Wet van 9 juli 2014 tot wijziging van onder meer de Wet participatiebudget en de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake het invoeren van een specifieke uitkering educatie en het vervallen van de verplichte besteding van educatiemiddelen bij regionale opleidingencentra
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om een specifieke uitkering educatie in te voeren, de verplichte besteding van educatiegelden bij regionale opleidingencentra te laten vervallen en in verband daarmee de Wet participatiebudget, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Les- en cursusgeldwet aan te passen;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
Voor het kalenderjaar 2015 wordt de uitkering educatie die aan een college van burgemeester en wethouders van een contactgemeente van een regio wordt verstrekt, berekend volgens de formule:
{bi: bl} x bm
waarbij wordt verstaan onder:
bi: de som van de bedragen die de gemeenten binnen deze regio voor het jaar 2014 hebben ontvangen op grond van artikel 4 van het Besluit participatiebudget zoals dat luidde op 31 december 2014;
bl: het landelijk budget educatie in het jaar 2014 ingevolge de Wet participatiebudget zoals die luidde op 31 december 2014;
bm: het totale bedrag dat door Onze Minister beschikbaar is gesteld voor uitkeringen educatie voor alle regio’s educatie voor het kalenderjaar 2015.
2.
Indien de uitkering educatie voor het kalenderjaar 2015 niet volledig is besteed, kan het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente het niet bestede bedrag tot maximaal 25% van de voor dat jaar toegekende uitkering educatie reserveren voor opleidingen educatie in het kalenderjaar 2016.
3.
Indien in het kalenderjaar 2015 meer dan de uitkering educatie is besteed aan opleidingen educatie, kan het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente het meer bestede bedrag tot maximaal 25% van de voor dat jaar toegekende uitkering educatie ten laste brengen van de uitkering educatie voor het kalenderjaar 2016.
a. ten minste 75% van de uitkering die een contactgemeente in 2015 ontvangt op grond van artikel IIIA,
b. ten minste 50% van de uitkering die een contactgemeente in 2016 ontvangt op grond van artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en
c. ten minste 25% van de uitkering die een contactgemeente in 2017 ontvangt op grond van artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
2.
Van de percentages, bedoeld in het eerste lid, kan worden afgeweken voor zover het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente daarover overeenstemming heeft bereikt met de instelling waarmee een college van burgemeester en wethouders van een gemeente in de betreffende regio een overeenkomst uitkering educatie als bedoeld in artikel 2.3.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs heeft gesloten voor het kalenderjaar, voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet.
3.
Indien de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de betreffende regio met twee of meer instellingen een overeenkomst uitkering educatie hebben gesloten voor het kalenderjaar, voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet, wordt het tweede lid voor elk van die instellingen toegepast naar rato van de educatiebedragen die voor dat jaar aan de betreffende instelling zijn betaald.
Artikel V. Toepasselijkheid oorspronkelijke bepalingen op uitkeringen en opleidingen educatie m.b.t. periode voor inwerkingtreding wet
De artikelen 1, 2, 3, 7 en 14 van de Wet participatiebudget, 1.1.1, 1.3.1, 1.3.5, 2.3.1, 2.3.3, 2.3.4, 2.3.6, 2.3.6a, 2.3.6c, 2.3.6d, 7.3.1, 8.1.1d, 8.1.3, 8.1.8a, 8.2.1 en 8.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en 1 van de Les- en cursusgeldwet zoals luidend op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet blijven van toepassing op uitkeringen en opleidingen educatie die betrekking hebben op de periode voor de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel VI. Evaluatiebepaling
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
1.
Deze wet treedt met uitzondering van artikel II, onderdeel H, in werking met ingang van 1 januari 2015. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2014, treedt deze wet met uitzondering van artikel II, onderdeel H, in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
2.
Artikel II, onderdeel H, treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te
Wassenaar, 9 juli 2014
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Uitgegeven de achttiende juli 2014
De Minister van Veiligheid en Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel I. Wijziging Wet participatiebudget
Artikel II. Wijziging Wet educatie en beroepsonderwijs
Artikel III. Wijziging Les- en cursusgeldwet
Artikel IIIa. Uitkering educatie voor het jaar 2015
Artikel IV. Overgangsrecht voor de jaren 2015–2017
Artikel V. Toepasselijkheid oorspronkelijke bepalingen op uitkeringen en opleidingen educatie m.b.t. periode voor inwerkingtreding wet
Artikel VI. Evaluatiebepaling
Artikel VII. Inwerkingtreding
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht