1.
Aan de ondernemers die op of na de dag van inwerkingtreding van deze verordening een onderneming drijven waarin het schoonheidsverzorgingsbedrijf wordt uitgeoefend, wordt voor het jaar 2010 een heffing opgelegd ten behoeve van projecten op het gebied van collectieve promotie, onderwijs en scholing, voorlichting en advisering en professionalisering van de bedrijfsvoering.
2.
De heffing bedoeld in het eerste lid bestaat uit:
a. een basisheffing van € 89 voor iedere vestiging waarin het schoonheidsverzorgingsbedrijf wordt uitgeoefend; en
b. een heffing werkzame personen, waarvan de hoogte afhankelijk is van het aantal werkzame personen werkzaam in de onderneming, met toepassing van het in het derde lid opgenomen schema.
3.
De heffing werkzame personen bedraagt:
4.
In afwijking van het tweede lid, onder a, bedraagt de basisheffing, indien de ondernemer het bedrijf uitsluitend anders dan in een vestiging uitoefent, € 89 per onderneming.
1.
Aan de ondernemer die lid is van de Algemene Nederlandse Branche Organisatie Schoonheidsverzorging (ANBOS) en over het jaar 2009 aan deze organisatie contributie heeft betaald, wordt op de bruto heffing een aftrek toegestaan van 40%, met een maximum van 50% van de betaalde contributie over 2009 (exclusief BTW). De aftrek wordt slechts toegestaan indien uit de door de in de eerste volzin genoemde organisatie verstrekte opgave blijkt dat de contributie is betaald.
2.
Op het in het eerste lid bedoelde maximum van 50% van de betaalde contributie wordt in mindering gebracht de aftrek op de heffing Hoofdbedrijfschap Ambachten 2010 of de heffing Hoofdbedrijfschap Detailhandel 2010.
3.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de ondernemers die, al dan niet rechtstreeks, lid zijn van een organisatie van ondernemers die een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is en die:
a. krachtens haar statutaire doelstelling haar werkzaamheid kan uitstrekken tot ten minste een belangrijk gedeelte van het terrein waarop het bedrijfslichaam een taak heeft te vervullen,
b. voldoet aan de kwalitatieve representativiteitscriteria, genoemd in de artikelen 3 tot en met 7 van de Verordening representativiteit organisaties organisaties,
c. tot de werkingssfeer van het bedrijfslichaam behorende leden heeft, waarvan het gewogen aantal niet-onbetekenend is,
d. met betrekking tot de behartiging van sociaal-economische belangen van ondernemers een positie van enige betekenis inneemt binnen de groep van ondernemers die zij beoogt te organiseren, hetgeen onder meer kan blijken uit de mate van representativiteit binnen die groep, de deelname aan het arbeidsvoorwaardenoverleg, het verrichten van studies of diensten die ook buiten die groep van belang worden geacht en de deelname aan regelmatig overleg met de overheid, en
e. haar activiteiten, al dan niet door middel van een federatie van gelijksoortige organisaties, landelijk ontplooit.
4.
De in het vorige lid bedoelde aftrek wordt slechts toegestaan indien daartoe door het bestuur van de desbetreffende organisatie een verzoek is gedaan.
5.
Op een verzoek als in het vierde lid van dit artikel bedoeld, wordt door het dagelijks bestuur van het Hoofdbedrijfschap Ambachten beslist.
Inhoudsopgave
+ § 1. Begripsbepaling en toepassingsgebied
- § 2. De heffing
+ § 3. Vermindering van heffing
+ § 4. Overige bepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht