1.
In geval van ontdekking op heterdaad is, indien bijzondere omstandigheden dat onverwijld vorderen, iedere meerdere bevoegd degene die wordt verdacht van de schending van een gedragsregel aan te houden en hem naar een plaats van verhoor te geleiden. Artikel 128 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
2.
De meerdere is bevoegd van iedere mindere te vorderen hem bij de geleiding bijstand te verlenen.
3.
Indien de meerdere de plaats van aanhouding niet terstond kan verlaten, is hij bevoegd van iedere mindere te vorderen voor de geleiding zorg te dragen.
1.
De commandant is bevoegd een geschrift als bedoeld in artikel 30 of 31, dan wel een ander voorwerp waarvan hij redelijkerwijs mag aannemen dat het tot bewijs kan dienen van de schending van een gedragsregel, in te nemen of te doen innemen.
2.
Indien de commandant niet aanwezig is en zijn optreden niet kan worden afgewacht, dan wel indien de dader van de schending van een gedragsregel onbekend is, komt de in het vorige lid genoemde bevoegdheid mede toe aan door Onze Minister van Defensie aangewezen functionarissen.
3.
Het in het eerste lid bedoelde geschrift of voorwerp wordt zo spoedig mogelijk ter beschikking gesteld van de rechthebbende, doch in elk geval:
a. zodra de commandant beslist geen beschuldiging uit te reiken;
b. zodra blijkt dat geen beschuldiging kan worden uitgereikt op grond van het bepaalde in artikel 53, eerste, tweede of vijfde lid;
c. tien dagen na de uitreiking van de uitspraak in eerste aanleg, indien geen beklag is gedaan of beroep is ingesteld;
d. vijf dagen na de uitreiking van een uitspraak op beklag die geen verwijzing inhoudt als bedoeld in artikel 80p, tweede lid, onder f, indien geen beroep is ingesteld;
e. zodra het tuchtproces op een andere wijze eindigt;
f. bij de uitspraak in beroep.
4.
Indien toepassing is gegeven aan artikel 78 wordt, in afwijking van het gestelde in het derde lid, het geschrift of voorwerp ter beschikking gesteld van de opsporingsambtenaar. Deze terbeschikkingstelling geldt als een inbeslagneming door een opsporingsambtenaar als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering .
5.
Het in het eerste lid bedoelde geschrift of voorwerp wordt op de wijze te bepalen bij algemene maatregel van Rijksbestuur gedurende zes maanden ter beschikking gehouden van de rechthebbende. Is teruggave alsdan niet mogelijk gebleken dan wordt het geschrift of voorwerp vernietigd.
1.
Over de inneming van een geschrift of voorwerp als bedoeld in artikel 103 kan de rechthebbende zich binnen 5 dagen schriftelijk beklagen bij de voorzitter van de militaire kamer als bedoeld in artikel 87.
2.
Met betrekking tot de wijze van indiening van het klaagschrift zijn de artikelen 82, 83 en 84 van overeenkomstige toepassing.
3.
De voorzitter van de militaire kamer geeft zo spoedig mogelijk een met redenen omklede beschikking, nadat de klager in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord.
4.
Acht de voorzitter van de militaire kamer het beklag gegrond, dan gelast hij dat het geschrift of voorwerp zo spoedig mogelijk ter beschikking wordt gesteld van de rechthebbende, indien dat nog niet is geschied op grond van het bepaalde in artikel 103, derde lid.
5.
Een afschrift van de beschikking wordt uitgereikt aan de klager en aan degene die het geschrift of voorwerp heeft ingenomen of doen innemen.
6.
Tegen de beschikking staat geen verdere voorziening open.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Gedragsregels
+ Hoofdstuk III. Straffen
+ Hoofdstuk IV. Strafbevoegdheid
+ Hoofdstuk V. Het tuchtproces
- Hoofdstuk VI. Dwangmiddelen
+ Hoofdstuk VII. Krijgsgevangenen en geïnterneerde personen
+ Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken