Wet van 2 april 1998 tot wijziging van enkele onderwijswetten en technische wijziging van enkele andere wetten in verband met het totstandbrengen van onder meer een Wet op het primair onderwijs en een Wet op de expertisecentra
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om een deel van het speciaal onderwijs tezamen met het basisonderwijs te regelen in een Wet op het primair onderwijs, om een deel van het voortgezet speciaal onderwijs tezamen met het voortgezet onderwijs te regelen in de Wet op het voortgezet onderwijs, om het overige speciaal en voortgezet speciaal onderwijs te regelen in een Wet op de expertisecentra en om enige technische wijzigingen aan te brengen in enkele andere wetten;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
ARTIKEL I. WIJZIGING VAN DE WET OP HET BASISONDERWIJS
[Wijzigt de Wet op het basisonderwijs.]
ARTIKEL II. WIJZIGING VAN DE INTERIMWET OP HET SPECIAAL ONDERWIJS EN HET VOORTGEZET SPECIAAL ONDERWIJS
[Wijzigt de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs.]
ARTIKEL III. WIJZIGING VAN DE WET OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS
[Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs.]
ARTIKEL IV. WIJZIGING VAN DE WET MEDEZEGGENSCHAP ONDERWIJS 1992
[Wijzigt de Wet medezeggenschap onderwijs 1992.]
1.
De Overgangswet WBO wordt ingetrokken.
2.
De Overgangswet WBO zoals deze luidde op 31 juli 1998 blijft van toepassing op
a. aanvragen die binnen de daarvoor geldende termijn zijn ingediend,
b. bezwaarschriften en beroepschriften die binnen de daarvoor geldende termijn zijn ingediend, en
c. aanspraken die op die datum op grond van artikel E 17 of E 18 van die wet bestaan.
3.
Met ingang van het jaar 1986 ontvangt het bevoegd gezag van een bijzondere basisschool gevestigd in gebouwen en lokalen bedoeld in de artikelen 62, 126 en 127 van de Kleuteronderwijswet en de artikelen 84, 205 en 205bis van de Lager-onderwijswet 1920 jaarlijks van de gemeente een vergoeding.
4.
Burgemeester en wethouders kunnen de jaarlijkse vergoeding bedoeld in het derde lid, vervangen door een uitkering ineens, indien het bevoegd gezag dat eigenaar is van de voor vergoeding in aanmerking komende gebouwen, dit verzoekt.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven omtrent de uitvoering van het derde lid. Deze algemene maatregel van bestuur bepaalt tevens de verplichtingen van het bevoegd gezag ten opzichte van de gemeente, indien de gebouwen en lokalen bedoeld in artikel 126 van de Kleuteronderwijswet en artikel 205 van de Lager-onderwijswet 1920, niet meer voor het basisonderwijs worden gebruikt.
6.
De algemene maatregel van bestuur bedoeld in het vijfde lid, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 30 dagen na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens te kennen wordt gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsontwerp zo spoedig mogelijk ingediend.
7.
De algemene maatregel van bestuur die op grond van artikel E 35, vierde lid, van de Overgangswet WBO tot stand is gekomen, geldt met ingang van 1 augustus 1998 als algemene maatregel van bestuur, gebaseerd op het vijfde lid.
8.
De op 31 juli 1998 uit de openbare kassen bekostigde scholen, uitgaande van de Stichting Muziekinstituut van de Kathedraal St. Bavo te Haarlem, onderscheidenlijk van de Stichting Nederlands Instituut voor Katholieke Kerkmuziek te Utrecht, ten behoeve waarvan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Lager-onderwijswet 1920 vergunning is verleend dat deze scholen minder dan 6 achtereenvolgende leerjaren omvatten, worden bekostigd als basisscholen, waarbij:
a. op deze scholen de bepalingen van de Wet op het primair onderwijs voorzover mogelijk van overeenkomstige toepassing zijn, met dien verstande dat het onderwijs is bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd van omstreeks 8 jaar, en
b. voor deze scholen voor de toepassing van artikel 153, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs als opheffingsnorm het getal 45 geldt.
1.
De Overgangswet ISOVSO wordt ingetrokken.
2.
De Overgangswet ISOVSO zoals deze luidde op 31 juli 1998 blijft van toepassing op
a. aanvragen die binnen de daarvoor geldende termijn zijn ingediend,
b. bezwaarschriften en beroepschriften die binnen de daarvoor geldende termijn zijn ingediend, en
c. aanspraken die op die datum op grond van artikel E 16, E 17 of E 18 van die wet bestaan, met dien verstande dat in artikel E 18 van die wet onder« een school voor speciaal onderwijs» tevens wordt begrepen: een speciale school voor basisonderwijs..
3.
Met ingang van het jaar 1989 ontvangt het bevoegd gezag van een bijzondere school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs dan wel voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een bijzondere speciale school voor basisonderwijs, gevestigd in gebouwen bedoeld in artikel 205 van de Lager-onderwijswet 1920 en in artikel 184 van het Besluit buitengewoon onderwijs 1967 (Stb. 1978, 582), jaarlijks van de gemeente een vergoeding per lokaal.
4.
Burgemeester en wethouders kunnen de jaarlijkse vergoeding bedoeld in het derde lid, vervangen door een uitkering ineens, indien het bevoegd gezag dat eigenaar is van de voor vergoeding in aanmerking komende gebouwen, dit verzoekt.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven omtrent de uitvoering van het derde lid. Deze algemene maatregel van bestuur bepaalt tevens de verplichtingen van het bevoegd gezag ten opzichte van de gemeente, indien de gebouwen bedoeld in het derde lid, niet meer voor het geven van speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of basisonderwijs worden gebruikt.
6.
Geschillen tussen de gemeente en het bevoegd gezag over de toepassing van het bij of krachtens dit artikel bepaalde, worden onderworpen aan de beslissing van gedeputeerde staten, tenzij het geschillen betreft ter zake van gebouwen als bedoeld in artikel 184 van het Besluit buitengewoon onderwijs 1967, welke geschillen worden onderworpen aan de beslissing van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
7.
De algemene maatregel van bestuur die op grond van artikel E24, vierde lid, van de Overgangswet ISOVSO tot stand is gekomen, geldt met ingang van 1 augustus 1998 als algemene maatregel van bestuur, gebaseerd op het vijfde lid.
1.
De tekst van de Wet op het primair onderwijs wordt in het Staatsblad geplaatst. Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de nummering van de artikelen, hoofdstukken, titels, afdelingen en paragrafen van de Wet op het primair onderwijs opnieuw vast en brengt hij de in die en deze wet voorkomende aanhalingen en de inhoudsopgave met de nieuwe nummering op grond van dit artikel en de artikelen VIII en IX in overeenstemming.
2.
De koninklijke besluiten en ministeriële regelingen die op grond van de Wet op het basisonderwijs tot stand zijn gekomen, gelden met ingang van 1 augustus 1998 als koninklijke besluiten onderscheidenlijk ministeriële regelingen, gebaseerd op de Wet op het primair onderwijs .
1.
De tekst van de Wet op de expertisecentra wordt in het Staatsblad geplaatst. Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de nummering van de artikelen, titels, afdelingen en paragrafen van de Wet op de expertisecentra opnieuw vast en brengt hij de in die en deze wet voorkomende aanhalingen en de inhoudsopgave met de nieuwe nummering op grond van dit artikel en de artikelen VII en IX in overeenstemming.
2.
De koninklijke besluiten en ministeriële regelingen die op grond van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs tot stand zijn gekomen, gelden met ingang van 1 augustus 1998 als koninklijke besluiten onderscheidenlijk ministeriële regelingen, gebaseerd op de Wet op de expertisecentra .
1.
De tekst van de Wet op het voortgezet onderwijs wordt in het Staatsblad geplaatst. Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de nummering van de artikelen, titels, afdelingen en paragrafen van deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs opnieuw vast en brengt hij de in dat deel en deze wet voorkomende aanhalingen met de nieuwe nummering op grond van dit artikel en de artikelen VII en VIII in overeenstemming.
2.
De koninklijke besluiten en ministeriële regelingen die op grond van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs tot stand zijn gekomen, gelden met ingang van 1 augustus 1998 als koninklijke besluiten onderscheidenlijk ministeriële regelingen, gebaseerd op deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs .
ARTIKEL X. WIJZIGING VAN DE OVERGANGSWET W.V.O.
[Wijzigt de Overgangswet W.V.O..]
ARTIKEL XI. WIJZIGING ALGEMENE WET EG-BEROEPSOPLEIDINGEN
[Wijzigt de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen.]
ARTIKEL XII
[Wijzigt de Wet op de erkende onderwijsinstellingen.]
ARTIKEL XIII
[Wijzigt de Experimentenwet onderwijs.]
ARTIKEL XIV
[Wijzigt de Leerplichtwet 1969.]
ARTIKEL XV
[Wijzigt de Les- en cursusgeldwet.]
ARTIKEL XVI. WIJZIGING VAN DE WET TEGEMOETKOMING STUDIEKOSTEN
[Wijzigt de Wet tegemoetkoming studiekosten.]
ARTIKEL XVII. WIJZIGING VAN DE INVOERINGSWET W.H.B.O.
[Wijzigt de Invoeringswet W.H.B.O..]
ARTIKEL XVIII. WIJZIGING VAN DE WET REGELING I.V.M. INVOERING FBS
[Wijzigt de Wet van 3 december 1992, houdende wijziging van onder meer de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het leerlingwezen en de Wet op de onderwijsverzorging in verband met onder meer de invoering van de mogelijkheid van bestuursaanstelling, het decentraal georganiseerd overleg, de invoering van de mogelijkheid van centrale diensten en de uitbreiding van de bevoegdheden van de commissies van beroep (regelingen i.v.m. invoering FBS; Stb. 1992, 662 ) .]
ARTIKEL XIX. WIJZIGING VAN DE WET TOERUSTING EN BEREIKBAARHEID
[Wijzigt de Wet van 15 december 1993, houdende wijziging van het stelsel van stichtingsnormen en opheffingsnormen in de Wet op het basisonderwijs en van het huisvestingsstelsel in de Wet op het basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (Stb. 1993, 716).]
ARTIKEL XX. WIJZIGING VAN DE WET VEREENVOUDIGING LONDO
[Wijzigt de Wet van 4 juli 1996 tot wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Tijdelijke wet bekostiging nieuwe basisscholen inzake vereenvoudiging van het bekostigingsstelsel voor het basisonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (vereenvoudiging Londo; Stb. 1996, 403).]
ARTIKEL XXI. WIJZIGING VAN DE WET FINANCIËLE GELIJKSTELLING
[Wijzigt de Wet van 19 december 1996 tot wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs met betrekking tot de financiële gelijkstelling en enige technische aanpassingen (Stb. 1996, 649).]
ARTIKEL XXII. WIJZIGING VAN DE WET GEMEENTELIJK ONDERWIJSACHTERSTANDENBELEID
[Wijzigt de wet van 15 mei 1997 tot wijziging van onder meer de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs inzake het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid) (Stb. 1997, 237).]
ARTIKEL XXV. WIJZIGING VAN DE WET ALGEMENE REGELS HERINDELING
[Wijzigt de Wet algemene regels herindeling.]
ARTIKEL XXVI. WIJZIGING VAN DE WET OP BELASTINGEN VAN RECHTSVERKEER
[Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer.]
ARTIKEL XXVII. WIJZIGING VAN DE WET PRIVATISERING ABP
[Wijzigt de Wet privatisering ABP.]
ARTIKEL XXVIII. WIJZIGING VAN DE WET GELUIDHINDER
[Wijzigt de Wet geluidhinder.]
ARTIKEL XXIX. AARD BEPALINGEN
De bij of krachtens de artikelen XXX tot en met LV gegeven voorschriften, voor zover zij scholen betreffen, zijn regels voor het openbaar onderwijs en voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs.
1.
Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld of kunnen regels worden vastgesteld ten aanzien van onderwerpen waarvan deze wet bepaalt dat zij bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden onderscheidenlijk kunnen worden geregeld. De in de eerste volzin bedoelde regels vervallen met ingang van het tijdstip waarop de desbetreffende algemene maatregel van bestuur in werking treedt, doch uiterlijk twaalf maanden na het tijdstip waarop de bepaling waarop de algemene maatregel van bestuur berust, in werking is getreden.
2.
Voor zover deze wet daarin niet voorziet, alsmede indien nodig in afwijking van het bij en krachtens deze wet bepaalde, kunnen bij ministeriële regeling tijdelijke regels worden vastgesteld ten behoeve van een goede invoering van deze wet.
3.
Het ontwerp van een ministeriële regeling als bedoeld in het tweede lid wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, toegezonden aan de beide kamers der StatenGeneraal.
1.
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kan bepalen dat de vergoedingen geheel of gedeeltelijk worden ingehouden, indien het bevoegd gezag van een openbare school, onderscheidenlijk het bevoegd gezag van een bijzondere school, de bij of krachtens de artikelen XXX tot en met LV gegeven voorschriften, onderscheidenlijk gestelde bekostigingsvoorwaarden, niet nakomt.
2.
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kent de vergoedingen wederom toe, indien blijkt dat de reden voor toepassing van het eerste lid is vervallen.
1.
Voor 1 mei 1998 of, indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst na 2 april 1998 wordt uitgegeven, binnen 4 weken na de datum van uitgifte van dat Staatsblad, wordt aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen ter goedkeuring voorgelegd dat een samenwerkingsverband per 1 augustus 1998
a. voldoet aan het verwijzingspatroon zoals opgenomen in het tweede en derde lid,
b. voldoet aan de minimum-norm van 2000 leerlingen, en
c.
1°. dezelfde samenstelling heeft als op 1 augustus 1995,
2°. een samenstelling heeft waarmee wordt ingestemd door de bevoegde gezagsorganen van alle betrokken scholen en de bereikbaarheid van de speciale school of speciale scholen in het samenwerkingsverband in stand blijft,
3°. een samenstelling heeft waarmee wordt ingestemd door de bevoegde gezagsorganen van alle betrokken scholen en er goed bereikbare zorgvoorzieningen zijn getroffen bij basisscholen,
4°. een samenstelling heeft waarmee niet wordt ingestemd door de bevoegde gezagsorganen van alle betrokken scholen, binnen de samenwerkingsverbanden waaraan deze scholen deelnemen met inachtneming van de wettelijke werkgelegenheids- en salarisgaranties goede oplossingen worden geboden voor de plaatsing van het personeel van de speciale scholen voor basisonderwijs en de bereikbaarheid van de speciale school of speciale scholen in het samenwerkingsverband in stand blijft, of
5°. een samenstelling heeft waarmee niet wordt ingestemd door de bevoegde gezagsorganen van alle betrokken scholen, binnen de samenwerkingsverbanden waaraan deze scholen deelnemen met inachtneming van de wettelijke werkgelegenheids- en salarisgaranties goede oplossingen worden geboden voor de plaatsing van het personeel van de speciale scholen voor basisonderwijs en er goed bereikbare zorgvoorzieningen zijn getroffen bij basisscholen.
2.
Het verwijzingspatroon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is dat de meeste basisscholen in een samenwerkingsverband
a. niet minder leerlingen hebben verwezen naar het speciaal onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden, moeilijk lerende kinderen of in hun ontwikkeling bedreigde kleuters van scholen of scholengemeenschappen die zijn omgezet in een speciale school voor basisonderwijs van dat samenwerkingsverband dan naar dat speciaal onderwijs van andere scholen of scholengemeenschappen, of
b. geen leerlingen of slechts één leerling hebben verwezen naar het speciaal onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden, moeilijk lerende kinderen of in hun ontwikkeling bedreigde kleuters.
3.
Voor de berekening op grond van het tweede lid worden de aantallen van de basisschool afkomstige leerlingen die op elk van de teldata 1 oktober 1993, 1 oktober 1994 en 1 oktober 1995 deelnamen aan het speciaal onderwijs van een school of scholengemeenschap opgeteld en worden de leerlingen die voor 2 oktober 1992 naar het speciaal onderwijs zijn gegaan buiten beschouwing gelaten.
4.
De betrokken scholen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c2° tot en met c5°, zijn de scholen die het desbetreffende samenwerkingsverband per 1 augustus 1998 gaan vormen en de scholen waarmee eerstgenoemde scholen in een of meer van de schooljaren 1995–1996, 1996–1997 en 1997–1998 een samenwerkingsverband vormden.
5.
Van het in stand blijven van de bereikbaarheid van de speciale school of scholen voor basisonderwijs, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c2° en c4°, is sprake als de gemiddelde afstand van de basisscholen in het te vormen samenwerkingsverband tot de dichtstbijzijnde in het eigen verband gelegen speciale school voor basisonderwijs, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, gelijk is aan of kleiner is dan de gemiddelde afstand in het schooljaar 1995–1996 van de basisscholen in de samenwerkingsverbanden waarvan eerstgenoemde basisscholen in dat schooljaar deel uitmaakten tot de dichtstbijzijnde in het eigen verband gelegen school met speciaal onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden of moeilijk lerende kinderen. Bij het bepalen van de gemiddelde afstand blijven buiten beschouwing:
a. scholen die in de periode van 1 augustus 1996 tot en met 1 augustus 1998 zijn gesticht of opgeheven, dan wel waarvan de bekostiging in die periode is beëindigd en
b. scholen die op 1 augustus 1995 deel uitmaakten van een samenwerkingsverband dat geheel opgaat in het te vormen samenwerkingsverband.
6.
In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder c4° en c5°, wordt een rapport overgelegd met betrekking tot het overleg met de personele geleding van de medezeggenschapsraad over de oplossingen voor de plaatsing van het personeel van de speciale scholen voor basisonderwijs.
7.
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen hoort de landelijke besturenorganisaties en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten alvorens over het verzoek om goedkeuring te beslissen in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder c4° en c5°.
8.
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen neemt bij zijn beslissing op het verzoek om goedkeuring het totaal van de te vormen samenwerkingsverbanden in acht.
9.
Wijzigingen in de samenstelling van de op grond van het eerste tot en met achtste lid tot stand gekomen samenwerkingsverbanden kunnen gedurende de periode van 1 augustus 1998 tot en met 31 juli 2003 slechts plaatsvinden voor zover zij het gevolg zijn van de stichting of opheffing van scholen of een volledige samenvoeging van samenwerkingsverbanden en door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zijn goedgekeurd.
1.
Met ingang van 1 augustus 1998 komen behoudens het gestelde in het tweede lid voor bekostiging als speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs in aanmerking:
a. een school voor speciaal onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden of moeilijk lerende kinderen tezamen met de eventueel daaraan verbonden afdeling voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters,
b. een scholengemeenschap voor speciaal onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden en moeilijk lerende kinderen tezamen met de eventueel daaraan verbonden afdeling voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters,
c. het speciaal onderwijs van een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden of moeilijk lerende kinderen tezamen met de eventueel aan de school verbonden afdeling voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters, en
d. het speciaal onderwijs van een scholengemeenschap voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden en moeilijk lerende kinderen tezamen met de eventueel aan de scholengemeenschap verbonden afdeling voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters.
2.
Een afdeling voor zeer moeilijk lerende kinderen die op 31 juli 1998 was verbonden aan een school of scholengemeenschap als bedoeld in het eerste lid wordt met ingang van 1 augustus 1998 aangemerkt als een afdeling voor zeer moeilijk lerende kinderen van de speciale school voor basisonderwijs die uit eerstgenoemde school of scholengemeenschap is ontstaan. De leerlingen van de afdeling tellen niet mee voor de berekening van de formatie, de vergoeding voor nascholing en de vergoeding voor de materiële instandhouding van de speciale school voor basisonderwijs. Op de afdeling zijn de Wet op de expertisecentra en de daarop gebaseerde algemeen verbindende voorschriften en terzake vastgestelde beleidsregels van toepassing zoals deze luiden voor het desbetreffende onderwijs, met dien verstande dat bedoelde algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk ministeriële regeling of beleidsregels kunnen worden aangepast.
3.
Het eerste en tweede lid zijn alleen van toepassing voor zover
a. de desbetreffende school of scholengemeenschap, het desbetreffende onderwijs of de desbetreffende afdeling op 31 juli 1998 voor bekostiging in aanmerking kwam of op grond van de op 31 juli 1998 geldende wetgeving met ingang van 1 augustus 1998 voor bekostiging in aanmerking zou komen en
b. op grond van de op 31 juli 1998 geldende wetgeving met ingang van 1 augustus 1998 geen opheffing of beëindiging van de bekostiging van de desbetreffende school of scholengemeenschap, het desbetreffende onderwijs of de desbetreffende afdeling zou plaatsvinden.
4.
In afwijking van artikel 14, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 22, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op de expertisecentra kan aan een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling als bedoeld in het tweede lid slechts een directeur verbonden zijn. In afwijking van artikel 20a, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 28a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, geldt de benoeming van deze directeur ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan door het bevoegd gezag in stand gehouden scholen als bedoeld in de genoemde wetten.
5.
Artikel 3, zesde lid, van de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 is van overeenkomstige toepassing op een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling als bedoeld in het tweede lid.
1.
Met ingang van 1 augustus 1998 kan aan een speciale school voor basisonderwijs een nevenvestiging verbonden zijn indien
a. de nevenvestiging op 31 juli 1998 bekostigd werd als
1°. een zelfstandige school voor speciaal onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden of moeilijk lerende kinderen,
2°. een scholengemeenschap voor speciaal onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden en moeilijk lerende kinderen,
3°. het speciaal onderwijs van een zelfstandige school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden of moeilijk lerende kinderen,
4°. het speciaal onderwijs van een scholengemeenschap voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden en moeilijk lerende kinderen,
b. ingeval het betreft een nevenvestiging van een openbare school die in stand wordt gehouden door een andere rechtspersoon dan de gemeente op wier grondgebied de nevenvestiging is gelegen, die gemeente bij notariële akte de instandhouding van de school die nevenvestiging is geworden, heeft overgedragen aan die andere rechtspersoon, en
c. van de omvorming tot nevenvestiging voor 1 mei 1998 of, indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst na 2 april 1998 wordt uitgegeven, binnen 4 weken na de datum van uitgifte van dat Staatsblad, mededeling is gedaan aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en, indien het betreft een situatie als bedoeld onder b, onder overlegging van de opgave waaruit blijkt dat aan het vereiste onder b is voldaan.
2.
Bij de akte, bedoeld in het eerste lid onder b, worden tevens overgedragen de rechten die het bevoegd gezag van een school toekomen ten aanzien van het gebouw en terrein, alsmede ten aanzien van de roerende zaken. In de akte wordt bepaald dat de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen en onder dezelfde voorwaarden als vermeld in de akte van aanstelling, aan de school aanstelt met ingang van de datum van overdracht.
3.
Door overdracht met inachtneming van het eerste en tweede lid, treedt de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger voor zover deze zijn hoedanigheid van bevoegd gezag betroffen.
4.
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen deelt voor 1 augustus 1998 of, indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst na 2 april 1998 wordt uitgegeven, binnen 3 maanden volgend op de mededeling, bedoeld in het eerste lid onder c, aan het bevoegd gezag van de beoogde nevenvestiging schriftelijk mede of de nevenvestiging zal worden bekostigd.
1.
Het dienstverband tussen het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap als bedoeld in artikel XXXIII, eerste juncto derde lid, en een personeelslid dat op 31 juli 1998 in dienst is bij dat bevoegd gezag wordt met ingang van 1 augustus 1998 voortgezet door het bevoegd gezag van de speciale school voor basisonderwijs die uit eerstgenoemde school of scholengemeenschap is ontstaan, ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden voor de speciale school voor basisonderwijs voor zover
a. het dienstverband gezien de op 31 juli 1998 geldende rechten en verplichtingen op 1 augustus 1998 zou zijn gehandhaafd, en
b. het personeelslid op 31 juli 1998 werkzaam was
1°. binnen het speciaal onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden of moeilijk lerende kinderen van eerstgenoemde school of scholengemeenschap of de daaraan verbonden afdeling voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters,
2°. binnen het voortgezet speciaal onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden of moeilijk lerende kinderen van eerstgenoemde school of scholengemeenschap en met toepassing van de afvloeiingsregeling, bedoeld in hoofdstuk I-G van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, met ingang van 1 augustus 1998 werkzaam zal zijn voor de speciale school voor basisonderwijs, of
3°. binnen een afdeling voor speciaal onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen van eerstgenoemde school of scholengemeenschap en met toepassing van de afvloeiingsregeling, bedoeld in hoofdstuk I-G van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel met ingang van 1 augustus 1998 werkzaam zal zijn voor de speciale school voor basisonderwijs.
2.
Het dienstverband tussen het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap als bedoeld in artikel XXXIII, eerste lid, onderdeel c of d, juncto derde lid, en een personeelslid dat op 31 juli 1998 in dienst is bij dat bevoegd gezag, wordt met ingang van 1 augustus 1998 voortgezet door het bevoegd gezag van de speciale school voor basisonderwijs die uit eerstgenoemde school of scholengemeenschap is ontstaan, ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan de afdeling als bedoeld in artikel XXXVII, eerste lid, voor zover
a. het dienstverband gezien de op 31 juli 1998 geldende rechten en verplichtingen op 1 augustus 1998 zou zijn gehandhaafd, en
b. het personeelslid op 31 juli 1998 werkzaam was binnen het voortgezet speciaal onderwijs van eerstgenoemde school of scholengemeenschap.
3.
Het dienstverband tussen het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap als bedoeld in artikel XXXIII, eerste juncto derde lid, waaraan een afdeling voor zeer moeilijk lerende kinderen is verbonden, en een personeelslid dat op 31 juli 1998 in dienst is bij dat bevoegd gezag, wordt met ingang van 1 augustus 1998 voortgezet door het bevoegd gezag van de speciale school voor basisonderwijs die uit die school of scholengemeenschap is ontstaan, ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan de afdeling als bedoeld in artikel XXXIII, tweede lid, voor zover
a. het dienstverband gezien de op 31 juli 1998 geldende rechten en verplichtingen op 1 augustus 1998 zou zijn gehandhaafd, en
b. het personeelslid op 31 juli 1998 werkzaam was binnen eerstgenoemde afdeling.
4.
De voortzetting per 1 augustus 1998 van een dienstverband als bedoeld in de voorgaande leden geschiedt zoveel mogelijk met inachtneming van de rechten en verplichtingen die onder de werking van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs per die datum in dat dienstverband zouden hebben gegolden en, voor wat betreft personeelsleden als bedoeld in het eerste lid, onverminderd de artikelen XLI tot en met XLIII en artikel XLVII.
5.
In afwijking van het eerste tot en met het derde lid wordt het dienstverband tussen het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap als bedoeld in die leden en de directeur van die school of scholengemeenschap met ingang van 1 augustus 1998 voortgezet door het bevoegd gezag van de speciale school voor basisonderwijs, ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan zowel de speciale school voor basisonderwijs als de daaraan verbonden afdeling, voor zover het dienstverband, gezien de op 31 juli 1998 geldende rechten en verplichtingen, op 1 augustus 1998 zou zijn gehandhaafd.
1.
Met ingang van 1 augustus 1998 komt behoudens het gestelde in het tweede lid voor bekostiging op grond van deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs in aanmerking een school voor voortgezet speciaal onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden of moeilijk lerende kinderen.
2.
Artikel XXXIII, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
Het dienstverband met het personeel wordt voortgezet voor zover het gezien de op 31 juli 1998 geldende rechten en verplichtingen op 1 augustus 1998 zou zijn gehandhaafd.
1.
Aan een speciale school voor basisonderwijs die is ontstaan uit een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel XXXIII, eerste lid onder c, of een scholengemeenschap voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel XXXIII, eerste lid onder d , is in de periode vanaf 1 augustus 1998 tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden of moeilijk lerende kinderen verbonden die is ontstaan uit het voortgezet speciaal onderwijs van laatstgenoemde school.
2.
Artikel XXXIII, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
Op de afdeling zijn deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs en de daarop gebaseerde algemeen verbindende voorschriften en terzake vastgestelde beleidsregels van toepassing zoals deze luiden voor het desbetreffende onderwijs, met dien verstande dat bedoelde algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk ministeriële regeling of beleidsregels kunnen worden aangepast.
4.
De leerlingen van de afdeling tellen niet mee voor de berekening van de formatie en de vergoeding voor de kosten van vervanging van personeel, schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening, nascholing en materiële instandhouding van de speciale school voor basisonderwijs.
5.
In afwijking van artikel 14, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 22, eerste lid, eerste volzin, van deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs kan aan een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling als bedoeld in dit artikel slechts een directeur verbonden zijn. In afwijking van artikel 20a, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 28a, tweede lid, van deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, geldt de benoeming van deze directeur ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan door het bevoegd gezag in stand gehouden scholen als bedoeld in eerstgenoemde wet en deel II van laatstgenoemde wet.
6.
Artikel 3, vijfde lid, onder b, en zesde lid, van de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 is van overeenkomstige toepassing op een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling als bedoeld in dit artikel.
1.
Een afdeling voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters die op 31 juli 1998 was verbonden aan een school voor speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan zeer moeilijk opvoedbare kinderen is tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum verbonden aan die school.
3.
Op de afdeling, bedoeld in het eerste lid, zijn de Wet op de expertisecentra en de daarop gebaseerde algemeen verbindende voorschriften en terzake vastgestelde beleidsregels van toepassing, met dien verstande dat bedoelde algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk ministeriële regeling of beleidsregels kunnen worden aangepast.
4.
In afwijking van artikel 22, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op de expertisecentra en artikel 22, eerste lid, eerste volzin, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals luidend op 31 juli 1998 kan aan een school met een afdeling als bedoeld in dit artikel, slechts een directeur verbonden zijn. In afwijking van artikel 28a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 28a, tweede lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals luidend op 31 juli 1998, geldt de benoeming van deze directeur ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan door het bevoegd gezag in stand gehouden scholen als bedoeld in eerstgenoemde en laatstgenoemde wet.
ARTIKEL XL. BEGRIPSBEPALINGEN
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. personeelslid met een werkgelegenheidsgarantie: een personeelslid als bedoeld in artikel XXXV, eerste lid, van wie de functie op 31 juli 1998 was opgenomen in de formatie als bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder a van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, voorzolang en voorzover dat personeelslid zonder onderbreking in dienst is bij
1°. het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel XXXV, eerste lid, ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan die school, of
2°. het bevoegd gezag van een andere speciale school voor basisonderwijs waarbij dat personeelslid in aansluiting op het onder 1° bedoelde dienstverband wordt herplaatst in een functie als bedoeld in artikel XLII ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan die school;
b. samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel XXXII, eerste lid, dat is goedgekeurd door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
c. zorgformatie voor de basisscholen: de formatie die aan het bevoegd gezag van alle scholen in een samenwerkingsverband dan wel, indien verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in een samenwerkingsverband, de centrale dienst op grond van artikel 96h, eerste of tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs is toegekend, verminderd met de WSNS-faciliteiten ad f 28,– per basisschoolleerling die in het schooljaar 1998–1999 ten behoeve van de basisscholen in het samenwerkingsverband zijn toegekend;
d. zorgformatie voor de speciale scholen voor basisonderwijs: de formatie waarover de bevoegde gezagsorganen van de gezamenlijke scholen voor speciaal onderwijs in een samenwerkingsverband beschikken op grond van artikel 96b1, eerste lid, onder c, van de Wet op het primair onderwijs;
e. zorgformatie voor de gezamenlijke scholen: de som van de zorgformatie, bedoeld onder c en d.
1.
Aan een personeelslid met een werkgelegenheidsgarantie wordt tot en met 31 juli 2003 geen ontslag verleend dat in verband staat met de inzet of de wijziging van de inzet in een samenwerkingsverband van:
a. de zorgformatie voor de basisscholen,
b. de zorgformatie voor de speciale school of scholen voor basisonderwijs van het bevoegd gezag waarbij het betrokken personeelslid is benoemd, of
c. de overgangsformatie als bedoeld in de artikelen XLV en XLVI.
2.
In het schooljaar 1998–1999 vindt het eerste lid toepassing ten aanzien van de formatie, bedoeld in artikel XLV, eerste lid, die de in het eerste lid bedoelde school of scholen voor dat schooljaar is toegekend, exclusief de formatie waarop die school of scholen bij toepassing van artikel 96b1, eerste lid, onder a en b, van de Wet op het primair onderwijs aanspraak zouden hebben gemaakt.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing indien:
a. het betrokken personeelslid gelijktijdig wordt herplaatst in een functie als bedoeld in artikel XLII, of
b. het betrokken personeelslid herplaatsing in een functie als bedoeld onder a weigert.
4.
Indien de omvang van de nieuwe functie, bedoeld in het derde lid, onder a en b, kleiner is dan de omvang van de functie waaruit ontslag wordt verleend, wordt dat ontslag slechts verleend voor dat deel van de oude functie dat qua omvang overeenkomt met de nieuwe functie.
5.
Bij een ontslag in een geval als bedoeld in het derde lid, onder a of b, is artikel I-P85, eerste lid, eerste volzin, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, niet van toepassing.
1.
Herplaatsing van een personeelslid met een werkgelegenheidsgarantie geschiedt zo mogelijk in een functie of functies met dezelfde omvang, dezelfde inhoud, dezelfde maximumschaal en hetzelfde carrièrepatroon als de functie waaruit ontslag wordt verleend, met dien verstande dat
a. leraren en directieleden ten minste in aanmerking komen voor de functie van groepsleraar basisonderwijs, dan wel een andere onderwijsgevende functie waarvan de maximumschaal niet lager is dan de maximumschaal behorende bij eerstgenoemde functie;
b. voor een voormalig directeur de maximumschaal behorende bij de nieuwe functie niet meer dan twee schalen lager mag zijn dan de maximumschaal behorende bij de oude functie;
c. voor een lid van het onderwijsondersteunend personeel de maximumschaal behorende bij de nieuwe functie niet meer dan één schaal lager mag zijn dan de maximumschaal behorende bij de oude functie.
2.
Een herplaatsing als bedoeld in het eerste lid geschiedt
a. in een functie bij het bevoegd gezag van een school, instelling of centrale dienst als bedoeld in
1°. de Wet op het primair onderwijs ,
2°. de Wet op de expertisecentra ,
3°. deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs,
b. in vaste dienst, en
c. in een functie die is opgenomen in de formatie, bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder a, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel.
1.
Een personeelslid met een werkgelegenheidsgarantie dat zowel op 31 juli 1996 als op 31 juli 1998 was benoemd bij het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap als bedoeld in artikel XXXIII, eerste lid, heeft bij herplaatsing in een nieuwe functie als bedoeld in artikel XLII ten minste aanspraak op salariëring volgens het carrièrepatroon dat in de oude functie laatstelijk voor hem gold, alsmede op behoud van het uitzicht op de maximumschaal welke in die functie laatstelijk voor hem gold. De in de eerste volzin bedoelde aanspraak geldt niet voor zover de omvang van de nieuwe functie de omvang van de oude functie overschrijdt.
2.
Bij een herplaatsing als bedoeld in het eerste lid wordt het verbruik van formatierekeneenheden, bedoeld in artikel I-P78 van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, voor het betrokken personeelslid gebaseerd op de maximumschaal en het carrièrepatroon behorende bij de oude functie, tenzij het verbruik behorende bij de nieuwe functie gelijk of hoger is.
3.
Indien de herplaatsing, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt in
a. een functie aan een of meer basisscholen,
b. het bij die functie behorende verbruik van formatierekeneenheden lager is dan het verbruik op grond van de oude functie,
c. herplaatsing in een functie met hetzelfde verbruik van formatierekeneenheden als de oude functie niet mogelijk is,
d. de benoeming in de oude functie uitsluitend gecontinueerd had kunnen worden met behulp van formatierekeneenheden als bedoeld in artikel XLIV, eerste lid, en
e. is voldaan aan de in het vierde lid bedoelde regels, heeft het bevoegd gezag waarbij het personeelslid wordt herplaatst voor de duur van het dienstverband met dat personeelslid aanspraak op een vergoeding van rijkswege ter grootte van het verschil in verbruik van formatierekeneenheden tussen de oude en de nieuwe functie.
4.
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen kan ter uitvoering van het derde lid nadere regels stellen.
1.
Indien het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs in enig schooljaar over onvoldoende formatierekeneenheden beschikt om de dienstbetrekking in stand te houden met een personeelslid met een werkgelegenheidsgarantie, dan draagt het bevoegd gezag van alle scholen in een samenwerkingsverband, dan wel, indien verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in het verband, het bestuur van de centrale dienst van het verband het equivalent van het tekort aan formatierekeneenheden over aan het bevoegd gezag van eerstgenoemde school.
2.
De verplichting, bedoeld in het eerste lid, heeft maximaal betrekking op de zorgformatie voor de basisscholen en de eventuele overgangsformatie, bedoeld in artikel XLV, tweede lid, waarop aanspraak bestaat in het desbetreffende schooljaar, vermeerderd met de eventuele overgangsformatie, bedoeld in artikel XLVI, waarop aanspraak bestaat in het desbetreffende schooljaar of, indien niet is voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid onder b, van dat artikel, aanspraak zou hebben bestaan indien daaraan wel zou zijn voldaan. Artikel 96c1, zesde en zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs is van overeenkomstige toepassing.
3.
Indien het bevoegd gezag van alle scholen in een samenwerkingsverband, dan wel, indien verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in het verband, het bestuur van de centrale dienst van het verband tevens formatie overdraagt op grond van artikel 96c1, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, dan wordt die formatie voor de toepassing van het tweede lid in mindering gebracht op de zorgformatie voor de basisscholen en de eventuele overgangsformatie, bedoeld in artikel XLV, tweede lid. Indien de op grond van eerstgenoemd artikellid overgedragen formatie meer bedraagt dan de genoemde zorgformatie en eventuele overgangsformatie, dan blijft het meerdere voor de toepassing van het tweede lid buiten beschouwing. Indien de overdracht van formatie, bedoeld in de eerste volzin, plaatsvindt met toepassing van artikel 96c1, vierde lid, tweede volzin, van de Wet op het primair onderwijs, dan wordt ter uitvoering van de eerste volzin uitgegaan van de formatie welke zonder die toepassing overgedragen had moeten worden.
4.
Het reglement, bedoeld in artikel 13c van de Wet op het primair onderwijs, bepaalt de wijze waarop de omvang wordt vastgesteld van het tekort, bedoeld in het eerste lid, respectievelijk van het aandeel van de onderscheiden basisscholen in de overdracht van formatierekeneenheden als bedoeld in dat lid.
5.
Artikel 96c1, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel XLV, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Voor het schooljaar 1998–1999 wordt de formatie voor speciale scholen voor basisonderwijs in afwijking van artikel 96b1 van de Wet op het primair onderwijs bepaald met toepassing van het Formatiebesluit ISOVSO 1992 , zoals dat besluit luidde op 31 juli 1998, met dien verstande dat die formatie ten minste wordt bepaald op de formatie die de desbetreffende school op grond van genoemd besluit, respectievelijk de voor het schooljaar 1997–1998 geldende beleidsregels, op 31 juli 1998 van het Rijk ontving. Gedurende het schooljaar 1998–1999 vindt geen verhoging van de formatie plaats op grond van de artikelen 8 en 9 van genoemd besluit.
2.
Indien, in geval van toepasselijkheid van de artikelen 96b1 en 96h van de Wet op het primair onderwijs, in een samenwerkingsverband de som van de zorgformatie voor de gezamenlijke scholen en de formatie krachtens artikel 96b1, eerste lid, onder a en b, van genoemde wet in het schooljaar 1998–1999 minder zou zijn geweest dan de formatie, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, die de speciale scholen voor basisonderwijs op 31 juli 1998 ontvingen, dan heeft het bevoegd gezag van alle scholen in een samenwerkingsverband, dan wel, indien verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in het verband, het bestuur van de centrale dienst van het verband in de schooljaren 1999–2000 tot en met 2002–2003 aanspraak op het volgende percentage van het verschil:
a. voor het schooljaar 1999–2000: 80%,
b. voor het schooljaar 2000–2001: 60%,
c. voor het schooljaar 2001–2002: 40%,
d. voor het schooljaar 2002–2003: 20%.
3.
Indien de in het tweede lid bedoelde som in enig van de in dat lid genoemde schooljaren toeneemt, dan wordt het voor het desbetreffende schooljaar geldende percentage toegepast op het verschil tussen die toegenomen som en de formatie, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, die de speciale scholen voor basisonderwijs op 31 juli 1998 ontvingen.
4.
Indien een speciale school voor basisonderwijs deelneemt in meer dan een samenwerkingsverband, dan wordt voor de toepassing van het tweede en derde lid de formatie welke die school op 31 juli 1998 ontving, toegerekend aan de samenwerkingsverbanden naar rato van het aantal basisschoolleerlingen van elk samenwerkingsverband.
5.
Voor de toepassing van de voorgaande leden worden de speciale scholen voor basisonderwijs in het schooljaar 1997–1998 aangemerkt als de scholen of scholengemeenschappen of delen daarvan, bedoeld in artikel XXXIII, eerste lid, waaruit zij zijn ontstaan.
7.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, zonodig in afwijking van dit artikel, nadere regels worden gesteld voor de berekening van de formatieve aanspraken ingevolge dit artikel.
1.
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kan, voor de eerste maal met ingang van 1 augustus 1999, op aanvraag van de bevoegde gezagsorganen van de gezamenlijke basisscholen in een samenwerkingsverband besluiten extra formatierekeneenheden toe te kennen aan het bevoegd gezag van alle scholen in een samenwerkingsverband, dan wel, indien verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in het verband, het bestuur van de centrale dienst van het verband, voor zover de zorgformatie voor de basisscholen, vermeerderd met de overgangsformatie als bedoeld in artikel XLV, tweede lid, ontoereikend is om te voldoen aan de overdrachtsverplichting ingevolge artikel XLIV.
2.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt slechts ingewilligd indien
a. het betrokken bevoegd gezag of het bestuur van de betrokken centrale dienst aanspraak maakt op overgangsformatie als bedoeld in artikel XLV, tweede lid, en
b. het betrokken bevoegd gezag of de betrokken bevoegde gezagsorganen aantonen zich voldoende te hebben ingespannen om personeelsleden met een werkgelegenheidsgarantie te herplaatsen in functies als bedoeld in artikel XLII aan basisscholen in het desbetreffende samenwerkingsverband.
3.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt niet ingewilligd voor zover dit verzoek betrekking heeft op de meerdere overgedragen formatie als bedoeld in artikel XLIV, derde lid, tweede volzin.
1.
Een personeelslid met een werkgelegenheidsgarantie, wiens dienstbetrekking uitsluitend in stand kan worden gehouden met behulp van formatierekeneenheden als bedoeld in artikel XLIV, eerste lid, is verplicht andere hem door het bevoegd gezag opgedragen werkzaamheden te verrichten aan de eigen of een andere instelling in het samenwerkingsverband, die in het kader van de door hem vervulde functie passend zijn te achten, dan wel een functie te aanvaarden als bedoeld in artikel XLII .
2.
In het schooljaar 1998–1999 is het eerste lid van toepassing ten aanzien van een personeelslid met een werkgelegenheidsgarantie wiens dienstbetrekking uitsluitend in stand kan worden gehouden met formatierekeneenheden als bedoeld in artikel LI, onder b.
3.
Het bevoegd gezag kan een personeelslid als bedoeld in het eerste lid, wiens dienstbetrekking uitsluitend in stand kan worden gehouden met behulp van extra formatierekeneenheden als bedoeld in artikel XLVI, eerste lid, tevens een scholingsplicht of een sollicitatieplicht opleggen. Op deze plichten zijn artikel I-P84, derde lid, respectievelijk artikel I-P86 van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat die plichten maximaal kunnen strekken tot scholing voor of sollicitatie naar een functie als bedoeld in artikel XLII, eerste lid, bij het bevoegd gezag van een instelling in de sector Onderwijs en Wetenschappen.
1.
Voor de periode vanaf 1 augustus 1998 tot en met 31 december 1998 wordt de vergoeding voor de materiële instandhouding voor basisscholen in afwijking van artikel 92 van de Wet op het primair onderwijs bepaald met toepassing van de Wet op het basisonderwijs en de daarop gebaseerde algemeen verbindende voorschriften en terzake vastgestelde beleidsregels, zoals deze luidden op 31 juli 1998.
2.
Het eerste lid is onverminderd artikel 92, vijfde lid, van de Wet op het basisonderwijs zoals deze luidde op 31 juli 1998 van overeenkomstige toepassing op de periode vanaf 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999, met dien verstande dat de teldatum 1 oktober 1998 onderscheidenlijk, bij toepassing van artikel 100, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs 1 maart 1999 wordt gehanteerd en de bedragen in de programma's van eisen met ingang van 1 januari 1999 worden aangepast overeenkomstig artikel 92, zesde lid, van de Wet op het basisonderwijs, zoals deze luidde op 31 juli 1998.
3.
Basisscholen die deel uitmaken van een samenwerkingsverband dat de instemming, bedoeld in artikel 13a, zevende lid, heeft verkregen, hebben in de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 aanspraak op een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag vermenigvuldigd met 2% van het aantal leerlingen van de school op de voor de desbetreffende periode geldende teldatum.
1.
Voor de periode van 1 augustus 1998 tot en met 31 december 1998 wordt de vergoeding voor de materiële instandhouding voor speciale scholen voor basisonderwijs in afwijking van artikel 92 van de Wet op het primair onderwijs bepaald met toepassing van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de daarop gebaseerde algemeen verbindende voorschriften en terzake vastgestelde beleidsregels, zoals deze luidden op 31 juli 1998. Daarbij wordt uitgegaan van het aantal leerlingen dat op 1 oktober 1997 onderscheidenlijk, bij toepassing van artikel 97, zevende lid, van laatstgenoemde wet op 16 januari 1998 was ingeschreven bij de afzonderlijke soorten speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder i, l en o, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs van de school, scholengemeenschap of delen daarvan waaruit de desbetreffende school is ontstaan.
2.
De eerste volzin van het eerste lid is onverminderd artikel 89, vijfde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals deze luidde op 31 juli 1998 van overeenkomstige toepassing op de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 met dien verstande dat
a. de bedragen in de programma's van eisen worden aangepast overeenkomstig artikel 89, zesde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, zoals deze luidde op 31 juli 1998 en
b. de programma's van eisen voor de afzonderlijke soorten speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder i, l en o van die wet worden samengevoegd tot programma's van eisen die gelden voor alle speciale scholen voor basisonderwijs.
3.
Voor de in het tweede lid bedoelde periode wordt uitgegaan van het aantal leerlingen dat op 1 oktober 1998 onderscheidenlijk, bij toepassing van artikel 97, zevende lid, van laatstgenoemde wet op 16 januari 1999 was ingeschreven bij de speciale school voor basisonderwijs.
1.
In het schooljaar 1998–1999 wordt ten behoeve van besteding aan personele uitgaven aan de basisscholen naast de formatie, bedoeld in artikel 96a, eerste lid onder a en b, van de Wet op het primair onderwijs verstrekt:
a. een bedrag van f 28,- per leerling op basis van 103% van het feitelijke aantal leerlingen op 1 oktober 1997, en
b. in voorkomende gevallen het bedrag, bedoeld in het tweede lid.
2.
Indien in het schooljaar 1998–1999 in een samenwerkingsverband de som van de formatierekeneenheden op grond van de artikelen 96b1 en 96h van de Wet op primair onderwijs hoger zou zijn geweest dan de som van de op grond van artikel XLV, eerste lid, toegekende formatierekeneenheden en de in formatierekeneenheden uitgedrukte middelen bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt aan de gezamenlijke basisscholen in dat verband een bedrag toegekend dat overeen komt met de geldswaarde van het verschil tussen beide sommen. Het Rijk verdeelt dit bedrag naar rato van het aantal leerlingen van elk van die basisscholen op 1 oktober 1997.
3.
Indien een speciale school voor basisonderwijs deelneemt aan meer dan een samenwerkingsverband, dan wordt voor de toepassing van het tweede lid de formatie van die school toegerekend aan de samenwerkingsverbanden naar rato van het aantal basisschoolleerlingen van elk van die verbanden op 1 oktober 1997.
4.
In afwijking van artikel 105i van de Wet op het primair onderwijs en het eerste lid mag 10% van de vergoeding op grond van het eerste tot en met derde lid worden besteed aan materiële instandhouding.
a. de bedragen die aan de basisscholen in een samenwerkingsverband op grond van artikel L worden toegekend en
b. indien de formatie, bedoeld in artikel XLV, eerste lid, die voor het schooljaar 1998–1999 wordt toegekend gelijk is aan de formatie die de desbetreffende speciale school voor basisonderwijs op 31 juli 1998 ontving, het in formatierekeneenheden uitgedrukte verschil met de formatie waarop die school in genoemd schooljaar op grond van het Formatiebesluit ISOVSO 1992 recht zou hebben gehad.
a. gelden de bij ministeriële regeling van 29 september 1999 (Uitleg OCenW-regelingen 1999, nr. 24) vastgestelde programma's van eisen voor de basisscholen en de speciale scholen voor het basisonderwijs uitsluitend voor de jaren 2000 en 2001; en
b. begint op 1 januari 2002 een nieuwe periode van vijf jaar als bedoeld in dat lid.
2.
Met ingang van 1 januari 2002 gelden voor de periode, bedoeld in het eerste lid, onder b, de bij ministeriële regeling van 27 september 2001 (Uitleg OCenW-regelingen 2001, nr. 25) vastgestelde programma's van eisen basisonderwijs.
1.
Voor het speciaal onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden, moeilijk lerende kinderen of in hun ontwikkeling bedreigde kleuters van scholen onderscheidenlijk afdelingen die op 31 juli 1998 voor bekostiging in aanmerking kwamen, vindt de toepassing van de overschrijdingsregeling voor de periode tot en met die datum plaats op basis van de artikelen 102b tot en met 102h van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals die luidden op die datum. De termijnen waarop de laatste vaststellingen, bedoeld in artikel 102d, zesde en zevende lid, en artikel 102e, eerste lid, van die wet betrekking hebben, eindigen op die datum en worden dienovereenkomstig ingekort.
2.
Voor speciale scholen voor basisonderwijs vindt de toepassing van de overschrijdingsregeling voor de periode vanaf 1 augustus 1998 plaats op basis van de artikelen 105b tot en met 105g van de Wet op het primair onderwijs. De termijnen waarop de eerste vaststellingen, bedoeld in artikel 105d, eerste, zesde en zevende lid, en artikel 105e, eerste lid, van die wet betrekking hebben, beginnen op die datum en worden dienovereenkomstig ingekort. De termijn waarop de eerste vaststelling, bedoeld in artikel 105c, van die wet betrekking heeft, begint op 1 januari 1999.
1.
Een personeelslid dat op 31 juli 1998 in dienst van een bevoegd gezag onderwijs geeft als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals luidend op die datum en bevoegd is op basis van artikel 111, derde lid, van die wet, is bevoegd tot het geven van het onderwijs, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 13, tweede lid, van deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs voor de duur van het dienstverband met bedoeld bevoegd gezag of de rechtsopvolger van dat bevoegd gezag.
2.
Voor een een personeelslid dat met toepassing van artikel 3, zevende lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs is aangesteld of benoemd in het schooljaar 1997–1998 en waarvan de aanstelling of benoeming eindigt in het schooljaar 1998–1999, kan tot het eind van die aanstelling of benoeming worden afgeweken van de eisen van benoembaarheid, gesteld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet op het primair onderwijs.
1.
De goedkeuring op grond van artikel 11, zevende lid, van de Wet op het basisonderwijs zoals dit artikellid luidde op 31 juli 1998, blijft van kracht gedurende de termijn die daarvoor in de goedkeuringsbeschikking is opgenomen.
2.
Gedurende 2 schooljaren, volgend op de datum waarop de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, is geëindigd, is artikel 107 van de Wet op het primair onderwijs niet van toepassing op de school die door het vervallen van de goedkeuring niet meer voldoet aan de opheffingsnorm.
1.
De Wet op het basisonderwijs en de daarop gebaseerde algemeen verbindende voorschriften en terzake vastgestelde beleidsregels zoals deze luidden op 31 juli 1998 blijven van toepassing op
a. aanvragen die binnen de daarvoor gestelde termijn zijn ingediend op grond van
1°. die wet, voorschriften of beleidsregels en betrekking hebben op de periode voor 1 augustus 1998,
2°. artikel L juncto die wet, voorschriften of beleidsregels en betrekking hebben op de periode voor 1 augustus 1999, en
3°. artikel XLVIII juncto die wet, voorschriften of beleidsregels en betrekking hebben op de periode voor 1 januari 2000,
b. bezwaarschriften en beroepschriften die binnen de daarvoor geldende termijn zijn ingediend met betrekking tot
1°. die wet, voorschriften of beleidsregels en betrekking hebben op de periode voor 1 augustus 1998,
2°. artikel L juncto die wet, voorschriften of beleidsregels, voor zover deze betrekking hebben op de periode voor 1 augustus 1999, en
3°. artikel XLVIII juncto die wet, voorschriften of beleidsregels, voor zover deze betrekking hebben op de periode voor 1 januari 2000,
c. de afrekening van de vergoedingen op grond van
1°. die wet, voorschriften of beleidsregels voor de periode voor 1 augustus 1998,
2°. artikel L juncto die wet, voorschriften of beleidsregels voor de periode voor 1 augustus 1999, en
3°. artikel XLVIII juncto die wet, voorschriften of beleidsregels voor de periode voor 1 januari 2000.
2.
De Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de daarop gebaseerde algemeen verbindende voorschriften en terzake vastgestelde beleidsregels zoals deze luidden op 31 juli 1998 blijven van toepassing op
a. aanvragen die binnen de daarvoor gestelde termijn zijn ingediend op grond van
1°. die wet, voorschriften of beleidsregels en betrekking hebben op de periode voor 1 augustus 1998,
2°. artikel XLV juncto die wet, voorschriften of beleidsregels en betrekking hebben op de periode voor 1 augustus 1999, en
3°. artikel IL juncto die wet, voorschriften of beleidsregels en betrekking hebben op de periode voor 1 januari 2000,
b. bezwaarschriften en beroepschriften die binnen de daarvoor geldende termijn zijn ingediend met betrekking tot
1°. die wet, voorschriften of beleidsregels en betrekking hebben op de periode voor 1 augustus 1998,
2°. artikel XLV juncto die wet, voorschriften of beleidsregels, voor zover deze betrekking hebben op de periode voor 1 augustus 1999, en
3°. artikel IL juncto die wet, voorschriften of beleidsregels, voor zover deze betrekking hebben op de periode voor 1 januari 2000,
c. de afrekening van de vergoedingen op grond van
1°. die wet, voorschriften of beleidsregels voor de periode voor 1 augustus 1998,
2°. artikel XLV juncto die wet, voorschriften of beleidsregels voor de periode voor 1 augustus 1999, en
3°. artikel IL juncto die wet, voorschriften of beleidsregels voor de periode voor 1 januari 2000.
1.
Met ingang van 1 augustus 1998 worden de regionale verwijzingscommissies, bedoeld in artikel 32a van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals dit artikel luidde op 31 juli 1998, omgezet in regionale verwijzingscommissies als bedoeld in artikel 13e1 van de Wet op het primair onderwijs en zijn, voor zover bij algemene maatregel van bestuur niet anders wordt bepaald, de regio's, bedoeld in artikel 13e1, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs de regio's die op grond van artikel 32a, tweede lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, zoals luidend vóór de inwerkingtreding van deze wet, werden vastgesteld.
2.
Indien bij algemene maatregel van bestuur de regio-indeling, bedoeld in het eerste lid, wordt gewijzigd, wordt bij die algemene maatregel van bestuur bepaald welke van de in dat lid bedoelde regionale verwijzingscommissies dan wel welke andere regionale verwijzingscommissies voor de nieuwe regio's werkzaam zullen zijn.
1.
Waar in overgangsbepalingen, bepalingen die toekomstige wijzigingen bevatten of inwerkingtredingsbepalingen van wetten wordt verwezen naar artikelen, hoofdstukken, titels, afdelingen en paragrafen van de Wet op het basisonderwijs , de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs , de Wet op het primair onderwijs , de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend voor de plaatsing in het Staatsblad en de vernummering van artikelen, hoofdstukken, titels, afdelingen en paragrafen van de drie laatstgenoemde wetten, wordt geacht te zijn verwezen of mede te zijn verwezen naar de daarmee overeenstemmende artikelen, hoofdstukken, titels, afdelingen en paragrafen van de Wet op het primair onderwijs , de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend na die plaatsing in het Staatsblad en vernummering. Daarbij worden verwijzingen naar onderdelen van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs voor zover het betreft het voortgezet speciaal onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden of moeilijk lerende kinderen geacht te zijn gedaan naar de overeenkomstige onderdelen van deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2.
Waar in overgangsbepalingen, bepalingen die toekomstige wijzigingen bevatten of inwerkingtredingsbepalingen van wetten wordt verwezen naar de Wet op het basisonderwijs of de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs , wordt geacht te zijn verwezen naar de Wet op het primair onderwijs onderscheidenlijk de Wet op de expertisecentra of, voor zover het betreft het voortgezet speciaal onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden of moeilijk lerende kinderen, naar deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
1.
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 augustus 1998, met uitzondering van
a. artikel I, onderdeel H, voor wat betreft artikel 13d, en artikel XXXII, die in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en
b. artikel XLIV, dat in werking treedt met ingang van 1 augustus 1999.
2.
Artikel I is voor wat betreft de datum 1 mei in artikel 13b, eerste lid, voor het eerst van toepassing op het schooljaar 1999–2000.
3.
Artikel I is voor wat betreft artikel 13c, tweede lid onder a, voor het eerst van toepassing op de inzet van de formatie voor het schooljaar 1999–2000.
4.
Artikel I is voor wat betreft de artikelen 92 en 94 voor het eerst van toepassing op de programma's van eisen voor het jaar 2000 en voor wat betreft artikel 95b op de overdracht van de vergoeding voor materiële instandhouding met betrekking tot het jaar 2000.
5.
Artikel I is voor wat betreft artikel 96b1 en artikel 96h voor het eerst van toepassing op de formatie voor het schooljaar 1999–2000.
6.
Artikel I is voor wat betreft de artikelen 96c1 en 96c2 voor het eerst van toepassing op de overdracht van formatierekeneenheden ten behoeve van het schooljaar 1999–2000.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 2 april 1998
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Uitgegeven de achtentwintigste april 1998
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ 1. WIJZIGING, INTREKKING EN PLAATSING IN STAATSBLAD VAN DIVERSE WETTEN
+ 2. OVERGANGS- EN INVOERINGSBEPALINGEN
+ 3. INWERKINGTREDING
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht