1.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
a. rentebetaling: rente, uitbetaald of bijgeschreven op een rekening, die is terug te voeren op enigerlei schuldvordering, al dan niet gedekt door hypotheek of voorzien van een winstdelingsclausule, en met name de opbrengsten van overheidspapier en obligatieleningen, inclusief daaraan gehechte premies en prijzen; boete voor te late betaling wordt niet als rentebetaling aangemerkt;
b. uiteindelijk gerechtigde: elke natuurlijke persoon die een rentebetaling ontvangt, of ten gunste van wie een rentebetaling wordt bewerkstelligd;
c. marktdeelnemer: ieder lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dat rentebetalingen verricht of iedere natuurlijke persoon die in het kader van de uitoefening van zijn onderneming of beroep rentebetalingen verricht;
d. uitbetalende instantie: de marktdeelnemer die rente uitbetaalt of een rentebetaling bewerkstelligt ten onmiddellijke gunste van de uiteindelijk gerechtigde, ongeacht of deze marktdeelnemer de debiteur is van de rentedragende schuldvordering dan wel de marktdeelnemer die door de debiteur of de uiteindelijk gerechtigde is belast met het uitbetalen van de rente of het bewerkstelligen van de rentebetaling;
e. icbe: een instelling voor collectieve belegging in effecten waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig de algemene vereisten van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PbEU 2009, L 302).
2.
Waar een uiteindelijke gerechtigde woont, of waar een marktdeelnemer of een uitbetalende instantie woont of is gevestigd, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
3.
Voor de toepassing van deze afdeling of bepalingen daarvan kunnen bij ministeriële regeling Mogendheden, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel i, van de Richtlijn 2003/48/EG, en afhankelijke en geassocieerde gebieden, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel ii, van die richtlijn, worden gelijkgesteld met een lidstaat.
1.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder rentebetaling mede verstaan:
a. de rente die is aangegroeid of gekapitaliseerd op het moment van de verkoop, de terugbetaling of de aflossing van de schuldvordering;
b. inkomsten uit rentebetalingen indien deze rechtstreeks of via een uitbetalende instantie als bedoeld in artikel 4d, worden uitgekeerd door een collectieve beleggingsinstelling;
c. inkomsten die zijn gerealiseerd bij de verkoop, terugbetaling of aflossing van aandelen of bewijzen van deelneming in een collectieve beleggingsinstelling, indien een dergelijke instelling rechtstreeks of via een andere dergelijke instelling meer dan 25% van zijn vermogen belegt in schuldvorderingen.
2.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder collectieve beleggingsinstelling verstaan:
a. een icbe, of een daarmee vergelijkbare instelling voor collectieve belegging gevestigd in een van de Mogendheden of afhankelijke of geassocieerde gebieden, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Richtlijn 2003/48/EG, waarbij voor de Zwitserse Bondsstaat als vergelijkbare instelling voor collectieve belegging uitsluitend wordt aangemerkt een Zwitsers beleggingsfonds als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c, onder (iv), en onderdeel d, onder (iv), van de overeenkomst van 26 oktober 2004 tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat (Pb EU 2004, L 385) waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG;
b. een entiteit die gebruik maakt van de keuzemogelijkheid van artikel 4e, of een overeenkomstige keuzemogelijkheid in de lidstaat van vestiging;
c. een instelling voor collectieve belegging die niet is gevestigd in een van de lidstaten, dan wel in een van de Mogendheden of afhankelijke of geassocieerde gebieden, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Richtlijn 2003/48/EG.
3.
De inkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden slechts als rentebetaling aangemerkt voorzover deze rechtstreeks of middellijk afkomstig zijn van rentebetalingen als bedoeld in artikel 4a, eerste lid, onderdeel a, en dit artikel, eerste lid, onderdeel a.
4.
Indien een uitbetalende instantie met het oog op de toepassing van het eerste lid, onderdelen b en c, geen informatie heeft over het deel van de inkomsten dat voortkomt uit rentebetalingen, bedoeld in die onderdelen, wordt het volledige bedrag aan inkomsten als rentebetaling aangemerkt.
5.
De inkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden, indien deze afkomstig zijn van een in Nederland gevestigde collectieve beleggingsinstelling niet als rentebetaling aangemerkt indien blijkt dat de beleggingen in schuldvorderingen rechtstreeks of via een andere dergelijke instelling of entiteit niet meer dan 15% van het vermogen van de desbetreffende instelling of entiteit uitmaken.
6.
De percentages, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c en het vijfde lid, worden bepaald aan de hand van de beleggingspolitiek zoals die in het fondsreglement of de statuten van de betrokken collectieve beleggings-instelling is neergelegd, en bij het ontbreken daarvan op basis van de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille van de instelling.
7.
Indien een uitbetalende instantie met het oog op de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, geen informatie heeft over het percentage van het vermogen dat is belegd in schuldvorderingen, wordt dat percentage geacht meer dan 25% te bedragen.
8.
Indien een uitbetalende instantie met het oog op de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, het bedrag van de door de uiteindelijk gerechtigde gerealiseerde inkomsten niet kan bepalen, worden die inkomsten geacht de opbrengst van de verkoop, aflossing of terugbetaling van de aandelen of bewijzen van deelneming te zijn.
1.
Voor de toepassing van deze afdeling worden niet als schuldvorderingen aangemerkt binnenlandse en internationale obligaties en andere verhandelbare schuldinstrumenten:
a. die voor het eerst zijn uitgegeven vóór 1 maart 2001 of waarvan het oorspronkelijke emissieprospectus vóór die datum is goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten in de zin van Richtlijn 80/390/EEG van de Raad van 17 maart 1980 tot coördinatie van de eisen gesteld aan de opstelling van, het toezicht op en de verspreiding van het prospectus dat gepubliceerd moet worden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs (PbEG 1980, L 100) of door de verantwoordelijke autoriteiten in landen buiten de Europese Unie;
b. die clausules bevatten inzake gross-up en vroegtijdige aflossing, en
c. waarvoor geldt dat de uitbetalende instantie van de emittent:
1°. gevestigd is in een lidstaat die bronbelasting inhoudt, en
2°. de rente rechtstreeks betaalt aan een uiteindelijke gerechtigde die zijn woonplaats in een andere lidstaat heeft.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien op of na 1 maart 2002 een aanvullende emissie plaatsvindt of heeft plaatsgevonden van de daar bedoelde verhandelbare schuldinstrumenten.
3.
Indien op of na 1 maart 2002 een vervolgemissie plaatsvindt van een verhandelbaar schuldinstrument als bedoeld in het eerste lid, dat is uitgegeven door een overheid of een gelijkgestelde entiteit die als overheidsinstantie optreedt of waarvan de rol is erkend bij een internationaal verdrag als bedoeld in de bijlage bij de Richtlijn 2003/48/EG, wordt de gehele emissie van dit schuldinstrument, bestaande uit de oorspronkelijke emissie en vervolgemissies, aangemerkt als een schuldvordering.
4.
Indien op of na 1 maart 2002 een vervolgemissie plaatsvindt van een verhandelbaar schuldinstrument als bedoeld in het eerste lid, dat is uitgegeven door een emittent die niet valt onder het bepaalde in het derde lid, wordt deze nieuwe emissie aangemerkt als een schuldvordering.
1.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt een in een lidstaat gevestigde entiteit waaraan rente wordt uitbetaald of ten aanzien van wie een rentebetaling wordt bewerkstelligd ten gunste van de uiteindelijk gerechtigde op het moment van het verrichten of het bewerkstelligen van die rentebetaling eveneens als uitbetalende instantie aangemerkt.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de marktdeelnemer op basis van een door de in het eerste lid bedoelde entiteit overgelegd officieel bewijskrachtig document redenen heeft om aan te nemen dat deze entiteit:
a. een rechtspersoon is, niet zijnde een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, lid 5, van de Richtlijn 2003/48/EG, of
b. een entiteit is waarvan de winst wordt belast volgens de algemene belastingregels voor ondernemingen, of
c. een icbe is.
1.
De entiteit die op grond van artikel 4d als uitbetalende instantie wordt aangemerkt, wordt, indien deze daarvoor kiest, voor de toepassing van deze afdeling mede als icbe aangemerkt. Een in Nederland gevestigde entiteit maakt de keuze, bedoeld in de eerste volzin, kenbaar aan de bevoegde functionaris. De bevoegde functionaris bevestigt bij beschikking indien is voldaan aan de voorwaarden voor de keuze.
2.
Omtrent de keuzemogelijkheid in het eerste lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.
3.
De entiteit die de in het eerste lid bedoelde keuze heeft gemaakt, overhandigt aan de marktdeelnemer een afschrift van de door de bevoegde functionaris afgegeven beschikking.
1.
Een natuurlijk persoon wordt niet aangemerkt als uiteindelijk gerechtigde indien hij aantoont dat de rentebetaling niet te zijner gunste is ontvangen of is bewerkstelligd, maar dat hij:
a. handelt als een uitbetalende instantie als bedoeld in artikel 4a, eerste lid, onderdeel d, of
b. handelt namens een rechtspersoon, of
c. handelt namens een entiteit waarvan de winst wordt belast volgens de algemene belastingregels voor ondernemingen, of
d. handelt namens een icbe, of
e. handelt namens een uitbetalende instantie als bedoeld in artikel 4d en hij aan de marktdeelnemer die de rentebetaling verricht de naam en het adres van deze uitbetalende instantie bekendmaakt, of
f. handelt namens een andere natuurlijke persoon die de uiteindelijk gerechtigde is, en hij aan de uitbetalende instantie met inachtneming van artikel 4g de identiteit van die uiteindelijk gerechtigde bekendmaakt.
2.
Het eerste lid, onderdeel e, is slechts van toepassing indien blijkt dat de daar bedoelde marktdeelnemer de hem bekendgemaakte informatie op zijn beurt doorgeeft aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij woont of is gevestigd.
3.
De uitbetalende instantie is gehouden redelijke maatregelen te nemen om met inachtneming van artikel 4g de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde vast te stellen indien zij beschikt over gegevens die doen vermoeden dat de natuurlijke persoon die een rentebetaling ontvangt of ten gunste van wie een rentebetaling wordt bewerkstelligd, niet de uiteindelijk gerechtigde is, en die persoon niet valt onder het eerste lid, onderdelen a, b, c, d of e.
1.
Voor contractuele betrekkingen die zijn aangegaan vóór 1 januari 2004, stelt de in Nederland wonende of gevestigde uitbetalende instantie de identiteit vast van de in een andere lidstaat wonende uiteindelijk gerechtigde, bestaande uit diens naam en adres, aan de hand van de informatie waarover zij beschikt, met name ter uitvoering van de in Nederland geldende wettelijke voorschriften waaronder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme .
2.
Voor contractuele betrekkingen die zijn of worden aangegaan op of na 1 januari 2004 of voor transacties die bij het ontbreken van contractuele betrekkingen zijn of worden verricht op of na die datum, bepaalt de in Nederland wonende of gevestigde uitbetalende instantie met inachtneming van het bepaalde in het volgende lid de identiteit van de in een andere lidstaat wonende uiteindelijk gerechtigde, bestaande uit diens naam, adres, en, indien dat bestaat, diens door de fiscale woonstaat toegekend fiscaal identificatienummer.
3.
De identiteit, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald op basis van het paspoort of de officiële identiteitskaart van de uiteindelijk gerechtigde. Indien het adres niet is vermeld in het paspoort of in de officiële identiteitskaart, wordt het adres bepaald op basis van enig ander bewijskrachtig document dat door de uiteindelijk gerechtigde wordt overgelegd. Indien het fiscaal identificatienummer niet is vermeld in het paspoort, in de officiële identiteitskaart of in enig ander bewijskrachtig document dat door de uiteindelijk gerechtigde wordt overgelegd, wordt diens naam en adres aangevuld met de vermelding van diens geboorteplaats en geboortedatum zoals vermeld in het paspoort of de officiële identiteitskaart.
1.
Voor contractuele betrekkingen die zijn aangegaan vóór 1 januari 2004, stelt de in Nederland wonende of gevestigde uitbetalende instantie de woonplaats van de in een andere lidstaat wonende uiteindelijk gerechtigde vast aan de hand van de informatie waarover zij beschikt, met name ter uitvoering van de in Nederland geldende wettelijke voorschriften waaronder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme .
2.
Voor contractuele betrekkingen die zijn of worden aangegaan op of na 1 januari 2004 of voor transacties die bij het ontbreken van contractuele betrekkingen zijn of worden verricht op of na die datum, stelt de in Nederland wonende of gevestigde uitbetalende instantie de woonplaats van de in een andere lidstaat wonende uiteindelijk gerechtigde vast op basis van het adres dat vermeld staat in het paspoort of op de officiële identiteitskaart of, zo nodig, op basis van enig ander door de uiteindelijk gerechtigde overgelegd bewijskrachtig document, volgens de procedure, bedoeld in het volgende lid.
3.
Van de natuurlijke persoon die een door een lidstaat uitgereikt paspoort of officiële identiteitskaart overlegt en die verklaart ingezetene te zijn van een niet-lidstaat, wordt de woonplaats vastgesteld op basis van een fiscale woonplaatsverklaring die is afgegeven door de bevoegde autoriteit van de niet-lidstaat waarvan de natuurlijke persoon verklaart ingezetene te zijn. Wordt een verklaring niet overgelegd, dan wordt de natuurlijke persoon geacht zijn woonplaats te hebben in de lidstaat die het paspoort of enig ander officieel identiteitskaart heeft uitgereikt.
4.
Behoudens het bepaalde in de vorige leden wordt als woonplaats aangemerkt de plaats waar de uiteindelijk gerechtigde zijn vaste adres heeft.
5.
Voor de toepassing van het derde lid wordt onder bevoegde autoriteit verstaan: de bevoegde autoriteit voor de toepassing van bilaterale of multilaterale belastingverdragen of, bij ontstentenis daarvan, een autoriteit die bevoegd is om een fiscale woonplaatsverklaring af te geven.
Artikel 4i. Werkingssfeer
Deze afdeling is van toepassing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetalingen die zijn verricht door:
a. een in Nederland wonende of gevestigde uitbetalende instantie aan een uiteindelijk gerechtigde die woont in een andere lidstaat;
b. een in Nederland wonende of gevestigde marktdeelnemer aan een uitbetalende instantie als bedoeld in artikel 4d die in een andere lidstaat woont of is gevestigd;
c. een marktdeelnemer aan een in Nederland gevestigde entiteit die op grond van artikel 4d als uitbetalende instantie wordt aangemerkt.
1.
De uitbetalende instantie, bedoeld in artikel 4i, onderdeel a, verstrekt de bevoegde functionaris uiterlijk binnen twee maanden na afloop van het kalenderjaar waarin de rentebetaling heeft plaatsgevonden de volgende gegevens:
a. de identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde zoals die overeenkomstig de artikelen 4f en 4g zijn vastgesteld;
b. de naam en het adres van de uitbetalende instantie;
c. het rekeningnummer van de uiteindelijk gerechtigde of, bij het ontbreken daarvan, een eenduidige omschrijving van de rentedragende schuldvordering;
d. gegevens over de rentebetaling overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid.
2.
De gegevens die de uitbetalende instantie in ieder geval gehouden is te verstrekken, betreffen, gespecificeerd naar de volgende categorieën rentebetalingen:
a. in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 4a, eerste lid, onderdeel a: het bedrag van de uitbetaalde of bijgeschreven rente;
b. in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 4b, eerste lid, onderdelen a of c: het bedrag van de rente of de inkomsten als bedoeld in die onderdelen of het totaalbedrag van de opbrengst van de verkoop, terugbetaling of aflossing;
c. in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 4b, eerste lid, onderdeel b: het bedrag van de inkomsten als bedoeld in dat onderdeel of het totaalbedrag van de uitkering.
3.
Voor de toepassing van het tweede lid worden per uiteindelijk gerechtigde alle daar bedoelde rentebetalingen per categorie binnen één kalenderjaar als één rentebetaling beschouwd.
4.
Indien de uitbetalende instantie een entiteit is als bedoeld in artikel 4d, moet deze voorts gegevens verstrekken betreffende:
a. de in één kalenderjaar aan deze entiteit uitbetaalde rente of bewerkstelligde rentebetaling, bedoeld in artikel 4d, en
b. de gedeelten van de uitbetaalde rente of bewerkstelligde rentebetaling die toevallen aan elke participant in deze entiteit, voorzover de participant met inachtneming van artikel 4i, onderdeel a, als uiteindelijk gerechtigde wordt aangemerkt.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter zake van de wijze van verstrekking van de in het eerste of vierde lid bedoelde gegevens.
Artikel 4k. Renseignering door marktdeelnemer
De marktdeelnemer, bedoeld in artikel 4i, onderdeel b, verstrekt de bevoegde functionaris uiterlijk binnen twee maanden na afloop van het kalenderjaar waarin de rentebetaling heeft plaatsgevonden de volgende gegevens:
a. de naam en het adres van de uitbetalende instantie, bedoeld in artikel 4i, onderdeel b, en
b. het totale bedrag van de rente dat aan de uitbetalende instantie is uitbetaald of ten gunste van haar is bewerkstelligd.
Artikel 4l. Woonplaatsverklaring ter voorkoming van inhouding van bronbelasting
De bevoegde functionaris verstrekt op verzoek van de uiteindelijke gerechtigde aan deze binnen twee maanden bij beschikking een verklaring met daarin de volgende gegevens:
a. naam, adres en burgerservicenummer van de uiteindelijke gerechtigde;
b. naam en adres van de uitbetalende instantie;
c. rekeningnummer van de uiteindelijke gerechtigde of, bij ontstentenis daarvan, een eenduidige omschrijving van het schuldinstrument.
1.
Ten behoeve van de in paragraaf 2 bedoelde renseignering zijn de bepalingen van hoofdstuk VIII, afdeling 2, met uitzondering van artikel 53, tweede en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
2.
Degene die ingevolge paragraaf 2 verplicht is tot het verstrekken van gegevens wordt, voor zoveel nodig, aangemerkt als administratieplichtige als bedoeld in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Artikel 4n. Bezwaar en beroep
Op het bezwaar, beroep en beroep in cassatie inzake de op de voet van deze afdeling genomen beschikkingen is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien degene die ingevolge paragraaf 2 verplicht is tot het verstrekken van gegevens, deze niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig verstrekt, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de bevoegde functionaris hem een boete van ten hoogste € 5.278 kan opleggen.
2.
De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt door het verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar, bedoeld in de artikelen 4j en 4k.
3.
Bij het opleggen van een boete zijn de artikelen 67g, 67pa en 67pb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
4.
De bevoegde functionaris is belast met het invorderen van een boete, waarbij de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing zijn.
5.
Op het in het eerste lid genoemde bedrag is artikel 67cb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4p. Strafrechtelijke bepaling
HOOFDSTUK IX van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene die niet voldoet aan een verplichting ingevolge deze afdeling, met uitzondering van artikel 4o, vierde lid.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
- Hoofdstuk IA. Reikwijdte van inlichtingenuitwisseling
+ Hoofdstuk II. Vormen van door Nederland te verlenen bijstand
+ Hoofdstuk III. Vormen van door Nederland te ontvangen bijstand
+ Hoofdstuk IV. Slotbepaling
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht