Wet van 11 december 2008 tot wijziging van enige belastingwetten (Belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige belastingwetten aan te passen om te komen tot een meer evenwichtige belastingheffing bij excessieve beloningsbestanddelen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
[Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.]
Artikel II
[Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.]
Artikel III
[Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.]
Artikel IV
[Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen.]
Artikel V
Het in artikel III, onderdeel B, genoemde bedrag wordt per 1 januari 2009 bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen.
1.
Voor het bepalen van het resultaat uit een werkzaamheid, bedoeld in artikel 3.94 van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt een vermogensbestanddeel als bedoeld in artikel 3.92b, eerste lid, van die wet welke ten gevolge van de inwerkingtreding van genoemd artikel per 1 januari 2009 is gaan behoren tot het vermogen van een werkzaamheid, op dat tijdstip te boek gesteld volgens de regeling van artikel 3.95b, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
2.
Indien de belastingplichtige een in het eerste lid bedoeld vermogensbestanddeel heeft verkregen van een met hem verbonden persoon als bedoeld in artikel 3.92b, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt, in afwijking van het eerste lid, het vermogensbestanddeel op 1 januari 2009 te boek gesteld op het bedrag dat die persoon op 1 januari 2009 als boekwaarde zou moeten gaan hanteren ingeval die persoon op dat tijdstip het vermogensbestanddeel nog zou houden.
3.
Indien de belastingplichtige een in het eerste lid bedoeld vermogensbestanddeel heeft verkregen van een lichaam waarin hij of een met hem verbonden persoon als bedoeld in artikel 3.92b, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt, in afwijking van het eerste lid, het vermogensbestanddeel op 1 januari 2009 te boek gesteld op het bedrag dat dat lichaam heeft opgeofferd ter verkrijging van het bestanddeel. Ingeval het lichaam het vermogensbestanddeel eerder had verworven van de belastingplichtige wordt, in afwijking van de eerste volzin, het vermogensbestanddeel op 1 januari 2009 te boek gesteld op het bedrag dat hij op 1 januari 2009 als boekwaarde zou moeten gaan hanteren ingeval hij het vermogensbestanddeel tot dat tijdstip ononderbroken zou hebben gehouden. De tweede volzin is van overeenkomstige toepassing ingeval het lichaam het vermogensbestanddeel eerder had verworven van een met de belastingplichtige verbonden persoon als bedoeld in artikel 3.92b, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
4.
Indien de belastingplichtige een in het eerste lid bedoeld vermogensbestanddeel op 1 januari 2009 middellijk houdt, terwijl hij dat vermogensbestanddeel op enig tijdstip daarvoor onmiddellijk heeft gehouden, wordt, in afwijking van het eerste lid, dat vermogensbestanddeel op 1 januari 2009 te boek gesteld op het bedrag dat hij op 1 januari 2009 als boekwaarde zou moeten gaan hanteren ingeval hij op dat tijdstip het vermogensbestanddeel nog onmiddellijk zou houden.
5.
Indien een in het eerste lid bedoeld vermogensbestanddeel op 31 december 2008 behoort tot een aanmerkelijk belang in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, maar dit vermogensbestanddeel ten gevolge van de inwerkingtreding van artikel 3.92b van de Wet inkomstenbelasting 2001 per 1 januari 2009 is gaan behoren tot het vermogen van een werkzaamheid, vindt artikel 4.16, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomstenbelasting 2001 ter zake daarvan geen toepassing.
Artikel VII
Artikel 32bb van de Wet op de loonbelasting 1964 vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot dienstbetrekkingen die op of na 1 januari 2009 worden beëindigd.
Artikel VIII
[Wijzigt het Belastingplan 2008.]
1.
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.
2.
In afwijking van het eerste lid treedt artikel VIII in werking met ingang van 31 december 2008.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige handhaving de hand zullen houden.
Gegeven te
’s-Gravenhage, 11 december 2008
De Staatssecretaris van Financiën,
De Minister van Financiën,
Uitgegeven de achttiende december 2008
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel I
Artikel II
Artikel III
Artikel IV
Artikel V
Artikel VI
Artikel VII
Artikel VIII
Artikel IX
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht