Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds
(authentiek: nl)
Het Koninkrijk België,
de Republiek Bulgarije,
de Tsjechische Republiek,
het Koninkrijk Denemarken,
de Bondsrepubliek Duitsland,
de Republiek Estland,
Ierland,
de Helleense Republiek,
het Koninkrijk Spanje,
de Franse Republiek,
de Republiek Kroatië,
de Italiaanse Republiek,
de Republiek Cyprus,
de Republiek Letland,
de Republiek Litouwen,
het Groothertogdom Luxemburg,
Hongarije,
de Republiek Malta,
het Koninkrijk der Nederlanden,
de Republiek Oostenrijk,
de Republiek Polen,
de Portugese Republiek,
Roemenië,
de Republiek Slovenië,
de Slowaakse Republiek,
de Republiek Finland,
het Koninkrijk Zweden,
het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
Partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd,
de Europese Unie, hierna „de Unie” of „de EU” genoemd,
en
de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „EURATOM” genoemd
enerzijds, en
Oekraïne
anderzijds,
hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd,
Rekening houdend met de nauwe historische betrekkingen en de steeds nauwere banden tussen de partijen, en met hun wens om de betrekkingen nog uit te breiden en te versterken op ambitieuze en innoverende wijze;
Belang hechtend aan nauwe en duurzame betrekkingen op basis van gemeenschappelijke waarden als eerbiediging van de democratische beginselen, de rechtsstaat, goed bestuur, mensenrechten en fundamentele vrijheden, ook de rechten van personen die behoren tot nationale minderheden, niet-discriminatie van personen die behoren tot minderheden, respect voor diversiteit en menselijke waardigheid en gehechtheid aan de beginselen van de een vrijemarkteconomie, waardoor Oekraïne gemakkelijker kan deelnemen aan Europees beleid;
Zich ervan bewust dat Oekraïne als Europees land een gezamenlijke geschiedenis en gemeenschappelijke waarden deelt met de lidstaten van de Europese Unie en bereid is deze waarden te bevorderen;
Opmerkend dat Oekraïne belang hecht aan zijn Europese identiteit;
Rekening houdend met de krachtige steun van het volk in Oekraïne voor de Europese koers van het land;
Bevestigend dat de Europese Unie de Europese ambities van Oekraïne erkent en de keuze voor Europa toejuicht, ook inzake de verbintenis om een duurzame democratie en een markteconomie uit te bouwen;
Erkennend dat de gemeenschappelijke waarden waarop de Europese Unie is gebouwd – democratie, eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat – ook essentiële elementen zijn van deze overeenkomst;
Erkennend dat de politieke associatie en de economische integratie van Oekraïne in de Europese Unie zullen afhangen van de vooruitgang bij de uitvoering van deze overeenkomst en de mate waarin Oekraïne kan zorgen dat de gemeenschappelijke waarden worden gerespecteerd, en van de vooruitgang bij de afstemming op de EU op politiek, economisch en juridisch vlak;
Zich ertoe verbindend uitvoering te geven aan alle beginselen en bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), met name de Slotakte van Helsinki van 1975 van de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa, de slotdocumenten van de conferenties van Madrid en Wenen van 1991 en 1992, het Handvest van Parijs voor een Nieuw Europa van 1990, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties van 1948 en het Europees Verdrag betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950;
Strevend naar meer internationale vrede en veiligheid, en zich inzettend voor efficiënt multilateralisme en de vreedzame oplossing van conflicten, met name door nauw samen te werken binnen het kader van de Verenigde Naties (VN), de OVSE en de Raad van Europa;
Zich inzettend voor onafhankelijkheid, soevereiniteit, territoriale integriteit en onschendbaarheid van de grenzen;
Strevend naar het nader tot elkaar brengen van standpunten inzake bilaterale, regionale en internationale vraagstukken van wederzijds belang, rekening houdend met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) van de Europese Unie, met inbegrip van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB);
Herinnerend aan de internationale verplichtingen van de partijen, tot de bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor en tot samenwerking inzake ontwapening en wapenbeheersing;
Strevend naar vorderingen in de hervormingen en het toenaderingsproces van Oekraïne om zo bij te dragen tot de geleidelijke economische integratie en de verdieping van de politieke associatie;
Overtuigd van de noodzaak voor Oekraïne om de politieke, sociaal-economische, juridische en institutionele heroveringen door te voeren die nodig zijn om deze overeenkomst efficiënt uit te voeren en bereid deze hervormingen in Oekraïne resoluut te ondersteunen;
Strevend naar economische integratie, onder meer met een diepe en brede vrijhandelsruimte (Deep and Comprehensive Free Trade Area – DCFTA) die integraal deel uitmaakt van deze overeenkomst, met inachtneming van de rechten en plichten die voortvloeien uit het lidmaatschap van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) van de partijen, en met een uitgebreide aanpassing van de regelgeving;
Erkennend dat een dergelijke diepe en brede vrijhandelsruimte in combinatie met het bredere proces van de aanpassing van de regelgeving, zal bijdragen tot verdere economische integratie in de interne markt van de Europese Unie, als beoogd in deze overeenkomst;
Zich inzettend voor de ontwikkeling van nieuw klimaat dat bevorderlijk is voor de economische relaties tussen de partijen en vooral ook voor de ontwikkeling van handel, investeringen en concurrentie, factoren die essentieel zijn voor de economische herstructurering en modernisering;
Zich inzettend voor meer samenwerking op energiegebied, op basis van het engagement van de partijen om het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap uit te voeren;
Zich inzettend voor de continuïteit van de energievoorziening, de vergemakkelijking van de ontwikkeling van geschikte infrastructuur, betere marktintegratie en aanpassing van de regelgeving aan kernaspecten van de Europese regelgeving, de stimulering van energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, evenals het zorgen voor meer nucleaire veiligheid;
Zich inzettend voor meer dialoog – op basis van de fundamentele beginselen solidariteit, wederzijds vertrouwen, medeverantwoordelijkheid en partnerschap – en samenwerking inzake migratie, asiel en grensbeheer, via een integrale aanpak met aandacht voor legale migratie en voor samenwerking bij het aanpakken van illegale migratie, mensenhandel en de doeltreffende uitvoering van de overnameovereenkomst;
Erkennend dat het van belang is op termijn een visumvrije regeling in te voeren voor de burgers van Oekraïne, mits aan alle voorwaarden voor een goed beheerde en veilige mobiliteit wordt voldaan;
Zich inzettend voor de bestrijding van georganiseerde misdaad en witwaspraktijken, tot het verminderen van de vraag naar en het aanbod van drugs en tot meer samenwerking bij terrorismebestrijding;
Zich inzettend voor meer samenwerking inzake milieubescherming en tot de beginselen van duurzame ontwikkeling en de groene economie;
Strevend naar meer contacten van mens tot mens;
Zich inzettend voor de bevordering van grensoverschrijdende en interregionale samenwerking;
Strevend naar geleidelijke afstemming van de wetgeving van Oekraïne op die van de Unie volgens de bepalingen van deze Overeenkomst en naar concrete uitvoering;
In aanmerking nemend dat deze Overeenkomst geen afbreuk zal doen aan de betrekkingen tussen de EU en Oekraïne en ruimte laat voor verdere ontwikkelingen;
Bevestigend dat de bepalingen van deze overeenkomst die binnen het toepassingsgebied van deel III, titel V, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen, binden het Verenigd Koninkrijk en Ierland als afzonderlijke overeenkomstsluitende partijen, en niet als deel van de Europese Unie, totdat de Europese Unie tezamen met het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland Oekraïne ervan in kennis heeft gesteld dat het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland gebonden zijn als deel van de Europese Unie, overeenkomstig Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht. Indien het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland niet langer gebonden zijn als deel van de Europese Unie overeenkomstig artikel 4 bis van Protocol nr. 21 of artikel 10 van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, die aan de Verdragen zijn gehecht, moet de Europese Unie tezamen met het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland Oekraïne onmiddellijk in kennis stellen van iedere wijziging in hun positie; in dat geval blijven zij op persoonlijke titel gebonden door de bepalingen van de overeenkomst. Hetzelfde geldt voor Denemarken, overeenkomstig Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, dat aan die verdragen is gehecht,
zijn het volgende overeengekomen [1] :
1.
Er wordt een associatie tot stand gebracht tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds.
2.
Deze associatie heeft ten doel:
a. geleidelijke toenadering tussen de partijen te bewerkstelligen op basis van gemeenschappelijke waarden en nauwe en geprivilegieerde banden, en de associatie van Oekraïne met het EU-beleid en de deelname aan programma's en agentschappen te vergroten;
b. een passend kader voor een versterkte politieke dialoog tot stand te brengen over alle zaken van wederzijds belang;
c. vrede en stabiliteit te bevorderen, bewaren en versterken, zowel op regionaal als op internationaal niveau, in overeenstemming met de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en van de Slotakte van Helsinki van 1975 van de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa en met de doelstellingen van het Handvest van Parijs voor een Nieuw Europa van 1990;
d. de voorwaarden te scheppen voor versterkte economische en handelsrelaties in het licht van de geleidelijke integratie van Oekraïne in de interne markt van de EU, onder meer door het opzetten van een diepe en brede vrijhandelsruimte als bepaald in titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze Overeenkomst, en de inspanningen van Oekraïne te ondersteunen om de overgang naar een goed functionerende markteconomie te voltooien, onder meer door de wetgeving geleidelijk af te stemmen op de EU-wetgeving;
e. de samenwerking te versterken op het gebied van justitie, vrijheid en veiligheid, om zo de rechtsstaat en het respect voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te versterken;
f. de voorwaarden te scheppen voor steeds nauwere samenwerking op andere gebieden van wederzijds belang.
Artikel 2 [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
De eerbiediging van de democratische beginselen, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, inzonderheid als vastgelegd in de Slotakte van Helsinki van 1975 van de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa en het Handvest van Parijs voor een Nieuw Europa van 1990, alsmede de relevante mensenrechteninstrumenten, waaronder de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties en het Europees Verdrag betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en het respect voor de rechtsstaat, vormen de grondslag van het binnenlands en buitenlands beleid van de partijen en zijn een essentieel onderdeel van het partnerschap en van deze Overeenkomst. De bevordering van respect voor de beginselen van soevereiniteit en territoriale integriteit, onschendbaarheid van de grenzen en onafhankelijkheid, evenals de strijd tegen massavernietigingswapens, daarmee samenhangende materialen en de overbrengingsmiddelen daarvoor, vormen essentiële elementen van deze Overeenkomst.
Artikel 3 [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
De partijen erkennen dat de beginselen van een vrijemarkteconomie aan hun betrekkingen ten grondslag liggen. De rechtsstaat, goed bestuur, corruptiebestrijding, de strijd tegen de verschillende vormen van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en terrorisme, de bevordering van duurzame ontwikkeling en efficiënt multilateralisme zijn van wezenlijk belang om de betrekkingen tussen de partijen uit te bouwen.
1.
De politieke dialoog tussen de partijen over alle gebieden van wederzijds belang zal verder worden ontwikkeld en versterkt, als ondersteuning voor de geleidelijke convergentie op het vlak van buitenlands beleid en veiligheid, zodat Oekraïne nog meer wordt betrokken bij de Europese ruimte van veiligheid.
2.
De doelstellingen van de politieke dialoog zijn:
a. een diepere politieke associatie en meer convergentie en doeltreffendheid op het vlak van politiek en veiligheidsbeleid;
b. meer internationale stabiliteit en veiligheid, op basis van efficiënt multilateralisme;
c. meer samenwerking en dialoog tussen de partijen over internationale veiligheid en crisisbeheer, met name om wereldwijde en regionale problemen en fundamentele bedreigingen aan te pakken;
d. meer resultaatgerichte en praktische samenwerking tussen de partijen om te komen tot vrede, veiligheid en stabiliteit op het Europese continent;
e. meer respect voor de democratische beginselen, de rechtsstaat en goed bestuur, de mensenrechten en fundamentele vrijheden, ook de rechten van personen die behoren tot nationale minderheden, niet-discriminatie van personen die behoren tot minderheden en respect voor diversiteit, en consolidering van binnenlandse politieke hervormingen;
f. verdere dialoog en meer samenwerking tussen de partijen op het vlak van veiligheid en defensie;
g. bevordering van de beginselen van onafhankelijkheid, soevereiniteit, territoriale integriteit en de onschendbaarheid van de grenzen.
1.
De partijen voeren regelmatig een politieke dialoog op topbijeenkomsten.
2.
Op het niveau van de ministers vindt een in overleg vast te stellen politieke dialoog plaats binnen de in artikel 460 van deze overeenkomst bedoelde Associatieraad en in het kader van regelmatige vergaderingen tussen vertegenwoordigers van de partijen op het niveau van de ministers van Buitenlandse Zaken.
3.
De politieke dialoog wordt ook gevoerd in de volgende vormen:
a. regelmatige bijeenkomsten op het niveau van de directeuren politieke zaken, het politiek en veiligheidscomité en de deskundigen, ook over specifieke gebieden en kwesties, tussen vertegenwoordigers van de Europese Unie en van Oekraïne;
b. optimaal en tijdig gebruik van alle diplomatieke en militaire kanalen tussen de partijen, met inbegrip van passende contacten in derde landen en binnen de Verenigde Naties, de OVSE en andere internationale fora;
c. regelmatige bijeenkomsten zowel op het niveau van hoge ambtenaren als op dat van deskundigen van de militaire instellingen van de partijen;
d. andere vormen, onder meer bijeenkomsten van deskundigen, die kunnen bijdragen tot een betere en duurzame dialoog.
4.
De partijen kunnen in onderlinge overeenstemming besluiten tot andere procedures en mechanismen voor politieke dialoog, waaronder buitengewone raadplegingen.
5.
Op parlementair niveau vindt de politieke dialoog plaats in het kader van het in artikel 467 bedoelde Parlementair Associatiecomité.
Artikel 6. Dialoog en samenwerking inzake binnenlandse hervormingen [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
De partijen werken samen om te waarborgen dat hun binnenlands beleid gebaseerd wordt op de gemeenschappelijke beginselen van de partijen, met name stabiliteit en doeltreffendheid van de democratische instellingen en de rechtsstaat, en het respect voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, in het bijzonder als bepaald in artikel 14 van deze Overeenkomst.
1.
De partijen intensiveren hun dialoog en samenwerking en ondersteunen de geleidelijke convergentie op het vlak van buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB), en besteden bijzondere aandacht aan conflictpreventie en crisisbeheer, regionale stabiliteit, ontwapening, non-proliferatie, wapenbeheersing en wapenuitvoercontrole en aan een betere dialoog over ruimtevaart, die van wederzijds belang is. Samenwerking wordt gebaseerd op gemeenschappelijke waarden en gezamenlijke belangen, is gericht op meer convergentie en doeltreffendheid van het beleid, en stimuleert de gezamenlijke beleidsplanning. De partijen gebruiken hiervoor bilaterale, internationale en regionale fora.
2.
Oekraïne, de EU en de lidstaten bevestigen hun gehechtheid aan de beginselen van respect voor onafhankelijkheid, soevereiniteit, territoriale integriteit en onschendbaarheid van de grenzen als bepaald in het Handvest van de Verenigde Naties en in de Slotakte van Helsinki van 1975 van de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa, en dat zij deze beginselen ondersteunen in de bilaterale en multilaterale betrekkingen.
3.
De partijen pakken de problemen die met betrekking tot deze beginselen rijzen, tijdig en op coherente wijze aan, op alle relevante niveaus van de politieke dialoog als bepaald in deze Overeenkomst, ook op ministerieel niveau.
Artikel 8. Internationaal Strafhof [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
De partijen werken samen aan de bevordering van vrede en internationale gerechtigheid door het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof van 1998 en de bijhorende instrumenten te ratificeren en ten uitvoer te leggen.
1.
De partijen voeren hun gezamenlijke inspanningen op voor meer stabiliteit, veiligheid en democratische ontwikkeling in hun gemeenschappelijk nabuurschapsgebied, en in het bijzonder om samen te werken aan een vreedzame oplossing voor de regionale conflicten.
2.
Deze inspanningen verlopen volgen de gezamenlijke beginselen voor handhaving van internationale vrede en veiligheid als bepaald in het Handvest van de VN , de Slotakte van Helsinki van 1975 van de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa en andere relevante multilaterale documenten.
1.
De partijen intensiveren de praktische samenwerking op het vlak van conflictpreventie en crisisbeheer, in het bijzonder met het oog op versterkte deelname van Oekraïne aan civiele en militaire operaties inzake crisisbeheer onder leiding van de EU en aan oefeningen en opleidingen, ook die in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB).
2.
Samenwerking op dit gebied wordt gebaseerd op regelingen en afspraken tussen de EU en Oekraïne over raadpleging en samenwerking op het vlak van crisisbeheer.
3.
De partijen onderzoeken mogelijke samenwerking op militair of technologisch vlak. Oekraïne en het Europees Defensieagentschap (EDA) onderhouden nauwe contacten over de verbetering van de militaire capaciteit, ook op technologisch vlak.
1.
De partijen zijn van oordeel dat de verspreiding van massavernietigingswapens, daarmee samenhangende materialen en overbrengingsmiddelen daarvoor, onder zowel staten als niet-statelijke actoren, een van de ernstigste bedreigingen voor de internationale stabiliteit en veiligheid vormt. De partijen komen derhalve overeen samen te werken en een bijdrage te leveren aan de bestrijding van de proliferatie van massavernietigingswapens, daarmee samenhangende materialen en de overbrengingsmiddelen daarvoor, door de volledige naleving en de uitvoering op nationaal niveau van de verbintenissen die zij zijn aangegaan in het kader van de internationale verdragen en overeenkomsten op het gebied van ontwapening en non-proliferatie, alsmede van hun andere internationale verplichtingen op dat gebied. De partijen komen overeen dat deze bepaling een essentieel element van deze overeenkomst vormt.
2.
De partijen komen bovendien overeen samen te werken en bij te dragen aan de strijd tegen massavernietigingswapens, daarmee samenhangende materialen en de overbrengingsmiddelen daarvoor:
a. door maatregelen te nemen, gericht op de ondertekening of de ratificatie van alle andere internationale instrumenten ter zake, of, in voorkomend geval, op aansluiting daarbij, en op de volledige tenuitvoerlegging daarvan;
b. door verdere verbeteringen aan het systeem van nationale exportcontroles, voor een efficiënte controle op de uitvoer en doorvoer van goederen die betrekking hebben op massavernietigingswapens, met inbegrip van een controle op eindgebruik als massavernietigingswapen van technologieën voor tweeërlei gebruik, alsmede effectieve sancties op overtreding van de exportcontroles.
3.
De partijen stellen een regelmatige politieke dialoog in ter begeleiding en consolidatie van deze elementen.
Artikel 12. Ontwapening, wapenbeheersing, wapenuitvoercontrole en de strijd tegen illegale wapenhandel [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
De partijen ontwikkelen hun samenwerking op het vlak van ontwapening, ook inzake de vermindering van hun voorraad overtollige handvuurwapens en lichte wapen en inzake de gevolgen voor de bevolking en voor het milieu van niet ontploft achtergelaten materieel als bedoeld in titel V, hoofdstuk 6 (Milieu) van deze overeenkomst. Samenwerking inzake ontwapening omvat ook wapenbeheersing, wapenuitvoercontrole en de strijd tegen illegale wapenhandel, met inbegrip van handvuurwapens en lichte wapens. De partijen bevorderen de universele onderschrijving en naleving van de relevante internationale instrumenten en streven naar efficiëntie, ook door de tenuitvoerlegging van de relevante resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.
Artikel 13. Bestrijding van terrorisme [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
De partijen komen overeen samen te werken op bilateraal, regionaal en internationaal niveau om terrorisme te voorkomen en te bestrijden, in overeenstemming met het internationale recht, de internationale mensenrechten, het vluchtelingenrecht en het humanitair recht.
Artikel 14. De rechtsstaat, respect voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Bij de samenwerking op het gebied van justitie, vrijheid en veiligheid schenken de partijen bijzondere aandacht aan de consolidering van de rechtsstaat en institutionele versterking op alle niveaus, bij de overheid in het algemeen en bij politie en justitie in het bijzonder. De samenwerking is er met name op gericht het justitiële apparaat te versterken, de doeltreffendheid ervan te verbeteren, de onafhankelijkheid en onpartijdigheid te waarborgen en corruptie te bestrijden. Respect voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden is de leidraad voor alle samenwerking inzake justitie, vrijheid en veiligheid.
Artikel 15. Bescherming van persoonsgegevens [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
De partijen komen overeen samen te werken om de bescherming van persoonsgegevens op gepaste wijze te waarborgen, in overeenstemming met de hoogste Europese en internationale normen, met inbegrip van de relevante instrumenten van de Raad van Europa. De samenwerking inzake de bescherming van persoonsgegevens kan onder meer de uitwisseling van informatie en deskundigen inhouden.
1.
De partijen herbevestigen het belang van het gezamenlijk beheer van migratiestromen tussen hun grondgebieden en verdiepen de brede dialoog over alle kwesties in verband met migratie, waaronder illegale migratie, vluchtelingenstromen, mensensmokkel en mensenhandel; het thema migratie moet worden geïntegreerd in de nationale strategieën voor economische en sociale ontwikkeling van de gebieden van herkomst van de migranten. Deze dialoog is gebaseerd op de fundamentele beginselen van solidariteit, wederzijds vertrouwen, medeverantwoordelijkheid en partnerschap.
2.
Overeenkomstig de desbetreffende EU- en nationale wetgeving is de samenwerking in het bijzonder gericht op:
a. de grondoorzaken van migratie, waarbij actief wordt gezocht naar samenwerkingsmogelijkheden met derde landen en op internationale fora;
b. de gezamenlijke opzet van een doelmatige en preventieve aanpak van illegale migratie, smokkel van migranten en mensenhandel, alsmede de vraag hoe netwerken en criminele organisaties van handelaars en smokkelaars kunnen worden bestreden en de slachtoffers van deze praktijken kunnen worden beschermd;
c. de ontwikkeling van een uitgebreide dialoog over migratie en in het bijzonder over aspecten van de praktische tenuitvoerlegging van het verdrag van Genève van 1951 inzake de status van vluchtelingen en het Protocol inzake de status van vluchtelingen van 1967 en andere relevante internationale instrumenten, evenals het respect voor het beginsel van non-refoulement;
d. de toelatingscriteria, de rechten en de status van toegelaten personen, en de eerlijke behandeling en integratie van legale buitenlandse ingezetenen;
e. de verdere ontwikkeling van operationele maatregelen inzake grensbeheer;
i. samenwerking inzake grensbeheer houdt onder meer in: opleiding, uitwisseling van goede praktijken, ook over technologische aspecten, uitwisseling van informatie in overeenstemming met de geldende regels en, waar nodig, uitwisseling van verbindingsofficieren;
ii. inspanningen van de partijen op dit gebied zijn gericht op de efficiënte tenuitvoerlegging van het beginsel van geïntegreerd grensbeheer;
f. betere beveiliging van documenten;
g. de ontwikkeling van een efficiënt terugkeerbeleid, ook de regionale aspecten ervan; en
h. de uitwisseling van standpunten over informele werkgelegenheid voor migranten.
1.
Met inachtneming van de in de lidstaten en in de EU geldende wetten, voorwaarden en bepalingen, worden werknemers die onderdaan zijn van Oekraïne en legaal op het grondgebied van een lidstaat werkzaam zijn, wat arbeidsvoorwaarden, salaris en ontslagregeling betreft, niet gediscrimineerd op grond van hun nationaliteit.
2.
Onverminderd de in Oekraïne geldende wettelijke regelingen, voorwaarden en procedures, behandelt Oekraïne ook onderdanen van een lidstaat die legaal op het grondgebied van Oekraïne werkzaam zijn, op de wijze zoals bepaald in lid 1 van dit artikel.
1.
Rekening houdend met de arbeidsmarktsituatie in de lidstaten, hun wetgeving en de voorschriften die in de lidstaten en in de EU gelden op het gebied van de mobiliteit van werknemers:
a. dienen de door de lidstaten in het kader van bilaterale overeenkomsten verleende werkgelegenheidsmogelijkheden voor Oekraïense werknemers behouden te blijven en zo mogelijk te worden verbeterd;
b. dienen de overige lidstaten de mogelijkheid van het sluiten van soortgelijke overeenkomsten te overwegen.
2.
De Associatieraad onderzoekt of op andere gebieden gunstiger regelingen tot stand kunnen worden gebracht, zoals bijvoorbeeld toegang tot beroepsopleiding, overeenkomstig de in de lidstaten en in de EU geldende wettelijke regelingen, voorwaarden en procedures en met inachtneming van de arbeidsmarktsituatie in de lidstaten en de EU.
1.
De partijen zorgen voor de volledige tenuitvoerlegging van
a. de Overnameovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Oekraïne van 18 juni 2007 (via het Gemengd Comité overname dat wordt opgericht bij artikel 15 van de overeenkomst);
b. de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Oekraïne inzake de versoepeling van de afgifte van visa van 18 juni 2007 (via het Gemengd Comité voor het beheer van de overeenkomst dat wordt opgericht bij artikel 12 van de overeenkomst);
2.
De partijen streven naar meer mobiliteit van burgers en vooruitgang met de visumdialoog.
3.
De partijen blijven geleidelijk evolueren in de richting van een op termijn visumvrije regeling, mits aan alle voorwaarden voor een goed beheerde en veilige mobiliteit wordt voldaan, als bepaald in het uit twee fasen bestaande actieplan voor visumliberalisering dat tijdens de top tussen de EU en Oekraïne van 22 november 2010 werd gepresenteerd.
Artikel 20. Witwassen van geld en terrorismefinanciering [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
De partijen werken samen om witwassen van geld en terrorismefinanciering te voorkomen en te bestrijden. Hiertoe voeren de partijen hun bilaterale en internationale samenwerking op dit gebied nog op, ook op operationeel vlak. De partijen zorgen voor de tenuitvoerlegging van de relevante internationale normen, met name die van de Financial Action Task Force (FATF) en normen die gelijkwaardig zijn aan die van de Unie.
1.
De partijen werken samen op het gebied van illegale drugs, op basis van gezamenlijk afgesproken principes overeenkomstig de relevante internationale verdragen, alsmede de politieke verklaring en de speciale verklaring inzake richtsnoeren om de vraag naar drugs te verminderen, die zijn aangenomen door de twintigste speciale zitting inzake drugs van juni 1998 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.
2.
Deze samenwerking is gericht op de bestrijding van illegale drugs, het beperken van het aanbod aan, de handel in en de vraag naar illegale drugs, waarbij de gevolgen voor de gezondheid en de maatschappelijke consequenties van drugsgebruik worden aangepakt. Zij is tevens gericht op het doeltreffender voorkomen dat chemische stoffen onrechtmatig worden gebruikt voor de illegale productie van drugs en psychotrope stoffen.
3.
De partijen gebruiken de samenwerkingsmethodes die nodig zijn om deze doelstellingen te bereiken met het oog op een integrale en evenwichtige aanpak.
1.
De partijen werken samen bij de voorkoming en bestrijding van al dan niet georganiseerde criminele en illegale activiteiten.
2.
De samenwerking betreft onder meer:
a. smokkel van en handel in mensen, wapens en drugs;
b. illegale handel in goederen,
c. economische criminaliteit, ook inzake belastingen;
d. corruptie, zowel in de openbare als in de particuliere sector;
e. vervalsing van documenten;
f. computercriminaliteit.
3.
De partijen verbeteren daarom de bilaterale, regionale en internationale samenwerking, ook met Europol. De partijen ontwikkelen ook hun samenwerking op vlakken als:
a. de uitwisseling van goede werkmethoden, ook op het vlak van onderzoekstechnieken en misdaadonderzoek;
b. de uitwisseling van informatie volgens de geldende regels;
c. capaciteitsopbouw, met inbegrip van opleiding en indien nodig personeelsuitwisseling;
d. slachtoffer- en getuigenbescherming.
4.
De partijen verbinden zich tot de effectieve tenuitvoerlegging van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad van 2000 en de drie protocollen daarbij, het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie van 2003 en andere relevante internationale instrumenten.
1.
De partijen komen overeen samen te werken aan preventie en bestrijding van terroristische daden in overeenstemming met het internationaal recht, het internationaal recht inzake de mensenrechten, het vluchtelingenrecht en het humanitair recht, en de respectievelijke wet- en regelgeving van de partijen. De partijen komen met name overeen samen te werken op basis van de volledige tenuitvoerlegging van resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 2001, de mondiale strategie voor terrorismebestrijding van de Verenigde Naties van 2006 en andere relevante resoluties van de Verenigde Naties, internationale afspraken en instrumenten.
2.
Zij doen dit in het bijzonder door het uitwisselen van:
a. informatie over terroristische groeperingen en de hen ondersteunende netwerken;
b. ervaringen en informatie over terroristische tendensen en over middelen en methodes om terrorisme te bestrijden, ook op het gebied van techniek en opleiding;
c. ervaringen met betrekking tot de voorkoming van terrorisme.
Alle uitwisseling van informatie vindt plaats in overeenstemming met het internationale en het nationale recht.
1.
De partijen komen overeen de juridische samenwerking in burgerlijke en strafzaken verder te ontwikkelen, daarbij ten volle gebruik te maken van de geschikte internationale en bilaterale instrumenten en zich te baseren op de beginselen van rechtszekerheid en het recht op een eerlijk proces.
2.
De partijen komen overeen juridische samenwerking tussen de EU en Oekraïne in burgerlijke zaken te vergemakkelijken op basis van de toepasselijke multilaterale rechtsinstrumenten, met name de verdragen van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht op het gebied van internationale juridische samenwerking en procesvoering alsmede de bescherming van kinderen.
3.
Wat de juridische samenwerking in strafzaken betreft, streven de partijen naar verbetering van de regeling inzake wederzijdse juridische bijstand en uitlevering. Waar nodig impliceert dit de toetreding tot en uitvoering van de relevante internationale instrumenten van de Verenigde Naties en de Raad van Europa, en het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof van 1998 als vermeld in artikel 8 van deze overeenkomst, en nauwere samenwerking met Eurojust.
Artikel 25. Doel [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Gedurende een overgangsperiode van maximaal 10 jaar die aanvangt bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst 1)[2] , stellen de partijen geleidelijk een vrijhandelszone in, overeenkomstig het bepaalde in deze overeenkomst en in overeenstemming met artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994, hierna de „GATT 1994” genoemd.
1.
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de handel in goederen 2)[3] van oorsprong uit de grondgebieden van de partijen.
2.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als „van oorsprong” beschouwd de goederen die voldoen aan de oorsprongsregels in protocol I bij deze overeenkomst (betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking).
Artikel 27. Definitie van douanerechten [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder „douanerechten” verstaan alle rechten en heffingen ter zake van of in verband met de invoer of uitvoer van goederen, met inbegrip van alle aanvullende belastingen of heffingen ter zake van of in verband met dergelijke invoer of uitvoer. Onder „douanerechten” worden niet verstaan:
a. heffingen gelijkwaardig aan interne belastingen die overeenkomstig artikel 32 van deze overeenkomst worden opgelegd;
b. rechten die overeenkomstig hoofdstuk 2 (Handelsmaatregelen) van titel IV van deze overeenkomst worden opgelegd;
c. vergoedingen en andere heffingen die in overeenstemming met artikel 33 van deze overeenkomst worden opgelegd.
Artikel 28. Indeling van goederen [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
De indeling van goederen in het handelsverkeer tussen de partijen geschiedt overeenkomstig de respectieve tariefnomenclatuur van elk van beide partijen, in overeenstemming met het geharmoniseerde systeem, hierna „GS” genoemd, dat is ingesteld bij het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen van 1983, en latere wijzigingen daarvan.
1.
Elk van beide partijen komt tot verlaging of afschaffing van de douanerechten op goederen van oorsprong uit de andere partij in overeenstemming met de lijsten die zijn opgenomen in bijlage I-A bij deze overeenkomst, hierna „lijsten” genoemd.
Onverminderd de eerste alinea schaft Oekraïne voor oude kleren en dergelijke artikelen, bedoeld bij post 6309 00 00 van het douanewetboek van Oekraïne, de douanerechten bij invoer af in overeenstemming met de voorwaarden die zijn opgenomen in bijlage I-B bij deze overeenkomst.
2.
Voor elk goed is het basisdouanerecht waarop ingevolge lid 1 van dit artikel de achtereenvolgende verlagingen moeten worden toegepast, het recht dat in bijlage I bij deze overeenkomst is vermeld.
3.
Indien een partij na de inwerkingtreding van deze overeenkomst op enig tijdstip het door haar toegepaste meestbegunstigingsrecht verlaagt, dan geldt dat recht als basisrecht indien en zolang het lager is dan het overeenkomstig haar lijst berekende douanerecht.
4.
Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst overleggen de partijen, indien een van hen daarom verzoekt, om te bezien of douanerechten ter zake van handel tussen hen versneld en in ruimere mate kunnen worden afgeschaft. Wanneer het Associatiecomité in handelsbezetting zoals bedoeld in artikel 465 van deze overeenkomst, hierna „Handelscomité” genoemd, bijeenkomt en besluit de douanerechten op een goed versneld te verlagen of af te schaffen, komt dat besluit in de plaats van de douanerechten of afbouwcategorieën die voor dat goed overeenkomstig hun lijsten zijn vastgesteld.
Artikel 30. Status-quo [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Geen van de partijen mag bestaande douanerechten verhogen of nieuwe douanerechten vaststellen op een goed van oorsprong uit het grondgebied van de andere partij. Dit sluit niet uit dat elk van beide partijen:
a. een douanerecht na een eenzijdige verlaging kan verhogen tot het in haar lijst vastgelegde niveau; of
b. een douanerecht kan handhaven of verhogen als toegestaan door het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de Wereldhandelsorganisatie, hierna „WTO” genoemd.
1.
De partijen stellen geen douanerechten, belastingen of andere maatregelen van gelijke werking in en handhaven deze evenmin, ter zake van of in verband met de uitvoer van goederen naar elkaars grondgebied.
2.
Door Oekraïne toegepaste bestaande douanerechten of maatregelen van gelijke werking, zoals vermeld in bijlage I-C bij deze overeenkomst, worden gedurende een overgangsperiode uitgefaseerd in overeenstemming met de lijst in bijlage I-C. Ingeval van een actualisering van het douanewetboek van Oekraïne blijven aangegane verplichtingen in het kader van de lijst in bijlage I-C van kracht, op basis van overeenstemming van de beschrijving van de goederen. Oekraïne kan vrijwaringsmaatregelen instellen wat uitvoerrechten betreft, zoals aangegeven in bijlage I-D. Dergelijke vrijwaringsmaatregelen vervallen aan het einde van de voor het desbetreffende goed in bijlage I-D aangegeven periode.
1.
Na de inwerkingtreding van deze overeenkomst zal geen der partijen uitvoersubsidies of andere maatregelen van gelijke werking ten aanzien van voor het grondgebied van de andere partij bestemde landbouwproducten handhaven, invoeren of opnieuw invoeren.
2.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „uitvoersubsidies” hetzelfde verstaan als in artikel 1, onder e, van de Overeenkomst inzake de landbouw , die is opgenomen in bijlage IA bij de WTO-overeenkomst , hierna „Landbouwovereenkomst” genoemd, met inbegrip van alle wijzigingen van dat artikel van die overeenkomst.
Artikel 33. Vergoedingen en andere heffingen [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Elk van beide partijen draagt er in overeenstemming met artikel VIII van de GATT 1994 en de aantekeningen erop zorg voor dat alle vergoedingen en heffingen van welke aard ook - niet zijnde douanerechten of andere maatregelen als bedoeld in artikel 27 van deze overeenkomst - ter zake van of in verband met de invoer of de uitvoer van goederen worden beperkt tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten, en geen indirecte bescherming van interne goederen of een belasting op de invoer of de uitvoer voor fiscale doeleinden vormen.
Artikel 34. Nationale behandeling [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Elk van beide partijen behandelt de goederen van de andere partij als nationale goederen, in overeenstemming met artikel III van de GATT 1994, met inbegrip van de aantekeningen erop. Hiertoe worden artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen erop in deze overeenkomst opgenomen en maken zij hier integraal deel van uit.
Artikel 35. Invoer- en uitvoerbeperkingen [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Geen van beide partijen mag verboden, beperkingen of maatregelen van gelijke werking invoeren of handhaven ter zake van de invoer van een goed uit de andere partij of van de uitvoer of verkoop ten uitvoer van een goed dat voor het grondgebied van de andere partij is bestemd, tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald of zulks in overeenstemming met artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen erop is. Hiertoe worden artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen erop in deze overeenkomst opgenomen en maken zij hier integraal deel van uit.
Artikel 36. Algemene uitzonderingen [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Geen enkele bepaling in deze overeenkomst wordt uitgelegd als beletsel voor de goedkeuring of handhaving door een partij van maatregelen overeenkomstig de artikelen XX en XXI van de GATT 1994 en de aantekeningen erop, die hierbij in deze overeenkomst worden opgenomen en daarvan integraal deel uitmaken.
1.
De partijen zijn het erover eens dat administratieve samenwerking van essentieel belang is voor de tenuitvoerlegging van en de controle op de preferentiële tariefbehandeling die op grond van dit hoofdstuk wordt verleend, en zij benadrukken dat zij gebonden zijn om onregelmatigheden en fraude te bestrijden op het gebied van douaneaangelegenheden betreffende de invoer, uitvoer of doorvoer van goederen en de plaatsing daarvan onder andere douaneregelingen of -procedures, met inbegrip van verbods-, beperkings- en controlemaatregelen.
2.
Wanneer een partij op basis van objectieve gedocumenteerde informatie tot de bevinding komt dat geen administratieve medewerking is verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude binnen het kader van dit hoofdstuk vanuit de andere partij hebben voorgedaan, kan de betrokken partij de desbetreffende preferentiële behandeling ten aanzien van het betrokken product of de betrokken producten in overeenstemming met dit artikel tijdelijk schorsen.
3.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het niet verlenen van administratieve medewerking bij het onderzoek naar onregelmatigheden of fraude in douaneaangelegenheden onder meer verstaan:
a. het herhaaldelijk niet nakomen van de verplichting om de oorsprongsstatus van het betrokken product of de betrokken producten te controleren;
b. het herhaaldelijk weigeren een controle achteraf van het bewijs van oorsprong uit te voeren en/of de resultaten daarvan mede te delen, of onredelijke vertraging daarbij;
c. het herhaaldelijk weigeren van toestemming voor missies in het kader van de administratieve samenwerking ter controle van de echtheid van documenten of de juistheid van gegevens die van belang zijn voor het verlenen van de desbetreffende preferentiële behandeling, of onredelijke vertraging bij het verlenen van toestemming.
Voor de toepassing van dit artikel kunnen onregelmatigheden of fraude onder meer worden vastgesteld wanneer de invoer van goederen snel stijgt, zonder dat daarvoor een bevredigende verklaring is, die invoer de gebruikelijke productie- en uitvoercapaciteit van de andere partij te boven gaat, en de stijging in verband kan worden gebracht met objectieve informatie betreffende onregelmatigheden of fraude.
4.
Voor een tijdelijke schorsing moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
a. de partij die op grond van objectieve informatie tot de bevinding is gekomen dat geen administratieve medewerking is verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude vanuit de andere partij hebben voorgedaan, stelt het Handelscomité onverwijld in kennis van zijn bevindingen en van de objectieve informatie, en treedt op basis van alle relevante informatie en objectief vastgestelde bevindingen binnen het Handelscomité in overleg om een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden. Gedurende de hierboven bedoelde overlegperiode wordt aan het betrokken product of aan de betrokken producten de preferentiële behandeling toegekend;
b. wanneer de partijen zoals hierboven beschreven binnen het onder a) bedoelde Handelscomité in overleg zijn getreden en niet binnen drie maanden na de eerste bijeenkomst van het Handelscomité tot overeenstemming over een aanvaardbare oplossing zijn gekomen, kan de betrokken partij de preferentiële behandeling voor het betrokken product of de betrokken producten tijdelijk schorsen. Het Handelscomité wordt van deze tijdelijke schorsing onverwijld in kennis gesteld;
c. tijdelijke schorsingen op grond van dit artikel blijven beperkt tot wat nodig is om de financiële belangen van de betrokken partij te beschermen. Geen tijdelijke schorsing duurt langer dan zes maanden. Een tijdelijke schorsing kan echter worden hernieuwd. Tijdelijke schorsingen worden onmiddellijk na goedkeuring ervan ter kennis gebracht van het Handelscomité. Binnen het Handelscomité vindt hierover periodiek overleg plaats, met name met het oog op beëindiging van de schorsingen zodra de voorwaarden voor toepassing ervan niet meer aanwezig zijn.
5.
Tegelijk met de kennisgeving aan het Handelscomité overeenkomstig lid 4, onder a), van dit artikel publiceert de betrokken partij in haar bronnen voor officiële bekendmakingen een bericht aan de importeurs. In dit bericht wordt aangegeven dat zij voor het betrokken product op grond van objectieve informatie tot de bevinding is gekomen dat geen administratieve medewerking is verleend en/of dat er sprake is van onregelmatigheden of fraude.
Artikel 38. Handelwijze bij administratieve fouten [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Indien de bevoegde autoriteiten bij het beheer van de preferentiële uitvoerregelingen een fout hebben gemaakt, met name bij de toepassing van de bepalingen van het protocol bij deze overeenkomst betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en de methoden van administratieve samenwerking, en deze fout gevolgen heeft voor de invoerrechten, kan de partij die met deze gevolgen wordt geconfronteerd, het Handelscomité verzoeken na te gaan of passende maatregelen kunnen worden genomen om de situatie te herstellen.
1.
Deze overeenkomst belet niet de handhaving of oprichting dan wel invoering van douane-unies, vrijhandelsgebieden of regelingen betreffende grensverkeer, tenzij hierdoor de in deze overeenkomst neergelegde handelsregelingen worden ondermijnd.
2.
De partijen voeren in het Handelscomité overleg over overeenkomsten waarbij douane-unies of vrijhandelsgebieden worden opgericht dan wel regelingen betreffende grensverkeer worden ingevoerd, alsmede desgevraagd over andere belangrijke aangelegenheden met betrekking tot hun respectieve handelsbeleid jegens derde landen. Dergelijk overleg zal in het bijzonder plaatsvinden ingeval een derde land tot de Europese Unie toetreedt, opdat wordt gewaarborgd dat rekening wordt gehouden met de wederzijdse belangen van de EU-partij en Oekraïne zoals weergegeven in deze overeenkomst.
1.
De partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen ingevolge artikel XIX van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen als opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst , hierna „Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen” genoemd. De EU-partij behoudt haar rechten en verplichtingen ingevolge artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw als opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst, hierna „Landbouwovereenkomst” genoemd, behalve voor de handel in landbouwproducten die ingevolge deze overeenkomst voorwerp van een preferentiële behandeling zijn.
2.
De preferentiële oorsprongsregels van hoofdstuk 1 (Nationale behandeling en markttoegang voor goederen) van titel IV van deze overeenkomst zijn niet van toepassing op deze afdeling.
1.
De partij die een vrijwaringsonderzoek opent, stelt de andere partij, indien deze laatste daarbij een aanmerkelijk economisch belang heeft, van die opening in kennis door haar een officiële kennisgeving te sturen.
2.
Voor de toepassing van dit artikel wordt een partij geacht aanmerkelijk economisch belang te hebben wanneer zij, uitgedrukt in absoluut volume of waarde, in de drie voorgaande jaren tot de vijf grootste leveranciers van het ingevoerde product behoorde.
3.
Onverminderd artikel 40 van deze overeenkomst en onverminderd artikel 3.2 van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen , geeft de partij die een vrijwaringsonderzoek opent en voornemens is vrijwaringsmaatregelen te treffen, op verzoek van de andere partij onmiddellijk ad hoc schriftelijk kennis van alle relevante informatie die tot de opening van het vrijwaringsonderzoek en de instelling van vrijwaringsmaatregelen heeft geleid, alsmede, voor zover relevant, van de voorlopige en de definitieve bevindingen van dat onderzoek, en biedt zij de andere partij de mogelijkheid tot het voeren van overleg.
1.
Indien vrijwaringsmaatregelen worden ingesteld, streven de partijen ernaar deze op zodanige wijze in te stellen dat daardoor hun bilaterale handel zo min mogelijk wordt beïnvloed.
2.
Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel en indien een partij van mening is dat aan de wettelijke vereisten voor de instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen is voldaan, geeft de partij die voornemens is dergelijke maatregelen in te stellen, daarvan kennis aan de andere partij en biedt zij deze de mogelijkheid tot het voeren van bilateraal overleg. Indien binnen dertig dagen na de kennisgeving geen aanvaardbare oplossing is gevonden, kan de partij van invoer passende maatregelen nemen om het probleem op te lossen.
Artikel 43. Ontwikkelingsland [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Voor zover Oekraïne voor de toepassing van artikel 9 van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen als ontwikkelingsland 3)[4] kan worden aangemerkt, kan de EU-partij, voor zover aan de voorwaarden van artikel 9 van die Overeenkomst wordt voldaan, geen vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van Oekraïne toepassen.
1.
Oekraïne kan in overeenstemming met de bepalingen van deze afdeling op personenauto's van oorsprong uit 4)[5] de EU-partij van tariefpost 8703, hierna „het product” genoemd, zoals omschreven in artikel 45 van deze overeenkomst, een vrijwaringsmaatregel in de vorm van een hoger invoerrecht toepassen, indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
a. het product wordt door de verlaging of afschaffing van een douanerecht ingevolge deze overeenkomst in Oekraïne ingevoerd in dermate toegenomen hoeveelheden, in absolute zin of in verhouding tot de interne productie, en onder zodanige omstandigheden, dat de interne bedrijfstak die een soortgelijk product vervaardigt, daardoor ernstige schade lijdt;
b. het totale invoervolume (in eenheden) 5)[6] voor het product in een bepaald jaar overstijgt het drempelvolume als vastgelegd in de lijst van Oekraïne in bijlage II bij deze overeenkomst; en
c. het totale invoervolume (in eenheden) voor het product in Oekraïne 6)[7] gedurende de laatste 12 maanden, welke periode niet eerder eindigt dan de voorlaatste maand voordat Oekraïne de EU-partij uitnodigt voor overleg overeenkomstig lid 5 van dit artikel, overstijgt het drempelvolume als vastgelegd in de lijst van Oekraïne in bijlage II van alle nieuwe registraties 7)[8] van personenauto's in Oekraïne in dezelfde periode.
2.
Het in lid 1 van dit artikel bedoelde recht is niet hoger dan het laagste van de volgende tarieven: het gebruikelijke meestbegunstigingstarief, het meestbegunstigingstarief dat van kracht is op de datum die direct aan de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst voorafgaat, of het tarief dat in de lijst van Oekraïne in bijlage II bij deze overeenkomst is vermeld. Het recht kan alleen worden toegepast voor het resterende deel van dat jaar, als omschreven in bijlage II.
3.
Onverminderd lid 2 van dit artikel worden de rechten die Oekraïne ingevolge lid 1 toepast, vastgesteld overeenkomstig de lijst van Oekraïne in bijlage II bij deze overeenkomst.
4.
Elke levering van het betrokken product die onderweg was naar aanleiding van een contract dat vóór oplegging van het aanvullende recht ingevolge de leden 1 tot en met 3 van dit artikel was gesloten, is van een dergelijk aanvullend recht vrijgesteld. Dergelijke leveringen zullen echter worden meegeteld voor het invoervolume van het betrokken product gedurende het volgende jaar, met het oog op het voldoen aan de voorwaarden van lid 1 voor dat jaar.
5.
Oekraïne past vrijwaringsmaatregelen op een transparante wijze toe. Hiertoe geeft Oekraïne de EU-partij zo spoedig mogelijk schriftelijk kennis van zijn voornemen een dergelijke maatregel toe te passen, met verstrekking van alle relevante inlichtingen, met inbegrip van het invoervolume (in eenheden) voor het product, het totale invoervolume (in eenheden) van personenauto's ongeacht de herkomst en de nieuwe registraties van personenauto's in Oekraïne voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde periode. Oekraïne nodigt de EU-partij zo vroeg mogelijk vóór het nemen van een dergelijke maatregel uit voor overleg over deze inlichtingen. Er wordt binnen 30 dagen na de uitnodiging tot overleg geen maatregel vastgesteld.
6.
Oekraïne kan een vrijwaringsmaatregel enkel toepassen na een onderzoek door zijn bevoegde autoriteiten in overeenstemming met artikel 3 en artikel 4, lid 2, onder c), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen , waartoe dat artikel 3 en dat artikel 4, lid 2, onder c), mutatis mutandis in deze overeenkomst worden opgenomen en daarvan deel uitmaken. Een dergelijk onderzoek moet aantonen dat het product door de verlaging of afschaffing van een douanerecht ingevolge deze overeenkomst in Oekraïne wordt ingevoerd in dermate toegenomen hoeveelheden, in absolute zin of in verhouding tot de interne productie, en onder zodanige omstandigheden, dat een interne bedrijfstak die een soortgelijk product vervaardigt, daardoor ernstige schade lijdt.
7.
Oekraïne zal de EU-partij onverwijld schriftelijk kennis geven van de opening van een onderzoek als bedoeld in lid 6 van dit artikel.
8.
Bij het onderzoek voldoet Oekraïne aan de vereisten van artikel 4, lid 2, onder a) en b), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen , waartoe dat artikel 4, lid 2, onder a) en b), mutatis mutandis in de onderhavige overeenkomst wordt opgenomen en daarvan deel uitmaakt.
9.
De relevante factoren voor de schadevaststelling van artikel 4, lid 2, onder a), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen worden beoordeeld gedurende ten minste drie achtereenvolgende perioden van 12 maanden, d.w.z. minimaal drie jaar in totaal.
10.
Bij het onderzoek worden naast de toegenomen preferentiële invoer ingevolge deze overeenkomst ook andere factoren beoordeeld die tegelijkertijd schade aan de interne bedrijfstak kunnen berokkenen. Een toename van de invoer van een product van oorsprong uit de EU-partij wordt niet als gevolg van de verlaging of afschaffing van een douanerecht aangemerkt indien tegelijkertijd de invoer van hetzelfde product uit andere bronnen in vergelijkbare mate is toegenomen.
11.
Oekraïne stelt de EU-partij en alle andere belanghebbenden ruim voor het in lid 5 van dit artikel bedoelde overleg schriftelijk op de hoogte van de resultaten en gemotiveerde conclusies van het onderzoek, zodat de informatie die uit het onderzoek naar voren komt, kan worden beoordeeld en standpunten over de voorgestelde maatregelen tijdens het overleg kunnen worden uitgewisseld.
12.
Oekraïne waarborgt dat de als bewijs ten aanzien van zulke maatregelen gebruikte statistieken inzake personenauto's betrouwbaar, adequaat en tijdig openbaar toegankelijk zijn. Het verstrekt onverwijld maandelijkse statistieken over het invoervolume (in eenheden) van het product, het totale volume (in eenheden) van de invoer van personenauto's ongeacht de herkomst en de nieuwe registraties voor personenauto's in Oekraïne.
13.
Onverminderd lid 1 van dit artikel zijn lid 1, onder a), en de leden 6 tot en met 11 van dit artikel gedurende de overgangsperiode niet van toepassing.
14.
Oekraïne past tijdens jaar één geen vrijwaringsmaatregel uit hoofde van deze afdeling toe. Na jaar vijftien past Oekraïne noch vrijwaringsmaatregelen uit hoofde van deze afdeling toe, noch handhaaft het dergelijke maatregelen of zet het onderzoeken in dit verband voort.
15.
De tenuitvoerlegging en werking van dit artikel kan voorwerp voor bespreking en herziening in het Handelscomité zijn.
Artikel 45. Definities [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Voor de toepassing van deze afdeling en bijlage II bij deze overeenkomst wordt verstaan onder:
1. „het product”: alleen personenauto's van oorsprong uit de EU-partij van tariefpost 8703 overeenkomstig de oorsprongsregels van protocol I bij deze overeenkomst betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking;
2. „ernstige schade”: heeft dezelfde betekenis als in artikel 4, lid 1, onder a), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen . Hiertoe wordt artikel 4, lid 1, onder a), mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen en maakt het daarvan deel uit;
3. „soortgelijk product”: een product dat identiek is, d.w.z. in alle opzichten vergelijkbaar met het betrokken product of, als dat ontbreekt, een ander product dat hoewel het niet in alle opzichten vergelijkbaar is, kenmerken heeft die sterk op die van het betrokken product lijken;
4. „overgangsperiode”: een periode van 10 jaar die aanvangt op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst. De overgangsperiode wordt met drie jaar verlengd, indien Oekraïne vóór het eind van jaar tien bij het in artikel 465 van deze overeenkomst bedoelde Handelscomité een met redenen omkleed verzoek heeft ingediend en het Handelscomité dit heeft besproken;
5. „jaar één”: een periode van 12 maanden die aanvangt op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst;
6. „jaar twee”: een periode van 12 maanden die aanvangt op de eerste verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;
7. „jaar drie”: een periode van 12 maanden die aanvangt op de tweede verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;
8. „jaar vier”: een periode van 12 maanden die aanvangt op de derde verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;
9. „jaar vijf”: een periode van 12 maanden die aanvangt op de vierde verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;
10. „jaar zes”: een periode van 12 maanden die aanvangt op de vijfde verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;
11. „jaar zeven”: een periode van 12 maanden die aanvangt op de zesde verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;
12. „jaar acht”: een periode van 12 maanden die aanvangt op de zevende verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;
13. „jaar negen”: een periode van 12 maanden die aanvangt op de achtste verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;
14. „jaar tien”: een periode van 12 maanden die aanvangt op de negende verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;
15. „jaar elf”: een periode van 12 maanden die aanvangt op de tiende verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;
16. „jaar twaalf”: een periode van 12 maanden die aanvangt op de elfde verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;
17. „jaar dertien”: een periode van 12 maanden die aanvangt op de twaalfde verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;
18. „jaar veertien”: een periode van 12 maanden die aanvangt op de dertiende verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;
19. „jaar vijftien”: een periode van 12 maanden die aanvangt op de veertiende verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst.
Artikel 45 bis. Non-cumulatie [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Geen van beide partijen mag met betrekking tot hetzelfde product tegelijkertijd:
a. een vrijwaringsmaatregel overeenkomstig afdeling 2 (Vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van personenauto's) van dit hoofdstuk en
b. een maatregel als bedoeld in artikel XIX van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen toepassen.
1.
De partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen ingevolge artikel VI van de GATT 1994, de in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst opgenomen Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de GATT 1994 , hierna „Antidumpingovereenkomst” genoemd, en de in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst opgenomen Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen , hierna „SCM-overeenkomst” genoemd.
2.
De preferentiële oorsprongsregels van hoofdstuk 1 (Nationale behandeling en markttoegang voor goederen) van titel IV van deze overeenkomst zijn niet van toepassing op deze afdeling.
1.
De partijen komen overeen dat bij gebruikmaking van antidumping- en compenserende maatregelen de vereisten van de Antidumpingovereenkomst en de SCM-overeenkomst volledig moeten worden gerespecteerd, en dat die maatregelen op een eerlijk en transparant systeem moeten worden gebaseerd.
2.
Nadat de bevoegde autoriteiten van een partij een naar behoren gestaafd antidumpingverzoek in verband met invoer uit de andere partij hebben ontvangen, stelt die partij uiterlijk 15 dagen vóór opening van een onderzoek de andere partij schriftelijk ervan in kennis dat zij het verzoek heeft ontvangen.
3.
Onverminderd artikel 6, lid 6.5, van de Antidumpingovereenkomst en artikel 12, lid 12.4, van de SCM-overeenkomst , waarborgen de partijen dat onmiddellijk na de eventuele instelling van voorlopige maatregelen en vóór de definitieve vaststelling, de belangrijkste feiten en overwegingen die aan de beslissing tot toepassing van maatregelen ten grondslag liggen, volledig en duidelijk worden meegedeeld. De feiten en overwegingen worden schriftelijk meegedeeld, en er wordt belanghebbenden voldoende tijd gelaten om hun opmerkingen in te dienen. Na de mededeling van de definitieve bevindingen kunnen belanghebbenden gedurende ten minste 10 dagen hun opmerkingen indienen.
4.
Belanghebbenden krijgen, mits zulks het onderzoek niet onnodig vertraagt en in overeenstemming met de nationale wetgeving van een partij inzake onderzoeksprocedures, de gelegenheid te worden gehoord opdat zij gedurende antidumping- of antisubsidieonderzoeken hun standpunt kenbaar kunnen maken.
Artikel 48. Algemeen belang [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Antidumping- of compenserende maatregelen kunnen niet door een partij worden toegepast indien, op basis van de tijdens het onderzoek kenbaar gemaakte informatie duidelijk kan worden geconcludeerd dat de toepassing van dergelijke maatregelen niet in het algemeen belang is. Bij de vaststelling met betrekking tot het algemeen belang wordt uitgegaan van een waardering van alle verschillende belangen, in hun geheel beschouwd, met inbegrip van de belangen van de interne bedrijfstak, gebruikers, consumenten en importeurs, voor zover zij relevante informatie aan de onderzoeksautoriteiten hebben verstrekt.
Artikel 49. Regel van het laagste recht [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Indien een partij besluit om een voorlopig of definitief antidumping- of compenserend recht in te stellen, overschrijdt het bedrag van dit recht niet de dumping- of subsidiemarge, en is het lager dan die marge wanneer door een lager recht de schade voor de interne bedrijfstak kan worden opgeheven.
1.
Voorlopige antidumping- of compenserende maatregelen mogen door de partijen alleen worden ingesteld als daaraan voorafgaand is vastgesteld dat er sprake is van dumping of subsidies waardoor de binnenlandse bedrijfstak schade lijdt.
2.
Alvorens een definitief antidumping- of compenserend recht in te stellen, onderzoeken de partijen of er constructieve oplossingen mogelijk zijn, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de bijzondere omstandigheden van elk geval. Onverminderd de relevante nationale wettelijke bepalingen van elk van beide partijen, geven de partijen de voorkeur aan prijsverbintenissen, voor zover zij van exporteurs een passend aanbod hebben ontvangen en een dergelijk aanbod niet onpraktisch wordt geacht.
3.
Na ontvangst van een met bewijsmateriaal gestaafd verzoek van een exporteur voor een nieuw onderzoek ten aanzien van bestaande antidumping- of compenserende maatregelen, onderzoekt de partij die de maatregel heeft ingesteld, dat verzoek zo spoedig mogelijk op objectieve wijze en stelt zij de exporteur onverwijld op de hoogte van de resultaten van het onderzoek.
1.
Een partij biedt de andere partij, op verzoek daarvan, de gelegenheid tot het voeren van overleg over specifieke aangelegenheden die zich met betrekking tot de toepassing van de handelsmaatregelen kunnen voordoen. Deze aangelegenheden kunnen met name, doch niet uitsluitend, betrekking hebben op de gevolgde methodologie om dumpingmarges te berekenen, met inbegrip van verschillende correcties, op het gebruik van statistieken, de ontwikkeling van de invoer, de vaststelling van schade en de toepassing van de regel van het laagste recht.
2.
Overleg vindt zo spoedig mogelijk plaats, doch normaal gesproken binnen 21 dagen na het verzoek.
3.
Overleg in het kader van deze afdeling wordt gevoerd onverminderd en met volledige eerbiediging van de artikelen 41 en 47 van deze overeenkomst.
1.
De partijen komen overeen een dialoog betreffende handelsmaatregelen op deskundigenniveau op te zetten, als forum voor samenwerking in aangelegenheden betreffende handelsmaatregelen.
2.
De dialoog betreffende handelsmaatregelen wordt gevoerd met het oogmerk:
a. de kennis van een partij over en haar inzicht in de wet- en regelgeving inzake handelsmaatregelen, het handelsbeleid en de handelspraktijken van de andere partij te vergroten;
b. na te gaan hoe het met de tenuitvoerlegging van het bepaalde in dit hoofdstuk staat;
c. de samenwerking tussen de voor aangelegenheden betreffende handelsmaatregelen verantwoordelijke autoriteiten van de partijen te verbeteren;
d. internationale ontwikkelingen op het gebied van handelsbescherming te bespreken;
e. bij andere aangelegenheden betreffende handelsmaatregelen samen te werken.
3.
De bijeenkomsten van de dialoog betreffende handelsmaatregelen worden ad hoc gehouden, op verzoek van een van beide partijen. De agenda van elke bijeenkomst wordt vooraf gezamenlijk overeengekomen.
Artikel 52. Geschillenbeslechting [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Titel IV, hoofdstuk 14 (Geschillenbeslechting) van deze Overeenkomst is niet van toepassing op de afdelingen 1, 4, 5, 6 en 7 van dit hoofdstuk.
1.
Dit hoofdstuk is van toepassing op het opstellen, het aannemen en de toepassing van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures zoals omschreven in de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen , hierna „TBT-overeenkomst” genoemd, die in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst is opgenomen, welke de handel in goederen tussen de partijen kunnen beïnvloeden.
2.
Onverminderd lid 1 van dit artikel is dit hoofdstuk noch op sanitaire en fytosanitaire maatregelen zoals omschreven in bijlage A bij de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen , hierna „SPS-overeenkomst” genoemd, die in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst is opgenomen, noch op de aankoopspecificaties die door overheidsinstanties zijn opgesteld om in hun eigen productie- of verbruiksbehoeften te voorzien, van toepassing.
3.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de definities van bijlage I bij de TBT-overeenkomst .
1.
De partijen versterken hun samenwerking op het gebied van technische voorschriften, normen, metrologie, markttoezicht, accreditatie en conformiteitsbeoordelingsprocedures, teneinde het wederzijdse begrip van hun respectieve systemen te verbeteren en de toegang tot hun respectieve markten te vergemakkelijken. Hiertoe kunnen zij zowel op horizontaal als op sectorniveau dialogen over regelgeving tot stand brengen.
2.
Bij hun samenwerking streven de partijen ernaar om handelsbevorderende initiatieven in kaart te brengen, te ontwikkelen en te bevorderen die met name, doch niet uitsluitend, het volgende kunnen inhouden:
a. versterking van de samenwerking op regelgevingsgebied door de uitwisseling van informatie, ervaringen en gegevens; wetenschappelijke en technische samenwerking, teneinde de kwaliteit van hun technische voorschriften, normen, beproeving, markttoezicht, certificering en accreditatie te verbeteren en beter gebruik te maken van de beschikbare middelen op regelgevingsgebied;
b. bevordering en aanmoediging van samenwerking tussen hun respectieve openbare of particuliere instellingen voor metrologie, normalisatie, beproeving, markttoezicht, certificering en accreditatie;
c. bevordering van de ontwikkeling van de kwaliteitsinfrastructuur voor normalisatie, metrologie, accreditatie, conformiteitsbeoordeling en van het systeem voor markttoezicht in Oekraïne;
d. bevordering van de deelname van Oekraïne aan het werk van verwante Europese organisaties;
e. zoeken naar oplossingen voor handelsbelemmeringen die zich kunnen voordoen;
f. afstemming van hun standpunten in internationale organisaties voor handel en regelgeving zoals de WTO en de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa, hierna „VN-ECE” genoemd.
1.
Oekraïne neemt de maatregelen die nodig zijn om geleidelijk te komen tot conformiteit met de technische voorschriften van de EU en de normalisatie, metrologie, accreditatie, conformiteitsbeoordelingsprocedures en het systeem voor markttoezicht van de EU, en verbindt zich tot naleving van de beginselen en de praktijken die in de desbetreffende EU-besluiten en EU-verordeningen zijn neergelegd 8)[9] .
2.
Met het oog op het bereiken van de in lid 1 bedoelde doelstellingen zal Oekraïne volgens het tijdschema in bijlage III bij deze overeenkomst:
i. het relevante EU-acquis in zijn wetgeving opnemen;
ii. de administratieve en institutionele hervormingen doorvoeren die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze overeenkomst en de in artikel 57 van deze overeenkomst genoemde Overeenkomst inzake de conformiteitsbeoordeling en de aanvaarding van industrieproducten, hierna „OCBA” genoemd; en
iii. het doeltreffende en transparante administratieve stelsel verschaffen dat voor de uitvoering van dit hoofdstuk vereist is.
3.
Het tijdschema in bijlage III bij deze overeenkomst wordt door de partijen overeengekomen en gehandhaafd.
4.
Na de inwerkingtreding van deze overeenkomst verstrekt Oekraïne de EU-partij jaarlijks verslagen over de maatregelen die het in overeenstemming met dit artikel heeft genomen. Indien in het tijdschema in bijlage III bij deze overeenkomst vermelde handelingen niet binnen het toepasselijke tijdschema zijn uitgevoerd, geeft Oekraïne een nieuw tijdschema voor de voltooiing van die handelingen aan.
5.
Oekraïne onthoudt zich van wijziging van zijn in bijlage III bij deze overeenkomst vermelde horizontale en sectorspecifieke wetgeving, tenzij wijziging plaatsvindt om die wetgeving geleidelijk aan het dienovereenkomstige EU-acquis aan te passen en die aanpassing te handhaven.
6.
Oekraïne stelt de EU-partij van elke wijziging van zijn nationale wetgeving in kennis.
7.
Oekraïne waarborgt dat zijn desbetreffende nationale organen ten volle deelnemen aan de Europese en internationale organisaties voor normalisatie, wettelijke en fundamentele metrologie en conformiteitsbeoordeling met inbegrip van accreditatie, in overeenstemming met de werkzaamheden ervan en de mogelijke deelnamestatus.
8.
Oekraïne neemt geleidelijk het geheel aan Europese normen (EN), met inbegrip van de geharmoniseerde Europese normen, waarvan het vrijwillige gebruik wordt geacht in overeenstemming met de in bijlage III bij deze overeenkomst vermelde wetgeving te zijn, over als nationale normen. Gelijktijdig met deze transponering trekt Oekraïne daarmee strijdige nationale normen in, met inbegrip van zijn toepassing van vóór 1992 ontwikkelde interstatelijke normen (GOST/????). Daarnaast vervult Oekraïne geleidelijk de andere voorwaarden voor lidmaatschap, in overeenstemming met de vereisten die op volwaardige leden van de Europese normalisatieorganisaties van toepassing zijn.
1.
De partijen komen overeen aan deze overeenkomst een OCBA te hechten in de vorm van een protocol, inzake een of meer van de in bijlage III bij deze overeenkomst vermelde sectoren, zodra zij zijn overeengekomen dat de desbetreffende sectorspecifieke en horizontale wetgeving, instellingen en normen van Oekraïne volledig aan die van de EU zijn aangepast.
2.
De OCBA zal bepalen dat de handel tussen de partijen in goederen in de door haar bestreken sectoren plaatsvindt onder dezelfde voorwaarden als die welke op de handel in dergelijke goederen tussen de lidstaten van de Europese Unie van toepassing zijn.
3.
Na een controle door de EU-partij en overeenstemming over de mate van aanpassing van de desbetreffende technische wetgeving, normen en infrastructuur van Oekraïne, wordt de OCBA als protocol aan deze overeenkomst gehecht in onderlinge overeenstemming tussen de partijen overeenkomstig de procedure voor wijziging van deze overeenkomst en met betrekking tot die sectoren van de lijst in bijlage III bij deze overeenkomst waarvan toereikende aanpassing wordt aangenomen. Het is de bedoeling dat de OCBA in overeenstemming met voornoemde procedure uiteindelijk tot alle in bijlage III vermelde sectoren wordt uitgebreid.
4.
Zodra de sectoren van de lijst onder de werking van de OCBA zijn gebracht, overwegen de partijen, in onderlinge overeenstemming en overeenkomstig de procedure voor wijziging van deze overeenkomst, de reikwijdte ervan uit te breiden tot andere industriële sectoren.
5.
Totdat een product onder de OCBA valt, is hierop de desbetreffende bestaande wetgeving van de partijen van toepassing, waarbij acht wordt geslagen op de TBT-overeenkomst .
1.
Onverminderd de artikelen 56 en 57 van deze overeenkomst bevestigen de partijen met betrekking tot de technische voorschriften voor de etikettering of voorschriften ten aanzien van merktekens, opnieuw de beginselen van artikel 2, lid 2.2, van de TBT-overeenkomst dat die voorschriften niet moeten worden opgesteld, vastgesteld of toegepast met het oogmerk of gevolg dat er onnodige belemmeringen voor de internationale handel ontstaan. Hiertoe mogen dergelijke voorschriften voor de etikettering of de merktekens de handel niet meer beperken dan voor het bereiken van een legitieme doelstelling noodzakelijk is, waarbij acht moet worden geslagen op de risico's die zouden ontstaan wanneer niet aan die voorschriften wordt voldaan.
2.
Met betrekking tot verplichte etikettering of merktekens komen de partijen met name overeen dat:
a. zij ernaar streven hun voorschriften voor merktekens of etikettering tot een minimum te beperken, tenzij het om de overname van het EU-acquis op dit gebied, om merktekens en etikettering voor de bescherming van de gezondheid, de veiligheid of het milieu, of om andere redelijke doelstellingen van overheidsbeleid gaat;
b. een partij de vorm van de etiketten of de merktekens mag specificeren, maar geen goedkeuring, registratie of certificering van etiketten mag verlangen; en
c. dat partijen gerechtigd blijven te verlangen dat de informatie op etiketten of merktekens in een bepaalde taal wordt gesteld.
1.
Het doel van dit hoofdstuk is het bevorderen van de handel in handelsartikelen waarop tussen de partijen sanitaire en fytosanitaire maatregelen van toepassing zijn, en tegelijkertijd het leven of de gezondheid van mens, dier of plant te beschermen door:
a. volledige transparantie na te streven inzake de sanitaire en fytosanitaire maatregelen die op de handel van toepassing zijn;
b. de wettelijke bepalingen van Oekraïne aan te passen aan dat van de EU;
c. de dier- of plantgezondheidsstatus van de partijen te erkennen en het regionalisatiebeginsel toe te passen;
d. een mechanisme voor de erkenning van de gelijkwaardigheid van door een partij toegepaste sanitaire of fytosanitaire maatregelen in te voeren;
e. verdere uitvoering aan de beginselen van de SPS-overeenkomst te geven;
f. mechanismen en procedures voor handelsbevordering in te voeren; en
g. de communicatie en samenwerking tussen de partijen inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen te verbeteren.
2.
Dit hoofdstuk heeft ook tot doel tussen de partijen een consensus over de normen voor dierenwelzijn te bereiken.
Artikel 60. Multilaterale verplichtingen [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
De partijen bevestigen opnieuw hun rechten en verplichtingen ingevolge de SPS-overeenkomst .
Artikel 61. Toepassingsgebied [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Dit hoofdstuk is van toepassing op alle sanitaire en fytosanitaire maatregelen van een partij die de handel tussen de partijen al dan niet rechtstreeks kunnen beïnvloeden, met inbegrip van de in bijlage IV bij deze overeenkomst vermelde maatregelen.
Artikel 62. Definities [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1. „sanitaire en fytosanitaire maatregelen”: maatregelen als omschreven in punt 1 van bijlage A bij de SPS-overeenkomst , die binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen;
2. „dieren”: op het land en in het water levende dieren zoals omschreven in de Terrestrial Animal Health Code (Gezondheidscode voor landdieren) respectievelijk the Aquatic Animal Health Code (Gezondheidscode voor waterdieren) van de Wereldorganisatie voor diergezondheid , hierna „OIE” genoemd;
3. „dierlijke producten”: producten van dierlijke oorsprong, met inbegrip van producten van waterdieren, zoals omschreven in de Gezondheidscode voor landdieren en de Gezondheidscode voor waterdieren van het OIE;
4. „niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten”: dierlijke producten als vermeld in bijlage IV-A, deel 2 (II) bij deze overeenkomst;
5. „planten”: levende planten en gespecificeerde levende delen daarvan, met inbegrip van zaden;
a. fruit, in botanische zin, ander dan diepgevroren;
b. groente, andere dan diepgevroren;
c. bollen, knollen en wortelstokken;
d. snijbloemen;
e. takken met loof;
f. gekapte bomen met loof;
g. plantenweefselculturen;
h. bladeren, loof;
i. levende pollen, en
j. enten, stekken, knoppen;
6. „plantaardige producten”: producten van plantaardige oorsprong die niet zijn verwerkt of die een eenvoudige behandeling hebben ondergaan, voor zover het geen planten betreft die in bijlage IV-A, deel 3, bij deze overeenkomst zijn vermeld;
7. „zaden”: zaden in botanische zin, bestemd voor opplant;
8. „plagen (schadelijke organismen)”: alle soorten, stammen of biotypes van planten, dieren of ziekteverwekkers die schadelijk zijn voor planten of plantaardige producten;
9. „beschermde gebieden” in het geval van de EU-partij: gebieden in de zin van artikel 2, lid 1, onder h), van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen, of regeling ter opvolging daarvan, hierna „ Richtlijn 2000/29/EG” genoemd;
10. „dierziekte”: een klinisch of pathologisch besmettingsverschijnsel bij dieren;
11. „ziekte bij aquacultuur”: klinische of niet-klinische besmetting met een of meer ziekteverwekkers van de ziekten die waterdieren treffen en die in de Gezondheidscode voor waterdieren van het OIE worden genoemd;
12. „besmetting bij dieren”: de situatie waarbij dieren drager zijn van een besmettelijk agens, ongeacht of zij klinische of pathologische besmettingsverschijnselen vertonen;
13. „normen op het gebied van dierenwelzijn”: normen voor de bescherming van dieren zoals deze door de partijen zijn opgesteld en worden toegepast en in voorkomend geval overeenstemmen met de normen van het OIE en die binnen de werkingssfeer van deze overeenkomst vallen;
14. „adequaat niveau van sanitaire en fytosanitaire bescherming”: het adequate niveau van sanitaire en fytosanitaire bescherming zoals omschreven in punt 5 van bijlage A bij de SPS-overeenkomst ;
15. „regio”: voor wat diergezondheid betreft, gebieden of regio's als omschreven in de Gezondheidscode voor landdieren van het OIE, en voor aquacultuur als omschreven in de Gezondheidscode voor waterdieren van het OIE, waarbij ervan wordt uitgegaan dat waar het het grondgebied van de EU-partij betreft, rekening wordt gehouden met de specificiteit ervan en de EU-partij als entiteit wordt erkend;
16. „plagenvrij gebied”: gebied waarin een specifieke plaag blijkens wetenschappelijk bewijs niet voorkomt en waarin, voor zover passend, deze hoedanigheid officieel in stand wordt gehouden;
17. „regionalisatie”: het begrip regionalisatie als omschreven in artikel 6 van de SPS-overeenkomst ;
18. „zending”: een hoeveelheid dierlijke producten van hetzelfde type, waarvoor één certificaat of document is afgegeven, die met hetzelfde transportmiddel wordt vervoerd, die is verzonden door één afzender en die van oorsprong is uit hetzelfde land van uitvoer of deel daarvan. Een zending kan uit een of meer partijen bestaan;
19. „zending van planten of plantaardige producten”: een hoeveelheid planten, plantaardige producten en/of andere artikelen die van het ene land naar het andere worden verplaatst, en waarvoor, indien nodig, één fytosanitair certificaat is afgegeven (een zending kan uit een of meer handelsartikelen of partijen bestaan);
20. „partij”: een aantal eenheden van een handelsartikel, dat herkenbaar is door de homogeniteit van de samenstelling en oorsprong ervan, en dat deel uitmaakt van een zending;
21. „gelijkwaardigheid in het kader van het handelsverkeer”, hierna „gelijkwaardigheid” genoemd: de situatie waarin de partij van invoer de sanitaire en fytosanitaire maatregelen van de partij van uitvoer als gelijkwaardig aanvaardt, ongeacht of zij verschillen van de eigen maatregelen van de partij van invoer, indien de partij van uitvoer jegens de partij van invoer op objectieve wijze aantoont dat haar maatregelen het adequate sanitaire of fytosanitaire beschermingsniveau van de partij van invoer bereiken;
22. „sector”: de productie- en handelsstructuur voor een product of productcategorie in een van de partijen;
23. „subsector”: een welomschreven en gecontroleerd deel van een sector;
24. „handelsartikelen”: dieren en planten, of categorieën daarvan, of specifieke producten en andere materialen die worden verplaatst voor handels- of andere doeleinden, met inbegrip van die bedoeld in de leden 2 tot en met 7 van dit artikel;
25. „specifieke invoervergunning”: een door de bevoegde autoriteiten van de partij van invoer aan een individuele importeur van tevoren verstrekte officiële vergunning voor de invoer van één enkele zending of verschillende zendingen van een handelsartikel uit de partij van uitvoer, dat binnen de werkingssfeer van deze overeenkomst valt;
26. „werkdagen”: weekdagen behalve zondag, zaterdag en feestdagen in een van de partijen;
27. „inspectie”: het onderzoeken van elk aspect van diervoeders, levensmiddelen, diergezondheid en dierenwelzijn, teneinde na te gaan of deze aspecten voldoen aan de voorschriften van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn;
28. „fytosanitaire controle”: officieel onderzoek met het blote oog van planten, plantaardige producten of andere materialen waarvoor voorschriften bestaan, om te bepalen of er sprake is van ziekten en/of te bepalen of er al dan niet aan de fytosanitaire voorschriften is voldaan;
29. „verificatie”: toetsen, via onderzoek en inaanmerkingneming van objectief bewijsmateriaal, of aan specifieke vereisten is voldaan.
Artikel 63. Bevoegde autoriteiten [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
De partijen brengen elkaar op de hoogte van de structuur, organisatie en verdeling van bevoegdheden van hun bevoegde autoriteiten tijdens de eerste bijeenkomst van het in artikel 74 van deze overeenkomst bedoelde subcomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen, hierna „SPS-subcomité” genoemd. De partijen stellen elkaar op de hoogte van elke verandering aangaande die bevoegde autoriteiten, met inbegrip van contactpunten.
1.
Oekraïne past zijn sanitaire en fytosanitaire wetgeving alsmede die op het gebied van dierenwelzijn aan aan die van de EU zoals vastgelegd in bijlage V bij deze overeenkomst.
2.
De partijen werken samen inzake aanpassing van wetgeving en capaciteitsopbouw.
3.
Het SPS-subcomité bewaakt op regelmatige basis de uitvoering van het aanpassingsproces zoals vastgelegd in bijlage V bij deze overeenkomst, om de nodige aanbevelingen inzake aanpassingsmaatregelen te kunnen geven.
4.
Uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst legt Oekraïne aan het SPS-subcomité een omvangrijke strategie voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk voor, onderverdeeld naar prioriteitsgebieden voor maatregelen als omschreven in bijlage IV-A, bijlage IV-B en bijlage IV-C bij deze overeenkomst, waarbij de handel in een specifiek handelsartikel of een specifieke groep handelsartikelen wordt bevorderd. De strategie dient als referentiedocument voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk en zal worden toegevoegd aan bijlage V bij deze overeenkomst 9)[10] .
A
Erkenning van de status inzake dierziekten, besmetting bij dieren of plagen
1. Wat dierziekten en besmettingen bij dieren (met inbegrip van zoönose) betreft, gelden onderstaande bepalingen:
a. de partij van invoer erkent, in het kader van het handelsverkeer, de diergezondheidsstatus van de partij van uitvoer of haar regio's, zoals deze door de partij van uitvoer overeenkomstig bijlage VII, deel A, bij deze overeenkomst zijn vastgesteld, voor de in bijlage VI-A bij deze overeenkomst vermelde dierziekten;
b. wanneer een partij meent dat zij voor haar grondgebied of een regio een bijzondere status heeft voor een bepaalde dierziekte die niet in bijlage VI-A bij deze overeenkomst is opgenomen, kan zij om erkenning van deze status verzoeken overeenkomstig de in bijlage VII, deel C, bij deze overeenkomst vastgelegde criteria. De partij van invoer kan bij de invoer van levende dieren en dierlijke producten garanties eisen die in overeenstemming zijn met de overeengekomen status van de partijen;
c. de status van de grondgebieden of de regio's, of de status in een sector of een subsector van de partijen met betrekking tot de prevalentie of incidentie van een niet in bijlage VI-A bij deze overeenkomst opgenomen dierziekte of, in voorkomend geval, van besmettingen bij dieren en/of het daaraan verbonden risico, zoals gedefinieerd door het OIE, wordt door de partijen erkend als de basis voor hun onderlinge handel. De partij van invoer kan bij de invoer van levende dieren en dierlijke producten garanties eisen die in overeenstemming zijn met de overeenkomstig de aanbevelingen van het OIE vastgestelde status, indien van toepassing;
d. onverminderd de artikelen 67, 69 en 73 van deze overeenkomst, en tenzij de partij van invoer uitdrukkelijk bezwaar maakt en om ondersteunende of bijkomende gegevens of overleg en/of verificatie verzoekt, neemt elk van beide partijen onverwijld de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om handel mogelijk te maken op basis van de punten a), b) en c) van dit lid.
2. Wat plagen betreft, gelden onderstaande bepalingen:
a. de partijen erkennen in het kader van het handelsverkeer hun status inzake plagen met betrekking tot de in bijlage VI-B bij deze overeenkomst vermelde plagen.
b. onverminderd de artikelen 67, 69 en 73 van deze overeenkomst, en tenzij de partij van invoer uitdrukkelijk bezwaar maakt en om ondersteunende of bijkomende gegevens of overleg en/of verificatie verzoekt, neemt elk van beide partijen onverwijld de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om de handel mogelijk te maken op basis van punt a) van dit lid.
B
Erkenning van regionalisatie/zonering, plagenvrije gebieden, hierna „PVG's” genoemd, en beschermde gebieden, hierna „BG's” genoemd
3. De partijen erkennen de begrippen regionalisatie en PVG's zoals omschreven in het desbetreffende Verdrag van de Voedsel- en landbouworganisatie/ Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten van 1997 en de internationale normen voor fytosanitaire maatregelen, hierna „ISPM's” genoemd, van de Voedsel- en landbouworganisatie, en het begrip beschermde gebieden overeenkomstig Richtlijn 2000/29/EG, en komen overeen dat deze begrippen op de handel tussen hen van toepassing zijn.
4. De partijen komen overeen dat regionalisatiebesluiten voor de in bijlage VI-A bij deze overeenkomst vermelde dier- en visziekten en voor de in bijlage VI-B bij deze overeenkomst vermelde plagen moeten worden genomen in overeenstemming met de bepalingen van bijlage VII, delen A en B, bij deze overeenkomst.
5.
a. Wat dierziekten betreft, deelt de partij van uitvoer die erkenning van haar regionalisatiebesluit door de partij van invoer wenst, in overeenstemming met artikel 67 van deze overeenkomst de door haar ingestelde maatregelen mee met een omstandige toelichting op en ondersteunende gegevens voor haar bepalingen en besluiten. Onverminderd artikel 68 en tenzij de partij van invoer uitdrukkelijk bezwaar maakt en om bijkomende gegevens of overleg en/of verificatie verzoekt binnen 15 werkdagen na ontvangst van de kennisgeving, wordt het aldus meegedeelde regionalisatiebesluit geacht te zijn aanvaard;
b. het onder a) van dit lid bedoelde overleg vindt plaats in overeenstemming met artikel 68, lid 3, van deze overeenkomst. De partij van invoer beoordeelt de bijkomende gegevens binnen 15 werkdagen na ontvangst ervan. De onder a) bedoelde verificatie geschiedt in overeenstemming met artikel 71 van deze overeenkomst, binnen 25 werkdagen na ontvangst van het verzoek daartoe.
6.
a. Wat plagen betreft, draagt elk van beide partijen er zorg voor dat bij de handel in planten, plantaardige producten en andere materialen in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de door de andere partij erkende status inzake plagen in een gebied dat door de andere partij is erkend als beschermd gebied of PVG. Een partij die erkenning van haar PVG door de andere partij wenst, deelt de door haar ingestelde maatregelen mee, desgevraagd met een omstandige toelichting op en ondersteunende gegevens voor de vaststelling en handhaving, waarbij indien de partijen dat passend achten, de relevante ISPM's worden aangehouden. Onverminderd artikel 73 van deze overeenkomst en tenzij een partij uitdrukkelijk bezwaar maakt en om bijkomende gegevens of overleg en/of verificatie verzoekt binnen drie maanden na de kennisgeving, wordt het aldus meegedeelde regionalisatiebesluit ter zake van het PVG geacht te zijn aanvaard;
b. het onder a) bedoelde overleg vindt plaats in overeenstemming met artikel 68, lid 3, van deze overeenkomst. De partij van invoer beoordeelt de bijkomende gegevens binnen drie maanden na ontvangst ervan. De onder a) bedoelde verificatie geschiedt in overeenstemming met artikel 71 van deze overeenkomst binnen 12 maanden na ontvangst van het verzoek daartoe, rekening houdende met de biologische kenmerken van de plaag en het gewas in kwestie.
7. Na voltooiing van de procedures van de leden 4 tot en met 6 van dit artikel, en onverminderd artikel 73 van deze overeenkomst, neemt elke partij onverwijld de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om de handel mogelijk te maken op basis van de in die leden vervatte bepalingen.
C
Compartimentering
De partijen verbinden zich tot het voeren van verdere besprekingen met het oog op de implementatie van het in bijlage XIV bij deze overeenkomst bedoelde compartimenteringsbeginsel.
1.
Erkenning van gelijkwaardigheid kan geschieden ten aanzien van:
a. afzonderlijke maatregelen; of
b. een groep maatregelen; of
c. een op een sector, subsector, handelsartikel of groep handelsartikelen toepasselijk systeem.
2.
Bij de bepaling van de gelijkwaardigheid wordt door de partijen de procedure van lid 3 van dit artikel gevolgd. Deze procedure omvat dat door de partij van uitvoer objectief bewijs van gelijkwaardigheid wordt aangedragen en dat dit bewijs door de partij van invoer objectief wordt beoordeeld. Dit kan een inspectie of verificatie omvatten.
3.
Indien de partij van uitvoer een verzoek indient met betrekking tot een erkenning van gelijkwaardigheid als bedoeld in lid 1 van dit artikel, leiden de partijen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van dit verzoek door de partij van invoer de overlegprocedure in die de in bijlage IX bij deze overeenkomst genoemde stappen omvat. Indien de partij van uitvoer evenwel meerdere verzoeken indient, komen de partijen, op verzoek van de partij van invoer, in het in artikel 74 bedoelde SPS-subcomité een tijdschema overeen waarbinnen zij de in dit lid bedoelde procedure inleiden en uitvoeren.
4.
Wanneer aanpassing van de wetgeving heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de in artikel 64, lid 3, van deze overeenkomst bedoelde bewaking, wordt dit beschouwd als een verzoek van Oekraïne om de procedure voor de erkenning van de gelijkwaardigheid van de desbetreffende maatregelen overeenkomstig lid 3 van dit artikel in te leiden.
5.
Tenzij anders overeengekomen, rondt de partij van invoer haar bepaling van de gelijkwaardigheid als bedoeld in lid 3 van dit artikel, af binnen 360 dagen na ontvangst van het verzoek -met inbegrip van een dossier met het bewijs van gelijkwaardigheid- van de partij van uitvoer, behalve voor seizoensgewassen waarvoor het gerechtvaardigd is de evaluatie uit te stellen teneinde de fytosanitaire maatregelen over een voldoende lange groeiperiode te kunnen verifiëren.
6.
De partij van invoer stelt de gelijkwaardigheid wat betreft planten, plantaardige producten en andere materialen vast in overeenstemming met de ISPM's, indien van toepassing.
7.
De partij van invoer kan de erkenning van de gelijkwaardigheid intrekken of opschorten bij elke wijziging van een maatregel door een der partijen die van invloed is op de gelijkwaardigheid, op voorwaarde dat de volgende procedures worden gevolgd:
a. in overeenstemming met artikel 67, lid 2, van deze overeenkomst stelt de partij van uitvoer de partij van invoer in kennis van elk voorstel tot wijziging van door haar ingestelde maatregelen waarvan de gelijkwaardigheid werd erkend, en van de waarschijnlijke gevolgen van de voorgestelde maatregelen voor deze gelijkwaardigheid. Binnen 30 werkdagen na de ontvangst van deze gegevens stelt de partij van invoer de partij van uitvoer ervan in kennis of de erkenning van de gelijkwaardigheid op basis van de voorgestelde maatregelen al dan niet gehandhaafd blijft;
b. in overeenstemming met artikel 67, lid 2, van deze overeenkomst stelt de partij van invoer de partij van uitvoer in kennis van elk voorstel tot wijziging van door haar ingestelde maatregelen op basis waarvan de gelijkwaardigheid werd erkend, en van de waarschijnlijke gevolgen van de voorgestelde maatregelen voor deze gelijkwaardigheid. Indien de partij van invoer de erkenning van de gelijkwaardigheid niet handhaaft, kunnen de partijen de voorwaarden overeenkomen waaronder de in lid 3 van dit artikel bedoelde procedure opnieuw kan worden ingeleid op basis van de voorgestelde maatregelen.
8.
Het besluit over de erkenning van de gelijkwaardigheid dan wel de opschorting of intrekking ervan kan uitsluitend worden genomen door de partij van invoer, in overeenstemming met haar wettelijke en bestuursrechtelijke regelgeving. De partij van invoer verstrekt de partij van uitvoer schriftelijk een omstandige toelichting bij en de ondersteunende gegevens voor de bepalingen en besluiten op grond van dit artikel. Indien de erkenning van de gelijkwaardigheid wordt geweigerd, dan wel wordt opgeschort of ingetrokken, stelt de partij van invoer de partij van uitvoer in kennis van de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om de in lid 3 bedoelde procedure opnieuw te kunnen inleiden.
9.
Onverminderd artikel 73 van deze overeenkomst kan de partij van invoer de erkenning van de gelijkwaardigheid niet intrekken of opschorten vóór de inwerkingtreding van de nieuwe maatregelen die door een der partijen zijn voorgesteld.
10.
Indien de gelijkwaardigheid op basis van de in bijlage IX bij deze overeenkomst uiteengezette overlegprocedure formeel wordt erkend door de partij van invoer, zal het SPS-subcomité in overeenstemming met de procedure van artikel 74, lid 2, van deze overeenkomst een verklaring afgeven inzake de erkenning van de gelijkwaardigheid in de handel tussen de partijen. Het besluit voorziet tevens in de vermindering van fysieke controles aan de grenzen, vereenvoudigde certificaten en in voorkomend geval in procedures voor de voorlopige opneming van inrichtingen op die lijsten.
De status van gelijkwaardigheid wordt vermeld in bijlage IX bij deze overeenkomst.
11.
Wanneer wetgevingen aan elkaar worden aangepast, geschiedt de vaststelling van gelijkwaardigheid op die basis.
1.
Onverminderd artikel 68 van deze overeenkomst werken de partijen samen ter versterking van het wederzijdse begrip van hun officiële controlestructuur en -mechanismen voor de uitvoering van SPS-maatregelen en hun respectieve prestaties op dit vlak. Dit kan onder meer worden bereikt door verslagen van internationale audits wanneer deze openbaar worden gemaakt; de partijen kunnen in voorkomend geval informatie over de resultaten van deze audits of andere informatie uitwisselen.
2.
In het kader van de in artikel 64 bedoelde aanpassing van wetgeving of de in artikel 66 van deze overeenkomst bedoelde bepaling van gelijkwaardigheid houden de partijen elkaar op de hoogte van wetswijzigingen en andere procedurele wijzigingen die voor de betrokken gebieden worden aangenomen of vastgesteld.
3.
In dit verband informeert de EU-partij ruim tevoren over wijzigingen in de wetgeving van de EU-partij, opdat Oekraïne kan overwegen haar wetgeving dienovereenkomstig te wijzigen.
De noodzakelijke mate van samenwerking moet worden bereikt om de toezending van wetgevingsdocumenten op verzoek van een van de partijen te bevorderen.
Hiertoe stellen de partijen elkaar in kennis van hun contactpunten. De partijen stellen elkaar tevens in kennis van wijzigingen met betrekking tot deze gegevens.
1.
Elke partij stelt de andere partij binnen twee werkdagen schriftelijk in kennis van ieder ernstig of aanzienlijk gezondheidsrisico voor mens, dier of plant, met inbegrip van alle noodsituaties in verband met de voedselcontrole of situaties waarin een duidelijk ernstig gezondheidsrisico werd geconstateerd in verband met de consumptie van dierlijke of plantaardige producten, met name wat betreft:
a. alle maatregelen die relevant zijn voor de in artikel 65 van deze overeenkomst bedoelde regionalisatiebesluiten;
b. de aanwezigheid of ontwikkeling van een in bijlage VI-A vermelde dierziekte of van een op de lijst in bijlage VI-B bij deze overeenkomst beschreven gereglementeerde plaag;
c. bevindingen van epidemiologisch belang of belangrijke daaraan verbonden risico's met betrekking tot niet in de bijlagen VI-A en VI-B bij deze overeenkomst vermelde dierziekten en plagen of nieuwe dierziekten en plagen; en
d. eventuele aanvullende maatregelen die verder gaan dan de basisvereisten die gelden voor maatregelen van de respectieve partijen ter bestrijding of uitroeiing van dierziekten of plagen of ter bescherming van de gezondheid van mens of plant, en eventuele wijzigingen in het preventiebeleid, waaronder het vaccinatiebeleid.
2.
a. Kennisgevingen worden schriftelijk gedaan aan de in artikel 67, lid 3, van deze overeenkomst bedoelde contactpunten.
b. Schriftelijke kennisgeving gebeurt per post, per fax of per e-mail. Kennisgevingen worden enkel gedaan tussen de in artikel 67, lid 3, van deze overeenkomst bedoelde contactpunten.
3.
Wanneer een partij zich ernstig zorgen maakt over een risico voor de gezondheid van mens, dier of plant, vindt op verzoek van die partij zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 15 werkdagen overleg over de situatie plaats. Daarbij tracht elke partij alle informatie te verstrekken die nodig is om verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen en tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen die verenigbaar is met de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant.
4.
Op verzoek van een partij vindt zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 20 werkdagen na de kennisgeving overleg over dierenwelzijn plaats. Elke partij tracht daarbij alle vereiste informatie te verstrekken.
5.
Op verzoek van een partij vindt het in de leden 3 en 4 van dit artikel genoemde overleg plaats in de vorm van een video- of audiovergadering. De partij die om het overleg verzoekt, stelt de notulen van de vergadering op, die officieel door de partijen worden goedgekeurd. Voor deze goedkeuring geldt artikel 67, lid 3, van deze overeenkomst.
6.
Met een wederzijds toegepast systeem voor snelle waarschuwingen en een vroegtijdig waarschuwingsmechanisme voor een diergeneeskundig of fytosanitair noodgeval wordt in een later stadium aangevangen, wanneer Oekraïne de nodige wetgeving op dit gebied implementeert en de voorwaarden schept voor de juiste werking ter plaatse van dergelijke mechanismen.
1.
Algemene invoervoorwaarden
a. Voor elk handelsartikel dat door bijlage IV-A en bijlage IV-C, onder 2, bij deze overeenkomst wordt bestreken, komen de partijen overeen algemene invoervoorwaarden toe te passen. Onverminderd de overeenkomstig artikel 65 van deze overeenkomst genomen besluiten gelden de door de partij van invoer gestelde invoervoorwaarden voor het gehele grondgebied van de partij van uitvoer. Bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst en overeenkomstig artikel 67 van deze overeenkomst stelt de partij van invoer de partij van uitvoer in kennis van haar sanitaire en fytosanitaire invoervereisten voor de in bijlage IV-A en bijlage IV-C, onder 2, bij deze overeenkomst bedoelde handelsartikelen. Deze informatie omvat in voorkomend geval de modellen voor de officiële certificaten, verklaringen of handelsdocumenten als voorgeschreven door de partij van invoer.
b.
i. Wijzigingen of voorgestelde wijzigingen van de in lid 1 van dit artikel bedoelde voorwaarden worden door de partijen gemeld overeenkomstig de bepalingen van de SPS-overeenkomst en latere besluiten inzake de kennisgeving van maatregelen. Onverminderd artikel 73 van deze overeenkomst houdt de partij van invoer rekening met de reistijd tussen de partijen bij de vaststelling van de datum waarop de in lid 1, onder a), bedoelde gewijzigde voorwaarden van kracht worden.
ii. Indien de partij van invoer deze kennisgevingsvereisten niet in acht neemt, blijft zij een certificaat of attest waarmee de naleving van de voorheen geldende voorwaarden wordt gegarandeerd, accepteren tot 30 dagen nadat de gewijzigde invoervoorwaarden van kracht zijn geworden.
2.
Invoervoorwaarden na erkenning van gelijkwaardigheid
a. Binnen 90 dagen na de vaststelling van een besluit inzake de erkenning van gelijkwaardigheid nemen de partijen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen voor de tenuitvoerlegging van die erkenning, teneinde op basis daarvan de onderlinge handel in de in de bijlage IV-A en bijlage IV-C, onder 2, bij deze overeenkomst bedoelde handelsartikelen mogelijk te maken; dit in de sectoren en subsectoren waarvoor alle desbetreffende sanitaire en fytosanitaire maatregelen van de partij van uitvoer door de partij van invoer als gelijkwaardig zijn erkend. Voor deze handelsartikelen kan in die fase het model van het door de partij van invoer geëiste officiële certificaat of officiële document worden vervangen door een krachtens bijlage XII.B bij deze overeenkomst opgesteld certificaat.
b. Voor handelsartikelen in sectoren of subsectoren waarvoor, indien van toepassing, sommige maar niet alle maatregelen als gelijkwaardig zijn erkend, blijft de handel verlopen op basis van de in lid 1, onder a), bedoelde voorwaarden. Indien de partij van uitvoer daarom verzoekt, is lid 5 van dit artikel van toepassing.
3.
Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst is voor de in bijlage IV-A en bijlage IV-C, onder 2, bij deze overeenkomst bedoelde handelsartikelen geen invoervergunning vereist.
Indien deze overeenkomst eerder dan 31 december 2013 in werking treedt, mag dit geen invloed hebben op de bijstand voor de algemene institutionele opbouw.
4.
Ten aanzien van de voorwaarden die relevant zijn voor de handel in de in lid 1, onder a), bedoelde handelsartikelen voeren de partijen, op verzoek van de partij van uitvoer, in het SPS-subcomité overleg overeenkomstig artikel 74 van deze overeenkomst, teneinde overeenstemming te bereiken over alternatieve of bijkomende invoervoorwaarden van de partij van invoer. Zulke alternatieve of bijkomende invoervoorwaarden mogen, in voorkomend geval, worden gebaseerd op maatregelen van de partij van uitvoer die door de partij van invoer als gelijkwaardig zijn erkend. Bij overeenstemming neemt de partij van invoer binnen 90 dagen na het besluit van het SPS-subcomité de nodige wettelijke en/of bestuursrechtelijke maatregelen om de invoer op basis daarvan mogelijk te maken.
5.
Lijst van inrichtingen, voorwaardelijke goedkeuring
a. Voor de invoer van de in bijlage IV-A, deel 2, van deze overeenkomst bedoelde dierlijke producten verleent de partij van invoer, op verzoek van de partij van uitvoer die daarbij de passende garanties geeft, een voorlopige goedkeuring voor de in bijlage VIII, onder 2.1, bij deze overeenkomst bedoelde verwerkingsinrichtingen die zich op het grondgebied van de partij van uitvoer bevinden, zonder voorafgaande inspectie van afzonderlijke inrichtingen. Deze goedkeuring moet in overeenstemming zijn met de in bijlage VIII bij deze overeenkomst vastgestelde voorwaarden en bepalingen. Tenzij om bijkomende gegevens wordt verzocht, neemt de partij van invoer binnen 30 werkdagen na ontvangst van het verzoek en de desbetreffende garanties de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om de invoer op basis daarvan mogelijk te maken.
De eerste lijst van inrichtingen wordt goedgekeurd in overeenstemming met de procedure van bijlage VIII bij deze overeenkomst.
b. Voor de invoer van de in lid 2, onder a), bedoelde dierlijke producten doet de partij van uitvoer haar lijst van inrichtingen die aan de eisen van de partij van invoer voldoen, aan de partij van invoer toekomen.
6.
Op verzoek van een partij verstrekt de andere partij de noodzakelijke toelichting bij en ondersteunende gegevens voor de bepalingen en besluiten die door dit artikel bestreken worden.
1.
Voor certificeringsprocedures en de afgifte van certificaten en officiële documenten zijn de partijen het eens over de beginselen die in bijlage XII bij deze overeenkomst zijn uiteengezet.
2.
Het in artikel 74 van deze overeenkomst bedoelde SPS-subcomité kan regels vaststellen die moeten worden gevolgd in het geval van elektronische certificering, en de intrekking of vervanging van certificaten langs elektronische weg.
3.
In het kader van de in artikel 64 van deze overeenkomst bedoelde aanpassing van wetgeving zullen de partijen indien van toepassing gezamenlijke modellen van certificaten overeenkomen.
1.
Om het vertrouwen in de doeltreffende tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit hoofdstuk te bewaren, heeft elke partij het recht:
a. overeenkomstig de richtsnoeren in bijlage X bij deze overeenkomst, het volledige controleprogramma van de autoriteiten van de andere partij of, indien van toepassing, andere maatregelen geheel of gedeeltelijk te verifiëren. De kosten hiervan worden gedragen door de verifiërende partij;
b. te verlangen dat haar, vanaf een door de partijen vast te stellen datum, desgevraagd het volledige controleprogramma van de andere partij geheel of gedeeltelijk wordt voorgelegd, alsook verslagen van de resultaten van de in het kader van dat programma verrichte controles;
c. in voorkomend geval, voor laboratoriumtests met betrekking tot in bijlage IV-A en bijlage IV-C, onder 2, bij deze overeenkomst bedoelde handelsartikelen, desgevraagd deel te nemen aan het periodieke vergelijkende testprogramma, voor specifieke tests die door het referentielaboratorium van de andere partij worden opgezet. De kosten van deze deelname worden door de deelnemende partij gedragen.
2.
Elk van beide partijen mag de resultaten van de in lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde verificatie delen met derden en de resultaten openbaar maken voor zover dit op grond van de ten aanzien van een partij toepasselijke bepalingen vereist is. Bepalingen over de vertrouwelijkheid die op een van de partijen van toepassing zijn, worden in voorkomend geval bij dit delen en/of deze bekendmaking van de resultaten geëerbiedigd.
3.
Het in artikel 74 van deze overeenkomst bedoelde SPS-subcomité kan bijlage X bij deze overeenkomst bij besluit wijzigen, daarbij op passende wijze rekening houdende met door internationale organisaties verrichte relevante werkzaamheden.
4.
De verificatieresultaten kunnen worden gebruikt ten behoeve van de in de artikelen 64, 66 en 72 van deze overeenkomst bedoelde maatregelen van de partijen of van een van de partijen.
1.
De partijen komen overeen dat de partij van invoer bij haar invoercontroles op zendingen uit de partij van uitvoer de in bijlage XI, deel A, bij deze overeenkomst vastgelegde beginselen in acht dient te nemen. De resultaten van deze controles kunnen worden gebruikt ten behoeve van de in artikel 71 van deze overeenkomst bedoelde verificaties.
2.
De frequentie waarmee elke partij materiële controles bij invoer verricht, zijn vastgesteld in bijlage XI, deel B, bij deze overeenkomst. Een partij kan deze frequentie binnen de grenzen van haar bevoegdheid en in overeenstemming met haar interne wetgeving wijzigen naar aanleiding van vooruitgang die werd geboekt in overeenstemming met de artikelen 64, 66 en 69 van deze overeenkomst, of naar aanleiding van de verificaties, het overleg of andere maatregelen waarin deze overeenkomst voorziet. Bijlage XI, deel B, bij deze overeenkomst wordt door het in artikel 74 van deze overeenkomst bedoelde SPS-subcomité bij besluit dienovereenkomstig gewijzigd.
3.
De inspectievergoedingen mogen uitsluitend de kosten van de bevoegde autoriteit voor het verrichten van de controles bij invoer dekken. De vergoedingen worden op dezelfde basis als retributies voor de inspectie van soortgelijke interne producten berekend.
4.
De partij van invoer stelt de partij van uitvoer op verzoek in kennis van elke wijziging in de maatregelen die relevant is voor de invoercontroles en inspectievergoedingen, inclusief de redenen daarvoor, en van elke belangrijke wijziging in de wijze waarop haar diensten deze controles verrichten.
5.
Vanaf een door het in artikel 74 van deze overeenkomst bedoelde SPS-subcomité vast te stellen datum kunnen de partijen overeenkomen onder welke voorwaarden zij elkaars in artikel 71, lid 1, onder b), bedoelde controles goedkeuren, teneinde de frequentie van de materiële invoercontroles voor de in artikel 69, lid 2, van deze overeenkomst bedoelde handelsartikelen in voorkomend geval aan te passen en wederzijds te verlagen.
Vanaf die datum kunnen de partijen wederzijds goedkeuring verlenen voor elkaars controles voor bepaalde handelsartikelen en de invoercontroles voor deze handelsartikelen derhalve verminderen of vervangen.
6.
De voorwaarden voor de goedkeuring van de aanpassing van de invoercontroles wordt opgenomen in bijlage XI bij deze overeenkomst, aan de hand van de in artikel 74, lid 6, van deze overeenkomst bedoelde procedure.
1.
Indien de partij van invoer op haar eigen grondgebied maatregelen neemt tegen een mogelijk ernstig gevaar of risico voor de gezondheid van mens, dier en plant, dient de partij van uitvoer, onverminderd lid 2 van dit artikel, gelijkwaardige maatregelen te nemen om insleep van dit gevaar of risico op het grondgebied van de partij van invoer te voorkomen.
2.
De partij van invoer kan, als daartoe ernstige redenen bestaan met betrekking tot de gezondheid van mens, dier of plant, voorlopige maatregelen vaststellen om de gezondheid van mens, dier of plant te beschermen. Voor zendingen die al onderweg zijn tussen de partijen, zoekt de partij van invoer de meest geschikte, aan het risico evenredige oplossing om onnodige verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen.
3.
De partij die maatregelen in het kader van lid 2 van dit artikel vaststelt, stelt de andere partij hiervan uiterlijk één werkdag na de datum waarop de maatregelen zijn vastgesteld, in kennis. Op verzoek van een van beide partijen en in overeenstemming met artikel 68, lid 3, van deze overeenkomst plegen de partijen binnen 15 werkdagen na de kennisgeving overleg over de situatie. De partijen houden op passende wijze rekening met de informatie die in het kader van dat overleg wordt verkregen, en streven ernaar onnodige verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen, in voorkomend geval rekening houdende met het resultaat van het in artikel 68, lid 3, van deze overeenkomst bedoelde overleg.
1.
Er wordt een subcomité opgericht voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen (hierna „SPS-subcomité” genoemd). Het SPS-subcomité komt binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst bijeen, en daarna op verzoek van een van beide partijen, althans ten minste eens per jaar. Indien de partijen aldus overeenkomen, kan een bijeenkomst van het SPS-subcomité worden gehouden in de vorm van een video- of audiovergadering. Tussen twee vergaderingen door kan het SPS-subcomité bepaalde aangelegenheden ook schriftelijk behandelen.
2.
Het SPS-subcomité heeft de volgende taken:
a. op de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk toezien, alle kwesties die op dit hoofdstuk betrekking hebben, in overweging nemen en alle vragen die naar aanleiding van de tenuitvoerlegging ervan rijzen, bestuderen;
b. de bijlagen bij dit hoofdstuk herzien, met name in het licht van de geboekte vooruitgang in het kader van het overleg en de procedures waarin dit hoofdstuk voorziet;
c. de bijlagen IV tot en met XIV bij deze overeenkomst bij besluit wijzigen, in het licht van de onder b) van dit lid bedoelde herziening of zoals anderszins bepaald in dit hoofdstuk; en
d. aan andere organen als omschreven in de Institutionele, algemene en slotbepalingen van deze overeenkomst, standpunten aanreiken en aanbevelingen doen in het licht van de onder b) van dit lid bedoelde herziening.
3.
De partijen stemmen in met de oprichting van technische werkgroepen, waar van toepassing, bestaande uit deskundigen die als vertegenwoordiger van de partijen optreden; deze werkgroepen worden belast met de identificatie en behandeling van technische en wetenschappelijke vragen naar aanleiding van de toepassing van dit hoofdstuk. Als aanvullende expertise vereist is, kunnen de partijen ook ad-hocgroepen, met inbegrip van wetenschappelijke groepen, oprichten. Van deze ad-hocgroepen kunnen ook andere personen dan vertegenwoordigers van de partijen deel uitmaken.
4.
Het SPS-subcomité brengt het ingevolge artikel 465 van deze overeenkomst opgerichte handelscomité regelmatig op de hoogte van zijn activiteiten en de in het kader van zijn bevoegdheid genomen besluiten.
5.
Het SPS-subcomité stelt op zijn eerste bijeenkomst zijn werkwijze vast.
6.
Besluiten, aanbevelingen, verslagen of andere handelingen van het SPS-subcomité of enige andere door dit comité opgerichte groep, inzake invoervergunningen, uitwisseling van informatie, transparantie, erkenning van regionalisatie, gelijkwaardigheid en alternatieve maatregelen, en andere vraagstukken die vallen onder de leden 2 en 3, worden bij consensus goedgekeurd.
Artikel 75. Doelstellingen [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
De partijen erkennen het belang van douaneaangelegenheden en handelsbevordering bij de ontwikkeling van het bilaterale handelsstelsel. Zij komen in beginsel overeen op dit gebied nauwer samen te werken om ervoor te zorgen dat de wetgeving en procedures ter zake, alsook de bestuurlijke capaciteit van de desbetreffende diensten, voldoen aan de doelstellingen van een effectieve controle en bevordering van de legitieme handel.
De partijen erkennen dat het grootst mogelijke belang moet worden gehecht aan de legitieme doelstellingen van het overheidsbeleid, met inbegrip van die met betrekking tot de handelsbevordering, de veiligheid en de fraudebestrijding en aan een evenwichtige benadering hiervan.
1.
De partijen komen overeen dat hun respectieve wet- en regelgeving op handels- en douanegebied in beginsel stabiel en allesomvattend moet zijn, en dat bepalingen en procedures evenredig, transparant, voorspelbaar, niet-discriminerend en onpartijdig zullen zijn alsook op eenvormige wijze doeltreffend moeten worden toegepast en dat zij onder meer:
a. de rechtmatige handel beschermen en vergemakkelijken door een doeltreffende handhaving en naleving van wettelijke vereisten;
b. onnodige en discriminerende lasten voor het bedrijfsleven tegengaan, fraude voorkomen en marktdeelnemers die de wetgeving goed naleven extra faciliteiten verlenen;
c. één enkel administratief document voor douaneaangiften toepassen;
d. streven naar meer efficiëntie, transparantie en vereenvoudiging van douaneprocedures en -praktijken aan de grens;
e. moderne douanetechnieken toepassen, zoals risicobeoordeling, controles na de vrijgave van goederen en bedrijfsauditmethodes ter vereenvoudiging en bevordering van de binnenkomst en de vrijgave van goederen;
f. tot doel hebben de kosten te verlagen en de voorspelbaarheid voor marktdeelnemers, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, te vergroten;
g. onverminderd de toepassing van objectieve criteria voor risicobeoordeling de niet-discriminerende toepassing waarborgen van de vereisten en procedures die op de invoer, uitvoer en doorvoer van goederen van toepassing zijn;
h. de internationale instrumenten toepassen die van toepassing zijn op douane- en handelsgebied, met inbegrip van die welke zijn ontwikkeld door de Werelddouaneorganisatie, hierna „WDO” genoemd, („Framework of Standards to Secure and Facilitate Global Trade” van 2005, de Overeenkomst van Istanbul inzake tijdelijke invoer van 1990, het GS-verdrag van 1983), de WTO (bv. inzake waardering), de VN ( TIR-overeenkomst van 1975, de Overeenkomst inzake de harmonisatie van de goederencontroles aan de grenzen van 1982), alsmede EU-richtsnoeren zoals de blauwdrukken voor de douane;
i. de noodzakelijke maatregelen nemen om de bepalingen van de herziene Overeenkomst van Kyoto inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures van 1973 weer te geven en te implementeren;
j. voorzien in voorschriften en procedures die voorzien in bindende uitspraken vooraf over tariefindeling en oorsprongsregels. De partijen zullen ervoor zorgen dat een uitspraak alleen kan worden ingetrokken of nietig verklaard na kennisgeving aan de betrokken onderneming en zonder terugwerkende kracht, tenzij de uitspraak is gedaan op basis van onjuiste of onvolledige gegevens;
k. vereenvoudigde procedures invoeren en toepassen voor toegelaten handelaren, op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria;
l. regels toepassen die waarborgen dat straffen voor inbreuken op douanevoorschriften of procedurele eisen evenredig en niet-discriminerend zijn en dat hun toepassing niet tot nodeloze en ongerechtvaardigde vertragingen leidt;
m. transparante, niet-discriminerende en evenredige voorschriften met betrekking tot het verlenen van vergunningen aan douane-expediteurs toepassen.
2.
Om hun werkmethoden te verbeteren en ervoor te zorgen dat hun optreden niet-discriminerend, transparant, doeltreffend, integer en te verantwoorden is, nemen de partijen de volgende maatregelen:
a. zij nemen nadere maatregelen om de door de douanediensten en andere instanties verlangde gegevens en documentatie te verminderen, te vereenvoudigen en te standaardiseren;
b. zij vereenvoudigen waar mogelijk eisen en formaliteiten, zodat goederen snel worden vrijgegeven en ingeklaard;
c. zij zorgen voor doeltreffende, snelle en niet-discriminerende procedures die het recht tot het instellen van beroep tegen administratieve maatregelen, uitspraken en besluiten van de douane en van andere instanties betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen waarborgen. Deze beroepsprocedures zijn gemakkelijk toegankelijk, ook voor het midden- en kleinbedrijf, en de kosten ervan zijn redelijk en evenredig met de kosten van het beroep. De partijen nemen ook maatregelen om ervoor te zorgen dat wanneer tegen een litigieus besluit beroep wordt ingesteld, goederen normaal worden vrijgegeven en de betaling van rechten kan worden opgeschort, onder voorbehoud van de nodig geachte vrijwaringsmaatregelen. Voor zover nodig moet hierbij zekerheid worden gesteld, bijvoorbeeld in de vorm van een onderpand of depot;
d. zij zien erop toe dat ter zake van integriteit uiterst strenge normen worden nageleefd, met name aan de grens, door de toepassing van maatregelen die in overeenstemming zijn met de beginselen die zijn vervat in de desbetreffende internationale overeenkomsten en instrumenten, met name de herziene verklaring van Arusha in WDO-verband (2003) en de door de EG opgestelde blauwdrukken voor douane-ethiek (2007).
3.
De partijen komen afschaffing overeen van:
a. elk vereiste met betrekking tot de verplichte inschakeling van douane-expediteurs;
b. elk vereiste ten aanzien van verplichte inspecties vóór verzending of op de plaats van bestemming.
4.
Bepalingen inzake doorvoer
a. Voor de toepassing van deze overeenkomst gelden met betrekking tot doorvoer de voorschriften en definities van de WTO (artikel V van de GATT 1994, en verwante bepalingen, met inbegrip van de toelichtingen of verbeteringen naar aanleiding van de onderhandelingen inzake handelsbevordering in het kader van de DOHA-ronde). Deze bepalingen zijn ook dan van toepassing wanneer de doorvoer van goederen op het grondgebied van een partij begint of eindigt (intern douanevervoer).
b. De partijen streven geleidelijke koppeling van hun respectieve douanestelsels voor doorvoer na, met het oog op de toekomstige deelname van Oekraïne aan de regeling voor gemeenschappelijk douanevervoer die vervat is in de Overeenkomst van 20 mei 1987 betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer.
c. De partijen zien erop toe dat alle betrokken instanties op hun respectieve grondgebied gecoördineerd samenwerken om doorvoer te vergemakkelijken en de grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen. De partijen bevorderen tevens de samenwerking tussen de autoriteiten en de particuliere sector met betrekking tot doorvoer.
a. erop toe te zien dat hun respectieve wetgeving en procedures transparant zijn en samen met de motivering ervan, algemeen bekend worden gemaakt, voor zover mogelijk langs elektronische weg. Er moet een overlegmechanisme zijn en een redelijke tijdspanne liggen tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding van nieuwe of gewijzigde bepalingen;
b. dat tijdig en regelmatig met vertegenwoordigers van de handel wordt overlegd over wetsvoorstellen en procedures met betrekking tot douane- en handelsaangelegenheden. Hiertoe worden door elke partij mechanismen voor passend en regelmatig overleg tussen de diensten en het bedrijfsleven opgericht;
c. algemene bekendheid te geven aan administratieve berichten ter zake, met name over de eisen voor douane-expediteurs, procedures bij binnenkomst van de goederen, openingstijden en werkwijzen van douanekantoren in havens en bij grensposten en adressen voor het inwinnen van informatie;
d. de samenwerking tussen de marktdeelnemers en de betrokken diensten te stimuleren door toepassing van niet-arbitraire, openbaar toegankelijke procedures, zoals intentieverklaringen, met name op basis van die welke door de WDO zijn uitgevaardigd;
e. erop toe te zien dat hun respectieve eisen en procedures op douanegebied en aanverwante gebieden blijven aansluiten op de legitieme behoeften van de handel, dat hierbij goede praktijken worden gevolgd en dat de handel hierdoor zo min mogelijk wordt beperkt.
Artikel 78. Vergoedingen en heffingen [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
De partijen verbieden administratieve heffingen van gelijke werking als in- en uitvoerrechten en heffingen.
Met betrekking tot alle door de douaneautoriteiten van elke partij opgelegde vergoedingen en heffingen van welke aard ook, met inbegrip van vergoedingen en heffingen voor taken die namens die autoriteiten door een andere instantie zijn verricht, op of in verband met de invoer of uitvoer en onverminderd de desbetreffende artikelen van hoofdstuk 1 (Nationale behandeling en markttoegang voor goederen) van titel IV van deze overeenkomst, komen de partijen overeen dat:
a. vergoedingen en heffingen enkel kunnen worden opgelegd ter zake van buiten de aangewezen diensturen en op andere plaatsen dan de in de douaneregelingen bedoelde, op verzoek van de aangever in verband met de betrokken in- of uitvoer verleende diensten of een met die in- of uitvoer verband houdende formaliteit waaraan moet worden voldaan;
b. het bedrag van vergoedingen en heffingen niet de kosten van de verleende dienst te boven gaat;
c. vergoedingen en heffingen niet op een ad-valoremgrondslag worden berekend;
d. informatie over vergoedingen en heffingen wordt bekendgemaakt. Deze informatie omvat de reden voor de vergoeding of de heffing ter zake van de verleende dienst, de verantwoordelijke autoriteit, de vergoedingen en heffingen die zullen worden toegepast, en het tijdstip en de wijze waarop de betaling moet worden verricht.
De informatie over vergoedingen en heffingen wordt via een officieel aangewezen medium, en waar haalbaar en mogelijk via een officiële website, bekendgemaakt;
e. nieuwe of gewijzigde vergoedingen en heffingen worden niet opgelegd totdat informatie daarover bekend is gemaakt en gemakkelijk beschikbaar is.
1.
De Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 1994 , die in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst is opgenomen, met inbegrip van de daaropvolgende wijzigingen, is van toepassing op de vaststelling van de douanewaarde van de goederen in de handel tussen de partijen. De bepalingen van die overeenkomst worden hierbij in deze overeenkomst opgenomen en maken daarvan deel uit. Er worden geen minimumdouanewaarden gehanteerd.
2.
De partijen werken samen aan een gemeenschappelijke aanpak van problemen met betrekking tot de vaststelling van de douanewaarde.
Artikel 80. Samenwerking op douanegebied [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
De partijen versterken de samenwerking om te zorgen voor implementatie van de doelstellingen van dit hoofdstuk, waarbij een redelijk evenwicht moet worden gezocht tussen vereenvoudiging en bevordering enerzijds, en doeltreffende controle en veiligheid anderzijds. Hiertoe gebruiken de partijen in voorkomend geval de blauwdrukken die de EG voor de douane heeft opgesteld, als benchmarking-instrument.
Om ervoor te zorgen dat de bepalingen van dit hoofdstuk worden nageleefd, zullen de partijen onder meer:
a. informatie uitwisselen over douanewetgeving en -procedures;
b. gezamenlijke initiatieven ontwikkelen op het gebied van de procedures bij invoer, uitvoer en doorvoer, alsmede initiatieven om de zakenwereld een efficiënte dienstverlening aan te bieden;
c. samenwerken op het gebied van de automatisering van douane- en andere handelsprocedures;
d. in voorkomend geval relevante informatie en gegevens uitwisselen, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van gevoelige gegevens en de bescherming van persoonsgegevens;
e. informatie uitwisselen en/of in overleg treden om voor zover mogelijk, gemeenschappelijke standpunten vast te stellen in internationale organisaties op douanegebied als de WTO, de WDO, de VN, de Conferentie van de Verenigde Naties inzake handel en ontwikkeling (Unctad) en de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties;
f. samenwerken bij de planning en verlening van technische bijstand, met name ter vergemakkelijking van hervormingen op het gebied van douane en handelsbevordering overeenkomstig deze overeenkomst;
g. beste praktijken op douanegebied uitwisselen, met name inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, in het bijzonder waar het gaat om nagemaakte goederen;
h. de coördinatie tussen alle grensinstanties zowel nationaal als grensoverschrijdend bevorderen om het proces van grensoverschrijding te vergemakkelijken en de controles te versterken, waarbij gezamenlijke grenscontroles waar dit haalbaar en passend is, tot de mogelijkheden behoren;
i. wederzijds toegelaten handelaren alsmede douanecontroles in voorkomend geval en voor zover passend, erkennen. Over de reikwijdte van deze samenwerking, de tenuitvoerlegging ervan en de praktische regelingen in dit verband wordt besloten door het in artikel 83 van deze overeenkomst bedoelde subcomité douane.
Artikel 81. Wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Onverminderd artikel 80 van deze overeenkomst verlenen de overheden van de partijen elkaar administratieve bijstand in douaneaangelegenheden, in overeenstemming met de bepalingen die zijn neergelegd in protocol II bij deze overeenkomst inzake wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden.
Artikel 82. Technische bijstand en capaciteitsopbouw [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
De partijen werken samen met het oog op het verlenen van technische bijstand en op capaciteitsopbouw voor de implementatie van de handelsbevordering en de hervormingen op douanegebied.
Artikel 83. Subcomité douane [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Er wordt een subcomité douane opgericht. Het subcomité brengt verslag over zijn activiteiten uit aan het Associatiecomité, in de samenstelling volgens artikel 465, lid 4, van deze overeenkomst. De taken van het subcomité douane omvatten regelmatig overleg en toezicht op de tenuitvoerlegging en het beheer in het kader van dit hoofdstuk, waaronder inzake aangelegenheden op het gebied van de douanesamenwerking, grensoverschrijdende douanesamenwerking en grensoverschrijdend beheer inzake douaneaangelegenheden, technische bijstand, oorsprongsregels, handelsbevordering alsmede wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden.
Het subcomité douane zal onder meer:
a. toezien op de goede werking van dit hoofdstuk en de protocollen 1 en 2 bij deze overeenkomst;
b. besluiten tot het treffen van maatregelen en praktische regelingen voor de implementatie van dit hoofdstuk en de protocollen 1 en 2 bij deze overeenkomst, met inbegrip van de uitwisseling van informatie en gegevens, wederzijdse erkenning van douanecontroles en partnerschapsprogramma's op handelsgebied, en wederzijds overeengekomen voordelen;
c. van gedachten wisselen over punten van gezamenlijk belang, met inbegrip van toekomstige maatregelen en de middelen daarvoor;
d. passende aanbevelingen doen; en
e. zijn interne reglement van orde vaststellen.
Artikel 84. Aanpassing van douanewetgeving [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
De geleidelijke aanpassing aan de EU-douanewetgeving zoals deze is neergelegd in de EU-normen en de internationale normen zal plaatsvinden zoals uiteengezet in bijlage XV bij deze overeenkomst.
1.
De partijen herbevestigen hun respectieve rechten en verplichtingen ingevolge de WTO-overeenkomst , en leggen hierbij de noodzakelijke regels vast voor geleidelijke wederzijdse liberalisering van het recht van vestiging, en de handel in diensten en voor samenwerking op het gebied van elektronische handel.
2.
Overheidsopdrachten worden behandeld in hoofdstuk 8 (Overheidsopdrachten) van titel IV van deze overeenkomst en geen enkele bepaling van dit hoofdstuk kan zodanig worden uitgelegd dat zij een verplichting inhoudt met betrekking tot overheidsopdrachten.
3.
Subsidies worden behandeld in hoofdstuk 10 (Mededinging) van titel IV van deze overeenkomst en dit hoofdstuk is niet van toepassing op door de partijen verleende subsidies.
4.
Elk van beide partijen behoudt het recht nieuwe regelingen op te stellen en in te voeren om legitieme beleidsdoelstellingen te bereiken, mits zij verenigbaar zijn met dit hoofdstuk.
5.
Dit hoofdstuk is noch van toepassing op maatregelen betreffende natuurlijke personen die toegang tot de arbeidsmarkt van een partij zoeken, noch op maatregelen inzake staatsburgerschap, verblijf of werk op permanente basis.
Onverminderd de bepalingen inzake personenverkeer in titel III (Recht, vrijheid en veiligheid) van deze overeenkomst, belet geen enkele bepaling van dit hoofdstuk een partij maatregelen toe te passen tot regeling van de toegang of het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen op haar grondgebied, daarbij inbegrepen maatregelen die nodig zijn voor het beschermen van de integriteit van natuurlijke personen , en voor het verzekeren van het ordelijke verkeer van die personen over haar grenzen, mits die maatregelen niet zodanig worden toegepast dat de voordelen die de andere partij op grond van dit hoofdstuk toekomen, daardoor worden teniet gedaan of uitgehold 10)[11] .
1. „maatregel”: elke maatregel van een partij, in de vorm van een wet, regeling, voorschrift, procedure, besluit, administratieve handeling of in enige andere vorm;
2. „door een partij vastgestelde of toegepaste maatregelen”: maatregelen genomen door:
a. een centrale, regionale of lokale overheid of autoriteit; en
b. een niet-gouvernementele organisatie bij de uitoefening van door een centrale, regionale of lokale overheid of autoriteit gedelegeerde bevoegdheden;
3. „natuurlijke persoon van een partij”: een onderdaan van een EU-lidstaat of van Oekraïne volgens hun respectieve wetgeving;
4. „rechtspersoon”: elke juridische entiteit, naar toepasselijk recht opgericht of anderszins georganiseerd, met winst- of andere oogmerken, en in eigendom van particulieren of van de overheid, met inbegrip van kapitaalvennootschappen, trusts, personenvennootschappen, joint ventures, eenmanszaken of verenigingen;
5. „rechtspersoon van de EU-partij” of „rechtspersoon van Oekraïne”: een rechtspersoon die overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat van de Europese Unie respectievelijk Oekraïne is opgericht, en die op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing is respectievelijk op dat van Oekraïne zijn statutaire zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging heeft.
Wanneer deze rechtspersoon op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing is of op dat van Oekraïne alleen zijn statutaire zetel of hoofdbestuur heeft, wordt hij niet als rechtspersoon uit de EU-partij respectievelijk Oekraïne beschouwd, tenzij zijn handelingen een daadwerkelijke en duurzame band met de economie van de EU-partij respectievelijk Oekraïne hebben;
6. onverminderd het voorgaande lid zijn de bepalingen van deze overeenkomst tevens van toepassing op buiten de EU-partij of Oekraïne gevestigde scheepvaartondernemingen waarover onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie respectievelijk Oekraïne zeggenschap hebben, indien hun schepen overeenkomstig hun respectieve wetgeving in die lidstaat of Oekraïne zijn geregistreerd en zij de vlag van een lidstaat van de Europese Unie of van Oekraïne voeren;
7. „dochteronderneming” van een rechtspersoon uit een partij: een rechtspersoon waarover een andere rechtspersoon uit die partij daadwerkelijk zeggenschap heeft 11)[12] ;
8. „filiaal” van een rechtspersoon: een vestiging zonder rechtspersoonlijkheid die:
a. kennelijk een permanent karakter bezit, zoals een agentschap van een moedermaatschappij;
b. een eigen managementstructuur heeft; en
c. over de nodige materiële voorzieningen beschikt om zaken te doen met derden, zodanig dat laatstgenoemden, hoewel zij ervan op de hoogte zijn dat er indien nodig een rechtsverhouding is met de moedermaatschappij waarvan het hoofdkantoor zich in het buitenland bevindt, geen rechtstreeks contact met deze moedermaatschappij behoeven te hebben, maar hun transacties kunnen afhandelen met de vestiging die het agentschap vormt;
9. „vestiging”:
a. wat rechtspersonen in de EU-partij of in Oekraïne betreft, het recht op toegang tot en op uitoefening van economische activiteiten door oprichting, met inbegrip van verwerving, van een rechtspersoon en/of van een filiaal of een vertegenwoordigingskantoor in Oekraïne respectievelijk in de EU-partij;
b. wat natuurlijke personen betreft, het recht van natuurlijke personen uit de EU-partij of uit Oekraïne op toegang tot en op uitoefening van economische activiteiten als zelfstandige, alsmede het recht op de oprichting van ondernemingen, met name vennootschappen, waarover zij daadwerkelijk zeggenschap hebben;
10. „investeerder”: een natuurlijke of rechtspersoon uit een partij die door middel van het opzetten van een vestiging een economische activiteit uitoefent of tracht uit te oefenen;
11. „economische activiteiten”: omvatten activiteiten met een industrieel of commercieel karakter of activiteiten van personen die een vrij beroep uitoefenen, alsmede activiteiten van ambachtslieden, behoudens activiteiten die worden uitgevoerd bij de uitoefening van overheidsgezag;
12. „handelingen”: het verrichten van economische activiteiten;
13. „diensten”: alle diensten in elke sector behalve diensten die bij de uitoefening van overheidsgezag worden verleend;
14. „bij de uitoefening van overheidsgezag verleende diensten en andere activiteiten”: elke dienst of activiteit die noch op commerciële basis, noch in concurrentie met een of meer dienstverleners wordt verleend;
15. „grensoverschrijdende dienstverlening”: het verlenen van een dienst:
a. vanaf het grondgebied van een partij op het grondgebied van de andere partij;
b. op het grondgebied van een partij ten behoeve van een gebruiker van de dienst uit de andere partij;
16. „dienstverlener” van een partij: een natuurlijke of rechtspersoon uit een partij die een dienst verleent of aanbiedt, met inbegrip van personen die dit via een vestiging doen;
17. „stafpersoneel”: natuurlijke personen die bij een rechtspersoon uit een partij, niet zijnde een organisatie zonder winstoogmerk, werkzaam zijn en verantwoordelijk zijn voor het opzetten van dan wel voor een goed toezicht op en een goede administratie en exploitatie van een vestiging.
Tot het stafpersoneel behoren tevens „zakelijke bezoekers” die verantwoordelijk zijn voor het opzetten van een vestiging en „binnen de onderneming overgeplaatste personen”:
a. „zakelijke bezoekers”: natuurlijke personen met een staffunctie die verantwoordelijk zijn voor het opzetten van een vestiging. Zij verrichten geen directe transacties met het publiek en ontvangen geen beloning uit een bron die in de gastpartij is gevestigd;
b. „binnen de onderneming overgeplaatste personen”: natuurlijke personen die ten minste een jaar werknemer of partner (niet zijnde meerderheidsaandeelhouder) van een rechtspersoon uit een partij zijn en die tijdelijk naar een vestiging op het grondgebied van de andere partij zijn overgeplaatst. De betrokken natuurlijke persoon moet tot een van de volgende categorieën behoren;
ii. managers:
personen die deel uitmaken van het hoger leidinggevend personeel van een rechtspersoon, die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het management van de vestiging, onder het algemene toezicht of de leiding van de raad van bestuur of de aandeelhouders of daarmee gelijkgestelde personen, waaronder natuurlijke personen die:
leiding geven aan een vestiging of een afdeling of onderafdeling daarvan;
toezicht houden op de werkzaamheden van andere toezichthoudende, gespecialiseerde of leidinggevende werknemers en deze werkzaamheden controleren;
persoonlijk bevoegd zijn personeel in dienst te nemen en te ontslaan, of indienstneming of ontslag van personeel of andere maatregelen in het kader van het personeelsbeleid aan te bevelen;
specialisten:
binnen een rechtspersoon werkzame personen die beschikken over uitzonderlijke kennis die van wezenlijk belang is voor de productie, de onderzoeksuitrusting, de technische werkzaamheden of het management van de vestiging. Voor de beoordeling van die kennis wordt niet alleen specifiek met de vestiging verband houdende kennis in aanmerking genomen, maar ook of de persoon in hoge mate gekwalificeerd is voor een type werk of handel waarvoor specifieke technische kennis vereist is, evenals het lidmaatschap van een erkende beroepsgroep;
18. „afgestudeerde stagiairs”: natuurlijke personen uit een partij die ten minste een jaar in dienst zijn van een rechtspersoon uit die partij, die universitair afgestudeerd zijn en die voor loopbaanontwikkeling of een opleiding in bedrijfskundige technieken of methoden tijdelijk naar een vestiging op het grondgebied van de andere partij zijn overgeplaatst 12)[13] ;
19. „verkopers van zakelijke diensten”: natuurlijke personen die vertegenwoordigers zijn van een dienstverlener uit een partij die toegang tot en tijdelijk verblijf op het grondgebied van de andere partij beoogt om over de verkoop van diensten te onderhandelen of voor die dienstverlener overeenkomsten voor de verkoop van diensten te sluiten. Zij verrichten geen directe transacties met het publiek en ontvangen geen beloning uit een in de gastpartij gevestigde bron;
20. „dienstverleners op contractbasis”: natuurlijke personen in dienst bij een rechtspersoon uit een partij die geen vestiging op het grondgebied van de andere partij heeft en die een bonafide contract 13)[14] voor de verlening van diensten aan een eindverbruiker in die andere partij heeft gesloten, zodat de tijdelijke aanwezigheid van zijn werknemers in die partij vereist is voor de uitvoering van het dienstverleningscontract;
21. „beoefenaars van een vrij beroep”: natuurlijke personen die als zelfstandige dienstverlener op het grondgebied van een partij zijn gevestigd, geen vestiging op het grondgebied van de andere partij hebben en een bonafide contract 14)[15] voor de verlening van diensten aan een eindverbruiker in die andere partij hebben gesloten, zodat hun tijdelijke aanwezigheid op het grondgebied van die partij vereist is voor de uitvoering van het dienstverleningscontract.
Artikel 87. Toepassingsgebied [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Deze afdeling is van toepassing op maatregelen die door de partijen zijn vastgesteld of worden gehandhaafd en die van invloed zijn op vestiging 15)[16] met betrekking tot alle economische activiteiten, met uitzondering van:
a. de winning, vervaardiging en verwerking 16)[17] van nucleair materiaal;
b. de productie van of handel in wapens, munitie en oorlogsmaterieel;
c. audiovisuele diensten;
d. nationale maritieme cabotage 17)[18] ;
e. interne en internationale luchtvervoerdiensten 18)[19] , ongeacht of het gaat om lijndiensten, en diensten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van verkeersrechten, andere dan:
i. reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen waarbij het luchtvaartuig buiten dienst wordt gesteld;
ii. verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;
iii. geautomatiseerde boekingssystemen;
iv. grondafhandelingsdiensten;
v. exploitatie van luchthavens.
1.
Behoudens de in bijlage XVI-D bij deze overeenkomst vermelde voorbehouden zal Oekraïne bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst:
i. voor de vestiging van dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit de EU-partij geen behandeling toekennen die minder gunstig is dan die welke aan de interne rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren of aan die uit derde landen wordt toegekend, indien deze behandeling gunstiger is;
ii. voor het exploiteren van eenmaal gevestigde dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit de EU-partij in Oekraïne geen behandeling toekennen die minder gunstig is dan die welke aan de interne rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren of aan die uit derde landen wordt toegekend, indien deze behandeling gunstiger is 19)[20] .
2.
Behoudens de in bijlage XVI-A bij deze overeenkomst vermelde voorbehouden zal de EU-partij bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst:
i. voor de vestiging van dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit Oekraïne geen behandeling toekennen die minder gunstig is dan die welke aan de interne rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren of aan die uit derde landen wordt toegekend, indien deze behandeling gunstiger is;
ii. voor het exploiteren van eenmaal gevestigde dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit Oekraïne in de EU-partij geen behandeling toekennen die minder gunstig is dan die welke aan de interne rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren of aan die uit derde landen wordt toegekend, indien deze behandeling gunstiger is 20)[21] .
3.
Behoudens de in de lijsten in de bijlagen XVI-A en XVI-D bij deze overeenkomst opgenomen voorbehouden stellen de partijen geen nieuwe regelgeving of maatregelen vast die met betrekking tot de vestiging van rechtspersonen uit de EU-partij of Oekraïne op hun grondgebied dan wel de handelingen van die rechtspersonen na vestiging, discrimineren ten opzichte van wat voor de eigen rechtspersonen geldt.
1.
Met het oog op de geleidelijke liberalisering van de voorwaarden voor vestiging evalueren de partijen regelmatig het juridische kader voor vestiging 21)[22] en het vestigingsklimaat, in overeenstemming met hun uit internationale overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen.
2.
In het kader van de in lid 1 van dit artikel bedoelde evaluatie onderzoeken de partijen welke belemmeringen voor vestiging zich hebben voorgedaan en treden zij in onderhandeling om dergelijke belemmeringen aan te pakken, met het oogmerk de bepalingen van dit hoofdstuk uit te diepen en nader te voorzien in bepalingen voor investeringsbescherming alsmede procedures voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en de staat.
Artikel 90. Andere overeenkomsten [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Geen enkele bepaling in dit hoofdstuk wordt zodanig uitgelegd dat de rechten van investeerders uit de partijen op een gunstigere behandeling waarin is voorzien in een bestaande of toekomstige internationale overeenkomst inzake investeringen waarbij een lidstaat van de Europese Unie en Oekraïne partij zijn, worden beperkt.
1.
Het bepaalde in artikel 88 van deze overeenkomst vormt geen beletsel voor de toepassing door een partij van bijzondere regels met betrekking tot de vestiging en exploitatie op haar grondgebied van filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit de andere partij die op het grondgebied van eerstgenoemde partij niet als rechtspersoon zijn erkend, wanneer deze bijzondere regels op grond van juridische of technische verschillen tussen bedoelde filialen en vertegenwoordigingskantoren en wel op het grondgebied van de eerste partij als rechtspersoon erkende filialen en vertegenwoordigingskantoren of, voor wat financiële diensten betreft, om prudentiële redenen gerechtvaardigd zijn.
2.
Het verschil in behandeling mag niet verder gaan dan hetgeen vanwege die juridische of technische verschillen of, voor wat financiële diensten betreft, om prudentiële redenen strikt noodzakelijk is.
Artikel 92. Toepassingsgebied [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van de partijen die van invloed zijn op alle grensoverschrijdende dienstverlening, met uitzondering van:
a. audiovisuele diensten 22)[23] ;
b. nationale cabotage in het zeevervoer 23)[24] , en
c. interne en internationale luchtvervoerdiensten 24)[25] , ongeacht of het gaat om lijndiensten, en diensten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van verkeersrechten, andere dan:
i. reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen waarbij het luchtvaartuig buiten dienst wordt gesteld;
ii. verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;
iii. diensten die verband houden met geautomatiseerde boekingssystemen;
iv. grondafhandelingsdiensten;
v. exploitatie van luchthavens.
1.
Ten aanzien van de markttoegang voor grensoverschrijdende dienstverlening behandelt elk van beide partijen diensten en dienstverleners uit de andere partij niet minder gunstig dan is voorzien in de specifieke verbintenissen die zijn neergelegd in de bijlagen XVI-B en XVI-E bij deze overeenkomst.
2.
Voor sectoren waarvoor verbintenissen betreffende markttoegang worden aangegaan, worden de maatregelen die een partij niet mag handhaven of vaststellen voor een bepaalde regio of voor haar gehele grondgebied, tenzij anderszins bepaald in de bijlagen XVI-B en XVI-E bij deze overeenkomst, omschreven als:
a. beperkingen van het aantal dienstverleners door middel van numerieke quota, monopolies, exclusiviteitsbepalingen of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;
b. beperkingen van de totale waarde van transacties of activa in verband met diensten door middel van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;
c. beperkingen van het totale aantal dienstentransacties of het totale volume van de dienstenoutput, in bepaalde numerieke eenheden uitgedrukt in de vorm van quota of door middel van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte.
1.
Elk van beide partijen behandelt in de sectoren waarvoor verbintenissen inzake de markttoegang in de bijlagen XVI-B en XVI-E bij deze overeenkomst zijn opgenomen, met inachtneming van de daarin vermelde voorwaarden en kwalificaties, diensten en dienstverleners uit de andere partij in het kader van alle maatregelen die op de grensoverschrijdende dienstverlening van invloed zijn, niet minder gunstig dan haar eigen soortgelijke diensten en dienstverleners.
2.
Een partij kan aan het bepaalde in lid 1 van dit artikel voldoen door aan diensten en dienstverleners uit de andere partij een behandeling toe te kennen die naar de vorm identiek is aan of naar de vorm afwijkt van de behandeling die zij aan haar eigen diensten en dienstverleners toekent.
3.
Een naar de vorm identieke of naar de vorm afwijkende behandeling wordt geacht minder gunstig te zijn indien zij de mededingingsvoorwaarden wijzigt ten gunste van diensten of dienstverleners uit de betrokken partij, in vergelijking met soortgelijke diensten of dienstverleners uit de andere partij.
4.
De op grond van dit artikel aangegane specifieke verbintenissen worden niet zodanig uitgelegd dat een partij verplicht is tot compensatie van concurrentienadelen die inherent zijn aan het buitenlandse karakter van de desbetreffende diensten of dienstverleners.
1.
De door elk van beide partijen ingevolge dit hoofdstuk geliberaliseerde sectoren en de beperkingen, door middel van voorbehouden, ten aanzien van de markttoegang en van de nationale behandeling voor diensten en dienstverleners uit de andere partij in die sectoren, worden in de lijsten van verbintenissen in de bijlagen XVI-B en XVI-E bij deze overeenkomst vermeld.
2.
Onverminderd de bestaande of toekomstige rechten en verplichtingen van de partijen uit hoofde van het Verdrag van de Raad van Europa inzake grensoverschrijdende televisie van 1989 en het Europees Verdrag inzake cinematografische coproductie van 1992, omvatten de lijsten van verbintenissen in de bijlagen XVI-B en XVI-E bij deze overeenkomst geen verbintenissen inzake audiovisuele diensten.
Artikel 96. Herziening [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Met het oog op de geleidelijke liberalisering van de grensoverschrijdende dienstverlening tussen de partijen zal het Handelscomité regelmatig de in artikel 95 van deze overeenkomst bedoelde lijsten van verbintenissen herzien. Bij deze herziening zal rekening worden gehouden met de mate van vooruitgang wat de omzetting, de implementatie en de handhaving van het in bijlage XVII bij deze overeenkomst bedoelde EU-acquis betreft en de impact daarvan op de afschaffing van resterende belemmeringen voor de grensoverschrijdende dienstverlening tussen de partijen.
Artikel 97. Toepassingsgebied [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Deze afdeling is van toepassing op de maatregelen van de partijen betreffende de toelating en het tijdelijke verblijf 25)[26] op hun grondgebied van categorieën natuurlijke personen die diensten verlenen als omschreven in artikel 86, leden 17 tot en met 21, van deze overeenkomst.
1.
Een rechtspersoon uit de EU-partij of uit Oekraïne mag, in overeenstemming met de in het gastland van vestiging geldende wetgeving, werknemers die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie respectievelijk Oekraïne, in dienst hebben respectievelijk in dienst laten zijn van een van haar dochterondernemingen, filialen of vertegenwoordigingskantoren op het grondgebied van Oekraïne respectievelijk de EU-partij, mits die werknemers stafpersoneel in de zin van artikel 86 van deze overeenkomst zijn en uitsluitend in dienst zijn van rechtspersonen, dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren. De verblijfs- en werkvergunningen van dergelijke werknemers bestrijken slechts het tijdvak van een dergelijke tewerkstelling. De binnenkomst en het tijdelijke verblijf van die werknemers worden toegestaan voor een periode van ten hoogste drie jaar.
2.
De binnenkomst en het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen uit Oekraïne respectievelijk de EU-partij op het grondgebied van de EU-partij respectievelijk Oekraïne wordt toegestaan wanneer deze natuurlijke personen vertegenwoordiger van rechtspersonen en zakelijke bezoekers in de zin van artikel 86, lid 17, onder a), van deze overeenkomst zijn. Onverminderd lid 1 van dit artikel bestrijken de toelating en het tijdelijke verblijf van zakelijke bezoekers een periode van maximaal 90 dagen per 12 maanden.
Artikel 99. Afgestudeerde stagiairs [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Een rechtspersoon uit de EU-partij of uit Oekraïne mag in overeenstemming met de in het gastland van vestiging geldende wetgeving afgestudeerde stagiairs die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie respectievelijk Oekraïne, in dienst hebben respectievelijk in dienst laten zijn van een van haar dochterondernemingen, filialen of vertegenwoordigingskantoren op het grondgebied van Oekraïne respectievelijk de EU-partij, mits die stagiairs uitsluitend in dienst zijn van rechtspersonen, dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren. De tijdelijke toelating en het tijdelijke verblijf van afgestudeerde stagiairs bestrijken een periode van maximaal een jaar.
Artikel 100. Verkopers van zakelijke diensten [Wordt voorlopig toegepast per 01-11-2014]
Elk van beide partijen maakt de tijdelijke toelating en het tijdelijke verblijf van verkopers van zakelijke diensten mogelijk voor een periode van maximaal 90 dagen per 12 maanden.
1.
De partijen herbevestigen hun respectieve verplichtingen ingevolge de door hen in het kader van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten van 1994 (hierna de „GATS” genoemd) aangegane verbintenissen ten aanzien van de toelating en het tijdelijke verblijf van dienstverleners op contractbasis.
2.
Voor elke hieronder vermelde sector staat elk van beide partijen toe dat op hun respectieve grondgebied dienstverleners op contractbasis uit de andere partij diensten verlenen, met inachtneming van de voorwaarden van lid 3 van dit artikel en de bijlagen XVI-C en XVI-F bij deze overeenkomst inzake voorbehouden ten aanzien van dienstverleners op contractbasis en beoefenaars van een vrij beroep:
a. rechtskundige diensten;
b. accountants, boekhouders;
c. diensten van belastingconsulenten;
d. diensten van architecten, stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten;
e. ingenieurs, geïntegreerde diensten van ingenieurs;
f. diensten in verband met computers;
g. speur- en ontwikkelingswerk;
h. reclame;
i. advies op het gebied van bedrijfsbeheer;
j. diensten in verband met advies op het gebied van bedrijfsbeheer;
k. technische testen en toetsen;
l. aanverwante wetenschappelijke en technische adviezen;
m. onderhoud en reparatie van apparatuur in het kader van servicecontracten na verkoop of lease;
n. vertalers;
o. inspectie van bouwterreinen;
p. milieudiensten;
q. reisbureaus en reisorganisatoren;
r. amusement.
3.
Op de door de partijen aangegane verbintenissen zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
a. de natuurlijke personen moeten voor het verlenen van een dienst tijdelijk zijn aangetrokken als werknemer van een rechtspersoon die een dienstencontract heeft gesloten voor een periode van maximaal 12 maanden;
b. de natuurlijke personen die de andere partij binnenkomen, moeten die diensten aanbieden in de hoedanigheid van werknemer van de rechtspersoon die de diensten ten minste gedurende het jaar dat onmiddellijk aan de datum van indiening van de aanvraag voor toelating tot de andere partij voorafging, heeft verleend . Voorts moeten de natuurlijke personen op de datum van indiening van een aanvraag voor toelating tot de andere partij beschikken over ten minste drie jaar beroepservaring 26)[27] in de activiteitensector waarop het contract betrekking heeft;
c. de natuurlijke personen die de andere partij binnenkomen moeten in het bezit zijn van:
i. een universitaire graad of een kwalificatie waaruit kennis op een gelijkwaardig niveau blijkt 27)[28] , en
ii. beroepskwalificaties voor zover dit voor de uitoefening van een activiteit vereist is op grond van de wet- en regelgeving of andere wettelijke vereisten van de partij waar de dienst wordt verleend;
d. de natuurlijke persoon ontvangt op het grondgebied van de andere partij voor de dienstverlening geen andere beloning dan die welke wordt betaald door de rechtspersoon waarbij de natuurlijke persoon in dienst is;
e. de toelating en het tijdelijke verblijf in de betrokken partij vindt plaats voor een periode van bij elkaar opgeteld maximaal 6 maanden, dan wel, wat Luxemburg aangaat, 25 weken, gedurende een periode van 12 maanden dan wel voor de duur van het contract indien dit een kortere looptijd heeft;
f. toelating waarvoor ingevolge dit artikel toestemming wordt verleend, heeft enkel betrekking op de dienstenactiviteit waarop het contract betrekking heeft, en verleent niet het recht tot het voeren van de beroepstitel van de partij waarin de dienst wordt verleend;
g. het aantal personen dat onder het dienstencontract valt, mag niet hoger zijn dan voor de uitvoering van het contract noodzakelijk is, zoals vereist kan zijn op grond van de wet- en regelgeving of andere wettelijke vereisten van de partij waarin de dienst wordt verleend;
h. andere discriminerende beperkingen, waaronder die met betrekking tot het aantal natuurlijke personen in de vorm van een onderzoek naar de economische behoefte, als vermeld in de bijlagen XVI-C en XVI-F bij deze overeenkomst inzake voorbehouden ten aanzien van dienstverleners op contractbasis en beoefenaars van een vrij beroep.
1.
De partijen herbevestigen hun respectieve verplichtingen ingevolge de door hen in het kader van de GATS aangegane verbintenissen ten aanzien van de toelating en het tijdelijke verblijf van beoefenaars van een vrij beroep.
2.
Voor elke hieronder vermelde sector staan de partijen toe dat op hun respectieve grondgebied beoefenaars van een vrij beroep uit de andere partij diensten verlenen, met inachtneming van de voorwaarden van lid 3 van dit artikel en de bijlagen XVI-C en XVI-F bij deze overeenkomst inzake voorbehouden ten aanzien van dienstverleners op contractbasis en beoefenaars van een vrij beroep:
a. rechtskundige diensten;
b. architecten, stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten;
c. ingenieurs en geïntegreerde diensten van ingenieurs;
d. diensten in verband met computers;
e. advies op het gebied van bedrijfsbeheer en diensten in verband met advies op het gebied van bedrijfsbeheer;
f. vertalers.
3.
Op de door de partijen aangegane verbintenissen zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
a. de natuurlijke personen moeten voor het verlenen van een dienst tijdelijk zijn aangetrokken als op het grondgebied van de andere partij gevestigde zelfstandige en een dienstencontract hebben gesloten voor een periode van maximaal 12 maanden;
b. de natuurlijke personen die de andere partij binnenkomen, moeten op de datum van indiening van een aanvraag voor binnenkomst in de andere partij beschikken over ten minste zes jaar beroepservaring in de activiteitensector waarop het contract betrekking heeft;
c. de natuurlijke personen die de andere partij binnenkomen moeten in het bezit zijn van:
i. een universitaire graad of een kwalificatie waaruit kennis op een gelijkwaardig niveau blijkt 28)[29] , en
ii. beroepskwalificaties die nodig zijn voor de uitoefening van een activiteit op grond van de wet- en regelgeving of andere wettelijke vereisten van de partij waar de dienst wordt verleend;
d. de toelating en het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen in de betrokken partij vinden plaats voor een periode van bij elkaar opgeteld maximaal 6 maanden, dan wel, wat Luxemburg aangaat, 25 weken, gedurende een periode van 12 maanden dan wel voor de duur van het contract indien dit een kortere looptijd heeft;
e. toelating in het kader van dit artikel heeft enkel betrekking op de activiteiten in verband met de diensten waarop het contract betrekking heeft; zij verleent niet een recht tot gebruik van de beroepskwalificatie van de partij waar de dienst wordt verleend;
f. andere discriminerende beperkingen, waaronder die met betrekking tot het aantal natuurlijke personen in de vorm van een onderzoek naar de economische behoefte, als vermeld in de bijlagen XVI-C en XVI-F bij deze overeenkomst inzake voorbehouden ten aanzien van dienstverleners op contractbasis en beoefenaars van een vrij beroep.
1.
De volgende voorschriften gelden voor maatregelen van de partijen inzake vergunningverlening die van invloed zijn op:
a. de grensoverschrijdende dienstverlening;
b. de vestiging op hun grondgebied van natuurlijke of rechtspersonen als omschreven in artikel 86 van deze overeenkomst, of
c. het tijdelijke verblijf op hun grondgebied van natuurlijke personen als omschreven in artikel 86, leden 17 tot en met 21, van deze overeenkomst.
2.
Wat grensoverschrijdende dienstverlening aangaat, zijn deze voorschriften enkel van toepassing op sectoren waarvoor de partij specifieke verbintenissen is aangegaan, en voor zover deze specifieke verbintenissen van toepassing zijn. Wat vestiging aangaat, zijn deze voorschriften niet van toepassing op sectoren voor zover een voorbehoud is gemaakt overeenkomstig de bijlagen XVI-A en XVI-D bij deze overeenkomst. Wat het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen aangaat, zijn deze voorschriften niet van toepassing op sectoren voor zover een voorbehoud is gemaakt overeenkomstig de bijlagen XVI-C en XVI-F bij deze overeenkomst.
3.
Deze voorschriften zijn niet van toepassing op maatregelen voor zover zij beperkingen vormen waarvoor lijsten worden opgesteld in het kader van de artikelen 88, 93 en 94 van deze overeenkomst.
4.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
a. „vergunningverlening”: het proces waarin een dienstverlener of een investeerder daadwerkelijk stappen moet ondernemen, vestiging daaronder begrepen, om van een bevoegde autoriteit een besluit te krijgen waarbij toestemming wordt gegeven voor het verlenen van een dienst, of voor een andere economische activiteit dan dienstverlening, met inbegrip van een besluit tot wijziging of verlenging van de desbetreffende toestemming;
b. „bevoegde autoriteit”: centrale, regionale of lokale overheid en autoriteit of niet-gouvernementele instantie die bevoegdheden uitoefent welke aan haar door een centrale, regionale of lokale overheid of autoriteit zijn gedelegeerd en die een besluit inzake vergunningverlening neemt;
c. „vergunningsprocedures”: de procedures die in het kader van vergunningverlening moeten worden gevolgd.
1.
Vergunningverlening geschiedt op grond van criteria die uitsluiten dat de bevoegde autoriteiten hun bevoegdheid ter zake op arbitraire wijze kunnen uitoefenen.
2.
De in lid 1 van dit artikel bedoelde criteria zijn:
a. evenredig met een legitieme doel stelling van het overheidsbeleid;
b. duidelijk en ondubbelzinnig;
c. objectief;
d. vooraf opgesteld;
e. vooraf openbaar gemaakt;
f. transparant en toegankelijk.
3.
Een vergunning wordt verleend zodra bij een passend onderzoek is vastgesteld dat aan de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning is voldaan.
4.
Artikel 286 van deze overeenkomst is op de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing.
5.
Indien het aantal voor een bepaalde activiteit beschikbare vergunningen beperkt is vanwege de schaarste aan beschikbare natuurlijke hulpbronnen of de gebrekkige technische capaciteit, zorgen de partijen ten aanzien van potentiële kandidaten voor een onpartijdige en transparante selectieprocedure, met inbegrip van in het bijzonder een passende bekendmaking wat de aanvang, het verloop en de afronding van de procedure betreft.
6.
Onverminderd dit artikel kunnen de partijen bij het opstellen van de voorschriften voor de selectieprocedure rekening houden met legitieme doelstellingen van overheidsbeleid, met inbegrip van overwegingen inzake gezondheid, veiligheid, milieubescherming en de instandhouding van cultureel erfgoed.
1.
Vergunningsprocedures en -formaliteiten zijn duidelijk, worden vooraf bekendgemaakt en waarborgen voor aanvragers dat hun aanvraag op objectieve en onpartijdige wijze wordt behandeld.
2.
Vergunningsprocedures en -formaliteiten zijn zo eenvoudig mogelijk en compliceren of vertragen het verlenen van de dienst niet onnodig. Vergoedingen 29)[30] in verband met vergunningen die de aanvragers eventueel in het kader van hun aanvraag moeten betalen, zijn redelijk en evenredig met de kosten van de desbetreffende vergunningsprocedures.
3.
Vergunningsprocedures en -formaliteiten waarborgen voor vergunningaanvragers dat hun aanvraag wordt behandeld binnen een redelijke termijn,