede invoering van dit wetsvoorstel, waarin kan worden bepaald dat de taak, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel h, van de Elektriciteitswet 1998 met betrekking tot de vaststelling of sprake is van een installatie voor warmtekrachtkoppeling met een daarbij vast te stellen mate van reductie van de uitstoot van kooldioxide, tijdelijk door Onze Minister in plaats van door de netbeheerder wordt verricht.
6.
In afwijking van artikel 72o, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 worden in het kalenderjaar waarin artikel I, onderdeel M, in werking treedt, het vaste bedrag per kWh en het voorschot gewijzigd, voor zover dit voortvloeit uit de regeling die wordt vastgesteld op grond van artikel 72w, derde lid, van die wet en die ertoe strekt de CO 2 -index te introduceren. Deze wijziging van die bedragen gaat in met ingang van de inwerkingtreding van de regeling, genoemd in de eerste volzin, en loopt tot het eind van de voor subsidie in aanmerking komende periode.
7.
In afwijking van artikel 72ab, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998, wordt voor het kalenderjaar waarbinnen het tijdstip valt waarop dit artikel in werking treedt, het tarief berekend naar rato van de maanden van dat kalenderjaar die resteren na inwerkingtreding van dat artikel. Bij ministeriële regeling kan voor het jaar 2003 het tarief lager worden vastgesteld indien blijkt dat het in artikel 72ab, tweede lid, genoemde tarief te hoog is in relatie tot de verwachte uitgaven.
8.
Voor productie-installaties die gebruik maken van kleinschalige waterkracht, niet zijnde golfenergie of getijde-energie of biomassa, niet zijnde zuivere biomassa, als energiebron wordt artikel 72n, tweede lid, onderdeel a, onder ten eerste, gelezen als: zowel artikel 36o van de Wet belastingen op milieugrondslag van toepassing was op kleinschalige waterkracht, niet zijnde golfenergie of getijde-energie of biomassa, niet zijnde zuivere biomassa.
9.
In afwijking van artikel 72o, derde lid, eerste volzin, van de Elektriciteitswet 1998, blijft, in het geval van opwekking van elektriciteit met behulp van zuivere biomassa in een productie-installatie met ten minste 50 MW nominaal elektrisch vermogen, het vaste bedrag per kWh ter stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie gehandhaafd totdat drie jaren zijn verstreken na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel M. Met ingang van dat tijdstip ligt, in afwijking van artikel 72o, derde lid, eerste volzin, van de Elektriciteitswet 1998, het vaste bedrag per kWh op het niveau dat op dat moment geldt voor de desbetreffende producent en desbetreffende productie-installatie, met dien verstande dat Onze Minister tot een tijdelijke verlaging besluit voor zover dit noodzakelijk is om te voldoen aan ingevolge een verdrag voor de staat geldende verplichtingen. Onze Minister bepaalt bij ministeriële regeling wat wordt verstaan onder «zuivere biomassa», alsmede de wijze waarop de in de tweede volzin bedoelde verlaging toepassing vindt en de criteria die kunnen leiden tot toepassing van deze verlaging.
10.
Het negende lid is niet van toepassing indien de voor subsidie in aanmerking komende periode aanvangt op of na de inwerkingtreding van een ministeriële regeling waarin onderscheid wordt gemaakt tussen de diverse categorieën zuivere biomassa en/of de diverse categorieën productieprocessen waarin zuivere biomassa wordt toegepast.
Artikel IV
[Wijzigt de Overgangswet elektriciteitsproductiesector.]
Artikel V
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. In dat besluit kan worden bepaald dat aan de verschillende artikelen of onderdelen daarvan terugwerkende kracht wordt verleend. In dat besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 5 juni 2003
De Minister van Economische Zaken,
Uitgegeven de twaalfde juni 2003
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel I
Artikel II
Artikel III
Artikel IV
Artikel V
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht