Wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten (recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat in pensioenregelingen het recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen nader wordt geregeld, dat de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij pensioenregelingen wordt uitgebreid en dat in pensioenregelingen, met uitzondering van het nabestaandenpensioen, geen onderscheid wordt gemaakt naar burgerlijke staat;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
[Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet.]
Artikel II [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Wijzigt de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.]
Artikel III
[Wijzigt de Algemene wet gelijke behandeling.]
Artikel IV
[Wijzigt de Wet op de loonbelasting.]
Artikel V
[Wijzigt de Wet privatisering ABP.]
Artikel VI
[Wijzigt de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.]
Artikel VII
[Wijzigt de Wijzigingswet Pensioen- en spaarfondsenwet, enz. (wettelijk recht op waarde-overdracht en enige andere maatregelen op het aanvullende pensioenterrein.]
1.
Onze Minister zendt binnen zes jaar na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
2.
In afwijking van het eerste lid vindt de evaluatie van de uitzonderingen, genoemd in artikel X, eerste lid, plaats zes jaar na de in artikel X, tweede lid, genoemde datum.
3.
Een ieder verstrekt aan Onze Minister of aan een bij ministeriële regeling aangewezen instelling desgevraagd alle inlichtingen die nodig zijn in verband met het onderzoek naar de doeltreffendheid en de effecten van deze wet en de op de artikelen 2b, vijfde lid, 2c, tweede lid, en 32, negende lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet en artikel 12c, vijfde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen berustende bepalingen.
1.
Artikel I, onderdeel B, artikel 2b van de Pensioen- en spaarfondsenwet is uitsluitend van toepassing op aanspraken op pensioen die vanaf de datum van inwerkingtreding van dat artikelonderdeel van de wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten in verband met het recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Stb. 625), worden opgebouwd.
2.
Artikel I, onderdeel C, artikel 2c van de Pensioen- en spaarfondsenwet, onderdeel J, artikel 32, zevende lid van de Pensioen- en spaarfondsenwet, onderdeel M, artikel 32ba, eerste lid, onderdelen d en e, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, en artikel II, artikel 12c, tweede lid, onderdeel a en b van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen zijn uitsluitend van toepassing op aanspraken op pensioen die vanaf de datum van inwerkingtreding van het betreffende artikelonderdeel van de wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten in verband met het recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Stb. 625), worden opgebouwd.
3.
Bij de toepassing van artikel 32ba van de Pensioen- en spaarfondsenwet is op pensioen of aanspraken op pensioen die vóór de dag van inwerkingtreding van artikel 32ba, eerste lid, onderdeel e, van de Pensioen- en spaarfondsenwet zijn opgebouwd, artikel 32a, onderdeel f, van de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing, tenzij artikel 32ba van de Pensioen- en spaarfondsenwet wordt toegepast in verband met een keuze als bedoeld in artikel 2b of  2c van die wet en het pensioenfonds in zijn statuten of reglementen artikel 32ba, eerste lid, onderdeel d en e van de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing heeft verklaard.
4.
Voorzover het bij de toepassing van het eerste en tweede lid aanspraken op pensioen betreft die, als gevolg van een premievrije voortzetting van die aanspraken worden opgebouwd, zijn de in het eerste en tweede lid genoemde artikelen van de Pensioen- en spaarfondsenwet uitsluitend van toepassing indien het recht op die premievrije voortzetting is ontstaan op of na de datum van inwerkingtreding van het betreffende artikelonderdeel van de wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten in verband met het recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Stb. 625).
5.
In afwijking van het tweede lid is artikel I, onderdeel J, artikel 32, zevende lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet voor zover het niet betreft pensioen dat wordt berekend of mede wordt berekend op grond van een geldelijke bijdrage slechts van toepassing op aanspraken op pensioen die vanaf 1 januari 2005 worden opgebouwd. Dit lid is niet van toepassing op afkoop die tot de datum van inwerkingtreding van de Verzamelwet sociale verzekeringen 2003 plaatsvindt.
1.
De artikelen van deze wet met uitzondering van artikel I, onderdeel B, artikel 2b, derde lid, en artikel 2c, onderdeel J, artikel 32, zevende lid, onderdeel M, artikel 32ba, eerste lid, onderdelen d en e, voor zover het betreft pensioen dat wordt berekend of mede wordt berekend op grond van een geldelijke bijdrage, en artikel II treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Het tijdstip van inwerkingtreding kan voorts ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet en ten aanzien van vrijwillige pensioenvoorzieningen verschillend worden vastgesteld.
2.
Artikel I, onderdeel B, artikel 2b, derde lid, en artikel 2c, onderdeel J, artikel 32, zevende lid, onderdeel M, artikel 32ba, eerste lid, onderdelen d en e, voor zover het betreft pensioen dat wordt berekend of mede wordt berekend op grond van een geldelijke bijdrage, en artikel II treden uiterlijk in werking op 1 januari 2005.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 21 december 2000
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Uitgegeven de achtentwintigste december 2000
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel I
Artikel II
Artikel III
Artikel IV
Artikel V
Artikel VI
Artikel VII
Artikel VIII
Artikel IX
Artikel X
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht