Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2007. U leest nu de tekst die gold op -.

Artikel 1 Wet toezicht kredietwezen 1992

Uitgebreide informatie
1.
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
a. kredietinstelling:
1°. een onderneming of instelling die haar bedrijf maakt van het ter beschikking verkrijgen van, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen of beleggingen; dan wel
2°. een onderneming of instelling, anders dan bedoeld onder 1°, die gelden ter beschikking krijgt in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven waarmee betalingen kunnen worden verricht ook aan anderen dan de onderneming of instelling die het elektronisch geld uitgeeft.
b. centrale kredietinstelling: een kredietinstelling als bedoeld in onderdeel a, onder 1°, die met betrekking tot een groep kredietinstellingen een mede beleidsbepalend karakter draagt;
c. financiële instelling: een onderneming of instelling, niet zijnde een kredietinstelling, die in hoofdzaak haar bedrijf maakt van het verrichten van één of meer van de werkzaamheden genoemd onder 2 tot en met 12 in bijlage I van de Richtlijn dan wel van het verwerven of het houden van deelnemingen;
d. representatieve organisatie: een organisatie, die met betrekking tot de uitvoering van deze wet door Onze minister, de Bank gehoord, als representatieve organisatie voor een groep van ondernemingen en instellingen is aangewezen;
e. Onze minister: Onze minister van Financiën;
f. Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;
g. toezichthoudende autoriteit: de instantie waaraan in enige Staat ingevolge een wettelijke regeling het toezicht op het kredietwezen is opgedragen;
h. de Unie: de Europese Unie;
i. Lid-Staat: een staat die lid is van de Unie alsmede een staat, niet zijnde een lid-staat van de Unie, die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte ( Trb. 1992, 132);
j. de Richtlijn: Richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L 126);
k. bijkantoor: één of meer onderdelen zonder rechtspersoonlijkheid van een kredietinstelling of een financiële instelling die in een andere Staat is gevestigd dan die waarin de kredietinstelling of de financiële instelling gevestigd is;
l. verrichten van diensten: het in een Staat, zonder gebruikmaking van een bijkantoor in die Staat, verrichten dan wel aanbieden van werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn door een kredietinstelling of een financiële instelling die in een andere Staat is gevestigd;
m. gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk belang van ten minste 10 procent van het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van ten minste 10 procent van de stemrechten in een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming of instelling; bij het bepalen van het aantal stemrechten, dat iemand in een onderneming of instelling heeft, worden tot diens stemrechten mede gerekend de stemrechten waarover hij beschikt of geacht wordt te beschikken op grond van artikel 13 van de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen;
n. dochtermaatschappij: een onderneming of instelling als omschreven in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ;
o. groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek , met dien verstande dat indien een natuurlijk persoon, rechtspersoon of vennootschap:
1°. via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur invloed kan uitoefenen op een of meer andere natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen; of
2°. in een of meer andere rechtspersonen of vennootschappen een deelneming heeft als bedoeld in artikel 24c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek , dan wel, voor zover het natuurlijke personen betreft, een met een deelneming overeenkomende positie,
die natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap tezamen met die andere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap dan wel natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen wordt aangemerkt als groep;
p. elektronisch geld: een geldswaarde die is opgeslagen op een elektronische drager of een geldswaarde die op afstand is opgeslagen in een centrale rekeningadministratie;
q. Lid-Staat van herkomst: ingeval een kredietinstelling een rechtspersoon is, de Lid-Staat waar een kredietinstelling haar zetel heeft, dan wel, ingeval de kredietinstelling niet een rechtspersoon is, de Lid-Staat waar zij haar hoofdbestuur heeft;
r. Lid-Staat van ontvangst: de Lid-Staat waar een kredietinstelling een bijkantoor heeft of waarheen zij diensten verricht;
s. bevoegde instanties: de administratieve of rechterlijke instanties die bevoegd zijn ter zake van saneringsmaatregelen;
t. saneringsmaatregel: de noodregeling, bedoeld in hoofdstuk X, of een maatregel, genomen in een andere Lid-Staat dan Nederland, die enigerlei optreden van de aldaar bevoegde instanties behelst en bestemd is om de financiële positie van een kredietinstelling in stand te houden of te herstellen, en van dien aard is dat de maatregel bestaande rechten van derden kunnen aantasten;
u. bewindvoerder: de bewindvoerder, bedoeld in artikel 71, zevende lid, of een ander persoon of orgaan, aangewezen door de bevoegde instanties in een andere Lid-Staat dan Nederland om de saneringsmaatregelen uit te voeren;
v. financiële instrumenten: instrumenten als bedoeld in deel B van de bijlage bij richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 147).
2.
De Bank wordt niet beschouwd als kredietinstelling in de zin van deze wet.
Inhoudsopgave
- Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
+ Hoofdstuk II. Kredietinstellingen die in Nederland zijn gevestigd
+ Hoofdstuk III. Kredietinstellingen die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd
+ Hoofdstuk IV. Kredietinstellingen die in een Staat, die niet een Lid-Staat is, zijn gevestigd
+ Hoofdstuk V. Het uitoefenen van het bedrijf van financiële instelling in een andere Lid-Staat door financiële instellingen die in Nederland zijn gevestigd
+ Hoofdstuk VI. Het uitoefenen van het bedrijf van financiële instelling in Nederland door financiële instellingen die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd
+ Hoofdstuk VII. Register
+ Hoofdstuk VIII. Informatie-inwinning, geheimhouding, informatie-uitwisseling en samenwerking
+ Hoofdstuk IX. Liquidatie
+ Hoofdstuk X. Noodregeling en in andere Staten dan Nederland vastgestelde saneringsmaatregelen
+ Hoofdstuk XI. Betrekkingen met derde landen
+ Hoofdstuk XII. Bijzondere bepalingen
+ Hoofdstuk XIII. Beroep
+ Hoofdstuk XIIIA. Onderzoek door onze minister
+ Hoofdstuk XIII B. Dwangsom en bestuurlijke boete
+ Hoofdstuk XIIIC. Openbaarmaking van overtredingen
+ Hoofdstuk XIV. Wijziging van andere wetten
+ Hoofdstuk XV. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht