1.
In het monitoringsprogramma wordt, met inachtneming van het tweede lid, aangegeven op welke wijze aan het eind van de planperiode voor elk waterlichaam wordt vastgesteld of gedurende de planperiode is voldaan aan artikel 5.2b, vierde lid, van de wet.
2.
Er is niet voldaan aan de verplichting tot voorkoming van achteruitgang van de toestand van een waterlichaam als bedoeld in artikel 5.2b, vierde lid, van de wet indien voor een stof of kwaliteitselement waarvoor ingevolge dit besluit een Europese milieukwaliteitseis voor water geldt:
a. de toestand van een waterlichaam in een lagere toestandklasse terecht is gekomen, of
b. de kwaliteit van het waterlichaam in de laagste toestandklasse, bepaald overeenkomstig het monitoringsprogramma, is verslechterd.
3.
Het tweede lid geldt, voor zover het de stoffen betreft waarvoor dit in bijlage I bij dit besluit is aangegeven, met ingang van 22 december 2021.
4.
De indeling van een oppervlaktewaterlichaam in een toestandklasse komt overeen met de laagste toestandklasse waarin de chemische toestand, de ecologische toestand, onderscheidenlijk het ecologische potentieel, verkeert.
5.
De indeling van een grondwaterlichaam in een toestandklasse komt overeen met de laagste toestand waarin de kwantitatieve toestand, onderscheidenlijk de chemische toestand, verkeert.
6.
Voor de toepassing van het tweede lid worden de volgende toestandklassen onderscheiden:
a. voor oppervlaktewaterlichamen:
1°. wat betreft de chemische toestand: de toestandklasse goed als bedoeld in artikel 5, of niet goed;
2°. wat betreft de ecologische toestand: de toestandklasse zeer goed, goed als bedoeld in artikel 6, eerste lid, matig, ontoereikend of slecht, bepaald voor het type natuurlijk oppervlaktewater waartoe het oppervlaktewaterlichaam behoort, zoals omschreven in bijlage V, paragraaf 1.2, de tabellen 1.2.1 tot en met 1.2.4, bij de kaderrichtlijn water;
3°. wat betreft het ecologisch potentieel, indien van toepassing: de toestandklasse goed als bedoeld in artikel 6, derde lid, matig, ontoereikend of slecht, zoals omschreven in paragraaf 1.2, tabel 1.2.5, bij de kaderrichtlijn water, overeenkomstig hetgeen daaromtrent is aangegeven in het plan, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder b;
b. voor grondwaterlichamen:
1°. wat betreft de kwantitatieve toestand: goed als bedoeld in artikel 8, en ontoereikend;
2°. wat betreft de chemische toestand: goed als bedoeld in artikel 9, en ontoereikend.
7.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van dit artikel.
Inhoudsopgave
+ § 1. Algemeen
+ § 2. Oppervlaktewater
+ § 3. Grondwater
+ § 4. Waterwinlocaties
- § 5. Monitoring
+ § 6. Overige bepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht