Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2013. U leest nu de tekst die gold op -.

Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming

Uitgebreide informatie
Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Gelet op de artikelen 6, 8, 14, 14a, 17 juncto artikel 8, 18, tweede lid, 21, 21a, 22 en 34 van het Lozingenbesluit bodembescherming
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:het Lozingenbesluit:
het Lozingenbesluit bodembescherming ;zandfractie:
het gewichtspercentage minerale delen met een korrelgrootte groter dan 50 micrometer en kleiner dan 2000 micrometer;d 60 :
de korrelgrootte waarvoor geldt dat 60 procent van de zandfractie een kleinere korrelgrootte bezit;effectievekorrel korreldiameter of d 10 -waarde:
korrelgrootte waarvoor geldt dat 60 procent van de zandfractie een kleinere korrelgrootte bezit;uniformiteitscoëfficiënt:
de verhouding van de d 60 -waarde en de d 10 -waarde van de zandfractie;ruw afvalwater:
huishoudelijk afvalwater, dat nog niet is voorbehandeld;dagaanvoer:
het in een tijdvak van 24 aaneengesloten uren aangevoerde volume;maximale uuraanvoer:
het maximaal aangevoerde volume over een vak van een uur;organische vuilvracht:
de massahoeveelheid organisch vuil in water aangevoerd per tijdseenheidberekend als het produkt van de dagaanvoer en de BZV 5 -concentratie van dit water;BZV 5 :
het Biochemisch Zuurstof Verbruik, zijnde de massahoeveelheid zuurstof die door micro-organismen per liter water wordt verbruikt, gedurende een aaneengesloten tijdvak van 5 dagen, bij 20° C;voorbezonken afvalwater:
huishoudelijk afvalwater dat is voorbehandeld door een afscheiding van bezinkbare en opdrijvende stoffen, stoffen zonder toevoeging van chemicaliën, maar dat nog niet biologisch is behandeld;verblijftijd:
de tijd gedurende welke een waterdeeltje gemiddeld in een tank verblijft, berekend als het quotiënt van de inhoud van de tank die kan worden benut en het aangevoerd watervolume per tijdseenheid;hydraulischede ontwerpbelasting:
de bij de dimensionering aangehouden wateraanvoer per dag en per eenheid van het filteroppervlak;ontwerpbelasting:
de bij de dimensionering aangehouden belasting;specifiek oppervlak:
het totale oppervlak van een materiaal per eenheid van volume van het materiaal;hydraulischede oppervlaktebelasting:
wateraanvoer per oppervlakte-eenheid van de nabezinktank;leemgehalte:
het gewichtspercentage minerale bodemdelen met een korrelgrootte kleiner dan 50 micrometer;lutumgehalte:
het gewichtspercentage minerale bodemdelen met een korrelgrootte kleiner dan 2 micrometer;mediaan van de zandfractie (M 50):
de korrelgrootte waarvoor geldt dat 50 procent van de zandfractie een grotere korrelgrootte en 50 procent een kleinere korrelgrootte bezit;bovengrond:
het bewortelde bovenste gedeelte van de bodem dat rijk is aan organische stof;ondergrond:
het gedeelte van de bodem, niet zijnde de bovengrond;infiltratieklasse:
de indeling van de grond naar doorlatendheid;zijwand oppervlak:
het wandoppervlak van een zakput gerekend vanaf de onderzijde tot aan de hoogte van de aanvoerleiding van het huishoudelijk afvalwater;horizontaal filteroppervlak:
de oppervlakte van het horizontale grensvlak gelegen tussen bodem en grindpakket bij een infiltratievoorziening, niet zijnde een zakput;
Artikel 2
Het onderdeel van een zuiveringssysteem, waar het huishoudelijk afvalwater biologisch wordt behandeld, moet zodanig zijn uitgevoerd, dat voldoende lucht voor de instandhouding van een aëroob biologisch zuiveringsproces kan toetreden.
Artikel 3
Filterzand moet aan de volgende eisen voldoen:
a. de uniformiteitscoëfficiënt moet kleiner of gelijk aan 4 zijn,
b. de effectieve korreldiameter moet groter of gelijk aan 0,25 mm en kleiner of gelijk aan 0,45 mm zijn,
c. de korrelgrootteverdeling moet zijn gelegen tussen de grenzen, welke zijn aangegeven in de bij deze regeling behorende bijlage 1 , en
d. het filterzand moet vrij zijn van verontreinigende stoffen van organische of toxische aard.
Artikel 4
Grof grind en fijn grind van scheidings- en deklagen moeten aan de volgende eisen voldoen:
a. de korrelgrootteverdeling moet zijn gelegen tussen de grenzen, welke zijn aangegeven in de bij deze regeling behorende bijlage 1 , en
b. het grind moet vrij zijn van verontreinigende stoffen van organische of toxische aard.
1.
Vrij verval-leidingen moeten een inwendige diameter hebben van ten minste 100 mm.
2.
Persleidingen moeten een inwendige diameter hebben van ten minste 40 mm.
3.
Leidingen moeten bij vrij verval onder een verhang van ten minste 1:500 zijn gelegen.
1.
Indien mechanische voorzieningen zoals pompen en motoren zijn aangebracht, moeten deze zijn voorzien van 4 of 5-tallige bedrijfsurentellers.
2.
Bedrijfsstoringen van mechanische voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, moeten, door optische of akoestische signalen, van buitenaf duidelijk waarneembaar zijn.
Artikel 7
Bij de aanleg van of werkzaamheden ter plaatse van een infiltratievoorziening mag de structuur van de bodem niet zodanig worden verstoord dat de doorlatendheid van de bodem in horizontale of verticale richting wordt veranderd.
Artikel 8
Naar een zuiveringssysteem of een infiltratievoorziening mag geen hemel- of drainagewater worden afgevoerd.
Artikel 9
De dimensioneringsvoorschriften, die in deze paragraaf zijn opgenomen, gelden voor huishoudelijk afvalwater afkomstig van woonruimten alleen, indien dit afvalwater tezamen met huishoudelijk afvalwater afkomstig van een of meer andere lozingsbronnen op een zuiveringssysteem als bedoeld in artikel 15 van het Lozingenbesluit wordt aangesloten.
1.
Bij de dimensionering van een zuiveringssysteem voor huishoudelijk afvalwater, moet bij het bepalen van het aantal inwoners per woonruimte ten minste worden aangehouden:
a. 2 inwoners per woonruimte, bij woonruimten met een oppervlak kleiner of gelijk aan 35 m 2 ;
b. 4 inwoners per woonruimte, bij woonruimten met een oppervlak groter dan 35 m 2 .
Artikel 11
Bij de dimensionering van een zuiveringssysteem voor huishoudelijk afvalwater moet voor de aanvoer van ruw afvalwater worden aangehouden:
a. een dagaanvoer van 0,15 m 3 per inwoner,
b. een maximale uuraanvoer van 1/10 van de dagaanvoer, en
c. als organische vuilvracht van het ruwe afvalwater een BZV 5 -aanvoer van 50 gram O 2 per inwoner per dag.
1.
De dimensionering van een zuiveringssysteem voor huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, moet zijn gebaseerd op het gedurende een aaneengesloten tijdvak van een jaar dagelijks geregistreerde waterverbruik per 24 aaneengesloten uren.
2.
Indien meer dan 10 procent van het geregistreerde waterverbruik niet in de bodem wordt geloosd, of wordt geloosd op een wijze als bedoeld in artikel 2 van het Lozingenbesluit, bepaalt het bevoegd gezag op daartoe strekkende aanvraag dat in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, in plaats van de hoeveelheid gebruikt water wordt uitgegaan van de hoeveelheid geloosd water.
1.
Bij de dimensionering van een zuiveringssysteem voor huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, moet als gemiddelde BZV 5 -concentratie van het ruwe afvalwater worden aangehouden:
a. bij huishoudelijk afvalwater afkomstig van bedrijven of instellingen met een groot aandeel keukenafvalwater: ten minste 1000 mg O 2 per liter;
b. in de overige gevallen: ten minste 500 mg O 2 per liter.
2.
Indien de werkelijke gemiddelde BZV 5 -concentratie ten minste 10 procent lager is dan de concentratie die in het eerste lid is aangegeven, mag deze werkelijke gemiddelde BZV 5 -concentratie voor de dimensionering worden aangehouden.
Artikel 14
Bij de dimensionering van een zuiveringssysteem voor huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, moet de organische vuilvracht in het ruwe afvalwater worden bepaald als het produkt van het waterverbruik, bepaald overeenkomstig artikel 12, en de BZV 5 -concentratie, bepaald overeenkomstig artikel 13.
1.
De bij de dimensionering van een zuiveringssysteem te hanteren waarden voor de dagaanvoer en de organische vuilvracht in het ruwe afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, moeten over een tijdvak van een jaar zodanig worden vastgesteld uit de dagwaarden van het geregistreerde waterverbruik, bedoeld in artikel 12, en de dagwaarden van de organische vuilvracht, bedoeld in artikel 14, dat deze waarden:
a. ten minste gelijk zijn aan de som van het rekenkundig gemiddelde en de standaardafwijking van de dagwaarden over een tijdvak van een jaar,
b. ten hoogste 73 dagen van het jaar worden overschreden, waarbij een overschrijding niet langer dan 20 aaneengesloten dagen mag plaatsvinden, en
c. ten hoogste op 5 achtereenvolgende dagen worden overschreden met gemiddeld meer dan 50 procent, waarbij het totaal aantal dagen van deze overschrijdingsperioden maximaal 18 dagen van het jaar mag bedragen.
2.
De bij de dimensionering van een zuiveringssysteem te hanteren waarden voor de dagaanvoer en de organische vuilvracht in het ruwe afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, moeten indien daarbij gedurende een aaneengesloten tijdvak van langer dan een maand per jaar geen lozing in de bodem plaatsvindt, over een tijdvak van een jaar zodanig worden vastgesteld uit de dagwaarden van het geregistreerde waterverbruik, bedoeld in artikel 12, en de dagwaarden van de organische vuilvracht, bedoeld in artikel 14, dat deze waarden:
a. ten minste gelijk zijn aan de som van het rekenkundig gemiddelde en de standaardafwijking van de dagwaarden gedurende het tijdvak dat de lozing in de bodem plaatsvindt,
b. ten hoogste op 14 dagen worden overschreden in een tijdvak van 56 achtereenvolgende dagen, en
c. ten hoogste op 5 achtereenvolgende dagen worden overschreden met gemiddeld meer dan 50 procent.
Artikel 16
De bij de dimensionering van een zuiveringssysteem voor huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, gehanteerde waarden voor de maximale uuraanvoer moeten zodanig worden vastgesteld dat deze waarden:
a. redelijkerwijs niet kunnen worden overschreden en
b. ten minste 1/10 van de bij de dimensionering gehanteerde dagaanvoer bedragen.
Artikel 17
Indien op één zuiveringssysteem verschillende lozingsbronnen van huishoudelijk afvalwater worden aangesloten, moet bij de dimensionering van het zuiveringssysteem worden uitgegaan van de gesommeerde dagaanvoer, maximale uuraanvoer en organische vuilvracht van het ruwe afvalwater van de afzonderlijke lozingsbronnen, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 10, 11, 15 en 16.
Artikel 18
Voor het bepalen van de organische vuilvracht aan BZV 5 in voorbezonken afvalwater mag de organische vuilvracht aan BZV 5 van ruw afvalwater worden verminderd met 25 procent bij toepassing van een septic tank met een verblijftijd van ten minste 3 dagen, bij een oxydatiebed- en een biorotorsysteem.
Artikel 19
Indien in een zuiveringssysteem recirculatie van afvalwater plaatsvindt, moet bij de dimensionering in voldoende mate rekening worden gehouden met de verhoogde hydraulische belasting van het zuiveringssysteem of onderdelen hiervan.
1.
Bij de dimensionering van een infiltratievoorziening voor huishoudelijk afvalwater, afkomstig van woonruimten, moet bij het bepalen van het aantal inwoners per woonruimte ten minste worden aangehouden:
a. 2 inwoners per woonruimte, bij woonruimten met een oppervlak kleiner of gelijk aan 35 m 2 ;
b. 4 inwoners per woonruimte, bij woonruimten met een oppervlak groter dan 35 m 2 .
Artikel 21
Bij de dimensionering van een infiltratievoorziening voor huishoudelijk afvalwater, afkomstig van woonruimten, moet voor de aanvoer van afvalwater worden uitgegaan van een dagaanvoer van 0,15 m 3 per inwoner.
Artikel 22
De dimensionering van een infiltratievoorziening voor huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, moet zijn gebaseerd op het geregistreerde waterverbruik, bepaald overeenkomstig artikel 12.
Artikel 23
Bij de dimensionering van een infiltratievoorziening voor huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, kan voor de te hanteren waarde van de dagaanvoer worden uitgegaan van de waarde van de dagaanvoer als bedoeld in artikel 15.
Artikel 24
Indien op een infiltratievoorziening verschillende lozingsbronnen van huishoudelijk afvalwater worden aangesloten, moet bij de dimensionering van de infiltratievoorziening worden uitgegaan van de gesommeerde dagaanvoer van de afzonderlijke lozingsbronnen, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 20, 21 en 23.
Artikel 25
De septic tank, bedoeld in artikel 6 van het Lozingenbesluit, moet een zodanige inhoud hebben dat:
a. ten minste 6 m 3 kan worden benut bij minder dan 6 lozingseenheden;
b. ten minste 12 m 3 kan worden benut bij ten minste 6 en ten hoogste 10 lozingseenheden.
1.
De waterhoogte in de septic tank moet ten minste 1,2 meter zijn.
2.
De waterhoogte in de septic tank mag ten hoogste zijn:
a. 2,2 meter bij een inhoud die kan worden benut van ten hoogste 10 m 3 ;
b. 2,5 meter bij een inhoud die kan worden benut van meer dan 10 m 3 .
1.
De septic tank moet uit drie compartimenten bestaan, waarbij de volumeverhouding tussen de compartimenten, van de inhoud die kan worden benut, in de stroomrichting 2:1:1 moet bedragen.
2.
Opdeling van de septic tank in afzonderlijke in serie geschakelde tanks is toegestaan, mits het volume van één compartiment niet over verschillende tanks is verdeeld. De afzonderlijke tanks gelden tezamen als één septic tank.
3.
Parallel-schakeling van afzonderlijke septic tanks is toegestaan, mits iedere tank voldoet aan de voorschriften die voor een afzonderlijke septic tank gelden.
4.
De scheidingswanden tussen de compartimenten van de septic tank moeten ten minste 20 cm boven het waterniveau uitsteken.
1.
De instroomopening in het eerste compartiment van de septic tank moet zich ten minste 10 cm boven het waterniveau bevinden en vrij kunnen afwateren. De toevoerpijp moet ten minste 5 en ten hoogste 10 cm uit de binnenwand steken.
2.
De doorstroomopeningen in de scheidingswanden tussen de compartimenten van de septic tank moeten zodanig zijn uitgevoerd dat:
a. doorvoer van bodemslib en drijflagen wordt voorkomen,
b. de gezamenlijke oppervlakte van de doorstroomopeningen per scheidingswand ten minste 100 cm 2 en ten hoogste 400 cm 2 bedraagt,
c. de bovenkant van de doorstroomopeningen ten minste 30 cm onder het waterniveau ligt, en
d. de onderkant van de doorstroomopeningen ten minste hoger ligt dan de helft van de waterhoogte gemeten vanaf de bodem van de tank.
3.
De afvoeropening van de septic tank moet zijn voorzien van een duikschot of een T-stuk zodat afvoer van bodemslib of drijflagen wordt voorkomen.
Artikel 29
Het slib moet eenmaal per twee jaar, of zoveel vaker als voor een goede werking van de tank nodig is, uit de septic tank worden verwijderd.
1.
Van het huishoudelijk afvalwater afkomstig van bedrijven of instellingen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, moet het vethoudend keukenafvalwater voorafgaande aan de behandeling in een septic tank als bedoeld in artikel 31, eerste lid, door een vetafscheider worden geleid.
2.
De vetafscheider moet een zodanige inhoud hebben dat de verwerkingscapaciteit ten minste 2 liter per seconde is.
3.
De vetafscheider moet zodanig zijn uitgevoerd dat doorvoer van vetten wordt voorkomen.
1.
De voorbehandeling van een omvangrijke lozing van huishoudelijk afvalwater moet plaatsvinden in een septic tank.
2.
De septic tank moet zodanig zijn gedimensioneerd dat:
a. de verblijftijd van het afvalwater bij een opgehoogd in filtratiebed-, een opgehoogd filtratiebed- of een zandfiltersysteem ten minste 8 dagen bedraagt, en de inhoud, die kan worden benut, ten minste 6 m 3 bedraagt;
b. de verblijftijd van het afvalwater bij een oxydatiebed- of een biorotorsysteem ten minste 3 dagen bedraagt, en de inhoud, die kan worden benut, ten minste 4 m 3 bedraagt.
1.
De waterhoogte in de septic tank moet ten minste 1,2 meter zijn.
2.
De waterhoogte in de septic tank mag ten hoogste zijn:
a. 2,2 meter bij een inhoud die kan worden benut van ten hoogste 10 m 3 ;
b. 2,5 meter bij een inhoud die kan worden benut van meer dan 10 en minder dan 50 m 3 ;
c. 3 meter bij een inhoud die kan worden benut van ten minste 50 m 3 .
Artikel 33
De artikelen 27, 28 en 29 zijn van toepassing.
Artikel 34
De biologische behandeling van omvangrijke lozingen van huishoudelijk afvalwater moet plaatsvinden:
a. bij een opgehoogd infiltratiebedsysteem: in het opgehoogd infiltratiebed;
b. bij een opgehoogd filtratiebedsysteem: in het opgehoogd filtratiebed;
c. bij een zandfiltersysteem: in het zandfilter;
d. bij een oxydatiebedsysteem: in het oxydatiebed;
e. bij een biorotorsysteem: in de biorotor.
1.
De hydraulische ontwerpbelasting van een opgehoogd infiltratiebed met voorbezonken afvalwater is ten hoogste de waarde als bedoeld in de artikelen 65 en 66.
2.
De onderzijde van het filterzandpakket moet boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand zijn gelegen en mag niet meer dan 20 cm onder het niveau van het oorspronkelijk bodemoppervlak zijn gelegen.
1.
De aanvoerdrainleidingen, minimaal twee stuks, gelegen boven het filterzandpakket, moeten zijn omgeven met een laag grof grind, zodanig dat zowel aan de boven- als aan de onderzijde van de leidingen een laag van ten minste 10 cm aanwezig is.
2.
Het aanvoersysteem moet zodanig zijn uitgevoerd dat het aangevoerde afvalwater gelijkmatig over het filteroppervlak kan worden verspreid.
3.
De onderlinge afstand tussen de aanvoerdrainleidingen moet ten minste 1 meter bedragen.
4.
De lengte van de aanvoerdrainleidingen mag ten hoogste 30 meter zijn.
5.
De benedenstroomse uiteinden van de aanvoerdrainleidingen moeten zijn afgesloten. Het achtervlak moet aan de bovenzijde voorzien zijn van een ontluchtingsgat met een diameter van 1 cm.
1.
Het filterzandpakket moet ten minste 60 cm hoog zijn.
2.
Het filterzandpakket en het aanvoersysteem moeten zijn afgedekt met een grondlaag van ten minste 50 cm.
3.
Tussen de grondlaag en de grindlaag van het aanvoersysteem moet een scheidingslaag zijn aangebracht, die:
a. water- en luchtdoorlatend is, en
b. transport van vaste deeltjes voorkomt.
1.
De hydraulische ontwerpbelasting van een opgehoogd filtratiebed met voorbezonken afvalwater mag ten hoogste 0,03 m 3 per m 2 filteroppervlak per dag zijn.
2.
De onderzijde van de afvoerdrainleidingen:
a. moet boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand zijn gelegen, en
b. mag niet meer dan 50 cm onder het niveau van het oorspronkelijk bodemoppervlak zijn gelegen.
Artikel 39
De artikelen 36 en 37 zijn van toepassing.
1.
De afvoerdrainleidingen onder het filterzandpakket moeten recht onder de aanvoerdrainleidingen zijn gelegen, op een vloeistofdichte laag, onder een verhang van 1:500.
2.
Het aantal afvoerdrainleidingen moet gelijk zijn aan het aantal aanvoerdrainleidingen.
3.
De afvoerdrainleidingen moeten zijn omgeven met een laag grof grind zodanig dat aan de bovenzijde van de afvoerdrainleidingen een laag van ten minste 10 cm aanwezig is.
4.
De bovenstroomse uiteinden van de afvoerdrainleidingen moeten zijn voorzien van ontluchtingspijpen.
1.
Tussen het filterzandpakket en de laag grof grind rondom het afvoerstelsel moet een scheidingslaag van fijn grind van ten minste 10 cm zijn aangebracht.
2.
Het filterzandpakket en de aan- en afvoerstelsels moeten aan de onderzijde tot aan het niveau van het oorspronkelijk bodemoppervlak door middel van een vloeistofdichte laag van de bodem zijn afgescheiden.
1.
Een zandfilter moet uit twee filtereenheden bestaan, die afwisselend moeten worden gebruikt. Iedere filtereenheid moet afzonderlijk de totale dagelijkse aanvoer van afvalwater kunnen verwerken.
2.
De hydraulische ontwerpbelasting van een filtereenheid met voorbezonken afvalwater mag ten hoogste 0,2 m 3 per m 2 filteroppervlak per dag zijn.
Artikel 43
Het aanvoersysteem boven het filterzandpakket moet zodanig zijn uitgevoerd dat het water gelijkmatig over het filteroppervlak wordt verdeeld.
1.
Bij meerdere afvoerdrainleidingen moet de onderlinge afstand ten minste 1 meter bedragen.
2.
De afvoerdrainleidingen moeten op een vloeistofdichte laag zijn gelegen onder een verhang van 1:500.
3.
De afvoerdrainleidingen moeten zijn omgeven met een laag grof grind zodanig dat aan de bovenzijde van de afvoerdrainleidingen een laag van ten minste 20 cm aanwezig is.
1.
Het filterzandpakket moet ten minste 90 cm hoog zijn.
2.
Tussen het filterzandpakket en de laag grof grind rondom het afvoerstelsel moet een scheidingslaag van fijn grind van ten minste 10 cm zijn aangebracht.
3.
De filtereenheden en de aan- en afvoerstelsels moeten door middel van een vloeistofdichte laag van de bodem zijn afgeschermd.
1.
Bij een bedvulling met losse kunststof vulmaterialen met een specifiek oppervlak van 150 tot 200 m 2 per m 3 bedinhoud, mag de ontwerpbelasting van een oxydatiebed met voorbezonken afvalwater ten hoogste 0,3 kg BZV 5 per m 3 bedinhoud per dag zijn.
2.
Bij toepassing van andere vulmaterialen mag:
a. de ontwerpbelasting betrekking hebbend op het specifiek oppervlak van het vulmateriaal ten hoogste 1,75 g BZV 5 per m 2 per dag met voorbezonken afvalwater bedragen, en
b. de ontwerpbelasting ten hoogste 0,5 kg BZV 5 per m 3 bedinhoud met voorbezonken afvalwater bedragen.
1.
Het vulmateriaal van een oxydatiebed moet:
a. geschikt zijn voor een goede aanhechting van micro-organismen, en
b. bij aanleg vrij zijn van verontreinigende stoffen van organische of toxische aard.
2.
De hoogte van de laag vulmaterialen moet ten minste 1 meter zijn.
1.
Het voorbezonken afvalwater moet gelijkmatig over het oppervlak van een oxydatiebed worden verspreid.
2.
De spoelwerking van het afvalwater moet zodanig zijn dat het overschot aan biomassa op het vulmateriaal met de waterstroom kan worden afgevoerd.
3.
Het gezuiverde afvalwater moet in voldoende mate kunnen worden gerecirculeerd over het oxydatiebed.
Artikel 49
De ontwerpbelasting van een biorotor met voorbezonken afvalwater mag ten hoogste 5 gram BZV 5 per m 2 dragermateriaal per dag zijn.
Artikel 50
Het dragermateriaal moet:
a. geschikt zijn voor een goede aanhechting van micro-organismen, en
b. bij aanleg vrij zijn van verontreinigende stoffen van organische of toxische aard.
1.
De rotor en het bassin waarin de rotor ronddraait, moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat in het bassin geen hydraulisch dode ruimten dan wel kortsluitstromen kunnen ontstaan.
2.
Het contact tussen het dragermateriaal en het afvalwater moet zodanig zijn dat het overschot aan biomassa op het drageroppervlak met de waterstroom kan worden afgevoerd.
3.
Indien het biorotorbassin in meerdere compartimenten is opgedeeld moet een ongehinderde doorvoer van afvalwater en overschot aan biomassa kunnen plaatsvinden.
4.
De biorotor moet zijn voorzien van een verwijderbare, ondoorzichtige overkapping.
Artikel 52
De nabehandeling van omvangrijke lozingen van huishoudelijk afvalwater moet plaatsvinden in een nabezinktank of in een trommelfilter.
1.
Een nabezinktank moet op basis van de maximale uuraanvoer zodanig zijn gedimensioneerd dat:
a. de hydraulische oppervlaktebelasting ten hoogste 0,4 m 3 per m 2 per uur bedraagt,
b. het oppervlak van de nabezinktank ten minste 0,6 m 2 bedraagt,
c. de waterhoogte ten minste 1,1 meter is, en
d. de verblijftijd ten minste 3,5 uur is.
2.
Indien gegevens voor de maximale uuraanvoer ontbreken moet hiervoor 1/10 van de dagaanvoer worden aangehouden.
1.
Een nabezinktank moet horizontaal worden doorstroomd op een zodanige wijze dat:
a. de aan- en afvoer van het afvalwater het bezinkingsproces niet kunnen verstoren en
b. er geen kortsluitstromen kunnen optreden.
2.
Een afvoer moet tegen overstort van drijvende stoffen zijn beschermd door een duikschot.
1.
De nabezinktank moet zodanig zijn uitgevoerd dat het afgescheiden slib uit de slibtrechter kan worden afgezogen.
2.
De nabezinktank moet zijn voorzien van een pomp die het afgescheiden slib automatisch afvoert naar het eerste compartiment van de septic tank of naar een afzonderlijke opslag voor slib.
3.
De capaciteit van de pomp moet zodanig zijn, dat de hoeveelheid afgescheiden slib dagelijks volledig wordt afgevoerd.
1.
Een trommelfilter moet bespannen zijn met filterdoek met een maaswijdte van ten hoogste 50 micrometer.
2.
Een trommelfilter moet zijn voorzien van een automatische spoelinrichting.
1.
Op basis van een bodemkundige profielbeschrijving ter plaatse van de aan te leggen infiltratievoorziening moeten van de grondlaag dan wel de grondlagen die in contact komen met de infiltratievoorziening worden vastgesteld:
a. het leemgehalte,
b. het lutumgehalte,
c. het organische-stofgehalte in gewichtsprocenten van de grond, en
d. de mediaan van de zandfractie.
2.
Uit de gegevens bedoeld in het eerste lid moet worden vastgesteld of de grondlaag dan wel de grondlagen waarmee de infiltratievoorziening in contact zal komen gerekend moet worden tot de bovengrond dan wel de ondergrond.
3.
De indeling van de grondlaag dan wel de grondlagen moet plaatsvinden met behulp van de bij deze regeling behorende bijlage 2 .
4.
Indien uit de bodemkundige profielbeschrijving de grens tussen boven- en ondergrond niet is vast te stellen, moet bij de indeling van de grondlaag dan wel de grondlagen worden uitgegaan van de ondergrond.
1.
De gemiddeld hoogste grondwaterstand moet worden vastgesteld op grond van een bodemkundige profielbeschrijving ter plaatse van de aanleg van de infiltratievoorziening.
2.
Indien de grondwaterstand dieper dan 5 meter beneden het bodemoppervlak is gelegen geldt als de gemiddeld hoogste grondwaterstand het niveau van 5 meter beneden het bodemoppervlak.
3.
Het bevoegd gezag kan op daartoe strekkende aanvraag bepalen dat in afwijking van het eerste en tweede lid de gemiddeld hoogste grondwaterstand die ter plaatse in de 5 jaar voorafgaand aan de lozing in de bodem voor andere doeleinden is vastgesteld geldt als de gemiddeld hoogste grondwaterstand.
1.
Het aantal grondboringen moet ten minste zijn:
a. tot 25 lozingseenheden: 6 grondboringen;
b. van 25 tot 50 lozingseenheden: 8 grondboringen;
c. van 50 tot 100 lozingseenheden: 11 grondboringen;
d. van 100 tot en met 200 lozingseenheden: 15 grondboringen.
2.
De grondboringen moeten ter plaatse van de aanleg van de infiltratievoorziening gelijkmatig verdeeld over het bodemoppervlak worden uitgevoerd.
1.
Van de grondboringen, bedoeld in artikel 59, eerste lid, moeten ten minste worden uitgevoerd:
a. tot 25 lozingseenheden: 4 grondboringen tot 2 meter en 2 grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak;
b. van 25 tot 50 lozingseenheden: 6 grondboringen tot 2 meter en 2 grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak;
c. van 50 tot 100 lozingseenheden: 8 grondboringen tot 2 meter en 3 grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak;
d. van 100 tot en met 200 lozingseenheden: 10 grondboringen tot 2 meter en 5 grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak.
2.
Ten minste één van de grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak moet worden gebruikt voor het plaatsen van een peilbuis.
3.
Het plaatsen van een peilbuis, als bedoeld in het tweede lid, kan achterwege blijven indien de grondwaterstand dieper dan 6 meter beneden het bodemoppervlak is gelegen.
1.
Bij het aanleggen van een zakput geldt in afwijking van de artikelen 59 en 60 het bepaalde in dit artikel.
2.
Bij het aanleggen van een zakput moeten ten minste 2 grondboringen per zakput worden uitgevoerd.
3.
De grondboringen moeten ter plaatse van de aanleg van de zakput gelijkmatig verdeeld over het bodemoppervlak worden uitgevoerd.
4.
De diepte van de grondboringen per zakput moet ten minste zijn: 1 grondboring tot 10 meter beneden het bodemoppervlak en 1 grondboring tot beneden de onderzijde van de infiltratievoorziening.
5.
Ten minste één grondboring tot 10 meter beneden het bodemoppervlak moet worden gebruikt voor het plaatsen van een peilbuis.
6.
Het plaatsen van een peilbuis, als bedoeld in het vijfde lid, kan achterwege blijven indien de grondwaterstand dieper dan 10 meter beneden het bodemoppervlak is gelegen.
1.
Op grond van de gegevens uit de grondboringen als bedoeld in artikel 59, eerste lid, dan wel artikel 61, tweede lid, moeten de dikte en de diepte van de grondlaag dan wel de grondlagen worden vastgesteld.
2.
Van elke grondlaag moet worden bepaald:
a. het leemgehalte,
b. het lutumgehalte,
c. het organische-stofgehalte in gewichtsprocenten van de grond, en
d. de mediaan van de zandfractie.
3.
Op grond van de gegevens uit de grondboringen moet worden vastgesteld op welke diepte de grens tussen boven- en ondergrond zich bevindt.
4.
De indeling van de grondlaag dan wel de grondlagen moet plaatsvinden met behulp van de bij deze regeling behorende bijlage 2 .
5.
Indien op grond van de gegevens uit de grondboringen de grens tussen boven- en ondergrond niet is vast te stellen, moet bij de indeling van de grondlaag dan wel de grondlagen, worden uitgegaan van de ondergrond.
1.
Tussen 1 februari en 1 mei moet in de peilbuis, bedoeld in artikel 60, tweede lid, dan wel bedoeld in artikel 61, vijfde lid, ten minste tweemaal per maand de grondwaterstand worden gemeten.
2.
De gemiddeld hoogste grondwaterstand moet worden vastgesteld door de resultaten van de metingen, bedoeld in het eerste lid, te vergelijken met gegevens van de grondwaterstand in het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, van het meest nabijgelegen meetpunt dat is opgenomen in het Archief van grondwaterstanden van TNO waarvan de gemiddeld hoogste grondwaterstand over de voorafgaande periode bekend is of berekend kan worden.
3.
Bij de vergelijking, bedoeld in het tweede lid, moet tevens gebruik worden gemaakt van een of meer bodemkundige profielbeschrijvingen ter plaatse van de aanleg van de infiltratievoorziening.
4.
Indien de grondwaterstand dieper dan 6 meter, en in het geval van een zakput, dieper dan 10 meter beneden het bodemoppervlak is gelegen, dan geldt als de gemiddeld hoogste grondwater-stand het niveau van 6 meter, en in het geval van een zakput het niveau van 10 meter, beneden het bodemoppervlak.
5.
Het bevoegd gezag kan op daartoe strekkende aanvraag bepalen dat in afwijking van het eerste, tweede, derde en vierde lid de gemiddeld hoogste grondwaterstand die ter plaatse in de 5 jaar voorafgaand aan de lozing in de bodem voor andere doeleinden is vastgesteld geldt als de gemiddeld hoogste grondwaterstand.
1.
Op basis van de indeling in grondlagen, bedoeld in artikel 57, derde lid, moet met behulp van de bij deze regeling behorende bijlage 2 , de bijbehorende infiltratieklasse worden vastgesteld van de grondlaag dan wel de grondlagen die in contact komen met de infiltratievoorziening.
2.
De hydraulische ontwerpbelasting van de infiltratie-voorziening mag ten hoogste de waarde zijn zoals is aangegeven in de bij deze regeling behorende bijlage 3 .
3.
Indien de infiltratievoorziening in contact zal komen met grondlagen waarbij sprake is van meerdere infiltratieklassen moet bij de vaststelling van de hydraulische ontwerpbelasting rekening worden gehouden met het relatieve aandeel van de grondlagen en de daarbijbehorende infiltratieklassen.
1.
Op basis van de indeling in grondlagen, bedoeld in artikel 62, vierde lid, moet met behulp van de bij deze regeling behorende bijlage 2 , de bijbehorende infiltratieklasse worden vastgesteld van de grondlaag dan wel de grondlagen die in contact komen met de infiltratievoorziening.
2.
De hydraulische ontwerpbelasting van de infiltratievoorziening mag ten hoogste de waarde zijn, zoals is aangegeven in de bij deze regeling behorende bijlage 3 .
3.
Indien de infiltratievoorziening in contact zal komen met grondlagen waarbij sprake is van meerdere infiltratieklassen, moet bij de vaststelling van de hydraulische ontwerpbelasting rekening worden gehouden met het relatieve aandeel van de grondlagen en de daarbij behorende infiltratieklassen.
1.
Indien uit de grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak, bedoeld in artikel 60, eerste lid, dan wel uit de grondboring tot 10 meter beneden het bodemoppervlak, bedoeld in artikel 61, vierde lid, blijkt dat één of meer grondlagen, gelegen in het gedeelte van de bodem beneden de onderzijde van de infiltratievoorziening, zodanige eigenschappen bezitten dat moet worden aangenomen dat de afvoer van het geïnfiltreerde huishoudelijk afvalwater onvoldoende kan plaatsvinden dan wel tot een niet toelaatbare verhoging van de grondwaterstand zal leiden, moet de doorlatendheid van dat gedeelte van de bodem worden bepaald.
2.
Indien de doorlatendheid van één of meer grondlagen gelegen in het gedeelte van de bodem, bedoeld in het eerste lid, kleiner is dan de hydraulische ontwerpbelasting, bedoeld in artikel 65, tweede lid, moet de hydraulische ontwerpbelasting zodanig worden verkleind dat deze in overeenstemming is met de waarde van de doorlatendheid van het gedeelte van de bodem als bedoeld in het eerste lid.
1.
Een infiltratiekanaal bestaat uit ten minste twee kanaaleenheden die elk één drainleiding bevatten.
2.
De drainleidingen moeten elk zijn omgeven met een laag grof grind zodanig dat aan de boven- en onderzijde van de leidingen een laag van ten minste 10 cm aanwezig is.
3.
Het grindpakket en de drainleidingen moeten zijn afgedekt met een grondlaag van ten minste 50 cm.
4.
Tussen de grondlaag en de grindlaag moet een scheidingslaag worden aangebracht, die:
a. water- en luchtdoorlatend is en
b. transport van vaste deeltjes voorkomt.
5.
De benedenstroomse uiteinden van de drainleidingen moeten:
a. voorzien zijn van ontluchtingspijpen bij aanvoer onder vrij verval, dan wel
b. afgesloten zijn bij aanvoer onder druk, waarbij het achtervlak aan de bovenzijde is voorzien van een ontluchtingsgat met een diameter van 1 cm.
Artikel 68
Een infiltratiekanaal moet zodanig zijn uitgevoerd dat:
a. de aanvoer van water gelijkmatig over het infiltratieoppervlak wordt verdeeld,
b. de drainleidingen met inbegrip van het grindpakket een breedte hebben van ten minste 30 cm en ten hoogste 90 cm,
c. de lengte van de drainleidingen ten hoogste 30 meter is, en
d. de onderlinge afstand tussen de drainleidingen ten minste 2 meter bedraagt.
Artikel 69
Artikel 67 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de drainleidingen van een infiltratiebed zijn gelegen in een aaneengesloten grindpakket.
Artikel 70
Een infiltratiekanaal moet zodanig zijn uitgevoerd dat:
a. de aanvoer van water gelijkmatig over het infiltratieoppervlak wordt verdeeld,
b. de drainleidingen met inbegrip van het grindpakket een breedte hebben van ten minste 30 cm en ten hoogste 90 cm,
c. de lengte van de drainleidingen ten hoogste 30 meter is, en
d. de onderlinge afstand tussen de drainleidingen ten minste 1 meter bedraagt.
1.
Een zakput moet zodanig zijn uitgevoerd dat:
a. deze aan de onderzijde open is, en
b. ten minste 10 procent van het wandoppervlak is voorzien van openingen, welke regelmatig over het wandoppervlak moeten zijn verdeeld, zodanig dat grof grind niet in de zakput terecht komt.
2.
Aan de onderzijde van de zakput en aan de buitenzijde van het wandoppervlak van de zakput moet een laag grof grind van ten minste 20 cm zijn aangebracht.
Artikel 72
De aanvoerleiding moet zodanig zijn uitgevoerd dat:
a. het effluent van een zuiveringssysteem vrij kan afwateren in de zakput, en
b. deze ten minste 20 cm onder de bovenkant van de zakput is gelegen.
Artikel 73
Het gebruik van meerdere zakputten is uitsluitend toegestaan indien:
a. de onderlinge afstand tussen de zakputten groter is dan driemaal de doorsnede van de grootste zakput, en
b. iedere zakput voldoet aan de voorschriften die voor een afzonderlijke zakput gelden.
Artikel 74
Artikel 35, tweede lid, en de artikelen 36 en 37 zijn van toepassing.
Artikel 75
Een kennisgeving, als bedoeld in de artikelen 22 en 34 van het Lozingenbesluit, moet worden gedaan op een formulier waarvan het model is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4 .
Artikel 76
Als deskundig bedrijf bedoeld in artikel 18 van het besluit, wordt aangewezen de keuringsinstantie die voor het uitvoeren van de keuring gecertificeerd is door een certificeringsinstantie, daartoe geaccrediteerd door de Raad voor accreditatie danwel door een nationale accreditatieinstelling van een der andere lid-staten van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.
Artikel 77
Na de inwerkingtreding van deze regeling berusten de krachtens de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming (Stcrt. 1990, 123) vastgestelde besluiten op deze regeling.
Artikel 78
De Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming (Stcrt. 1990, 123) wordt ingetrokken.
Artikel 79
Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming (Stb. 1997, ...) in werking treedt.
Artikel 80
Deze regeling kan worden aangehaald als: Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 18 december 1997
De
Minister
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
+ Hoofdstuk 2. Algemene bouwvoorschriften voor zuiveringssystemen en infiltratievoorzieningen
+ Hoofdstuk 3. Algemene dimensioneringsvoorschriften voor zuiveringssystemen en infiltratievoorzieningen
+ Hoofdstuk 4. Zuiveringssystemen voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater in de bodem
+ Hoofdstuk 5. Zuiveringssystemen voor omvangrijke lozingen van huishoudelijk afvalwater in de bodem
+ Hoofdstuk 6. Onderzoek bij lozingen van huishoudelijk afvalwater in de bodem
+ Hoofdstuk 7. Infiltratievoorzieningen voor beperkte en omvangrijke lozingen van huishoudelijk afvalwater in de bodem
+ Hoofdstuk 8. Overige bepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht