Wet van 29 maart 1996 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994, houdende regeling van de verzelfstandiging van de Rijksdienst voor het Wegverkeer
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is de Rijksdienst voor het Wegverkeer te verzelfstandigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
[Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994.]
1.
Met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn de ambtenaren van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, van wie de naam is vermeld op een door Onze Minister en de Rijksdienst voor het Wegverkeer tezamen vastgestelde lijst, van rechtswege in dienst van de Dienst Wegverkeer.
2.
Tot het moment waarop de directie van de Dienst Wegverkeer krachtens artikel 4o, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 terzake een reglement heeft vastgesteld, geldt voor de in het eerste lid bedoelde ambtenaren een rechtspositie die gelijk is aan die welke gold direct vóór het moment van overgang bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. De voorschriften en reglementen die betrekking hebben op de rechtspositie zoals die luiden op de dag voor de verzelfstandiging, zijn van overeenkomstige toepassing op het personeel dat op de dag van de verzelfstandiging van rechtswege in dienst zal treden van de Dienst Wegverkeer, met dien verstande dat daar waar in de huidige voorschriften en reglementen staat vermeld dan wel wordt bedoeld «Minister of Kroon dan wel een door deze als zodanig aangewezen autoriteit» gelezen dient te worden «directie of raad van toezicht».
3.
Indien ter zake van de totstandkoming van de Dienst Wegverkeer een sociaal beleidskader geldt, kan bij die regeling zonodig worden afgeweken van het bepaalde in het tweede lid.
4.
De verplichtingen die voortvloeien uit het sociaal beleidskader gaan over op de Dienst Wegverkeer.
1.
Onze Minister bepaalt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën welke vermogensbestanddelen van de Staat worden toebedeeld aan de Dienst Wegverkeer.
2.
De in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen gaan met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet onder algemene titel over op de Dienst Wegverkeer tegen een door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën te bepalen waarde.
3.
Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen welke in openbare registers te boek zijn gesteld, zal verandering van de tenaamstelling in die registers plaatsvinden. De daartoe nodige opgaven worden door de zorg van Onze Minister van Financiën aan de bewaarders van de desbetreffende registers gedaan.
4.
Ter zake van de verkrijging door de Dienst Wegverkeer van de vermogensbestanddelen, bedoeld in het tweede lid, blijft de heffing van overdrachtsbelasting achterwege.
5.
Archiefbescheiden van de Rijksdienst voor het Wegverkeer gaan met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet over naar de Dienst Wegverkeer, met uitzondering van de archiefbescheiden die zijn vermeld op een door Onze Minister en de Rijksdienst voor het Wegverkeer tezamen vastgestelde lijst.
1.
Bij de eerste samenstelling van de raad van toezicht geschiedt de benoeming van twee leden voor een periode van twee jaren.
2.
Bij de eerste samenstelling van de raad van toezicht benoemt Onze Minister, in tegenstelling tot het bepaalde in artikel 4j, derde lid, de voorzitter van de raad van toezicht, zonder dat hij de raad hoort.
1.
In afwijking van de artikelen 4b, eerste lid, aanhef en onderdeel n, en 4l, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994 stelt Onze Minister de tarieven vast die zullen gelden met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
2.
Onverminderd artikel 4q, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 omvat het in artikel 48, eerste lid, van die wet bedoelde tarief voor de aanvraag van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen deel van een kentekenbewijs, tot 5 jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, mede een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag dat strekt ter dekking van kosten van overige aan de Dienst Wegverkeer opgedragen taken, voor zover de tarieven voor deze overige taken niet alle met de uitoefening van de taak gemoeide kosten dekken. De voor deze taken vastgestelde tarieven worden in de genoemde periode geleidelijk verhoogd tot kostendekkend niveau.
3.
In wettelijke procedures en rechtsgedingen, waarbij de Rijksdienst voor het Wegverkeer is betrokken, treedt met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet de Dienst Wegverkeer in de plaats van de Staat dan wel Onze Minister.
4.
In zaken waarin voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 12 van de Wet Nationale ombudsman aan de Nationale ombudsman is verzocht een onderzoek te doen dan wel de Nationale ombudsman op grond van artikel 15 van die wet een onderzoek heeft ingesteld naar een gedraging die kan worden toegerekend aan de Rijksdienst voor het Wegverkeer, treedt de Dienst Wegverkeer op dat tijdstip als bestuursorgaan in de zin van de Wet Nationale ombudsman in de plaats van Onze Minister.
Artikel VII
[Wijzigt de Rijtijdenwet 1936.]
Artikel VIII
[Wijzigt de Wet aanprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.]
Artikel IX
[Wijzigt de Wet regeling van de vergoeding van de kosten van registratie motorboten .]
Artikel X
[Wijzigt de Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen.]
Artikel XI
[Wijzigt de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.]
Artikel XII
[Wijzigt de Wet inzake de luchtverontreiniging.]
Artikel XIII
[Wijzigt de Arbeidstijdenwet.]
Artikel XIV
[Wijzigt de Vleeskeuringswet.]
ARTIKEL XV
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De tekst van de Wegenverkeerswet 1994 wordt door Onze Minister van Justitie in het Staatsblad geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 29 maart 1996
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Uitgegeven veertiende mei 1996
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel I
Artikel II
Artikel III
Artikel IV
Artikel V
Artikel VI
Artikel VII
Artikel VIII
Artikel IX
Artikel X
Artikel XI
Artikel XII
Artikel XIII
Artikel XIV
ARTIKEL XV
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht