Let op. Deze wet is vervallen op 1 februari 2009. U leest nu de tekst die gold op 31 januari 2009.

Artikel samenvatting Aanwijzing OM-afdoening

Uitgebreide informatie
Samenvatting
In deze Aanwijzing wordt de achtergrond geschetst van de Wet OM-afdoening 1 , waarna definities van de belangrijkste nieuwe, op basis van deze wet geïntroduceerde termen, worden gegeven. Gezien de grote impact van deze wet – die kortgezegd regelt dat het Openbaar Ministerie (verder: OM) in plaats van het aanbieden van een transactie, een zaak buitengerechtelijk zelf kan bestraffen – wordt deze gefaseerd ingevoerd. Een schematisch overzicht van deze fasering is te vinden in Bijlage 1: Fasering . Gezien de gefaseerde inwerkingtreding van deze wet is deze Aanwijzing een groeidocument, dat periodiek wordt aangepast. Deze versie geldt voor Fase 1a van de inwerkingtreding: bij overtredingen van artikel 8 Wegenverkeerswet (WVW 1994), waarbij het mogelijk is dat het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) namens het OM via de feitgecodeerde lijn een strafbeschikking uitvaardigt, waarbij uitsluitend een kale geldboete wordt opgelegd (zie Bijlage 1 ).
Het uitvaardigen van een strafbeschikking is een daad van vervolging. Als een zaak voldoet aan de in deze Aanwijzing uitgewerkte beleidsmatige criteria voor het uitvaardigen van een strafbeschikking, kan deze niet meer worden afgedaan met het aanbieden van een transactie. Het voorwaardelijk sepot blijft in beperkte mate mogelijk voor feiten die met een strafbeschikking kunnen worden afgedaan. De wet breidt de vervolgingstermijn voor overtredingen uit van twee naar drie jaar ( art. 70 Sr nieuw).
Naast wettelijke criteria die het uitvaardigen van een strafbeschikking uitsluiten, bestaan eveneens contra-indicaties voor het uitvaardigen van een strafbeschikking. Dit kunnen dwingende contra-indicaties zijn, of facultatieve. In Bijlage 2a : Contra-indicaties Fase 1a zijn de wettelijke criteria en belangrijkste contra-indicaties voor het uitvaardigen van strafbeschikkingen opgenomen. Ter verduidelijking zijn de bepalingen uit de Bijlagen 1 en 2a in Bijlage 2b in een stroomschema opgenomen.
De bestrafte – zoals degene jegens wie een strafbeschikking is uitgevaardigd in de beleidsregels van het OM wordt aangeduid – kan tegen de strafbeschikking verzet doen. De verzetstermijn bedraagt twee weken vanaf het moment dat de strafbeschikking hem 2 in persoon is uitgereikt of zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem bekend is. Naar aanleiding van het verzet kan de officier van justitie na een herbeoordeling de strafbeschikking intrekken, wijzigen of een oproeping voor de terechtzitting doen uitgaan. Het verzet schort de executie van de strafbeschikking op, deze kan echter weer worden hervat als voor het OM vaststaat dat de verzetstermijn is overschreden. De zaak moet echter altijd ter zitting worden aangebracht – behalve in het geval van intrekking van de strafbeschikking door de officier, wanneer de bestrafte zijn verzet heeft ingetrokken of (door vrijwillige voldoening aan de strafbeschikking) afstand van verzet heeft gedaan. Ter zitting zal de officier van justitie niet hoger eisen, tenzij de bestrafte geen gronden aanbrengt waarop zijn verzet is gebaseerd. Als de zaak ter terechtzitting is aangebracht na mislukte executie, wordt in principe wel een zwaardere straf geëist. Daarbij moet rekening worden gehouden met de reeds (gedeeltelijk) tenuitvoergelegde straf.
Indien een bestrafte wederom verzet doet nadat de rechter reeds op het verzet heeft beslist, wordt de zaak niet nogmaals aangebracht bij de rechter.
De executie van de strafbeschikking geschiedt op basis van art. 257g Wetboek van Strafvordering (Sv) minimaal veertien dagen na toezending van het afschrift van de strafbeschikking, tenzij afstand van verzet is gedaan door vrijwillige voldoening. Voor strafbeschikkingen bestaan geen betekeningvoorschriften. Als geen volledig verhaal heeft plaatsgevonden, kan de officier van justitie de kantonrechter uit het arrondissement waar de bestrafte woont, verzoeken te worden gemachtigd het dwangmiddel gijzeling toe te passen. Op het parket Leeuwarden is de Landelijke strafbeschikkingsofficier werkzaam, die onder meer door het CJIB voorbereide vordering machtiging gijzeling beoordeelt. Na mislukte executie kan de bestrafte alsnog worden gedagvaard.
Ieder ander dan de bestrafte en zijn raadsman kan een afschrift van een strafbeschikking aanvragen bij het OM. De procedure voor dergelijke verstrekkingen is afgestemd met het beleid van de Raad voor de Rechtspraak met betrekking tot het verstrekken van afschriften van vonnissen. De wijze van verstrekking is beschreven in Bijlage 3 : Leidraad informatieverstrekking OM-afdoening.
Een strafbeschikking bevat een schuldvaststelling. Dit houdt in dat geen strafbeschikking wordt uitgevaardigd als niet vastgesteld kan worden dat de verdachte het feit begaan heeft. Daarnaast heeft dit als effect dat de bestrafte die in de strafbeschikking berust, achteraf niet kan beweren dat zijn schuld niet is vastgesteld.
Inhoudsopgave
Samenvatting
Achtergrond
Definities
Fasering
Vervolging
1. Contra-indicaties
2. Mandatering
3. Verzet
4. Terechtzitting na verzet of mislukte executie
4.1. Eis ter terechtzitting in zaken waarin de bestrafte verzet heeft ingesteld tegen een strafbeschikking
4.2. Eis ter terechtzitting in zaken waarin de executie van de bij strafbeschikking opgelegde straf (gedeeltelijk) is mislukt
Executie
1. Betekeningvoorschriften
2. Tenuitvoerlegging
Informatieverstrekking
Overige
1. Schuldvaststelling
2. Ressortsparketten
Strafvordering
Evaluatie
Overgangsrecht
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht