Wet van 24 oktober 2008 tot wijziging van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 naar aanleiding van de evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het naar aanleiding van de evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 in de praktijk, wenselijk is deze wet te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
[Wijzigt de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993.]
Artikel II
Instructeursbewijzen, afgegeven krachtens artikel 3 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen, aan houders die op 1 januari 1995 de leeftijd van 50 jaren hadden bereikt en aan wie niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 30 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993, zoals deze gold voor de inwerkingtreding van deze wet, een certificaat is afgegeven, behouden hun geldigheid tot 5 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
1.
Certificaten, afgegeven krachtens artikel 9 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993, zoals dit artikel gold voor de inwerkingtreding van deze wet, voor het rijonderricht in de motorrijtuigcategorie AM als bedoeld in de richtlijn rijbewijzen, aangewezen krachtens artikel 1, onderdeel l, van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993, aan houders die uitsluitend voor het rijonderricht in deze motorrijtuigcategorie bevoegd zijn, behouden hun geldigheid alleen voor het geven van theoretisch rijonderricht in deze motorrijtuigcategorie.
2.
Degene die in het bezit is van het certificaat, bedoeld in het eerste lid, volgt theoretische bijscholing voor het rijonderricht in de motorrijtuigcategorie A of B als bedoeld in de in het eerste lid genoemde richtlijn. De artikelen 9, eerste lid, onderdeel c, en 13 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel III
Een ontheffing, afgegeven krachtens artikel 24a van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993, zoals deze gold voor de inwerkingtreding van deze wet, behoudt haar geldigheid voor de duur waarvoor zij is verleend.
1.
Artikel 7, eerste lid, eerste volzin, en artikel 12a van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 is niet van toepassing op rijinstructeurs die in het bezit zijn van een voor de inwerkingtreding van deze wet door het instituut afgegeven certificaat of instructeursbewijs, als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993, zoals deze gold voor de inwerkingtreding van deze wet.
2.
Het instituut verleent aan degene die op het moment van inwerkingtreding van deze wet deelneemt aan een examen rijinstructeur een certificaat als bedoeld in artikel 13, onderdeel b, als deze blijkens een door het instituut afgenomen examen voldoet aan de eisen van bekwaamheid, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel a, zoals dit artikelonderdeel en deze eisen golden voor de inwerkingtreding van deze wet.
3.
In afwijking van de artikelen 9 en 13 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 verleent het instituut aan degene die rijonderricht geeft en van wie de geldigheid van het certificaat in de eerste twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze wet afloopt, een certificaat dat na die datum van afloop twaalf aaneengesloten maanden geldig is.
4.
Degene die rijonderricht geeft en van wie de geldigheid van het certificaat tussen de eerste twaalf en vierentwintig maanden na de inwerkingtreding van deze wet afloopt, volgt voor de datum waarop het certificaat afloopt éénmaal theoretische bijscholing.
5.
Degene die rijonderricht geeft en van wie de geldigheid van het certificaat tussen de eerste vierentwintig en zesendertig maanden na de inwerkingtreding van deze wet afloopt, volgt voor de datum waarop het certificaat afloopt éénmaal theoretische en éénmaal praktische bijscholing.
6.
Degene die rijonderricht geeft en van wie de geldigheid van het certificaat tussen de eerste zesendertig en achtenveertig maanden na de inwerkingtreding van deze wet afloopt, volgt voor de datum waarop het certificaat afloopt twee maal theoretische bijscholing en éénmaal praktische bijscholing.
7.
Degene die rijonderricht geeft en van wie de geldigheid van het certificaat tussen de eerste achtenveertig en zestig maanden na de inwerkingtreding van deze wet afloopt, volgt voor de datum waarop het certificaat afloopt twee maal theoretische bijscholing en twee maal praktische bijscholing.
8.
Bij een door het instituut vastgestelde beoordeling van de eerste praktische bijscholing als onvoldoende:
a. volgt de betrokkene in het geval dat het vijfde of zesde lid van toepassing is opnieuw praktische bijscholing, met dien verstande dat in het geval dat ook de beoordeling van de tweede praktische bijscholing onvoldoende is, de geldigheid van het certificaat niet wordt verlengd,
b. volgt de betrokkene in het geval dat het zevende lid van toepassing is en ook de beoordeling van de tweede praktische bijscholing onvoldoende is, een derde praktische bijscholing met dien verstande dat in het geval dat ook de beoordeling van de derde praktische bijscholing onvoldoende is, de geldigheid van het certificaat niet wordt verlengd;
c. in de onder a. en b genoemde gevallen zijn de artikelen 9, eerste lid, onderdelen c en d, 13, aanhef en onderdeel b, en 15, eerste lid, onderdeel e, van overeenkomstige toepassing.
9.
Bij een door het instituut vastgestelde beoordeling van de eerste praktische bijscholing als voldoende volgt de betrokkene, in het geval dat het zevende lid van toepassing is en de beoordeling van de tweede praktische bijscholing onvoldoende is, een derde praktische bijscholing met dien verstande dat in het geval dat ook de beoordeling van de derde praktische bijscholing onvoldoende is, de geldigheid van het certificaat niet wordt verlengd.
10.
Artikel 7, eerste lid, en artikel 12a van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 zijn gedurende vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet niet van toepassing op hen die rijonderricht geven, gericht op de rijvaardigheid of geschiktheid van rijbewijshouders.
Artikel V
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel VI
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te
’s-Gravenhage, 24 oktober 2008
De Minister van Verkeer en Waterstaat ,
Uitgegeven de elfde november 2008
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
Artikel I
Artikel II
Artikel IIa
Artikel III
Artikel IV
Artikel V
Artikel VI
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht