Artikel 28
De op de dag, voorafgaande aan de datum van herindeling, voor een overgaand gebied geldende gemeentelijke voorschriften behouden gedurende twee jaren na die datum voor dat gebied hun rechtskracht, voor zover het bevoegde gezag van de gemeente waaraan dat gebied is toegevoegd, deze voorschriften niet eerder vervallen verklaart.
1.
Het bevoegde gezag van een nieuwe gemeente kan vóór afloop van de in artikel 28 bedoelde termijn een voorschrift als in dat artikel bedoeld voor het gehele gebied der gemeente geldend verklaren.
2.
Op gelijke wijze maakt het bestuur van de nieuwe gemeente tijdig vóór afloop van de in artikel 28 bedoelde termijn bekend welke overige in dat artikel bedoelde voorschriften na afloop van die termijn voor het gehele gebied der gemeente zullen gelden.
1.
De op de dag, voorafgaande aan de datum van herindeling, in een gemeente van kracht zijnde gemeentelijke voorschriften gelden gedurende twee jaren na die datum niet voor aan die gemeente toegevoegd gebied, voor zover het bevoegde gezag van die gemeente deze voorschriften niet eerder voor dat gebied geldend verklaart.
2.
Het college van burgemeester en wethouders maakt tijdig vóór afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn bekend welke in dat lid bedoelde voorschriften na afloop van die termijn voor het toegevoegde gebied zullen gelden.
Artikel 31
De op de dag, voorafgaande aan de datum van herindeling, geldende besluiten tot instelling van commissies als bedoeld in Hoofdstuk V van de Gemeentewet (Stb. 1992, 96) van gemeenten waarin een raadsverkiezing als bedoeld in artikel 52 is gehouden, vervallen op die datum. Zij kunnen binnen een maand na die datum door het op grond van hoofdstuk V van de Gemeentewet bevoegde orgaan tot instelling van de commissies geheel of ten dele wederom geldend worden verklaard.
1.
Het bepaalde in de artikelen 28-30 is niet van toepassing op belastingverordeningen op voet van artikel 220 van de Gemeentewet. Ten aanzien van overgaand gebied houden deze verordeningen op te gelden met ingang van de datum van herindeling, doch zij behouden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 39, hun rechtskracht voor de belastingjaren welke vóór die datum zijn aangevangen.
2.
De raad van een nieuwe gemeente kan binnen drie maanden na de datum van herindeling ingevolge het bepaalde in artikel 216 van de Gemeentewet besluiten tot vaststelling van een nieuwe verordening die met ingang van genoemde datum zal gelden voor de gemeente.
3.
Voor gebied dat overgaat naar een andere dan een nieuwe gemeente is met ingang van de datum van herindeling van toepassing de verordening van de gemeente waaraan dat gebied is toegevoegd. Voor zover de herindeling zulks noodzakelijk maakt, is de raad van de gemeente waaraan het gebied is toegevoegd, bevoegd binnen 3 maanden na de datum van herindeling te besluiten tot aanpassing van de verordening. De aangepaste verordening geldt met ingang van genoemde datum voor het gehele gebied der gemeente.
4.
Het bepaalde in de artikelen 28-30 is evenmin van toepassing op besluiten inzake de baatbelasting die zijn vastgesteld op de voet van artikel 222 van de Gemeentewet en op besluiten als bedoeld in de artikelen XV, derde tot en met vijfde lid, van de Invoeringswet van de wet materiële belastingbepalingen Gemeentewet. Deze besluiten worden aangemerkt als besluiten van de gemeente waaraan het gebied is toegevoegd.
Artikel 33
De artikelen 28 tot en met 30 en 32 zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot vaststelling, wijziging of intrekking van belastingverordeningen die zijn genomen vóór de datum van herindeling en die op of na die datum in werking treden.
1.
In afwijking van het bepaalde in artikel 28 worden de vóór de datum van herindeling vastgestelde structuurvisies, bestemmingsplannen, beheersverordeningen en exploitatieplannen als bedoeld in respectievelijk artikel 2.1, 3.1, 3.38 en 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening en besluiten waarbij gronden worden aangewezen tot gebied waarop een voorkeursrecht rust als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten, met betrekking tot overgaand gebied geacht te zijn vastgesteld door het bevoegde gezag van de gemeente waaraan dat gebied is toegevoegd en behouden zij hun rechtskracht zolang het bevoegde gezag niet anders bepaalt.
2.
Evenzo wordt een vóór de datum van herindeling genomen voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening met betrekking tot overgaand gebied geacht te zijn genomen door de raad van de gemeente waaraan dat gebied is toegevoegd.
Artikel 35
Bij wijziging van een provinciegrens is het bepaalde in de artikelen 28 en 30 van overeenkomstige toepassing ten aanzien van provinciale voorschriften zomede het bevoegde gezag van de betrokken provincies.
1.
Voor de secretaris en de griffier van een nieuwe gemeente gelden de instructies van de in de betrokken herindelingsregeling aan te wijzen gemeente totdat zij door andere zijn vervangen.
2.
Voor de vergaderingen van de raad en van burgemeester en wethouders van een nieuwe gemeente gelden de reglementen van orde van de in de betrokken herindelingswet aan te wijzen gemeente totdat zij door andere zijn vervangen.
Artikel 37
Met ingang van de datum van herindeling en zolang de in artikel 28 bedoelde voorschriften blijven gelden, oefenen in toegevoegd gebied de in de gemeente waarnaar dat gebied is overgegaan, bevoegde organen en ambtenaren de bevoegdheden uit welke bij die voorschriften aan overeenkomstige organen en ambtenaren zijn toegekend.
1.
Bij wijziging van een provinciegrens is het bepaalde in artikel 37 van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de bevoegdheden van de organen en de ambtenaren van de provincie.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het toezicht op de bij de wijziging van de provinciale grens betrokken waterschappen uitgeoefend door de organen die daarmede op de dag, voorafgaande aan de datum van herindeling, belast waren, totdat bij reglementswijziging in de gevolgen van de betrokken herindelingsregeling is voorzien. Indien tussen de betrokken gedeputeerde staten niet binnen een jaar omtrent de reglementswijziging overeenstemming is bereikt, is het bepaalde in artikel 4 van de Waterstaatswet 1900 van toepassing.
1.
De bevoegdheid tot het heffen en invorderen van gemeentelijke belastingen in toegevoegd gebied over een belastingjaar dat vóór de datum van herindeling is aangevangen, blijft voorbehouden aan de organen en ambtenaren van de gemeente waartoe dat gebied vóór die datum behoorde.
2.
Ingeval de in het eerste lid bedoelde gemeente bij een herindelingswet wordt opgeheven, komt de in dat lid genoemde bevoegdheid toe aan de organen en ambtenaren van de in die wet aan te wijzen gemeente.
Artikel 40
Onverminderd artikel 226 van de Provinciewet en artikel 228 van de Provinciewet is bij wijziging van een provinciegrens artikel 39, eerste lid, van overeenkomstige toepassing ten aanzien van provinciale belastingen.
1.
Gemeenschappelijke regelingen waaraan uitsluitend wordt deelgenomen door gemeenten welker gebied in zijn geheel tot een en dezelfde gemeente komt te behoren, vervallen met ingang van de datum van herindeling. Het bestuur van die gemeente treft in verband hiermede de nodige voorzieningen.
2.
In een herindelingsregeling kan het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing worden verklaard ten aanzien van gemeenschappelijke regelingen waaraan uitsluitend wordt deelgenomen door gemeenten welker gebied grotendeels tot een en dezelfde gemeente komt te behoren.
3.
De overige gemeenschappelijke regelingen waaraan bij een wijziging van de gemeentelijke indeling betrokken gemeenten deelnemen, blijven ongewijzigd van kracht, met dien verstande dat de betrokken herindelingsregeling de gemeente of gemeenten aanwijst die, zolang nog geen uitvoering is gegeven aan het vierde of vijfde lid van dit artikel, voor de toepassing van de regeling in de plaats treedt onderscheidenlijk treden van op te heffen gemeenten.
4.
De deelnemers aan een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in het derde lid treffen, voor zoveel nodig, binnen zes maanden na de datum van herindeling met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen de uit de gewijzigde gemeentelijke indeling voortvloeiende voorzieningen. Zij kunnen daarbij afwijken van de bepalingen van de gemeenschappelijke regeling met betrekking tot wijziging en opheffing van de regeling en het toe- en uittreden van deelnemers. De in de eerste volzin genoemde termijn kan door gedeputeerde staten van de betrokken provincie of, zo de regeling uitsluitend tussen burgemeesters is aangegaan, door de commissaris van de Koning in die provincie met ten hoogste zes maanden worden verlengd.
5.
Indien de voorzieningen, bedoeld in het vierde lid, niet binnen de daarvoor gestelde termijn zijn getroffen, kan dit geschieden door gedeputeerde staten of, zo de regeling uitsluitend tussen burgemeesters is aangegaan, door de commissaris van de Koning.
6.
De leden van bij gemeenschappelijke regeling ingestelde organen, aangewezen door de vóór de datum van herindeling bevoegde gemeentebesturen, blijven in deze organen zitting hebben totdat de na de datum van herindeling bevoegde gemeentebesturen, zo nodig met afwijking van hetgeen in de gemeenschappelijke regeling ten aanzien van de zittingsduur is bepaald, in de aanwijzing hebben voorzien.
7.
De voorgaande leden zijn niet van toepassing ten aanzien van gemeenschappelijke regelingen die van kracht zijn voor een gebied waarvan de omvang bij of krachtens wet dan wel bij koninklijk besluit is vastgesteld.
Artikel 43
Voor zover aan een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 41, derde lid, wordt deelgenomen door een provincie en die regeling mede betrekking heeft op gebied dat ingevolge een herindelingsregeling naar een andere provincie overgaat, is het bepaalde in dat en het vierde, zesde en zevende lid van artikel 41 van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de betrokken provincies.
1.
In afwijking van artikel 81p van de Gemeentewet kan de raad van een nieuwe gemeente op uiterlijk 15 januari van het jaar waarin de gemeente is ingesteld, de behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, opdragen aan een gemeentelijke ombudsman of ombudscommissie, dan wel een gezamenlijke ombudsman of ombudscommissie. Het besluit werkt terug tot 1 januari van het jaar waarin het is genomen.
2.
Indien de raad een besluit als bedoeld in het eerste lid neemt, zendt hij dit binnen een week aan de Nationale ombudsman.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene Bepalingen
+ Hoofdstuk II. Wijziging van de gemeentelijke indeling en grenscorrecties
+ Hoofdstuk III. Wijziging van de provinciale indeling
+ Hoofdstuk IV. Financieel toezicht
- Hoofdstuk V. Rechtskracht voorschriften en uitoefening bevoegdheden
+ Hoofdstuk VI. Overgang rechten en verplichtingen
+ Hoofdstuk VII. Verkiezing vertegenwoordigend lichaam
+ Hoofdstuk VIII. Rechtspositie van personeel
+ Hoofdstuk IX. Voorzieningen in verband met de toepassing van enkele wetten
+ Hoofdstuk X. Voorbereiding van de overgang
+ Hoofdstuk XI. Kernbepalingen met betrekking tot wijziging van de gemeentelijke indeling en grenscorrectie
+ Hoofdstuk XII. Kernbepalingen met betrekking tot wijziging van de provinciale indeling
+ Hoofdstuk XIII. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht