1.
De belanghebbende, die op de dag, waarop zijn verblijf in werkelijke dienst eindigt, arbeidsongeschikt is of binnen een maand na die dag arbeidsongeschikt wordt, heeft, overeenkomstig hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, met betrekking tot zijn arbeidsongeschiktheid of de toeneming van de arbeidsongeschiktheid recht op dezelfde uitkeringen als die, waarop krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering aanspraak zou bestaan, indien hij onmiddellijk voorafgaande aan zijn arbeidsongeschiktheid verzekerde in de zin van die wet zou zijn geweest, evenwel slechts indien en voor zover hij ter zake van die arbeidsongeschiktheid onderscheidenlijk die toeneming van de arbeidsongeschiktheid geen aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling kan doen gelden. Hoofdstuk IIA van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is van overeenkomstige toepassing.
2.
Het in het vorige lid omschreven recht heeft eveneens de belanghebbende, die arbeidsongeschikt wordt nadat sedert de dag, waarop zijn verblijf in werkelijke dienst eindigde, meer dan een maand is verstreken, evenwel slechts indien en voor zover hij ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid of de toeneming van zijn arbeidsongeschiktheid geen aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling kan doen gelden en dit, naar het oordeel van Onze Minister van Defensie, zijn oorzaak vindt in het verblijf in werkelijke dienst.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
+ Hoofdstuk II. Het ziekengeld
- Hoofdstuk III. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
+ Hoofdstuk IV. De vereveningsbijdrage
+ Hoofdstuk V. De uitvoering
+ Hoofdstuk VI. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk VII. Slot- en overgangsbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken