13 artikelen

Zoek naar volledige regelingen artikelen artikel-leden
  1, 2   »
Artikel 1, Wet regeling ouderlijk gezag op minderjarige Koning 2013     Artikel 1 • 1. In het tijdvak dat de uit Ons huwelijk met Hare Majesteit Koningin Máxima, Prinses der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, geboren wettige nakomeling, krachtens erfopvolging Koning geworden, minderjarig is, oefent Onze voornoemde echtgenote, het ouderlijk gezag uit. • 2. Indien de in het eerste lid bedoelde situatie zich voordoet, oefent Onze voornoemde echtge... BWBR0034369
Artikel 2, Wet regeling ouderlijk gezag op minderjarige Koning 2013     Artikel 2 • 1. De bepalingen van het burgerlijk recht zijn op het ouderlijk gezag van toepassing, voor zover niet uit deze wet het tegendeel volgt. • 2. Niet van toepassing zijn de artikelen 235 , 241 tot en met 242 , 253ha , 253l , 253s , 253t , 253z , 255 , 257 , 266 , 268 , 342, tweede lid , 344 , 349 en 370 van Boek 1 van het Burg... BWBR0034369
Artikel 3, Wet regeling ouderlijk gezag op minderjarige Koning 2013     Artikel 3 • 1. Bij de uitoefening van het ouderlijk gezag, zoals bedoeld in artikel 1 , wordt Onze voornoemde echtgenote bijgestaan door een College van Toezicht, dat aanstonds na het in werking treden van deze wet wordt samengesteld. • 2. Leden van dit College zijn twee bij koninklijk besluit, de Raad van State gehoord, aan te wijzen Nederlanders alsmede de vicepresident van ... BWBR0034369
Artikel 4, Wet regeling ouderlijk gezag op minderjarige Koning 2013     Artikel 4 • 1. De bij koninklijk besluit aangewezen leden van het College kunnen, zolang de in artikel 1, eerste lid , bedoelde situatie zich niet voordoet, bij koninklijk besluit, de Raad van State gehoord, worden ontslagen en vervangen. • 2. Gedurende de periode dat Onze voornoemde echtgenote het ouderlijk gezag over ten minste een van de uit Ons huwelijk geboren minderjarig... BWBR0034369
Artikel 5, Wet regeling ouderlijk gezag op minderjarige Koning 2013     Artikel 5 • 1. Besluiten van het College kunnen slechts genomen worden bij meerderheid van stemmen van het werkelijk aantal leden. • 2. Bij het staken der stemmen geeft de stem van de voorzitter de doorslag. BWBR0034369
Artikel 6, Wet regeling ouderlijk gezag op minderjarige Koning 2013     Artikel 6 Alvorens het lidmaatschap te aanvaarden legt elk lid van het College in handen van de voorzitter van de verenigde vergadering van de Staten-Generaal de volgende eed of belofte af: «Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning; ik zweer (beloof) al de plichten, welke op mij als lid van het College van Toezicht rusten, met de meeste toewijding te zullen vervullen. Zo waarlijk helpe mij God al... BWBR0034369
Artikel 7, Wet regeling ouderlijk gezag op minderjarige Koning 2013     Artikel 7 • 1. De in de artikelen 345 , 346 , 348 en 350 tot en met 357 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek omschreven taken en bevoegdheden van de rechter worden uitgevoerd en uitgeoefend door het College. • 2. Het College wordt gehoord bij de keuze van de opvoeders en leraren van de minderjarigen. • 3. Buitenlands verblijf van de minderjarigen met een te ... BWBR0034369
Artikel 8, Wet regeling ouderlijk gezag op minderjarige Koning 2013     Artikel 8 • 1. Zo spoedig mogelijk nadat de in artikel 1 bedoelde situatie zich voordoet, gaat Onze voornoemde echtgenote, in tegenwoordigheid van drie leden van het College, daartoe door het College aangewezen, over tot inventarisering van het vermogen van elk van de minderjarigen. • 2. Deze boedelbeschrijving wordt opgemaakt bij notariële akte. • 3. De twee voorgaan... BWBR0034369
Artikel 9, Wet regeling ouderlijk gezag op minderjarige Koning 2013     Artikel 9 De begroting van de uitgaven ten behoeve van de minderjarige Koning en de andere uit Ons huwelijk geboren kinderen en van de kosten, welke op het beheer van het vermogen mogen vallen, wordt door het College, op voordracht van Onze voornoemde echtgenote, vóór de aanvang van ieder kalenderjaar vastgesteld. BWBR0034369
Artikel 10, Wet regeling ouderlijk gezag op minderjarige Koning 2013     Artikel 10 • 1. Binnen de eerste zes maanden van ieder kalenderjaar wordt een staat van de ontvangsten en de uitgaven ten behoeve van de minderjarigen gedurende het afgelopen jaar door Onze voornoemde echtgenote aan het College overgelegd en door het College vastgesteld. • 2. Het batig overschot van de ontvangsten boven de uitgaven, voorkomende op de in het eerste lid bedoelde st... BWBR0034369
  1, 2   »