Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de toegang tot scholen te verbeteren voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven;
dat het wenselijk is de samenwerking tussen scholen bij de onderwijskundige opvang van leerlingen die extra ondersteuning behoeven te versterken;
dat het wenselijk is een andere wijze van financiering van de ondersteuning van leerlingen in te voeren;
dat daartoe onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet medezeggenschap op scholen en de Wet op het onderwijstoezicht dienen te worden gewijzigd;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
De rechtspersoon, bedoeld in artikel 18a, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, wordt uiterlijk op 1 november volgend op de datum van inwerkingtreding van dat artikel opgericht.
2.
De rechtspersoon, bedoeld in artikel in 17a, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, wordt uiterlijk op 1 november volgend op de datum van inwerkingtreding van dat artikel opgericht.
3.
Het eerste ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband wordt voor 1 mei volgend op de datum van inwerkingtreding van de artikelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, toegezonden aan de inspectie.
1.
Het samenwerkingsverband legt een voorstel voor het eerste ondersteuningsplan uiterlijk op 1 februari volgend op de datum van inwerkingtreding van artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs voor aan de ondersteuningsplanraad. De ondersteuningsplanraad spreekt zich binnen vier weken uit over dit voorstel.
2.
Indien aan het te nemen besluit van het samenwerkingsverband over het eerste ondersteuningsplan de instemming is onthouden, wordt het voorstel door het samenwerkingsverband binnen twee weken voorgelegd aan de commissie voor geschillen, bedoeld in de Wet medezeggenschap op scholen .
3.
De commissie voor geschillen doet in geschillen over het eerste ondersteuningsplan uiterlijk op 15 april volgend op de datum van inwerkingtreding, bedoeld in het eerste lid, uitspraak.
4.
Van een uitspraak van de commissie voor geschillen als bedoeld in het derde lid staat, in afwijking van artikel 36 van de Wet medezeggenschap op scholen, geen beroep open bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam.
1.
In het eerste schooljaar waarin artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, voor het aantal leerlingen van alle vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, een overgangsbekostiging voor personele kosten. De overgangsbekostiging wordt berekend door voor elke leerling de personele bekostiging van het voor die leerling geldende leerlinggebonden budget te verminderen met de personele bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 70a, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs is vervallen.
2.
In het eerste schooljaar waarin artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs tot 1 januari van het desbetreffende schooljaar voor het aantal leerlingen van alle vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, een overgangsbekostiging voor materiële instandhouding. De overgangsbekostiging wordt berekend door voor elke leerling de materiële bekostiging van het voor die leerling geldende leerlinggebonden budget te verminderen met de materiële bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 70a, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepaling luidden op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs is vervallen.
3.
In het eerste schooljaar waarin artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, voor het aantal leerlingen van alle vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, een overgangsbekostiging voor personele kosten. De overgangsbekostiging wordt berekend door voor elke leerling de personele bekostiging van het voor die leerling geldende leerlinggebonden budget te verminderen met de personele bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 77a, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs is vervallen.
4.
In het eerste schooljaar waarin artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs tot 1 januari van het desbetreffende schooljaar voor het aantal leerlingen van alle vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, een overgangsbekostiging voor materiële instandhouding. De overgangsbekostiging wordt berekend door voor elke leerling de materiële bekostiging van het voor die leerling geldende leerlinggebonden budget te verminderen met de materiële bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 77a, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepaling luidden op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs is vervallen.
5.
De omvang van de bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt berekend op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijze overeenkomstig artikel 70a, tweede en vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepalingen luidden op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs is vervallen.
6.
De omvang van de bekostiging, bedoeld in het derde en vierde lid, wordt berekend op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijze overeenkomstig artikel 77a, tweede en vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepalingen luidden op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs is vervallen.
1.
In het eerste schooljaar waarin artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het bevoegd gezag van een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra , voor het aantal leerlingen waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, de personele bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 70a, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs is vervallen. Het bevoegd gezag, bedoeld in de eerste volzin, maakt met het samenwerkingsverband of de samenwerkingsverbanden waartoe de scholen, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, afspraken over de besteding van de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin. In afwijking van de eerste volzin, ontvangt het samenwerkingsverband waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin, indien de bevoegde gezagsorganen van alle betrokken scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs daarmee instemmen. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften vastgesteld omtrent de toepassing van de vorige volzin.
2.
In het eerste schooljaar waarin artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het bevoegd gezag van een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra , voor het aantal leerlingen waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, tot 1 januari van het desbetreffende schooljaar de materiële bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 70a, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs is vervallen. Het bevoegd gezag, bedoeld in de eerste volzin, maakt met het samenwerkingsverband of de samenwerkingsverbanden waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, afspraken over de besteding van de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin. In afwijking van de eerste volzin, ontvangt het samenwerkingsverband waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin, indien de bevoegde gezagsorganen van alle betrokken scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs daarmee instemmen. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften vastgesteld omtrent de toepassing van de vorige volzin.
3.
In het eerste schooljaar waarin artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het bevoegd gezag van een school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra , voor het aantal leerlingen waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, de personele bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 77a, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs is vervallen. Het bevoegd gezag, bedoeld in de eerste volzin, maakt met het samenwerkingsverband of de samenwerkingsverbanden waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, afspraken over de besteding van de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin. In afwijking van de eerste volzin, ontvangt het samenwerkingsverband waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin, indien de bevoegde gezagsorganen van alle betrokken scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs daarmee instemmen. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften vastgesteld omtrent de toepassing van de vorige volzin.
4.
In het eerste schooljaar waarin artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs door deze wet is vervallen, ontvangt het bevoegd gezag van een school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra , voor het aantal leerlingen waarvoor op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar een leerlinggebonden budget beschikbaar was, tot 1 januari van het desbetreffende schooljaar de materiële bekostiging van het gedeelte van dat budget, bedoeld in artikel 77a, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs is vervallen. Het bevoegd gezag, bedoeld in de eerste volzin, maakt met het samenwerkingsverband of de samenwerkingsverbanden waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, afspraken over de besteding van de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin. In afwijking van de eerste volzin, ontvangt het samenwerkingsverband waartoe de scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs behoren waar de in de eerste volzin bedoelde leerlingen waren ingeschreven, de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin, indien de bevoegde gezagsorganen van alle betrokken scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs daarmee instemmen. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften vastgesteld omtrent de toepassing van de vorige volzin.
5.
De omvang van de bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt berekend op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijze overeenkomstig artikel 70a, tweede en vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepalingen luidden op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs is vervallen.
6.
De omvang van de bekostiging, bedoeld in het derde en vierde lid, wordt berekend op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijze overeenkomstig artikel 77a, tweede en vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepalingen luidden op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs is vervallen.
1.
Het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, besteedt in het tweede schooljaar waarin artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs door deze wet is vervallen, de personele bekostiging, bedoeld in het tweede lid, bij de scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra , die in het laatste schooljaar waarin artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs van toepassing was, de ambulante begeleiding verzorgden ten behoeve van leerlingen op scholen in het samenwerkingsverband.
2.
De omvang van de personele bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijze overeenkomstig artikel 70a, tweede en vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepalingen luidden op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs is vervallen.
3.
De verplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt verminderd of komt te vervallen, indien en naar mate de bevoegde gezagsorganen van de scholen die zijn aangesloten bij het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, personeel dat in dienst was bij het bevoegd gezag van een school voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs en op die school was belast met ambulante begeleiding, hebben overgenomen. Bij ministeriële regeling worden regels gegeven met betrekking tot de berekening van de in de eerste volzin bedoelde vermindering.
4.
Het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, besteedt in het tweede schooljaar waarin artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs door deze wet is vervallen de personele bekostiging, bedoeld in het vijfde lid, bij de scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra , die in het laatste schooljaar waarin artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs van toepassing was, de ambulante begeleiding verzorgden ten behoeve van leerlingen op scholen in het samenwerkingsverband.
5.
De omvang van de personele bekostiging, bedoeld in het vierde lid, wordt berekend op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijze overeenkomstig artikel 77a, tweede en vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepalingen luidden op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs is vervallen.
6.
De verplichting, bedoeld in het vierde lid, wordt verminderd of komt te vervallen indien en naar mate de bevoegde gezagsorganen van de scholen die zijn aangesloten bij het samenwerkingsverband, bedoeld in het vierde lid, personeel dat in dienst was bij het bevoegd gezag van een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs en op die school was belast met ambulante begeleiding, hebben overgenomen. Bij ministeriële regeling worden regels gegeven met betrekking tot de berekening van de in de eerste volzin bedoelde vermindering.
1.
De artikelen 118, tiende lid, en 132, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs en de artikelen 85b, derde lid, en 89a, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de bekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 18a, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor zover het leerlingen betreft die woonachtig zijn in het gebied van het samenwerkingsverband en die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, waren ingeschreven op een school voor speciaal onderwijs respectievelijk voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra , en die tot dat onderwijs toelaatbaar zijn verklaard door een commissie voor de indicatiestelling als bedoeld in artikel 28c van de Wet op de expertisecentra zoals dat artikel luidde voor de datum van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel K, van deze wet, van wie de geldigheidsduur van de indicatie eindigt op een datum die is gelegen na de inwerkingtreding van laatstgenoemd artikelonderdeel.
2.
De artikelen 118, tiende lid, en 132, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs en de artikelen 85b, derde lid, en 89a, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de bekostiging van een landelijk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs of artikel 17a, zestiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, voor zover het leerlingen betreft die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, waren ingeschreven op een school voor speciaal onderwijs respectievelijk voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra , die is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband, en die tot dat onderwijs toelaatbaar zijn verklaard door een commissie voor de indicatiestelling als bedoeld in artikel 28c van de Wet op de expertisecentra zoals dat artikel luidde voor de datum van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel K, van deze wet, van wie de geldigheidsduur van de indicatie eindigt op een datum die is gelegen na de inwerkingtreding van laatstgenoemd artikelonderdeel.
3.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt bij ministeriële regeling de indicatie van de leerling voor een bepaalde onderwijssoort omgezet naar één van de normbedragen die bij ministeriële regeling worden vastgesteld. Dit normbedrag blijft van toepassing totdat het samenwerkingsverband het normbedrag heeft bepaald dan wel de leerling niet langer is ingeschreven op een school voor speciaal onderwijs respectievelijk voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra .
1.
Vanaf het tweede schooljaar vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 132 van de Wet op het primair onderwijs wordt gedurende vijf schooljaren voor alle samenwerkingsverbanden, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs de bekostiging, bedoeld in artikel 132, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs gecorrigeerd door het bedrag, berekend volgens het tweede lid, erbij op te tellen indien het een positief bedrag is dan wel af te trekken indien het een negatief bedrag is.
2.
De correctie, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend als volgt: het bedrag, bedoeld in artikel 132, vierde lid, eerste volzin, van de Wet op het primair onderwijs op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011 wordt verminderd met het bedrag dat gemoeid is met de leerlingen die op 31 juli 2011 14 jaar of ouder waren. Het resterende bedrag wordt vermeerderd met de som van de personele bedragen van het leerlinggebonden budget, bedoeld in artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop genoemd artikel is vervallen, voor de vestigingen van de scholen, behorend tot het samenwerkingsverband op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011. De som van de in de eerste volzin bedoelde bedragen wordt verminderd met het bedrag, bedoeld in artikel 132, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs, op basis van het aantal leerlingen op 1 oktober 2011. De uitkomst van deze berekening wordt in het tweede schooljaar vanaf de datum van inwerkingtreding bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met 100% en vervolgens in het derde, vierde, vijfde en zesde schooljaar vermenigvuldigd met een voor dat schooljaar bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage, dat verschillend kan worden vastgesteld voor correcties waarbij een bedrag wordt opgeteld en correcties waarbij een bedrag wordt afgetrokken.
3.
De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
1.
Vanaf 1 januari na de datum van inwerkingtreding van artikel 118 van de Wet op het primair onderwijs wordt gedurende vijf jaren voor alle samenwerkingsverbanden, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs de bekostiging, bedoeld in artikel 118, achtste lid, van de Wet op het primair onderwijs gecorrigeerd door het bedrag, berekend volgens het tweede lid, erbij op te tellen indien het een positief bedrag is dan wel af te trekken indien het een negatief bedrag is.
2.
De correctie, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend als volgt: het bedrag, bedoeld in artikel 118, tiende lid, eerste volzin, van de Wet op het primair onderwijs op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011 wordt verminderd met het bedrag dat gemoeid is met de leerlingen die op 31 juli 2011 14 jaar of ouder waren. Het resterende bedrag wordt vermeerderd met de som van de materiële bedragen van het leerlinggebonden budget, bedoeld in artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop genoemd artikel is vervallen, voor de vestigingen van de scholen, behorend tot het samenwerkingsverband op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011. De som van de in de eerste volzin bedoelde bedragen wordt verminderd met het bedrag, bedoeld in artikel 118, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs, op basis van het aantal leerlingen op 1 oktober 2011. De uitkomst van deze berekening wordt in het tweede jaar vanaf de datum van inwerkingtreding bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met 100% en vervolgens in het derde, vierde, vijfde en zesde jaar vermenigvuldigd met een voor dat jaar bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage, dat verschillend kan worden vastgesteld voor correcties waarbij een bedrag wordt opgeteld en correcties waarbij een bedrag wordt afgetrokken.
3.
De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
1.
Vanaf het tweede schooljaar vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 85b van de Wet op het voortgezet onderwijs wordt gedurende vijf schooljaren voor alle samenwerkingsverbanden, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs de bekostiging, bedoeld in artikel 85b, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs gecorrigeerd door het bedrag, berekend volgens het tweede lid, erbij op te tellen indien het een positief bedrag is dan wel af te trekken indien het een negatief bedrag is.
2.
De correctie, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend als volgt: het bedrag, bedoeld in artikel 85b, derde lid, eerste volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011 wordt vermeerderd met het bedrag dat gemoeid is met de leerlingen die op 31 juli 2011 14 jaar of ouder waren en op 1 oktober 2011 stonden ingeschreven op een school voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal of voortgezet onderwijs voor zover daaraan speciaal onderwijs werd verzorgd en die woonachtig zijn in het gebied van het samenwerkingsverband. Dit bedrag wordt vervolgens vermeerderd met de som van de personele bedragen van het leerlinggebonden budget, bedoeld in artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop genoemd artikel is vervallen, voor de vestigingen van de scholen, behorend tot het samenwerkingsverband op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011. De som van de in de eerste volzin bedoelde bedragen wordt verminderd met het bedrag, bedoeld in artikel 85b, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, op basis van het aantal leerlingen op 1 oktober 2011. De uitkomst van deze berekening wordt in het tweede schooljaar vanaf de datum van inwerkingtreding bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met 100% en vervolgens in het derde, vierde, vijfde en zesde schooljaar vermenigvuldigd met een voor dat schooljaar bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage, dat verschillend kan worden vastgesteld voor correcties waarbij een bedrag wordt opgeteld en correcties waarbij een bedrag wordt afgetrokken.
3.
De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
1.
Vanaf 1 januari na de datum van inwerkingtreding van artikel 89a van de Wet op het voortgezet onderwijs wordt gedurende vijf jaren voor alle samenwerkingsverbanden, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs de bekostiging, bedoeld in artikel 89a, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs gecorrigeerd door het bedrag, berekend volgens het tweede lid, erbij op te tellen indien het een positief bedrag is dan wel af te trekken indien het een negatief bedrag is.
2.
De correctie, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend als volgt: het bedrag, bedoeld in artikel 89a, derde lid, eerste volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011 wordt vermeerderd met het bedrag van dat gemoeid is met de leerlingen die op 31 juli 2011 14 jaar of ouder waren en op 1 oktober 2011 stonden ingeschreven op het speciaal onderwijs, of een school voor speciaal of voortgezet onderwijs voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd en die woonachtig zijn in het gebied van het samenwerkingsverband. Dit bedrag wordt vervolgens vermeerderd met de som van de materiële bedragen van het leerlinggebonden budget, bedoeld in artikel 77a van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop genoemd artikel is vervallen, voor de vestigingen van de scholen, behorend tot het samenwerkingsverband op basis van de telgegevens van 1 oktober 2011. De som van de in de eerste volzin bedoelde bedragen wordt verminderd met het bedrag, bedoeld in artikel 89a, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, op basis van het aantal leerlingen op 1 oktober 2011. De uitkomst van deze berekening wordt in het tweede jaar vanaf de datum van inwerkingtreding bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met 100% en vervolgens in het derde, vierde, vijfde en zesde jaar vermenigvuldigd met een voor dat jaar bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage, dat verschillend kan worden vastgesteld voor correcties waarbij een bedrag wordt opgeteld en correcties waarbij een bedrag wordt afgetrokken.
3.
De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
1.
Het eerste ondersteuningsplan dat wordt vastgesteld door een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs omvat de procedure en het beleid met betrekking tot de terugplaatsing of overplaatsing naar het basisonderwijs, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs , dan wel voortgezet verblijf op de school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra , van leerlingen
a. die op de datum van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel K, waren ingeschreven op een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs voor wat betreft het daaraan verzorgde speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra ,
b. die tot dat onderwijs toelaatbaar zijn verklaard door een commissie voor de indicatiestelling als bedoeld in artikel 28c van de Wet op de expertisecentra zoals luidend voor inwerkingtreding van artikel II, onderdeel K,
c. van wie de geldigheidsduur van de indicatie eindigt op een datum die is gelegen na de inwerkingtreding van laatstgenoemd artikelonderdeel en
d. die in het gebied van het samenwerkingsverband woonachtig zijn,
met dien verstande dat de beoordeling van deze leerlingen met het oog op terugplaatsing of overplaatsing naar het basisonderwijs of voortgezet verblijf in het speciaal onderwijs plaatsvindt binnen twee jaar na inwerkingtreding van artikel II, onderdeel K. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op een landelijk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs, met dien verstande dat de herindicatie betrekking heeft op de leerlingen van de scholen voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs die zijn aangesloten bij het landelijk samenwerkingsverband.
2.
Het eerste ondersteuningsplan dat wordt vastgesteld door een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs omvat de procedure en het beleid met betrekking tot de terugplaatsing of overplaatsing naar het voortgezet onderwijs, bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs , dan wel voortgezet verblijf op de school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra van leerlingen
a. die op de datum van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel K waren ingeschreven op een school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs voor wat betreft het daaraan verzorgde voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra ,
b. die tot dat onderwijs toelaatbaar zijn verklaard door een commissie voor de indicatiestelling als bedoeld in artikel 28c van de Wet op de expertisecentra zoals luidend voor inwerkingtreding van artikel II, onderdeel K,
c. van wie de geldigheidsduur van de indicatie eindigt op een datum die is gelegen na de inwerkingtreding van laatstgenoemd artikelonderdeel en
d. die in het gebied van het samenwerkingsverband woonachtig zijn,
met dien verstande dat de beoordeling van deze leerlingen met het oog op terugplaatsing of overplaatsing naar het voortgezet onderwijs of voortgezet verblijf in het voortgezet speciaal onderwijs plaatsvindt binnen twee jaar na inwerkingtreding van artikel II, onderdeel K. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op een landelijk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 17a, zestiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, met dien verstande dat de herindicatie betrekking heeft op de leerlingen van de scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs die zijn aangesloten bij het landelijk samenwerkingsverband.
1.
Het regionaal expertisecentrum, bedoeld in artikel 28b van de Wet op de expertisecentra, zoals dat artikel luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop dat artikel door deze wet is vervallen, draagt zorg voor de verdeling en de overdracht van de nog niet bestede bekostiging aan de bevoegde gezagsorganen van de scholen die op die dag waren aangesloten bij het regionaal expertisecentrum.
2.
Het bestuur van een centrale dienst draagt zorg voor de verdeling en de overdracht van de nog niet bestede bekostiging van een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18 van de Wet op het primair onderwijs, zoals dat artikel luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop dat artikel door deze wet is vervallen, aan de bevoegde gezagsorganen van de scholen die op die dag deelnamen aan dat samenwerkingsverband.
3.
De overdracht, bedoeld in het eerste respectievelijk tweede lid, dient uiterlijk één jaar na inwerkingtreding van artikel II, onderdeel J, respectievelijk artikel I, onderdeel J, te zijn gerealiseerd.
1.
Het bevoegd gezag van de school die op grond van artikel 7, eerste lid, van het Besluit RVC's en regionaal zorgbudget is aangewezen door de bevoegde gezagsorganen van de scholen binnen een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 10h van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals dat artikel luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop dat artikel door deze wet is vervallen, draagt zorg voor de verdeling en de overdracht van de nog niet bestede bekostiging van dat samenwerkingsverband aan de bevoegde gezagsorganen van de scholen die op die dag deelnamen aan dat samenwerkingsverband.
2.
De overdracht dient uiterlijk één jaar na inwerkingtreding van artikel III, onderdeel C, te zijn gerealiseerd.
Artikel XX. Laatste jaarverslag regionaal expertisecentrum
Artikel 157 van de Wet op de expertisecentra, zoals dat artikel luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop dat artikel door deze wet is gewijzigd, blijft van toepassing op het kalenderjaar waarin de verdeling en de overdracht van de nog niet bestede bekostiging van het regionaal expertisecentrum, bedoeld in artikel XVIII, is gerealiseerd.
Artikel XXI. Nevenvestiging in plan regionaal expertisecentrum
Een verzoek van het bevoegd gezag om goedkeuring door Onze Minister van de inrichting van een nevenvestiging die is opgenomen in een plan als bedoeld in artikel 76a, derde lid, van de Wet op de expertisecentra zoals luidend voor de inwerkingtreding van artikel II, onderdeel CC, wordt aangemerkt als een verzoek van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 76a, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra zoals luidend na de inwerkingtreding van artikel II, onderdeel CC, indien het plan tezamen met de gegevens waaruit de in artikel 76a, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra zoals luidend voor de inwerkingtreding van artikel II, onderdeel CC, bedoelde overeenstemming blijkt door het regionaal expertisecentrum voor de inwerkingtreding van artikel II, onderdeel CC, ter goedkeuring aan Onze Minister is gezonden.
1.
In afwijking van artikel 8, eerste lid, derde volzin, van de Wet op de expertisecentra wordt het onderwijs, bedoeld in die volzin, tot 1 augustus 2015 gegeven in scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, verdeeld als aangegeven in de in die volzin genoemde onderwijssoorten.
2.
Het bevoegd gezag van een instelling in oprichting meldt Onze Minister welke scholen als bedoeld in het eerste lid in dat schooljaar samenwerken in de instelling in oprichting.
3.
Voor de bekostiging van personeel wordt aan de scholen, bedoeld in het eerste lid, een bedrag per school en een bedrag per leerling toegekend, welke bedragen worden verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. De bedragen, bedoeld in de eerste volzin, worden bij ministeriële regeling vastgesteld. In aanvulling op de bekostiging, bedoeld in de eerste volzin, ontvangt de school van de instelling in oprichting waarmee wordt samengewerkt, een bedrag in verband met de auditieve en communicatieve handicap van de leerlingen.
4.
De instelling in oprichting ontvangt jaarlijks een bij ministeriële regeling vast te stellen bekostiging in verband met de auditieve en communicatieve handicap van de leerlingen van de scholen, bedoeld in het eerste lid, die is gebaseerd op het aantal leerlingen van de scholen waarmee de instelling in oprichting samenwerkt.
5.
Op de instellingen in oprichting zijn de artikelen in de Wet op de expertisecentra die betrekking hebben op instellingen van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 114 en artikel 117, eerste en vijfde lid, van genoemde wet.
1.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke scholen voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 2, bedoeld in de Wet op de expertisecentra , met ingang van 1 augustus 2015 in aanmerking kunnen worden gebracht voor bekostiging als instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan auditief of communicatief gehandicapte kinderen of nevenvestiging daarvan, als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, en onder welke voorwaarden dit geschiedt.
2.
Titel III, Afdeling 1, van de Wet op de expertisecentra is niet van toepassing op een bestuursoverdracht of samenvoeging die samenhangt met de omzetting, bedoeld in het eerste lid.
Artikel XXIVa. Bekostiging van het landelijk werkverband epilepsie en onderwijs
Onze minister verstrekt aan het bevoegd gezag van de school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs «De Waterlelie» te Cruquius en het bevoegd gezag van de school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs «De Berkenschutse» te Heeze bekostiging ten behoeve van ambulante begeleiding aan leerlingen met epilepsie. De bekostiging wordt jaarlijks vastgesteld bij beschikking van Onze minister.
artikel XXIV ingediende verzoeken van Wijzigingswet enkele onderwijswetten (herziening organisatie en financiering van ondersteuning leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs)">
Artikel XXV. Afhandeling van voor de datum van inwerkingtreding van artikel XXIV ingediende verzoeken
Voor de datum van inwerkingtreding van artikel XXIV ingediende verzoeken om een voorziening als bedoeld in Titel IV, afdeling 3, van de Wet op de expertisecentra van een bevoegd gezag van een school waaruit een instelling als bedoeld in artikel XXIV is ontstaan, worden, indien daarop na de datum van inwerkingtreding van artikel XXIV van deze wet wordt beslist, geacht te zijn gedaan door het bevoegd gezag van de instelling en ten behoeve van de instelling.
Artikel XXVI. Overgangsregeling instellingen cluster 1
Tot het tijdstip waarop de periode van vijf jaar, bedoeld in artikel 114 van de Wet op de expertisecentra, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van artikel II, onderdeel GG van deze wet, is verstreken, blijft bedoeld artikel 114 van de Wet op de expertisecentra van toepassing op instellingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede volzin, van de Wet op de expertisecentra. Tot het in de eerste volzin bedoelde tijdstip blijven de artikelen 111 en 114 van de Wet op de expertisecentra, zoals die artikelen zijn gewijzigd door deze wet, ten aanzien van de in de eerste volzin bedoelde instellingen buiten toepassing.
Artikel XXVII. Bestuurlijke fusies openbare en bijzondere scholen in het (v)so
Gedurende zeven jaar na inwerkingtreding van artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs blijft ten aanzien van een bestuurlijke fusie als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de expertisecentra, de voorwaarde op grond van artikel 66c, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, dat met de bestuurlijke fusie wordt voorkomen dat een of meer daarbij betrokken scholen door toepassing van de artikelen 147 en 148 van die wet wordt opgeheven of niet meer voor bekostiging in aanmerking komt, buiten toepassing.
1.
[Wijzigt deze wet.]
2.
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het primair onderwijs in verband met verzelfstandiging van dislocaties (Stb. 2012/209).]
1.
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het primair onderwijs (wettelijke verankering afdelingen voor internationaal georiënteerd basisonderwijs) (Stb. 2012/216).]
2.
[Wijzigt deze wet.]
3.
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het primair onderwijs (wettelijke verankering afdelingen voor internationaal georiënteerd basisonderwijs) (Stb. 2012/216).]
1.
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het primair onderwijs, enz. (aanpassing methode van jaarlijkse prijsbijstelling ten aanzien van de materiële voorzieningen) (Kst. 30246).]
2.
[Wijzigt deze wet.]
3.
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het primair onderwijs, enz. (aanpassing methode van jaarlijkse prijsbijstelling ten aanzien van de materiële voorzieningen) (Kst. 30246).]
1.
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het primair onderwijs, enz. (volledige decentralisatie van arbeidsvoorwaarden in het primair onderwijs) (Stb. 2011/558).]
2.
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het primair onderwijs, enz. (volledige decentralisatie van arbeidsvoorwaarden in het primair onderwijs) (Stb. 2011/558).]
1.
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de expertisecentra, enz. (kwaliteit van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs) (Kst. 32812).]
2.
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de expertisecentra, enz. (kwaliteit van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs) (Kst. 32812).]
3.
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de expertisecentra, enz. (kwaliteit van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs) (Kst. 32812).]
4.
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de expertisecentra, enz. (kwaliteit van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs) (Kst. 32812).]
5.
[Wijzigt deze wet.]
6.
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de expertisecentra, enz. (kwaliteit van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs) (Kst. 32812).]
7.
[Wijzigt deze wet.]
8.
[Wijzigt deze wet.]
9.
[Wijzigt deze wet.]
10.
[Wijzigt deze wet.]
1.
[Wijzigt deze wet.]
2.
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het onderwijstoezicht, enz. (invoering van geïntegreerd toezicht en de gewijzigde rol van de Inspectie van het onderwijs bij het toezichtproces (Stb. 2012/118).]
3.
[Wijzigt deze wet.]
1.
[Wijzigt deze wet.]
2.
[Wijzigt de Wijzigingswet Leerplichtwet 1969, enz. (het treffen van diverse maatregelen ten behoeve van het bestrijden van verzuim en voortijdig schoolverlaten (Stb. 2011/443).]
3.
[Wijzigt deze wet.]
4.
[Wijzigt de Wijzigingswet Leerplichtwet 1969, enz. (het treffen van diverse maatregelen ten behoeve van het bestrijden van verzuim en voortijdig schoolverlaten (Stb. 2011/443).]
1.
[Wijzigt deze wet.]
2.
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het primair onderwijs, enz.(regeling toelatingsrecht onderwijs)(Kst. 30417).]
3.
[Wijzigt deze wet.]
4.
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het primair onderwijs, enz.(regeling toelatingsrecht onderwijs)(Kst. 30417).]
5.
[Wijzigt deze wet.]
6.
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het primair onderwijs, enz.(regeling toelatingsrecht onderwijs)(Kst. 30417).]
Artikel XXXVIII. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te
’s-Gravenhage, 11 oktober 2012
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
Uitgegeven de vijfde november 2012
De Minister van Veiligheid en Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel I. Wijziging Wet op het primair onderwijs
Artikel II. Wijziging Wet op de expertisecentra
Artikel III. Wijziging Wet op het voortgezet onderwijs
Artikel IV. Wijziging Wet educatie en beroepsonderwijs
Artikel V. Wijziging Wet medezeggenschap op scholen
Artikel VI. Wijziging Wet op het onderwijstoezicht
Artikel VII. Wijziging van de Leerplichtwet 1969
Artikel VIII. Wijziging Wet van 28 november 2002 tot wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van een leerlinggebonden financiering en de vorming van regionale expertisecentra (regeling leerlinggebonden financiering) (Stb. 2002, 631)
Artikel IX. Oprichting rechtspersoon en vaststelling eerste ondersteuningsplan samenwerkingsverband
Artikel IXa. Eerste ondersteuningsplan
Artikel X. Overgangsbekostiging samenwerkingsverbanden in verband met afschaffing leerlinggebonden financiering
Artikel XI. Overgangsbekostiging (v)so-scholen cluster 3 en 4 in verband met afschaffing leerlinggebonden financiering
Artikel XIa. Verplichte herbesteding gedeelte bekostiging samenwerkingsverband
Artikel XII. Vermindering bekostiging samenwerkingsverband in verband met leerlingen die zijn geïndiceerd door een commissie voor de indicatiestelling
Artikel XIII. Vereveningsregeling personele bekostiging samenwerkingsverband primair onderwijs
Artikel XIV. Vereveningsregeling materiële bekostiging samenwerkingsverband primair onderwijs
Artikel XV. Vereveningsregeling personele bekostiging samenwerkingsverband voortgezet onderwijs
Artikel XVI. Vereveningsregeling materiële bekostiging samenwerkingsverband voortgezet onderwijs
Artikel XVII. Herindicatie zittende (v)so-leerlingen
Artikel XVIII. Verdeling en overdracht nog niet bestede bekostiging rec's en samenwerkingsverbanden primair onderwijs
Artikel XIX. Verdeling en overdracht nog niet bestede bekostiging samenwerkingsverbanden voortgezet onderwijs
Artikel XX. Laatste jaarverslag regionaal expertisecentrum
Artikel XXI. Nevenvestiging in plan regionaal expertisecentrum
Artikel XXII. Vermindering expertisebekostiging
Artikel XXIII. Instellingen in oprichting
Artikel XXIV. Omzetting bekostiging scholen cluster 2 in bekostiging van instellingen met nevenvestigingen
Artikel XXIVa. Bekostiging van het landelijk werkverband epilepsie en onderwijs
Artikel XXV. Afhandeling van voor de datum van inwerkingtreding van artikel XXIV ingediende verzoeken
Artikel XXVI. Overgangsregeling instellingen cluster 1
Artikel XXVII. Bestuurlijke fusies openbare en bijzondere scholen in het (v)so
Artikel XXVIII. Samenloop met het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs in verband met verzelfstandiging van dislocaties
Artikel XXIX. Samenloop met het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs in verband met de wettelijke verankering van afdelingen voor internationaal georiënteerd basisonderwijs
Artikel XXX. Samenloop met het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra onder meer in verband met aanpassing van de methode van jaarlijkse prijsbijstelling ten aanzien van de materiële voorzieningen
Artikel XXXI. Samenloop met het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Experimentenwet onderwijs en de Wet medezeggenschap op scholen in verband met volledige decentralisatie van arbeidsvoorwaarden in het primair onderwijs
Artikel XXXII. Samenloop met het wetsvoorstel tot wijziging van onder meer de Wet op de expertisecentra in verband met de kwaliteit van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs
Artikel XXXIII. Samenloop met het wetsvoorstel tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met onder meer afschaffen van de verblijfsduurbeperking in het voortgezet onderwijs, bewaken van de examenkwaliteit in het voortgezet onderwijs en het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, alsmede uitbreiding van de staatsexamenmogelijkheden
Artikel XXXIV
Artikel XXXV. Samenloop met het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht en enige andere wetten in verband met de invoering van geïntegreerd toezicht en de gewijzigde rol van de inspectie van het onderwijs bij het toezichtproces
Artikel XXXVI. Samenloop met het wetsvoorstel tot wijziging van de Leerplichtwet 1969, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs, de Wet studiefinanciering 2000, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met het treffen van diverse maatregelen ten behoeve van het bestrijden van verzuim en voortijdig schoolverlaten
Artikel XXXVII. Samenloop met het wetsvoorstel van de leden Hamer, Jasper van Dijk, Dibi, Van der Ham en Kraneveldt-van der Veen houdende wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Algemene wet gelijke behandeling inzake toelating tot onderwijsinstellingen van leerlingen of deelnemers (regeling toelatingsrecht onderwijs)
Artikel XXXVIII. Inwerkingtreding
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht