Wet van 12 mei 2005 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met decentralisatie van de vervangingsuitgaven en van de wachtgelduitgaven (decentralisatie vervangingsuitgaven en wachtgelduitgaven vo)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bevoegde gezagsorganen in het voortgezet onderwijs zelf verantwoordelijkheid te laten dragen voor de vervanging bij afwezigheid van personeel;
dat het tevens wenselijk is bevoegde gezagsorganen in het voortgezet onderwijs zelf verantwoordelijkheid te laten dragen voor kosten van werkloosheidsuitkeringen;
dat het met het oog daarop noodzakelijk is de Wet op het voortgezet onderwijs aan te passen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
Op geschillen die in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn of binnen de bezwaar- of beroepstermijn dan wel verschoonbaar daarbuiten aanhangig zijn gemaakt tegen voor de inwerkingtreding van dit lid genomen besluiten van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98a, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van dit lid, blijven de op die datum geldende regelingen van toepassing. De eerste volzin is hangende het bezwaar, beroep of hoger beroep van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot het intrekken en vervangen van besluiten die tot de aldaar bedoelde geschillen hebben geleid.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van dit lid.
1.
Scholen kunnen uiterlijk tot de eerste dag van de derde kalendermaand na de inwerkingtreding van dit artikel een verzoek richten tot de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98a, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op 31 december 2001, tot het voor hen uitvoeren van de uit dat artikellid voortvloeiende werkzaamheden ten aanzien van vervangingen in de periode tot en met de dag voor de inwerkingtreding van dit artikel.
2.
De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, verricht de aldaar bedoelde werkzaamheden voor de laatste dag van de vijfde kalendermaand na de inwerkingtreding van dit artikel.
Artikel IV. Overgangsbepaling afhandeling liggende aanvragen participatiefonds
De rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van dit artikel:
a. handelt aanvragen als bedoeld in artikel 96o, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op die dag, die betrekking hebben op ontslagen die uiterlijk op die dag worden geëffectueerd, af volgens de op die dag ter zake geldende regels;
b. laat aanvragen als bedoeld in onderdeel a die voor die dag zijn ingediend en betrekking hebben op ontslagen die na die dag worden geëffectueerd, buiten verdere behandeling.
1.
De rechtspersoon, bedoeld in artikel 98a, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van dit lid, brengt voor de eerste dag van de negende maand na de inwerkingtreding van dit lid aan Onze Minister over de periode waarover artikel 123a, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat artikel luidde op de dag voor de inwerkingtreding van dit lid, nog geen toepassing heeft gevonden, verslag uit over zijn werkzaamheden, voortvloeiend uit artikel 98a van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van dit lid. Dit verslag heeft eveneens betrekking op de werkzaamheden die op grond van artikel III, tweede lid, zijn verricht.
2.
Artikel 123a, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van dit lid, is van overeenkomstige toepassing op het in het eerste lid bedoelde verslag, met dien verstande dat in plaats van de datum 1 mei wordt gelezen: voor de eerste dag van de tiende maand na de inwerkingtreding van dit lid.
3.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van dit lid, met dien verstande dat de laatste volzin van het eerste lid wordt gelezen: Dit verslag heeft eveneens betrekking op de werkzaamheden die op grond van artikel IV zijn verricht.
Artikel VI. Financiële afwikkeling eigenwachtgelderbepaling
Artikel 96o, eerste en vierde tot en met zevende lid, en artikel 96q.1 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van dit artikel blijven van kracht met betrekking tot de bekostiging, bedoeld in artikel 96m, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voorzover de inhoudingen op grond van genoemde artikelen betrekking hebben op de periode tot de inwerkingtreding van dit artikel.
Artikel VIa. Financiële afwikkeling negatief getoetsten
Artikel 96o, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van dit artikel blijft van kracht met betrekking tot de bekostiging, bedoeld in artikel 96m, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor zover de inhoudingen op grond van eerstgenoemd artikellid betrekking hebben op de periode tot de inwerkingtreding van dit artikel.
1.
Tot het tijdstip waarop de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 96n, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs in werking treedt, wordt binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, jaarlijks de vermindering van de bekostiging in verband met de kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid anders dan op grond van de Ziektewet aan gewezen personeel van scholen vastgesteld bij ministeriële regeling.
2.
Een in het eerste lid bedoelde ministeriële regeling wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De regeling treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die regeling geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
1.
De rechtspersoon, bedoeld in artikel 98a, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van dit artikel, stelt per de dag van de inwerkingtreding van dit artikel, vast hoeveel hij in de periode van 1 augustus 1992 tot de dag van de inwerkingtreding van dit artikel aan bijdragen als bedoeld in dat artikel heeft ontvangen van het bevoegd gezag van scholen als bedoeld in dat artikel en van het bestuur van centrale diensten als bedoeld in dat artikel. Vervolgens stelt de rechtspersoon vast hoeveel hij in de periode 1 augustus 1992 tot de dag van de inwerkingtreding van dit artikel ten behoeve van vervanging bij afwezigheid van personeel van een van de in de eerste volzin bedoelde scholen en de centrale diensten heeft vergoed aan die scholen en rechtspersonen.
2.
De rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van dit artikel, stelt per de dag van de inwerkingtreding van dit artikel, vast hoeveel hij in de periode van 1 augustus 1995 tot de dag van de inwerkingtreding van dit artikel aan bijdragen als bedoeld in dat artikel heeft ontvangen van het bevoegd gezag van scholen als bedoeld in dat artikel en van het bestuur van centrale diensten als bedoeld in dat artikel. Vervolgens stelt de rechtspersoon vast hoeveel hij in de periode 1 augustus 1995 tot de dag van de inwerkingtreding van dit artikel ten behoeve van gewezen personeel van een van de in de eerste volzin bedoelde scholen en centrale diensten heeft vergoed aan de instantie die de werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid verstrekt.
3.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een verschil tussen de in de eerste respectievelijk tweede volzin van het eerste en tweede lid bedoelde inkomsten respectievelijk uitgaven wordt verrekend volgens bij deze regeling vast te stellen regels.
4.
Het bevoegd gezag van de in het eerste en tweede lid bedoelde scholen ontvangt met ingang van de dag van de inwerkingtreding van dit artikel geen bekostiging meer ten behoeve van de bijdragen die zij tot die datum op grond van het artikel, genoemd in het eerste en tweede lid, aan de rechtspersoon, bedoeld in het eerste en tweede lid, moeten voldoen.
1.
De werkingsduur van besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tot vermindering van de bekostiging op grond van de artikelen 96o, eerste en vierde lid, en 96q.1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van dit artikel, heeft betrekking op de periode tot de dag van de inwerkingtreding van dit artikel.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten van de daarin genoemde ministers over de periode van 1 april 1994 tot 1 augustus 1995 tot vermindering van de bekostiging in verband met vermijdbare ontslagen door een bevoegd gezag van scholen bekostigd op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs en door besturen van centrale diensten als bedoeld in artikel 53b van die wet.
Artikel X. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 12 mei 2005
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ,
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ,
Uitgegeven de veertiende juni 2005
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
Artikel I. Wijziging WVO
Artikel II. Overgangsbepaling aanhangige bezwaren en beroepen
Artikel III. Overgangsbepaling lopende vervangingen
Artikel IV. Overgangsbepaling afhandeling liggende aanvragen participatiefonds
Artikel V. Overgangsbepaling verslag vervangingsfonds en verslag participatiefonds
Artikel VI. Financiële afwikkeling eigenwachtgelderbepaling
Artikel VIa. Financiële afwikkeling negatief getoetsten
Artikel VII. Tijdelijke ministeriële regeling vermindering bekostiging
Artikel VIII. Bepaling saldo ontvangsten en uitgaven vervangingsfonds en participatiefonds; beëindiging bekostiging ten behoeve van bijdragen
Artikel IX. Overgangsbepaling stopzetten vermindering bekostiging
Artikel X. Inwerkingtreding
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht