1.
Tenminste twee maanden voor de dag waarop een tot gevangenisstraf veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid kan worden gesteld, zendt het gestichtshoofd te zijnen aanzien aan Onze Minister hetzij een gemotiveerd voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling, hetzij een gemotiveerd bericht, dat niet tot voorwaardelijke invrijheidstelling behoort te worden overgegaan, hetzij een gemotiveerd bericht, dat nog niet tot voorwaardelijke invrijheidstelling behoort te worden overgegaan.
2.
Onverminderd de bepalingen van het eerste lid, dient het gestichtshoofd Onze Minister van bericht en raad inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling van een veroordeelde zo dikwijls Onze Minister zulks vraagt of het gestichtshoofd het gewenst acht.
1.
Alvorens een voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling te doen, wint het gestichtshoofd bericht en raad in van reclasseringsinstellingen omtrent de persoon en de vooruitzichten van de veroordeelde. Bij het verzoek om bericht en raad, dat schriftelijk wordt gedaan, wordt een staat van inlichtingen overgelegd.
2.
Het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling gaat vergezeld van:
a. de beschrijving van persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten van de veroordeelde;
b. de vermelding van de rechterlijke uitspraak of uitspraken uit kracht waarvan op de veroordeelde straf wordt ten uitvoer gelegd of nog zal worden ten uitvoer gelegd, van de daarbij opgelegde straffen, van de dag waarop de werkelijke straftijd is ingegaan en van die, waarop deze zal eindigen;
c. advies omtrent het al dan niet uitkeren van gelden uit de uitgaanskas;
d. advies omtrent de bijzondere voorwaarden die aan de invrijheidstelling zouden behoren te worden verbonden;
e. advies omtrent het al dan niet in het leven roepen van een bijzonder toezicht op de naleving der voorwaarden.
3.
Het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling, alsmede het gemotiveerd bericht, dat niet of nog niet tot voorwaardelijke invrijheidstelling behoort te worden overgegaan, zoals bedoeld in artikel 27, lid 1 en het rapport van de reclasseringsinstellingen zoals bedoeld in artikel 29, lid 2, zijn samen vervat in een bij dit besluit vastgesteld model.
1.
Indien het gestichtshoofd van mening is, dat ten aanzien van een veroordeelde niet of nog niet tot voorwaardelijke invrijheidstelling behoort te worden overgegaan, deelt hij zulks, met vermelding van redenen, schriftelijk mede aan de in het eerste lid van artikel 28 bedoelde reclasseringsinstellingen. In geval hij van mening is, dat nog niet tot voorwaardelijke invrijheidstelling behoort te worden overgegaan, deelt hij tevens mede, wanneer de mogelijkheid ener voorwaardelijke invrijheidstelling opnieuw zou dienen te worden overwogen.
2.
Indien de reclasseringsinstellingen van mening zijn, dat omtrent de veroordeelde in voor deze gunstiger zin dient te worden geadviseerd, voegen zij bij hun advies aan het gestichtshoofd een rapport omtrent de persoon en de vooruitzichten van de veroordeelde, alsmede, indien zij van mening zijn, dat tot voorwaardelijke invrijheidstelling dient te worden overgegaan, een conceptvoorstel, ingericht volgens het in het derde lid van artikel 28 bedoelde model.
3.
Het gestichtshoofd voorziet de stukken van zijn nader advies, en zendt deze aan Onze Minister.
Artikel 30
Bij het voorstel en, voorzover Onze Minister zulks mocht hebben verlangd, bij het bericht, worden overgelegd:
a. een staat van inlichtingen van het openbaar ministerie;
b. alle berichten en adviezen, krachtens artikel 31 ingewonnen;
c. de ondertekende verklaring van degene, die het gestichtshoofd met het bijzondere toezicht op de naleving der voorwaarden zou wensen belast te zien, dat hij bereid is een opdracht tot bijzonder toezicht te aanvaarden; en voorts, tenzij zodanige hulp niet nodig wordt geoordeeld;
d. de ondertekende verklaring van degene die zich heeft bereid verklaard de veroordeelde na ontslag te steunen, te onderhouden of in dienst te nemen.
1.
Aan het gestichtshoofd worden op zijn verzoek door alle besturen of hoofden van andere strafgestichten en de reclasseringsinstellingen de inlichtingen verstrekt, die hij nodig heeft ter uitvoering van de voorschriften van de artikelen 27 en 28.
2.
Op verzoek van het gestichtshoofd kan Onze Minister inlichtingen verstrekken met het oog op de uitoefening van de taken bedoeld in het eerste lid.
1.
Aan de reclasseringsinstelling wordt op zijn verzoek door de besturen en hoofden van andere strafgestichten de inlichtingen verstrekt met het oog op de taakuitoefening bij een voorwaardelijke invrijheidstelling.
2.
Op verzoek van de reclasseringsinstelling kan Onze Minister inlichtingen verstrekken met het oog op de uitoefening van de taken bedoeld in het eerste lid.
Artikel 33
Van de ministeriële beschikking tot voorwaardelijke invrijheidstelling evenals van de herziene beschikking als bedoeld in artikel 34, lid 2, wordt ten spoedigste afschrift gezonden aan:
a. het bestuur van de gevangenis, waarin de veroordeelde de straf ondergaat;
b. het openbaar ministerie;
c. het openbaar ministerie van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, indien de toekomstige verblijfplaats van de veroordeelde zich aldaar bevindt;
d. de gezaghebber van het openbare lichaam waar de betrokkene zal verblijven;
e. indien een bijzonder toezicht op de naleving der voorwaarden in het leven is geroepen, degene, die met het bijzonder toezicht is belast.
1.
Een afschrift van de ministeriële beschikking tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt aan de voorwaardelijk in vrijheid gestelde als verlofpas uitgereikt.
2.
Indien tijdens de proeftijd de opgelegde straf of het einde van de proeftijd wordt gewijzigd, of artikel 18a, vijfde lid Wetboek van Strafrecht BES wordt toegepast, wordt hem de herziene beschikking als nieuwe verlofpas uitgereikt.
1.
De voorwaardelijk in vrijheid gestelde is verplicht binnen 2 maal 24 uren na de invrijheidstelling zijn verlofpas te tonen aan de gezaghebber, of een door deze aan te wijzen ambtenaar, van het openbaar lichaam waar betrokkene zal verblijven, of, bij gebreke van zodanige aanwijzing, in dat waarheen hij heeft opgegeven zich te begeven.
2.
Zolang de proeftijd niet is verstreken, geldt hetzelfde bij verandering van werkelijke woonplaats.
3.
De gezaghebber, bedoeld in het eerste lid, tekent de pas voor gezien en geeft van verzuim van aanbieding onverwijld kennis aan het openbaar ministerie, dat daarvan onverwijld mededeling doet aan Onze Minister. Van een aanbieding van de verlofpas in het geval, bedoeld in het tweede lid, wordt door de betrokken gezaghebber kennis gegeven aan het openbaar ministerie en aan de toezichthouder.
4.
Het openbaar ministerie neemt onmiddellijke maatregelen tot opsporing van de nalatige.
1.
In geval van verlies of vermissing van de verlofpas doet de voorwaardelijk in vrijheid gestelde onmiddellijk aangifte bij de gezaghebber van het openbaar lichaam waar hij zijn werkelijke woonplaats heeft.
2.
Onze Minister kan aan de voorwaardelijk in vrijheid gestelde een duplicaat verlofpas doen uitreiken.
Artikel 37
Bij de kennisgeving van aanhouding, bedoeld in artikel 19, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht BES, wordt een proces-verbaal gevoegd, houdende de redenen, die tot de aanhouding hebben geleid.
Artikel 38
Onze Minister ontvangt van het openbaar ministerie onverwijld kennis van:
a. elke vrijheidsbeneming van een voorwaardelijke in vrijheid gestelde gedurende de proeftijd en de daarop volgende drie maanden door het daartoe bevoegde gezag;
b. elke onherroepelijk geworden uitspraak, waarbij ten aanzien van een voorwaardelijk invrijheidgestelde bewezen wordt verklaard, dat hij tijdens zijn proeftijd een strafbaar feit heeft begaan;
c. elke andere omstandigheid betreffende de voorwaardelijk invrijheidgestelde, die van belang kan zijn voor het uit te oefenen toezicht en eventuele schorsing of herroeping der voorwaardelijke invrijheidstelling.
1.
Indien een bijzonder toezicht op de naleving der voorwaarden, als bedoeld in artikel 18a, vierde lid, Wetboek van Strafrecht BES, in het leven is geroepen, geschiedt de uitoefening van het toezicht door tussenkomst van degene, die met het bijzonder toezicht is belast.
2.
Worden aldus, naar het oordeel van het openbaar ministerie niet voldoende waarborgen verkregen voor een behoorlijk toezicht, dan geschiedt de uitoefening mede door tussenkomst van de politie.
3.
Bij de uitoefening van het toezicht evenals van het bijzonder toezicht wordt zoveel mogelijk alles vermeden dat de voorwaardelijk in vrijheid gestelde in zijn vrijheid zou kunnen beperken of maatschappelijk zou kunnen benadelen.
1.
Degene, die met het bijzonder toezicht is belast, brengt omtrent het gedrag van de voorwaardelijk in vrijheid gestelde rapporten uit aan het openbaar ministerie, op de wijze en tijdstippen door de officier van justitie nader te bepalen.
2.
Van elke gewichtige overtreding van voorwaarden, die te zijner kennis komt, zomede van andere buitengewone voorvallen, wier kennis hij voor Onze Minister van belang acht, zal degene, die met het bijzonder toezicht is belast onverwijld mededeling doen aan het openbaar ministerie.
3.
Het openbaar ministerie zendt de rapporten en mededeling bedoeld in dit artikel ten spoedigste aan Onze Minister.
1.
De instellingen, door Onze Minister met het bijzonder toezicht belast, zijn bevoegd dat onder haar verantwoordelijkheid te doen uitoefenen door bepaalde aangewezen vertegenwoordigers (algemene of bijzondere patroons).
2.
Zij geven van zodanige aanwijzing vooraf kennis aan Onze Minister en aan het openbaar ministerie.
3.
De Minister kan bepalen dat aan een aanwijzing geen gevolg zal worden gegeven.
4.
De aanwijzing wordt overigens zo spoedig mogelijk op de verlofpas aangetekend.
Artikel 42
De reclasseringsinstelling kan Onze Minister voorstellen:
in de gestelde bijzonder voorwaarden wijziging te brengen,
alsnog bijzondere voorwaarden te stellen,
alsnog een bijzondere toezicht in het leven te roepen,
het bijzonder toezicht aan een ander dan degene die daarmede te voren was belast, op te dragen, of de voorwaardelijke invrijheidstelling te schorsen of te herroepen.
1.
Zo spoedig mogelijk na een beschikking tot schorsing, beslist Onze Minister of de voorwaardelijke invrijheidstelling zal worden herroepen.
2.
Blijkt niet voldoende grond tot herroeping aanwezig, dan beveelt Onze Minister opheffing van de schorsing.
Artikel 44
De beslissing tot schorsing of herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling deelt Onze Minister mede aan:
1°. het openbaar ministerie;
2°. de gezaghebber van het openbaar lichaam waar de voorwaardelijk in vrijheid gestelde woonplaats heeft;
3°. degene die met het bijzonder toezicht is belast;
4°. indien een aanhouding ingevolge artikel 19, tweede lid, Wetboek van Strafrecht BES, is voorafgegaan, het gezag dat de aanhouding gelastte, voorzover dit niet reeds krachtens de vorige nummers mededeling krijgt.
1.
Onze Minister zendt de mededeling, bedoeld in artikel 35 ter kennisneming aan de reclasseringsinstelling.
2.
De reclasseringsinstelling zal aan Onze Minister de voorstellen betreffende de voorwaardelijk in vrijheid gestelde doen, die hem geraden voorkomen.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. De particuliere bemoeiingen
+ Hoofdstuk III. Algemene reclasseringswerkzaamheden
+ Hoofdstuk IV. Uitvoeringsbepalingen voorwaardelijke veroordeling
- Hoofdstuk V. Uitvoeringsbepalingen voorwaardelijke invrijheidstelling
+ Hoofdstuk VI. Hulp en steun bij gratie
+ Hoofdstuk VII. Slotbepaling
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht