6.3.4. Bewijsvermoeden bij vervreemding binnen drie jaar na een onderdeel b-besluit
Een vervreemding van bedrijfsmiddelen wordt geacht een gevolg te zijn van overheidsingrijpen, als deze plaatsvindt binnen drie jaar nadat een besluit of regeling als bedoeld in onderdeel b in werking is getreden ( artikel 3.54, dertiende lid). Dit voorkomt discussies over de vraag of vervreemding van bedrijfsmiddelen een gevolg is van overheidsingrijpen.
Voor latere vervreemdingen geldt het bewijsvermoeden van overheidsingrijpen slechts als de vervreemding door bijzondere omstandigheden is vertraagd en de belastingplichtige binnen de periode van drie jaar een begin van uitvoering heeft gegeven aan de vervreemding ( artikel 3.54, dertiende lid). De belastingplichtige moet dit aannemelijk maken. Bij ‘bijzondere omstandigheden’ valt te denken aan omstandigheden die buiten de invloedssfeer van de belastingplichtige liggen. Een ‘begin van uitvoering’ kan bijvoorbeeld blijken uit een koopcontract voor nieuwe bedrijfsmiddelen of een nieuwe onderneming, waarbij de oude bedrijfsmiddelen of onderneming te koop (komen te) staan. Voor de uitleg van de begrippen ‘bijzondere omstandigheden’ en ‘begin van uitvoering’ moet verder worden aangesloten bij de jurisprudentie over artikel 3.54, vijfde lid, onderdeel b.
Is sprake van een vervreemding na de termijn van het dertiende lid dan geldt de normale bewijslast. In dat geval moet de belastingplichtige aannemelijk maken dat de vervreemding een gevolg is van een in onderdeel b bedoeld besluit.
Het komt voor dat een publiekrechtelijke rechtspersoon een besluit neemt op het gebied van ruimtelijke ordening, natuur of milieu dat op termijn tot een belangrijke beperking voor ondernemingen kan leiden, maar waaruit nog geen concrete gebods- of verbodsbepalingen of bestemmingsbeperkingen voortvloeien. Bijvoorbeeld een besluit op rijksniveau dat vervolgens op gemeentelijk niveau in gewijzigde bestemmingsplannen moet worden uitgewerkt. De termijn van drie jaar als bedoeld in artikel 3.54, dertiende lid, gaat dan pas lopen op het moment dat, in dit voorbeeld, de gemeente een dergelijk bestemmingsplan vaststelt. Bij vervreemding voorafgaand aan die vaststelling zal beoordeeld moeten worden of die vervreemding mogelijk valt onder onderdeel a (verkoop ter voorkoming van onteigening, zie onderdeel 6.2).
Inhoudsopgave
1. Inleiding
Gebruikte begrippen en afkortingen
2. Vorming van de HIR
2.1. Vergoedingen wegens verlies of beschadiging van een bedrijfsmiddel
2.2. Boekwinst bij onttrekking en inbreng in andere onderneming
2.3. Gedeeltelijk gebruik boekwinst
2.4. Geen vorming HIR als deze niet zal kunnen worden afgeboekt
2.5. Herinvesteringsvoornemen bij afstoten tak gemengd bedrijf
2.6. HIR en fiscale eenheid of juridische fusie
2.7. Pacht- of huurrecht bedrijfsmiddel
2.8. HIR bij beschadiging bedrijfsmiddel
2.9. Geen HIR en evenmin toepassing ruilarresten bij normale verkoop uit handelsvoorraad
3. Afboeking van een HIR
3.1. HIR en restwaarde
3.2. Beoordeling periode waarin pleegt te worden afgeschreven
3.3. Volgorde afboeking, keuze afboeking binnen kort-afschrijvingsregime
3.4. Volgorde afboeking, keuze voor verschillende investeringen
3.5. Volgorde afboeking, keuze uit verschillende (in meer jaren gevormde) HIR’s
3.6. Wanneer is sprake van herinvestering waarop een HIR wordt afgeboekt
3.7. De termijn waarbinnen een HIR uiterlijk kan worden afgeboekt
4. Boekwaarde-eis
4.1. Boekwaarde van investering in bedrijfsmiddel waarop niet kan worden afgeboekt
5. Eenzelfde economische functie
5.1. Twee keer vervangen niet mogelijk
5.2. Verkoop grond, investering in grond en opstal
5.3. Pand in aanbouw
5.4. Investering in het buitenland
5.5. Herinvestering: erfpachtrecht soms sterk verwant aan eigendom
5.6. Vervanging eigendom door erfpacht en opstalrecht en vice versa
5.7. Onvolledige vervanging; uitbreidingsinvesteringen
6. Overheidsingrijpen
6.1. Vormen van overheidsingrijpen
6.2. Onteigening, minnelijke onteigening en verkoop ter voorkoming van onteigening ( 3.54, twaalfde lid, onderdeel a)
6.2.1. Verkoop ter voorkoming van onteigening
6.2.2. Beoordeling ‘weet of redelijkerwijs kan verwachten’
6.3. Besluit op het gebied van ruimtelijke ordening, natuur of milieu van een publiekrechtelijke rechtspersoon dat de mogelijkheden tot voortzetting of uitbreiding van de onderneming of een gedeelte daarvan op de huidige locatie in de huidige vorm in belangrijke mate beperkt ( artikel 3.54, twaalfde lid, onderdeel b)
6.3.1. Besluit van een publiekrechtelijke rechtspersoon
6.3.2. Besluit op het gebied van ruimtelijke ordening, natuur of milieu
6.3.3. Mogelijkheden tot voortzetting of uitbreiding ‘in belangrijke mate beperkt’
6.3.4. Bewijsvermoeden bij vervreemding binnen drie jaar na een onderdeel b-besluit
6.4. Bij AMvB aangewezen communautaire of nationale regelgeving die leidt tot herstructurering of beëindiging van een bedrijfstak ( artikel 3.54, twaalfde lid, onderdeel c)
6.5. Overheidsingrijpen en staking
6.6. Gevolgen van kwalificatie overheidsingrijpen voor pachtrecht
6.7. Vervanging ondergrond door grond
6.8. Bestemmingswijziging na verkoop
7. Overige onderwerpen
7.1. HIR bij juridische splitsing ( artikel 14a Wet Vpb)
7.2. Nabetaling en HIR
8. Ingetrokken besluit
9. Inwerkingtreding
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht