Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES
Artikel A
In dit wetboek en de daarop berustende nadere regelingen en uitvoeringsvoorschriften wordt verstaan onder:
algemeen erkende feestdagen, onderscheidenlijk met de zondag gelijkgestelde dagen: de in de Algemene termijnenlandsverordening, de Algemene termijnenverordening onderscheidenlijk de Algemene termijnenwet als zodanig genoemde en de bij of krachtens die landsverordening onderscheidenlijk wet daarmee gelijkgestelde dagen;
Burgerlijk Wetboek: Het Burgerlijk Wetboek van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Gerecht in eerste aanleg en rechter in eerste aanleg: Gerecht in eerste aanleg en rechter in eerste aanleg van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
hier te lande: in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
Hof van Justitie en Hof: het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
in het buitenland: buiten Aruba, Curaçao, Sint Maarten, of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
1.
Elk exploot wordt gedaan door een deurwaarder die daartoe bevoegd is; hij laat afschrift van het exploot aan de persoon of aan de woonplaats van de geëxploiteerde.
2.
Het afschrift geldt voor degene die het ontvangen heeft, als het oorspronkelijke.
3.
Indien de geëxploiteerde weigert het afschrift in ontvangst te nemen, wordt hij geacht het afschrift in persoon te hebben ontvangen. De deurwaarder vermeldt die weigering op het exploot. Artikel 2 is van toepassing.
1.
Indien de deurwaarder noch de geëxploiteerde, noch aan zijn woonplaats iemand van diens huisgenoten of een andere persoon die zich daar bevindt en van wie aannemelijk is dat deze zal bevorderen dat het afschrift de geëxploiteerde tijdig bereikt, vindt, laat hij, indien dat feitelijk mogelijk is, een afschrift aan de woonplaats achter in een gesloten envelop. Indien ook dat feitelijk onmogelijk is, bezorgt hij terstond een afschrift ter post. De deurwaarder maakt, zowel in het ene als het andere geval tevens onder vermelding van de reden van de feitelijke onmogelijkheid, van deze handelingen melding in het exploot.
2.
Op de envelop waarin het afschrift ingevolge het eerste lid wordt achtergelaten of ter post wordt bezorgd, worden vermeld de naam en de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd. De envelop vermeldt tevens de naam, de hoedanigheid, het kantooradres en het telefoonnummer van de deurwaarder, alsmede een aanduiding dat de inhoud de onmiddellijke aandacht behoeft.
3.
Indien de deurwaarder op de in dit artikel vermelde wijze zijn exploot doet, is hij verplicht een tweede afschrift te vervaardigen, dat hij gedurende ten minste drie maanden moet bewaren.
Artikel 4
Aan elk van de geëxploiteerden wordt een afschrift van het exploot gelaten.
Artikel 5
Alle exploten worden gedaan op de volgende wijze:
1°. ten aanzien van het Land Aruba, Curaçao of Sint Maarten, ten aanzien van de Staat der Nederlanden, alsmede ten aanzien van de Gouverneur onderscheidenlijk de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in zaken hem in het bijzonder aangaande, aan de persoon of aan het parket van de procureur-generaal; indien afschrift van een voor het Land, onderscheidenlijk de Staat der Nederlanden bestemd exploot wordt gelaten aan een persoon die daartoe is aangewezen, is het exploot gedaan aan het Land, onderscheidenlijk de Staat der Nederlanden, in persoon;
2°. ten aanzien van openbare rechtspersonen, aan de persoon of ter woonplaats van het hoofd van het bestuur of ter plaatse waar het bestuur zitting of kantoor houdt; indien afschrift van het exploot wordt gelaten aan een bestuurder of aan een persoon die daartoe is aangewezen, is het exploot gedaan aan de rechtspersoon in persoon;
3°. ten aanzien van andere rechtspersonen aan de persoon of aan de woonplaats van een van de bestuurders en, na de ontbinding, van een van de vereffenaars of aan hun zetel of kantoor; indien afschrift van het exploot wordt gelaten aan een bestuurder of, na de ontbinding, aan een vereffenaar, is het exploot gedaan aan de rechtspersoon in persoon;
4°. ten aanzien van vennootschappen onder firma en en commandite aan de persoon of aan de woonplaats van een van de beherende vennoten en, na de ontbinding, van een van de vereffenaars of aan haar kantoor; indien afschrift van het exploot wordt gelaten aan een beherende vennoot of, na de ontbinding, aan een vereffenaar, is het exploot gedaan aan de vennootschap in persoon; ten aanzien van maatschappen die een gezamenlijke naam voeren, geschiedt de betekening aan hun kantoor;
5°. ten aanzien van curators in een faillissement of bewindvoerders in een surséance van betaling, aan de persoon, het kantoor of de woonplaats van één van hen;
6°. ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een overledene, zonder vermelding van hun namen en woonplaatsen:
a. aan de laatste woonplaats van de overledene, mits aldaar nog de overlevende echtgenoot of andere levensgezel, een broer, een zus of een nabestaande in de rechte lijn woont, of
b. aan de persoon of de woonplaats van een executeur-testamentair, van een ten tijde van het overlijden fungerend curator of bewindvoerder, of, indien hoger beroep of beroep in cassatie wordt ingesteld, aan het kantoor van de advocaat, zaakwaarnemer of deurwaarder, bij wie de overledene in de vorige instantie laatstelijk woonplaats heeft gekozen, of
c. aan de persoon of de woonplaats van een van de erfgenamen, mits betekening geschiedt binnen een jaar na het overlijden, in welk geval het exploot tevens moet worden aangekondigd in ten minste één hier te lande verschijnend, door de rechter te bepalen, dagblad;
een en ander onverminderd de mogelijkheid van betekening aan ieder van de erfgenamen afzonderlijk op de gewone wijze;
7°. ten aanzien van degenen die hier te lande geen bekende woonplaats hebben, ter plaatse van hun werkelijk verblijf;
indien degenen die hier te lande niet een woonplaats hebben, daar ook niet een bekend werkelijk verblijf bezitten en hun woonplaats of werkelijk verblijf in het buitenland onbekend is, gelijk mede in geval in rechte worden opgeroepen onbekenden of houders van aandelen of andere effecten die niet op naam staan of waarvan de houders niet bij name bekend zijn, wordt het exploot gepubliceerd in ten minste één hier te lande verschijnend, door de rechter voor wie de vordering gebracht is of aanhangig is, te bepalen dagblad en wordt een afschrift overgegeven, in Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, aan de ambtenaar van het openbaar ministerie bij die rechter en, in Aruba, aan de directeur van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken, die het oorspronkelijke voor gezien tekent; daarenboven wordt het gedane exploot aangekondigd in het nieuwsblad, waarin van Landswege de officiële berichten of in de Staatscourant worden geplaatst;
op gelijke wijze wordt gehandeld ten aanzien van naamloze vennootschappen, bestaande of ontbonden, bij gebreke van gemeenschappelijk kantoor, bestuurder of vereffenaar, of indien van de bestuurder of vereffenaar een woonplaats of de plaats van diens werkelijk verblijf hier te lande niet bekend is;
indien het exploot niet een te voeren of aanhangig rechtsgeding betreft, wordt het gepubliceerd in ten minste één hier te lande verschijnend, door het gerecht in eerste aanleg waar de verzoeker zijn woonplaats of bij gebreke daarvan zijn verblijfplaats heeft, te bepalen dagblad en wordt een afschrift, in Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, aan de ambtenaar van het openbaar ministerie bij dat gerecht en, in Aruba, aan de directeur van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken overgegeven en geschiedt tevens aankondiging in het blad, waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst of in de Staatscourant;
indien het exploot ten verzoeke van de ene echtgenoot aan de andere wordt uitgebracht, houdt het de naam van de gemachtigde van die andere echtgenoot in, indien deze bekend is;
8°. ten aanzien van degenen die niet hier te lande wonen en daarin evenmin een bekend verblijf hebben, doch wier woonplaats of werkelijk verblijf in het buitenland bekend is, in Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, aan de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechter voor wie de vordering gebracht is of aanhangig is en, in Aruba, bij de directeur van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken, die de oorspronkelijke oproeping voor gezien zal tekenen; de ambtenaar van het openbaar ministerie in Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba doet het afschrift van het exploot ten behoeve van de belanghebbenden aan de procureur-generaal toekomen; de procureur-generaal, onderscheidenlijk de directeur van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken draagt er zoveel mogelijk zorg voor dat het stuk de belanghebbenden ten spoedigste bereikt;
indien het exploot niet een te voeren of aanhangig rechtsgeding betreft, wordt het gedaan, in Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, aan de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechter in eerste aanleg waar de verzoeker zijn woonplaats heeft en, in Aruba, bij de directeur van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken, die daarmede handelt als in het eerste onderdeel van dit nummer omschreven;
9°. ten aanzien van degene die met degene ten verzoeke van wie het exploot wordt gedaan, de woning deelt, aan hem in persoon; indien betekening in persoon niet kan geschieden, handelt de deurwaarder overeenkomstig artikel 2;
10°. ten aanzien van de eigenaar en de leden, dan wel de boekhouder van een rederij van een schip dat in het in artikel 193 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde register teboekstaat, indien het exploot het schip of een in of krachtens Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek geregeld onderwerp betreft, aan de in artikel 194, zesde lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde woonplaats;
11°. ten aanzien van de opvarenden van een schip, die geen bekende woonplaats hier te lande hebben, en die noch aan boord van dat schip, noch elders worden aangetroffen, indien het exploot het schip of een in of krachtens Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek geregeld onderwerp betreft, aan boord aan de kapitein van dat schip;
11a°. ten aanzien van de eigenaar van een luchtvaartuig dat in het in artikel 1302 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde register teboekstaat, indien het exploot het luchtvaartuig of een in of krachtens Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek geregeld onderwerp betreft, aan de in artikel 1303, zesde lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde woonplaats.
1.
In geval van verzet, hoger beroep of beroep in cassatie, kan het exploot ook worden gedaan aan het kantoor van de advocaat, zaakwaarnemer of deurwaarder bij wie degene voor wie het exploot is bestemd, laatstelijk terzake woonplaats heeft gekozen. Deze advocaat, zaakwaarnemer of deurwaarder bevordert dat het exploot degene voor wie het is bestemd, tijdig bereikt.
2.
Aan een in verband met executie volgens wettelijk voorschrift gekozen woonplaats kunnen alle exploten worden gedaan, zelfs van verzet, hoger beroep en cassatie.
1.
Het exploot vermeldt:
a. de dag, de maand en het jaar;
b. de naam, en in geval van een natuurlijk persoon tevens de voornamen, en de woonplaats van de persoon op verzoek van wie, of naar aanleiding van wiens aan de rechter gericht verzoek het gedaan is;
c. de naam, de voornamen en het kantooradres van de deurwaarder;
d. de naam, en in geval van een natuurlijk persoon zo nodig de voornamen, en de woonplaats van de geëxploiteerde;
e. de persoon aan wie afschrift van het exploot gelaten is, onder vermelding van diens hoedanigheid.
2.
Indien een partij een rechtspersoon of vennootschap is, wordt haar benaming vermeld.
3.
Een oproeping om in rechte te verschijnen behelst bovendien de aanwijzing van de rechter die van de zaak kennis zal nemen, en dag en uur, waarop de geëxploiteerde in rechte moet verschijnen.
4.
De deurwaarder ondertekent het exploot en de afschriften daarvan.
1.
De gewone termijn van oproeping is ten minste een week voor de geëxploiteerde die hier te lande woonachtig is of verblijf houdt.
2.
In spoed vereisende zaken, bij zijn beschikking als zodanig vermeld, is de rechter in eerste aanleg of de president van het Hof van Justitie bevoegd om de tijd die tussen de oproeping van partijen en de rechtsdag verlopen moet, te verkorten.
3.
Tegen de beschikking, bedoeld in het tweede lid, staat geen hogere voorziening open.
1.
In het tweede geval in artikel 5, ten 7°, uitgedrukt, is de termijn van oproeping ten minste drie maanden.
2.
De rechter is bevoegd om op verzoek van de eiser, zo nodig onder het stellen van voorwaarden, deze termijn te verkorten. Artikel 7, tweede lid, vindt overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend, aan het hoofd van de oproeping worden vermeld.
1.
Indien de geëxploiteerde hier te lande noch een bekende woonplaats noch een bekend werkelijk verblijf heeft en zijn woonplaats of werkelijk verblijf in het buitenland bekend is, is de termijn van oproeping ten minste twee maanden.
2.
Artikel 9, tweede lid, is van toepassing.
Artikel 11
Indien een exploot aan iemand die in het buitenland woont, aan zijn persoon hier te lande gedaan wordt, of indien deze in een bepaalde zaak woonplaats hier te lande heeft gekozen, is artikel 7 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 12
Indien meer personen wegens dezelfde vordering op verschillende termijnen moeten worden opgeroepen, geschiedt dit voor allen tegen de dag van verschijning, voor de verst verwijderd wonende bepaald.
Artikel 12a
Oproepingen van derden als partij in het geding geschieden met inachtneming van de voor oproeping van de geëxploiteerde geldende termijnen. Tenzij de oproeping geschiedt bij hetzelfde exploot als de oproeping van de verweerder, wordt een door de deurwaarder voor eensluidend getekend afschrift van de vordering aan de derde uitgereikt.
Artikel 13
De dag van het exploot en de dag van verschijning worden niet meegerekend onder de algemene termijn, bepaald voor oproeping, aanzegging en betekening.
Artikel 14
De aanzeggingen en oproepingen om tegenwoordig te zijn bij een akte van procedure of van instructie, drukken alleen plaats, dag en uur van de eerste terechtzitting uit; zij behoeven niet herhaald te worden, ook al wordt de terechtzitting op een andere dag verlegd of voortgezet.
1.
Op een zondag of een algemeen erkende feestdag, onderscheidenlijk een met de zondag gelijkgestelde dag kan geen exploot geschieden. Evenmin kan zulks op andere dagen geschieden vóór vijf uur 's morgens of na negen uur ’s avonds.
2.
Indien de laatste dag van de termijn waarbinnen het exploot kan worden gedaan, op een zondag of een algemeen erkende feestdag, onderscheidenlijk een met de zondag gelijkgestelde dag valt, mag het exploot worden gedaan op de eerstvolgende dag die geen zondag of algemeen erkende feestdag, onderscheidenlijk een met de zondag gelijkgestelde dag is.
3.
De rechter in eerste aanleg of de president van het Hof van Justitie kan verlof verlenen het exploot te doen in afwijking van het eerste lid op alle dagen en uren.
1.
De deurwaarder mag een exploot niet uitbrengen voor zijn bloedverwanten of aangehuwden, in de rechte linie onbepaaldelijk en in de zijlinie tot de graad van kinderen van broers en zussen ingesloten. In geval van beletsel uit dien hoofde voorziet de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het gerecht in eerste aanleg in zijn plaatsvervulling.
2.
Bij afwezigheid, belet of ontstentenis van bevoegde deurwaarders is de rechter in eerste aanleg of de president van het Hof van Justitie bevoegd om een of meer personen aan te wijzen tot het verrichten van de vereiste werkzaamheden, daaronder begrepen die welke na elk eindvonnis nodig zijn.
Artikel 18
Indien een exploot door toedoen van de deurwaarder nietig verklaard wordt, is de rechter bevoegd om hem in de kosten van het exploot en van de vernietigde procedure te verwijzen, onverminderd het recht van de partij op schadevergoeding, zo daartoe gronden zijn.
Artikel 18a
Indien op de laatste dag van een termijn waarbinnen de indiening van enig verzoekschrift of enige akte, dan wel de aflegging van enige verklaring ter griffie van het gerecht in eerste aanleg of van het Hof van Justitie moet geschieden, de griffie gesloten is, kan die indiening of aflegging alsnog geschieden op de eerstvolgende dag waarop de griffie geopend is.
1.
De rechter waakt tegen onredelijke vertraging van de procedure en treft, zo nodig, op verzoek van een partij of ambtshalve maatregelen.
2.
Partijen zijn tegenover elkaar verplicht onredelijke vertraging van de procedure te voorkomen.
Artikel 18c
Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig, naar waarheid en in een zo vroeg mogelijk stadium aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
Artikel 18d
De rechter kan bepalen dat geen griffier aanwezig zal zijn ter terechtzitting. In dat geval wordt het proces-verbaal door hem opgemaakt en slechts door hem ondertekend.
Artikel 19
De behandeling geschiedt ter openbare terechtzitting, maar de rechter kan gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren bevelen in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of ’s lands veiligheid, indien de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van procespartijen dit eisen, of indien zulks strikt noodzakelijk wordt geacht onder bijzondere omstandigheden, waarin behandeling ter openbare terechtzitting het belang van de rechtspraak zou schaden.
1.
Partijen verschijnen in persoon voor de rechter, desgewenst door een raadsman bijgestaan, tenzij zij verkiezen zich door een gemachtigde te doen vertegenwoordigen.
2.
De rechter is bevoegd om in alle gevallen en in elke stand van het geding, de persoonlijke verschijning van een of meer der partijen te gelasten ten einde een vereniging te beproeven indien de zaak hem voor minnelijke schikking vatbaar schijnt.
3.
De rechter houdt bij de beslissing van de zaak met het niet-verschijnen op een bevel tot persoonlijke verschijning of met een weigering om te antwoorden zodanige rekening, als hij met inachtneming van de wettelijke regels omtrent het bewijs meent te behoren.
1.
Indien een minnelijke schikking tot stand komt, maakt de rechter, indien partijen zulks verlangen, een proces-verbaal op en doet dit ondertekenen door partijen of door hun daartoe bijzonderlijk gemachtigden; in dat proces-verbaal worden de verbintenissen die partijen ten gevolge van die schikking op zich nemen, uitgedrukt.
2.
De uitgifte van dit proces-verbaal geschiedt in executoriale vorm.
3.
Indien een minnelijke schikking niet tot stand komt, bepaalt de rechter aanstonds de dag waarop de zaak weer ter terechtzitting behandeld zal worden of waarop vonnis zal worden gewezen.
1.
De rechter kan, onder aanhouding van de zaak, partijen opdragen hun geschil voor te leggen aan een conflictbemiddelaar.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter zake van deze bemiddeling.
1.
De machtiging wordt verleend bij onderhandse of notariële akte van algemene of bijzondere lastgeving, bij akte van bijzondere lastgeving voor de griffier van een gerecht in eerste aanleg of mondeling ter terechtzitting, waarvan aantekening wordt gehouden in het proces-verbaal. De griffier geeft de voor hem verleden akten van lastgeving in het oorspronkelijke uit.
2.
Advocaten die als gemachtigden optreden, verklaren zulks in het door hen ondertekende stuk ofwel mondeling ter terechtzitting, tenzij een schriftelijke of een mondelinge door de vertegenwoordigde ter terechtzitting verleende machtiging gevorderd wordt.
3.
De partij die zich door een gemachtigde doet vertegenwoordigen, wordt geacht woonplaats te hebben bij die gemachtigde.
Artikel 23
De partijen en haar gemachtigden of raadslieden verdedigen of bepleiten de zaak voor de rechter met bezadigdheid en nemen in alles de eerbied in acht die men aan de justitie schuldig is. Indien zij zich daarin te buiten gaan, is de rechter bevoegd hun het voortgaan te beletten.
Artikel 24
De toehoorders bewaren een betamelijk ontzag en stilzwijgen; al wat de fungerend voorzitter of de rechter in eerste aanleg tot handhaving van de goede orde beveelt, wordt stipt en terstond ten uitvoer gelegd.
Artikel 25
Aan personen die gedurende de terechtzitting de stilte storen, beweging verwekken of tekenen van goed- of afkeuring geven, kan, indien zij zich niet dadelijk na de waarschuwing van de rechter of de deurwaarder stil houden, door de rechter het bevel gegeven worden te vertrekken; degene die daaraan geen gevolg geeft, kan terstond in bewaring gesteld worden en daarin voor een termijn van 24 uren blijven op vertoon van een bevelschrift van de rechter in eerste aanleg of fungerend voorzitter van het Hof van Justitie. De uitgifte van een dergelijk bevel moet in het proces-verbaal van de zitting vermeld worden.
Artikel 27
Indien de opschudding op de terechtzitting vergezeld is geweest van beledigingen of bedreigingen jegens een rechter of rechterlijke ambtenaren in het waarnemen van hun bedieningen, welke beledigingen of bedreigingen het kenmerk van misdrijf dragen, is de rechter in eerste aanleg of de fungerend voorzitter van het Hof van Justitie bevoegd om de dader terstond te doen aanhouden en proces-verbaal van het ter terechtzitting voorgevallene te doen opmaken.
Artikel 28
Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing indien de beledigingen of de bedreigingen tegen een rechter of tegen rechterlijke ambtenaren in het waarnemen van hun bedieningen, doch buiten de terechtzittingen, hebben plaatsgehad.
1.
Indien in de loop van een rechtsgeding de bijstand van een tolk vereist wordt, wordt die door partijen of, in geval van verschil van mening, door de rechter in eerste aanleg of fungerend voorzitter van het Hof van Justitie gekozen.
2.
Indien de gekozene niet een van overheidswege toegelaten beëdigd vertaler is, legt hij, alvorens zijn werkzaamheden aan te vangen, op de terechtzitting de eed of de belofte af dat hij de van hem als tolk gevorderde diensten met getrouwheid en naar zijn geweten zal verrichten.
3.
Wordt bij verrichtingen van een rechter-commissaris een tolk vereist, dan gaan de bemoeienissen van de fungerend voorzitter op die rechter-commissaris over.
1.
De rechters, met uitzondering van de rechters-plaatsvervangers, de ambtenaren van het openbaar ministerie en die van de griffie belasten zich niet met het verdedigen van de zaken der partijen, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, hetzij bij wijze van consultatie.
2.
Echter mogen zij hun eigen zaken, die van hun echtgenoten, bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie en die van hun pupillen bepleiten.
Artikel 31
Op verzoek van een partij kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, zoals:
1°. indien hij persoonlijk belang bij het geschil heeft;
2°. indien hij aan een der partijen in bloedverwantschap of in zwagerschap bestaat tot in de vierde graad ingesloten;
3°. indien er, binnen het jaar vóór de wraking, tegen een der partijen of haar echtgenoot of nabestaanden en aangehuwden in de rechte linie een vervolging wegens misdrijf op zijn beklag of door zijn toedoen heeft plaatsgehad;
4°. indien hij een advies in de zaak gegeven heeft;
5°. indien hij, hangende het geding, van iemand, die bij de zaak belang heeft, geschenken heeft ontvangen of deze aan hem zijn beloofd en hij die belofte heeft aangenomen;
6°. indien de rechter, zijn echtgenoot, hun bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie een verschil over een gelijksoortig onderwerp hebben als hetwelk tussen partijen en geschil is;
7°. indien er een burgerlijk rechtsgeding tussen de rechter, zijn echtgenoot, hun bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie en een der partijen hangende is;
8°. indien er tussen de rechter en een der partijen, sedert het aanleggen van het rechtsgeding of binnen zes maanden vóór de wraking, beledigingen of bedreigingen hebben plaatsgehad.
1.
Het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2.
Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van een terechtzitting kan het ook mondeling geschieden.
3.
Alle feiten of omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen.
4.
Een volgend verzoek tot wraking van dezelfde rechter wordt niet in behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
5.
Aanstonds na een verzoek tot wraking wordt de behandeling geschorst.
Artikel 33
Een rechter van wie wraking is verzocht, kan in de wraking berusten.
1.
Het verzoek tot wraking wordt zo spoedig mogelijk ter terechtzitting behandeld door een kamer van het Hof van Justitie waarin de rechter van wie wraking is verzocht, geen zitting heeft.
2.
De verzoeker en de rechter van wie wraking is verzocht, worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Het Hof kan ambtshalve of op verzoek van de verzoeker of de rechter van wie wraking is verzocht, bepalen dat zij niet in elkaars aanwezigheid zullen worden gehoord, in welk geval zij door het Hof van de resulaten van het verhoor in kennis worden gesteld.
3.
Het Hof beslist zo spoedig mogelijk. De beslissing is gemotiveerd en wordt onverwijld in het openbaar uitgesproken en aan de verzoeker, de andere partijen en de rechter van wie wraking was verzocht, medegedeeld.
4.
In geval van misbruik kan het Hof bepalen dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen. Hiervan wordt in de beslissing melding gemaakt.
5.
Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 35
Indien het verzoek tot wraking betrekking heeft op een rechter in eerste aanleg, wordt het schriftelijk verzoek onderscheidenlijk het proces-verbaal van de terechtszitting waarop het mondeling verzoek is gedaan, door de griffier onverwijld ter behandeling overeenkomstig deze afdeling toegezonden aan het Hof.
1.
Op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 31 kan elk van de rechters die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen.
2.
Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van een terechtzitting kan het ook mondeling geschieden.
3.
Aanstonds na een verzoek zich te mogen verschonen wordt de behandeling geschorst.
1.
Het verzoek zich te mogen verschonen wordt zo spoedig mogelijk behandeld door een kamer van het Hof van Justitie waarin de rechter die dat verzoek heeft gedaan, geen zitting heeft.
2.
Het Hof beslist zo spoedig mogelijk. De beslissing is gemotiveerd en wordt onverwijld aan partijen en de rechter die het verzoek had gedaan, medegedeeld.
3.
Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 38
Indien het verzoek tot verschoning wordt gedaan door een rechter in eerste aanleg, is artikel 35 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 39
Indien er geen of onvoldoende rechters zijn die van een geschil mogen of kunnen kennis nemen, wordt, op verzoek van de meest gerede partij, door de Gouverneur onderscheidenlijk de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een persoon, onderscheidenlijk het vereiste aantal personen aangewezen om dat geschil te berechten.
1.
Het openbaar ministerie is bevoegd alle op een zaak betrekking hebbende en aan de rechter kenbaar gemaakte boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in te zien of voorwerpen te onderzoeken en op elke terechtzitting tegenwoordig te zijn.
2.
Blijkt van feiten of omstandigheden die een ernstig vermoeden doen rijzen dat een misdrijf is gepleegd, dan kan de rechter daarvan een proces-verbaal doen opmaken dat door hem en de griffier wordt ondertekend. De griffier doet het proces-verbaal toekomen aan het openbaar ministerie.
3.
Het openbaar ministerie kan op verzoek van de rechter of een partij boeken, bescheiden of andere gegevensdragers, waarover het beschikt, in de procedure brengen. Indien een zodanig verzoek niet wordt ingewilligd, wordt het gemotiveerd.
1.
Wanneer het openbaar ministerie als partij optreedt, geschieden de inleiding en de behandeling van de zaak volgens de gewone regels, voor zover daarvan in dit artikel niet is afgeweken.
2.
Hoger beroep wordt ingesteld door en tegen de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het gerecht in eerste aanleg. Bij de verdere behandeling in hoger beroep treedt echter voor deze in de plaats de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het Hof van Justitie.
3.
Een beslissing omtrent de kosten wordt ten aanzien van het openbaar ministerie genomen ten name van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, onderscheidenlijk de Staat der Nederlanden.
Artikel 42
Ingeval het openbaar ministerie niet als partij optreedt, wordt het gehoord, indien het de wens daartoe te kennen heeft gegeven of de rechter zulks noodzakelijk oordeelt.
1.
De griffier houdt een algemeen register bij, waarin alle aanhangige zaken, elke zaak onder een afzonderlijk nummer, worden ingeschreven met de namen van de partijen, alsmede van haar gemachtigden of raadslieden, zo zij die hebben.
2.
In het register wordt, met vermelding van de dagtekening, kortelijk aantekening gehouden van het in elke zaak voorgevallene en van de daarin genomen beslissingen.
1.
Onverminderd artikel 18d, maakt de griffier op aanwijzing van de rechter van de behandeling van een zaak een afzonderlijk doorlopend proces-verbaal op, waarin de namen en de woon- of verblijfplaatsen van partijen en van haar gemachtigden of raadslieden, alsmede het volgnummer van de zaak in het algemeen register en de datum van iedere terechtzitting, worden vermeld.
2.
In dat proces-verbaal wordt, behoudens het bepaalde omtrent zaken die niet aan hoger beroep onderworpen zijn, al het ter terechtzitting voorgevallene vermeld. De fungerend voorzitter of de rechter in eerste aanleg en de griffier ondertekenen dit proces-verbaal binnen tweemaal 24 uren na iedere terechtzitting of verrichting.
3.
Indien hetzij de rechter in eerste aanleg, hetzij de griffier zich in de onmogelijkheid bevindt om het proces-verbaal te ondertekenen, maakt degene die niet in dat geval verkeert, daarvan melding in dat stuk.
4.
Indien de fungerend voorzitter zich in de onmogelijkheid bevindt het proces-verbaal te ondertekenen, geschiedt zulks door het oudste lid dat over de zaak gezeten heeft. Ten aanzien van het griffier van het Hof van Justitie vindt het derde lid toepassing.
5.
Eindvonnissen worden afzonderlijk opgemaakt en, behoudens in kort geding, vóór de uitspraak door de fungerend voorzitter of de rechter in eerste aanleg en de griffier ondertekend. Het derde en het vierde lid vinden overeenkomstige toepassing.
1.
De rechter is bevoegd om, alvorens de zaak definitief te beslissen, een preparatoire of een interlocutoire beslissing te nemen.
2.
Voor preparatoir worden gehouden vonnissen en bevelschriften die gegeven zijn tot instructie van de zaak en die strekken om het proces in staat van wijzen te brengen, zonder dat zulks op de zaak ten principale van enige invloed kan zijn.
3.
Voor interlocutoir worden gehouden vonnissen en bevelschriften waarbij de rechter, alvorens recht te doen, een bewijs, een onderzoek of een instructie beveelt, waarvan de beslissing in de zaak zelf afhankelijk kan zijn.
1.
Indien tijdens een aanhangig rechtsgeding of buiten eigenlijk rechtsgeding een door de rechter in eerste aanleg te verrichten rechtshandeling moet geschieden buiten het rechtsgebied van de rechter in eerste aanleg die van de zaak of van het verzoek kennis neemt, roept hij daartoe de tussenkomst in van zijn ambtgenoot binnen wiens rechtsgebied de handeling moet worden verricht.
2.
Degene wiens tussenkomst is ingeroepen, geeft aan die opdracht gevolg en doet de rechter van wie de opdracht uitging, zo spoedig mogelijk een afschrift van het proces-verbaal van het krachtens die opdracht verrichte of bevonden toekomen. Dit afschrift heeft in het geding gelijke kracht als het proces-verbaal van de rechter van wie de opdracht uitging.
1.
De rechter bepaalt na afloop van de behandeling de dag waarop hij vonnis zal wijzen.
2.
Het vonnis wordt in het openbaar uitgesproken.
3.
Het vonnis moet, tenzij uit de wet anders voortvloeit, met redenen zijn omkleed.
Artikel 48b
De rechter beslist over alles hetgeen partijen hebben gevorderd.
Artikel 48c
De rechter mag niet weigeren te beslissen.
1.
De vonnissen en beschikkingen die aan het eindvonnis voorafgaan, worden hetzij afzonderlijk opgemaakt, hetzij alleen in het proces-verbaal van de zitting aangetekend.
2.
Deze aantekening behelst ten minste de gronden van de beslissing, wat het rechtspunt betreft, en de beslissing zelf.
3.
Een vonnis waarbij de rechter zich onbevoegd verklaart, wordt als een eindvonnis beschouwd.
1.
Partijen mogen van de vonnissen en van de in artikel 49 bedoelde aantekeningen in hun zaak inzage en op hun kosten afschriften bekomen.
2.
Zij zijn bevoegd alle op hun zaak betrekking hebbende en aan de rechter kenbaar gemaakte boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in te zien of voorwerpen te onderzoeken.
1.
Indien de beslissing in een zaak niet heeft plaatsgehad uiterlijk drie maanden nadat de behandeling ter terechtzitting geëindigd is, en na het horen van het openbaar ministerie, indien dat is geschied, heeft elke partij het recht om te vorderen dat de zaak wordt bepleit of, indien dat reeds is geschied, andermaal wordt bepleit.
2.
Indien de rechter de dag heeft bepaald, waarop de uitspraak zal plaatshebben, en partijen met elkaar in overleg zijn getreden over een schikking, is de rechter gehouden, bij hun gezamenlijk verzoek daartoe, de uitspraak gedurende een bepaalde tijd uit te stellen.
Artikel 52
Rechters vullen bij hun beraadslagingen van ambtswege de rechtsgronden aan, die partijen niet hebben aangevoerd.
Artikel 54
Indien er een provisionele eis gedaan is en de zaak zowel ten principale als op de provisie in staat van wijzen is, is de rechter bevoegd om op beide in hetzelfde vonnis uitspraak te doen.
1.
Tenzij uit de wet of uit de aard van de zaak anders voortvloeit, kan de rechter, indien dit wordt gevorderd, verklaren dat zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal zijn, niettegenstaande daartegen aan te wenden rechtsmiddelen. De rechter kan een vonnis waarbij op de voet van artikel 174 wordt beslist omtrent een voorschot ter zake van de kosten van deskundigen, ook ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
2.
De uitvoerbaarverklaring bij voorraad kan het gehele vonnis betreffen of een gedeelte daarvan.
3.
De rechter kan aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde verbinden dat tot een door hem te bepalen bedrag zekerheid wordt gesteld.
Artikel 56
Indien het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en tegen dat vonnis een rechtsmiddel is aangewend, kan alsnog een incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van dat vonnis worden ingesteld.
Artikel 57
Indien het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, evenwel zonder dat daaraan de voorwaarde is verbonden dat zekerheid wordt gesteld, en indien tegen dat vonnis een rechtsmiddel is aangewend, kan alsnog een daartoe strekkende incidentele vordering worden ingesteld.
1.
Wie bij vonnis in het ongelijk gesteld wordt, wordt in de kosten verwezen. De kosten mogen echter geheel of ten dele gecompenseerd worden tussen echtgenoten of andere levensgezellen, bloedverwanten in de rechte linie, broers en zussen of aangehuwden in dezelfde graad, alsmede indien de partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld. Ook kan de rechter de kosten die nodeloos worden gemaakt of veroorzaakt, voor rekening laten van de partij die ze aanwendde of veroorzaakte.
2.
Bij provisionele, preparatoire en interlocutoire vonnissen is de rechter bevoegd om de beslissing over de kosten tot het eindvonnis voor te behouden.
Artikel 61
De veroordeling in de kosten strekt zich niet verder uit dan tot:
a. de kosten van exploten, oproepingen van de zaak ter terechtzitting en comparities;
b. de kosten van bewijsstukken;
c. de kosten voor gevorderde en gegeven afschriften;
d. de zegel- en registratierechten;
e. de kosten van getuigen, deskundigen, bewaarders, tolken, die van hun beëdiging of aflegging van de belofte daaronder begrepen, en die van plaatsopneming en andere gerechtelijke verrichtingen;
f. de kosten, veroorzaakt door het onderzoek omtrent de echtheid of onechtheid van geschriften;
g. een door de rechter vast te stellen bedrag voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde van de wederpartij, tenzij de rechter om in het vonnis te vermelden redenen anders beslist;
h. de kosten van tenuitvoerlegging van het vonnis.
1.
Bij het vonnis wordt het bedrag van de tot aan de uitspraak gemaakte kosten, voor zover zulks mogelijk is, bepaald.
2.
Indien partijen zich over de vereffening van de kosten die niet in het vonnis zijn opgenomen, of over die van de kosten van tenuitvoerlegging niet kunnen verstaan, is de meest gerede partij bevoegd om de rechter in eerste aanleg te verzoeken het bedrag vast te stellen.
3.
De rechter in eerste aanleg gelast daarop dat de partij ten behoeve van wie de veroordeling in de kosten werd uitgesproken, binnen acht dagen ter griffie van het gerecht in eerste aanleg een opgave van de haar verschuldigde kosten ter inzage van de wederpartij zal overleggen, en bepaalt tevens de dag waartegen partijen zullen worden opgeroepen.
4.
Op de aldus bepaalde dag stelt de rechter, na verhoor van partijen, voor zover zij zijn opgekomen, het bedrag van de kosten vast en doet hij daarvan, behalve in het proces-verbaal van de zaak, ook op het vonnis aantekening houden.
5.
De vaststelling geschiedt volgens de bestaande tarieven en, bij gebreke daarvan, volgens begroting van de rechter.
Artikel 63
Indien na de in artikel 62 bedoelde vaststelling van de staat van de kosten nog nadere kosten gemaakt zijn en partijen het over de vereffening niet eens kunnen worden, is de meest gerede partij bevoegd om de rechter in eerste aanleg te verzoeken het bedrag van de kosten, op de in de artikelen 61 en 62 bedoelde wijze, nader vast te stellen.
Artikel 63a
Ter zake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 60 tot en met 63 bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, kan jegens de tegenpartij geen vergoeding op grond van artikel 96, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES worden toegekend, maar zijn alleen de regels inzake proceskosten van toepassing.
1.
De rechter kan bedragen die geacht kunnen worden te zijn bedongen ter vergoeding van proceskosten of van buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 96, tweede lid, onderdelen b en c, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES, ambtshalve matigen, doch niet tot onder het bedrag van de krachtens de wet te begroten proceskosten, onderscheidenlijk het bedrag van de buitengerechtelijke kosten die, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht, jegens de wederpartij redelijk zijn.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien een overeenkomst is gesloten die strekt tot regeling van een reeds gerezen geschil.
Artikel 64
Advocaten, zaakwaarnemers en deurwaarders, die zich in hun bedieningen te buiten gaan, en al degenen die de belangen van het beheer dat hun is toevertrouwd, verwaarlozen, kunnen persoonlijk en uit hun eigen beurs geheel of gedeeltelijk in de kosten verwezen en zelfs tot schadevergoeding, zo daartoe gronden zijn, veroordeeld worden, zonder die op hun principalen te mogen verhalen.
1.
Het vonnis, zodanig als dat door de rechter wordt uitgesproken, moet behelzen:
a. de namen en de woonplaats van de partijen en de namen van de gemachtigden of raadslieden, indien partijen die gehad hebben;
b. de slotsom van de conclusie van het openbaar ministerie, indien dit gehoord is; en
c. de gronden van de beslissing, zowel wat betreft de daadzaken als het rechtspunt, ieder afzonderlijk, en de beslissing zelf.
2.
Aan het slot van het vonnis worden vermeld de namen van de rechter of rechters die over de zaak hebben geoordeeld, en die van de ambtenaar van het openbaar ministerie, indien deze daarbij tegenwoordig is geweest.
1.
De rechter verbetert te allen tijde op verzoek van een partij of ambtshalve in zijn vonnis een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. De rechter gaat niet tot de verbetering over dan na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten.
2.
De verbetering wordt op een door de rechter te bepalen dag in het openbaar uitgesproken en wordt met vermelding van deze dag en van de naleving van de tweede volzin van het eerste lid op de minuut van het vonnis gesteld.
3.
Van de verbeterde minuut verstrekt de griffier op de dag van de uitspraak aan de in de oorspronkelijke procedure verschenen partijen een afschrift, zo nodig opgemaakt in executoriale vorm. Een eerder verstrekt afschrift opgemaakt in executoriale vorm verliest hierdoor haar kracht. De partij die in het bezit is van een afschrift als bedoeld in de vorige volzin, geeft dit af aan de griffier. Was de executie reeds aangevangen, dan kan deze met inachtneming van de verbetering worden voortgezet op grond van een na de verbetering afgegeven afschrift opgemaakt in executoriale vorm.
4.
Tegen de verbetering of de weigering daarvan staat geen voorziening open.
1.
De rechter vult te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis aan indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde. De rechter gaat niet tot de aanvulling over dan na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten.
2.
Artikel 66, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
Tegen de weigering van de aanvulling staat geen voorziening open.
Artikel 67
De expeditie of uitgifte van het vonnis wordt zonder medewerking van partijen opgemaakt, en behelst, behalve hetgeen bij artikel 65 is vermeld:
a. de eis, het antwoord en de slotsom van de wederzijdse beweringen en, voor zover niet schriftelijk ingediend, de door de griffier daarvan gehouden aantekeningen;
b. de vermelding dat het vonnis in het openbaar is uitgesproken;
c. de dag van de uitspraak.
Artikel 68
Een griffier is verplicht om op aanvraag van de partijen aan hen, zodra mogelijk, expeditie van het vonnis uit te reiken, op straffe van schadevergoeding, indien daartoe gronden zijn.
Artikel 69
Elk vonnis dat wederkerige verplichtingen aan beide partijen oplegt, of waaruit rechten en verplichtingen ten behoeve of ten laste van beide partijen voortvloeien, kan door elke partij in haar belang ten uitvoer worden gelegd.
Artikel 70
Preparatoire en interlocutoire vonnissen en bevelschriften behoeven niet betekend te worden, tenzij dit ingevolge Boek 2 tot verhaal van geldelijke verplichtingen die de wederpartij krachtens die vonnissen te vervullen heeft, nodig is.
1.
Beslissingen aangaande de rechtsbetrekking in geschil, vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht.
2.
Onder partijen wordt in het eerste lid mede verstaan de rechtverkrijgenden onder algemene of bijzondere titel, tenzij uit de wet het tegendeel volgt.
3.
Het gezag van gewijsde wordt niet ambtshalve toegepast.
1.
Indien de eiser op de dienende dag na het antwoord van de gedaagde meent gronden te hebben om van iemand vrijwaring te vorderen, is hij bevoegd om aan de rechter, onder aanvoering van die gronden, te verzoeken de oproeping van die persoon te bevelen.
2.
Het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de gedaagde, die zijn verzoek mag doen vóór schriftuur van antwoord of vóór zijn mondeling antwoord.
3.
Bij toewijzing van het verzoek bepaalt de rechter met inachtneming van de daarvoor aangegeven termijn een nadere rechtsdag waarop het rechtsgeding zal worden voortgezet, en gelast hij de oproeping van de waarborg, met gelijktijdige uitreiking van een afschrift van het antwoord of van een uittreksel uit het proces-verbaal van de terechtzitting, voor zover het de gronden, voor de vrijwaring aangevoerd, vermeldt en doet hij hem aanzeggen zich van zijn getuigen te doen vergezellen en zijn bewijsstukken mee te brengen.
4.
Dit uitstel is onnodig, indien de waarborg ter terechtzitting aanwezig en tot dadelijk antwoord bereid is.
Artikel 72
Indien het verzoek tot vrijwaring op de bovengemelde rechtsdag niet gedaan is, wordt zonder uitstel in de oorspronkelijke zaak voortgeprocedeerd.
Artikel 73
In geval van vrijwaring wegens uitwinning van een goed of wegens een recht waarmee het goed niet belast had mogen zijn, is de waarborg bevoegd de zaak van de gewaarborgde over te nemen, met dien verstande dat deze als partij in het geding blijft.
1.
In het geval van artikel 73 kan het tegen de waarborg gewezen vonnis tegen de gewaarborgde ten uitvoer worden gelegd.
2.
Wat de kosten en de vordering tot schadevergoeding betreft, kan de vereffening en de tenuitvoerlegging niet dan tegen de waarborg geschieden.
3.
In geval van kennelijk onvermogen van de waarborg, draagt echter de gewaarborgde de kosten en vergoedt hij, zo daartoe gronden zijn, ook de schade.
Artikel 75
In zaken van eenvoudige vrijwaring is de waarborg slechts bevoegd zich te voegen zonder de zaak van de gewaarborgde over te nemen.
Artikel 76
Indien de oorspronkelijke eis en die ter vrijwaring tegelijk in staat van wijzen zijn, wordt daarop gezamenlijk recht gedaan; is dit niet het geval, dan wordt de hoofdzaak, indien de oorspronkelijke eiser of gedaagde dit vordert, afzonderlijk beslist.
Artikel 77
Wie ter zake van vrijwaring opgeroepen is, behoort voor de rechter voor wie de oorspronkelijke zaak aanhangig is, te procederen, zelfs indien hij ontkent waarborg te zijn; doch indien duidelijk blijkt dat de oorspronkelijke eis alleen gedaan is om hem van zijn eigen rechter af te trekken, wordt hij naar deze verwezen.
1.
Indien de eiser op de betekende rechtsdag niet verschijnt, wordt er verstek tegen hem verleend en wordt de gedaagde van de instantie ontslagen, met verwijzing van de eiser in de kosten.
2.
In dit geval mag verzet niet plaatshebben, maar is de eiser bevoegd om opnieuw oproeping van de gedaagde te verzoeken, na voorafgaande betaling van de kosten van het verstek.
1.
Indien de gedaagde niet verschijnt en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen zijn, wordt er tegen hem verstek verleend en wordt de vordering van de eiser toegewezen, tenzij zij de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
2.
Tegen de gedaagde die vóór of op de rechtsdag bij schriftuur heeft geantwoord, maar noch in persoon, noch bij gemachtigde ter terechtzitting verschijnt, wordt verstek niet verleend.
Artikel 80
Het verstek wordt na het uitroepen van de zaak op de terechtzitting verleend; de in artikel 79 bedoelde uitspraak omtrent de vordering van de eiser kan worden aangehouden tot een volgende terechtzitting.
Artikel 81
Indien er in hetzelfde geding meer dan een gedaagde is opgeroepen en niet een van hen verschenen is, wordt in één en hetzelfde vonnis tegen hen verstek verleend.
1.
Indien van meerdere gedaagden een of meer niet verschijnen, bepaalt de rechter, na verstekverlening, een nieuwe rechtsdag waartegen de niet verschenen gedaagden nogmaals worden opgeroepen.
2.
Tussen al de partijen wordt daarna uitspraak gedaan bij hetzelfde vonnis, dat tegenover alle gedaagden als een vonnis op tegenspraak gewezen wordt beschouwd, en waartegen verzet niet wordt toegelaten.
3.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing in geval van oproeping van derden als partij in het geding als bedoeld in artikel 12a.
1.
De gedaagde die bij verstek is veroordeeld, is bevoegd om daartegen verzet te doen. Het verzet wordt gedaan binnen twee weken na de aanzegging van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is.
2.
Buiten de in het eerste lid voorziene gevallen vangt de termijn waarbinnen het verzet moet worden gedaan, aan op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd.
3.
De veroordeelde die in het vonnis heeft berust, kan daartegen niet meer in verzet komen.
Artikel 85
Het vonnis wordt gerekend ten uitvoer gelegd te zijn:
a. in geval van gerechtelijke verkoop van goederen, na de verkoop;
b. in geval van derdenbeslag op een vordering, na de uitbetaling aan de beslaglegger, of, indien dit beslag wordt gelegd op een vordering tot periodieke betalingen, na de eerste uitbetaling;
c. in geval van tenuitvoerlegging van een veroordeling tot levering of afgifte van goederen die geen registergoederen zijn, nadat de levering of afgifte heeft plaatsgevonden;
d. in geval van gedwongen ontruiming van onroerende zaken, nadat de ontruiming heeft plaatsgevonden.
Artikel 86
Het verzet tegen een verstekvonnis wordt aanhangig gemaakt op de voor de indiening van vorderingen bepaalde wijze. De gronden van verzet kunnen op de dienende dag nog mondeling worden aangevuld.
Artikel 87
Het verzet, mits tijdig en op de voorgeschreven wijze gedaan, schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis, tenzij dit uitvoerbaar bij voorraad was verklaard.
Artikel 88
De opposant die zich voor de tweede maal bij verstek laat vonnissen, wordt niet meer ontvangen tot het doen van een nieuw verzet.
Artikel 89
De kosten van het verstek, die van het vonnis daaronder begrepen, alsmede die welke als gevolg van het niet-verschijnen van de defaillant kunnen worden beschouwd, komen ten laste van de defaillant, tenzij deze bij verzet aantoont dat de oproeping om in rechte te verschijnen, niet op de juiste wijze is geschied en hij daarom niet verschenen is.
Artikel 90
De gedaagde tegen wie verstek is verleend, heeft, zolang het eindvonnis nog niet is gewezen, de bevoegdheid om alsnog in het geding te verschijnen, waardoor de gevolgen van het tegen hem verleende verstek vervallen, behalve ten aanzien van de daardoor veroorzaakte kosten.
Artikel 91
Een exploot of akte van rechtspleging wordt slechts nietig verklaard, indien de nietigheid daarvan uitdrukkelijk bevolen is.
1.
De voorschriften in de artikelen 1, 2, 4, 5, 6, 7, 10, 11, 12, 13, 15 en 17 voorgeschreven, worden op straffe van nietigheid in acht genomen.
2.
Bij niet-verschijning van de gedaagde mag de rechter tegen hem geen verstek verlenen; de rechter moet, de nietigheid uitsprekende, de eiser veroordelen in de kosten.
1.
Indien de gedaagde op de oproeping verschijnt en de nietigheid van het exploot inroept, is de rechter bevoegd om die exceptie te verwerpen, indien het verzuim of de overtreding van dien aard wordt bevonden, dat de gedaagde daardoor in zijn verdediging niet is benadeeld, en er om die reden geen belang bij heeft zich op de nietigheid te beroepen.
2.
De rechter beveelt echter in die gevallen, zo daartoe gronden zijn, de aanvulling van het verzuim of de verbetering van de onregelmatigheden op kosten van de aanlegger.
Artikel 94
De kosten van nietige akten van rechtspleging komen ten laste van de advocaten, zaakwaarnemers of de deurwaarders die zich zodanige akten veroorloofd hebben. Deze zijn bovendien, zo daartoe gronden zijn, deswege tot vergoeding van de schade aansprakelijk.
1.
Tenzij de wet anders bepaalt, is bevoegd de rechter in eerste aanleg van de woonplaats van de gedaagde.
2.
Bij gebreke van een bekende woonplaats van de gedaagde hier te lande is bevoegd de rechter in eerste aanleg van zijn werkelijk verblijf.
3.
Indien de gedaagde woonplaats heeft gekozen, is bevoegd de rechter in eerste aanleg van die gekozen woonplaats of de rechter in eerste aanleg van het werkelijk verblijf van de gedaagde, ter keuze van de eiser.
Artikel 96
Indien de rechtspersoon Aruba, Curaçao of Sint Maarten, eiser of gedaagde is, wordt als haar woonplaats beschouwd de plaats waar de regering haar zetel heeft. Indien de Staat der Nederlanden eiser of gedaagde is, wordt als haar woonplaats mede beschouwd de plaats van het Regional Service Center.
Artikel 97
In zaken betreffende een overeenkomst die wordt gesloten door een partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, is mede bevoegd de rechter in eerste aanleg van de woonplaats of, bij gebreke daarvan, van het werkelijk verblijf van die natuurlijke persoon.
Artikel 98
In zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad is mede bevoegd de rechter in eerste aanleg van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.
Artikel 99
In zaken betreffende onroerende zaken is mede bevoegd de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de zaak is gelegen. In zaken betreffende huur van woonruimte is echter uitsluitend bevoegd de rechter binnen wiens rechtsgebied het gehuurde is gelegen.
1.
In zaken betreffende nalatenschappen is mede bevoegd de rechter in eerste aanleg van de laatste woonplaats van de overledene.
2.
In zaken betreffende schuldvorderingen ten laste van de overledene is de in het eerste lid aangewezen rechter eveneens bevoegd
Artikel 101
In zaken betreffende de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van vennootschappen of rechtspersonen, de geldigheid, nietigheid of rechtsgevolgen van hun besluiten of die van hun organen dan wel de rechten en verplichtingen van hun leden of vennoten als zodanig, is mede bevoegd de rechter in eerste aanleg van de woonplaats of de plaats van vestiging van de vennootschap of de rechtspersoon.
Artikel 102
In zaken betreffende de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake faillissement is mede bevoegd de rechter in eerste aanleg die de functie van rechter-commissaris vervult en inzake surséance van betaling de rechter in eerste aanleg die over het verzoek tot het verlenen van surséance heeft geoordeeld.
Artikel 103
Indien een rechter in eerste aanleg ten aanzien van een van de gezamenlijk in het geding betrokken gedaagden bevoegd is, is die rechter ook ten aanzien van de overige gedaagden bevoegd, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.
1.
Hebben partijen bij overeenkomst een rechter in eerste aanleg aangewezen voor de kennisneming van geschillen die zijn ontstaan of zullen ontstaan naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking die tot hun vrije bepaling staat, dan is die rechter bevoegd van de zaak kennis te nemen. Iedere andere rechter in eerste aanleg voor wie de zaak is gebracht, verklaart zich onbevoegd, mits de gedaagde zich op de onbevoegdheid beroept.
2.
Beloopt de vordering evenwel minder dan NAF. 10.000, USD 5.600, onderscheidenlijk Afl. 10.000, of betreft het een zaak als bedoeld in artikel 97, dan heeft een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid geen gevolg, tenzij:
a. zij is aangegaan na het ontstaan van het geschil, of
b. de partij die niet handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf zich tot de aangewezen rechter wendt.
3.
Een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter in eerste aanleg wordt bewezen door een geschrift. Daarvoor is voldoende een geschrift dat een dergelijk beding bevat of dat verwijst naar algemene voorwaarden die een dergelijk beding bevatten, mits dat geschrift door of namens de wederpartij uitdrukkelijk of stilzwijgend is aanvaard.
4.
Een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter in eerste aanleg dient als een afzonderlijke overeenkomst te worden beschouwd en beoordeeld. De aangewezen rechter is bevoegd te oordelen over de rechtsgeldigheid van de hoofdovereenkomst waarvan een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter deel uitmaakt of waarop zij betrekking heeft.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur kan het bedrag, genoemd in het tweede lid, worden aangepast aan de geldontwaarding.
Artikel 103b
Wijzen de artikelen 95 tot en met 103a geen bevoegde rechter in eerste aanleg in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba aan, dan is bevoegd de rechter in eerste aanleg van de woonplaats van de eiser of een van de eisers en, bij gebreke daarvan, de rechter in eerste aanleg te Curaçao.
Artikel 104
Indien de gedaagde, nadat hem de oproeping is betekend, ophoudt woonplaats of werkelijke verblijfplaats te hebben daar waar de rechter in eerste aanleg zitting houdt, zonder aldaar voor de verdere behandeling van de zaak woonplaats te hebben gekozen, worden alle verdere voor hem bestemde exploten aangeplakt aan de hoofddeur van de gehoorzaal des rechters en wordt een tweede afschrift betekend, in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, aan de ambtenaar van het openbaar ministerie bij dat gerecht en, in Aruba, aan de directeur van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken; deze doet dit afschrift zo mogelijk aan de gedaagde toekomen, zonder dat van dit laatste echter in rechte behoeft te blijken.
Artikel 105
Indien op de dag van het eindvonnis een der partijen in het in artikel 104 omschreven geval verkeert, wordt de in artikel 119 bedoelde aangetekende dienstbrief met de daarin bedoelde mededeling verzonden aan de bedoelde ambtenaar van het openbaar ministerie, onderscheidenlijk de directeur van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken die deze, zo mogelijk, aan de betrokken partij doet toekomen, zonder dat van dit laatste echter in rechte behoeft te blijken, en wordt voorts een afschrift van die dienstbrief door of vanwege de griffier aangeplakt aan de hoofddeur van de gehoorzaal des rechters.
Artikel 108
Zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, kan de eiser te allen tijde zijn eis verminderen.
1.
Zolang de rechter geen eindvonnis heeft gewezen, is de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of bij akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen. De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechter beslist, partijen gehoord, zo spoedig mogelijk. De rechter kan op dezelfde grond ook ambtshalve een verandering of vermeerdering buiten beschouwing laten.
2.
Tegen de beslissingen van de rechter, bedoeld in het eerste lid, staat geen hogere voorziening open.
3.
Indien een of meer gedaagden niet in het geding zijn opgekomen, zal de rechter, na het doen betekenen van de conclusie of akte aan de niet verschenen partijen met hun oproeping tegen een nadere rechtsdag, op een gemaakt bezwaar beslissen.
4.
Artikel 120, eerste volzin, is niet van toepassing, voor zover de gedaagde door die bepaling, in verband met een verandering of vermeerdering, in zijn verdediging zou worden benadeeld.
1.
Elke rechtsingang voor de rechter in eerste aanleg vangt aan met een aan deze gericht verzoekschrift, door de eiser of diens daartoe gemachtigde ondertekend.
2.
Indien de eiser niet kan schrijven, mag hij zijn vordering mondeling voordragen aan de rechter in eerste aanleg, die haar in geschrifte brengt of doet brengen. Deze bevoegdheid tot mondelinge voordracht geldt niet voor de gemachtigde.
1.
Het verzoekschrift of het ingevolge artikel 110, tweede lid, opgemaakte geschrift vermeldt:
a. de naam, en in geval van een natuurlijk persoon tevens de voornamen, en de woonplaats van de eiser en, indien het verzoek door een gemachtigde wordt gedaan, de naam en de woonplaats van die gemachtigde;
b. de keuze van woonplaats daar waar de rechter zitting houdt, indien de eiser of zijn gemachtigde niet aldaar woonachtig is;
c. de naam, en in geval van een natuurlijk persoon zo nodig de voornamen, en de woon- of verblijfplaats van de gedaagde;
d. een aanduiding en omschrijving van het onderwerp van de vordering en datgene wat gevorderd wordt; en
e. de dagtekening van het verzoekschrift.
2.
Behoudens artikel 22, tweede lid, wordt daarbij, indien het verzoekschrift door een gemachtigde is ondertekend, de akte van volmacht overgelegd.
1.
Verzoekschriften die niet aan de in artikel 111 gestelde voorschriften voldoen, of waarbij de volmacht niet is overgelegd, kunnen aan de eiser in persoon of aan diens gemachtigde, met mondelinge of schriftelijke opgave van redenen, ter verbetering of aanvulling dan wel ter bijvoeging van de volmacht worden teruggegeven of gezonden; zij worden in afwachting daarvan niet aangetekend in het algemeen register.
2.
De mondelinge voordracht wordt eerst in geschrift gebracht, nadat de eiser de gegevens heeft verstrekt om aan de in artikel 111 gestelde voorschriften te voldoen.
3.
Terugzending bij met redenen omklede beschikking heeft plaats en de in het eerste lid bedoelde aantekening wordt achterwege gelaten, indien het verzoekschrift bij een andere rechter in eerste aanleg had moeten worden ingediend. Indien in dit geval de vordering mondeling is ingediend, is de rechter in eerste aanleg bevoegd om het in geschrift brengen daarvan bij met redenen omklede beschikking te weigeren.
4.
Van de in het derde lid bedoelde beschikkingen is hoger beroep toegelaten.
5.
De krachtens het derde lid genomen beschikkingen en de daarop gevallen beslissingen in hoger beroep worden aangetekend in het algemeen register.
1.
Van de vordering houdt de griffier onverwijld aantekening in het algemeen register. Op de dag waarop die aantekening heeft plaatsgehad, wordt de vordering geacht ingesteld te zijn.
2.
De rechter in eerste aanleg bepaalt daarna dag en uur, waarop de zaak voor het gerecht in eerste aanleg zal dienen, en doet partijen oproepen teneinde alsdan te verschijnen, vergezeld van de getuigen die zij wensen te doen horen, en met medebrenging van de bewijsstukken waarvan zij zich willen bedienen.
3.
Bij de oproeping van de gedaagde zegt de deurwaarder of de tot exploiteren bevoegde persoon hem bij de uitreiking van een door de deurwaarder voor eensluidend getekend afschrift van de vordering tevens aan dat hij daarop, desverkiezende, vóór of op de rechtsdag bij door hem of door zijn gemachtigde ondertekende schriftuur mag antwoorden.
4.
Het afschrift van de vordering geldt voor degene die het ontvangen heeft, als de oorspronkelijke vordering.
5.
Van de in het tweede lid bedoelde beschikking houdt de griffier aantekening in het algemeen register, alsmede op de minuut van de vordering.
Artikel 114
In zaken waarin een onmiddellijke beslissing wenselijk en mogelijk is, is de rechter in eerste aanleg bevoegd om op het daartoe strekkende mondelinge verzoek van de eiser, en indien de gedaagde vrijwillig met deze is verschenen, onmiddellijk tot de behandeling en beslissing van de zaak over te gaan.
1.
Alle oproepingen, aanzeggingen, betekeningen en in het algemeen alle exploten die voor de geregelde gang van de zaak nodig zijn en aan het eindvonnis voorafgaan, geschieden door tussenkomst en op last van de rechter in eerste aanleg.
2.
Oproepingen, aanzeggingen of betekeningen behoeven niet te geschieden aan hen die blijkens het proces-verbaal van de zaak ter terechtzitting waarop de desbetreffende aan het eindvonnis voorafgegane uitspraken of beschikkingen genomen zijn, in persoon of bij gemachtigde tegenwoordig waren.
Artikel 116
De rechter in eerste aanleg draagt zorg voor de inschrijving van de zaak op de rol van de zitting.
Artikel 117
De behandeling van de zaak geschiedt mondeling ter terechtzitting, onverminderd de bevoegdheid van de partijen om aldaar door haar of haar gemachtigden dan wel raadslieden ondertekende schrifturen, die vrij van zegel zijn, in te dienen.
Artikel 118
De rechter in eerste aanleg is bevoegd om, indien hij dit voor de goede en geregelde gang van zaken nodig acht, partijen bij de behandeling van de zaak de nodige voorlichting te geven, hen te ondervragen en zelfs opmerkzaam te maken op de rechts- en bewijsmiddelen, die zij kunnen aanwenden.
1.
Wanneer beide partijen verschenen zijn, hoort de rechter haar over en weer en doet hij, zoveel mogelijk, dadelijk uitspraak.
2.
Indien partijen op de dienende dag enig uitstel verzoeken, staat de rechter dit verzoek, mits het hem gegrond voorkomt, toe en bepaalt de rechtsdag waarop partijen nader moeten verschijnen.
3.
Aan de partij, die niet persoonlijk of bij gemachtigde bij de uitspraak of de mededeling van de beschikking ter terechtzitting tegenwoordig is, doet de rechter in eerste aanleg de inhoud van het vonnis of van de beschikking, voor zover zij aan het eindvonnis voorafgaan, aanzeggen bij exploot of op andere wijze, door hem te bepalen; hij doet hun de inhoud van eindvonnis bij aangetekende dienstbrief door de griffier mededelen.
4.
De dagtekening van deze aangetekende dienstbrief wordt geacht de dag te zijn, waarop de mededeling heeft plaatsgehad.
5.
Van de aanzeggingen of mededelingen en van de dag, waarop zij hebben plaatsgehad, houdt de griffier aantekening aan de voet van het vonnis of, voor zoveel het aan het eindvonnis voorafgaande vonnissen of beschikkingen betreft, aan de rand van de van het vonnis of de beschikking ter terechtzitting gedane aantekening.
Artikel 120
Alle excepties moeten tegelijk met het verweer op de hoofdzaak worden voorgesteld op straffe van verval van de niet voorgedragen excepties en, indien niet op de hoofdzaak geantwoord is, van het recht om zulks te doen. Echter kunnen erfgenamen die in termen van beraad zijn, en zij die na ontbinding van een gemeenschap van goederen in termen van beraad zijn, hun verweer tot een beroep daarop beperken.
Artikel 121
Indien de beslissing niet dadelijk kan plaatshebben, stelt de rechter in eerste aanleg die tot op een door hem bepaalde rechtsdag uit.
1.
Indien de rechter in eerste aanleg inlichtingen wil inwinnen overeenkomstig artikel 3 van de op 7 juni 1968 te Londen gesloten Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht (Trb. 1968, 142), doet hij aan partijen schriftelijk opgave van de te stellen vragen en te verzenden stukken.
2.
Partijen kunnen binnen een door de rechter te bepalen termijn schriftelijk hun mening omtrent de te stellen vragen en de te verzenden stukken geven.
3.
Met inachtneming van artikel 4 van de Overeenkomst stelt de rechter de inhoud van het verzoek om inlichtingen in een tussenvonnis vast.
4.
Indien aan de rechter op grond van artikel 13 van de Overeenkomst aanvullende inlichtingen worden gevraagd, stelt hij de partijen in de gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn schriftelijk op dit verzoek te reageren.
1.
De griffier zendt een afschrift van het antwoord op het verzoek om inlichtingen aan partijen. Alsdan bepaalt de rechter de dag waarop de procedure wordt voortgezet.
2.
Partijen kunnen binnen een door de rechter te bepalen termijn hun beschouwingen over het antwoord geven.
1.
Indien de eiser hier te lande geen woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, of indien zodanige persoon zich in een aangelegde rechtszaak voegt of tussenkomt, stelt hij op vordering van de wederpartij en alvorens deze in rechte enig verweer of tegenzeggen behoeft te doen, zekerheid voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan hij veroordeeld zou kunnen worden.
2.
Geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat:
a. indien dit voortvloeit uit een verdrag;
b. indien een veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding op grond van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, een verdrag of een wet ten uitvoer zal kunnen worden gelegd ter plaatse waar degene van wie zekerheid gevorderd wordt, zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft;
c. indien redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding hier te lande mogelijk zal zijn;
d. indien daardoor voor degene van wie zekerheid wordt gevorderd de effectieve toegang tot de rechter zou worden belemmerd.
3.
De partij die het stellen van zekerheid vordert, wordt niet geacht daardoor de bevoegdheid van de rechter om van zijn zaak kennis te nemen, te hebben erkend.
Artikel 123
Het vonnis waarbij het stellen van zekerheid bevolen wordt, drukt de som uit tot beloop waarvan de zekerheid moet worden verstrekt.
Artikel 124
Degene die geroepen is voor een rechter die onbevoegd is om van het geschil kennis te nemen, mag vorderen dat de rechter zich onbevoegd verklaart.
Artikel 125
Indien de rechter onbevoegd is uit hoofde van het onderwerp van het geschil, is hij, ook al is de exceptie van onbevoegdheid niet voorgesteld, ambtshalve gehouden zich onbevoegd te verklaren.
1.
In zaken die reeds tevoren voor een andere rechter zijn aanhangig gemaakt tussen dezelfde personen en over hetzelfde onderwerp, of die reeds door dezelfde personen en over hetzelfde onderwerp ter beslissing aan scheidsmannen zijn opgedragen en voor hen aanhangig zijn, of indien het geschil aan een zaak verknocht is, mag verwijzing gevraagd worden naar die andere rechter of naar de benoemde scheidsmannen.
2.
De verwijzing wordt met redenen omkleed gevraagd vóór alle verweren, op de dag voor het voordragen van het verweer bepaald.
3.
Die verwijzing kan ook door de eiser gevorderd worden, maar alleen bij het doen van de eis.
Artikel 127
Indien voor dezelfde rechter tussen dezelfde personen en over hetzelfde onderwerp tegelijk zaken aanhangig zijn of voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, mag daarvan op overeenkomstige wijze voeging worden gevraagd en bevolen.
1.
De exceptie dat een zaak aanhangig gemaakt of een verzoek ingediend moet worden bij een andere rechter in eerste aanleg, wordt met redenen omkleed voorgesteld vóór alle verweren, op de dag voor het voordragen van het verweer bepaald.
2.
Indien de exceptie gegrond wordt bevonden, verwijst de rechter de zaak ter verdere behandeling en afdoening naar de in het eerste lid bedoelde rechter.
3.
De rechter naar wie de zaak wordt verwezen, is aan die verwijzing gebonden.
4.
Tegen het in dit incident gewezen vonnis staat geen hogere voorziening open.
Artikel 127b
Indien een zaak naar een andere rechter wordt verwezen, doet de griffier de stukken toekomen aan die rechter, die na ontvangst daarvan dag en uur bepaalt, waarop de zaak weer zal dienen, en voorts partijen doet oproepen teneinde alsdan voort te procederen.
1.
Tenzij uit de wet anders voortvloeit, legt de rechter slechts die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag, die in het geding te zijner kennis zijn gekomen of zijn gesteld, en die overeenkomstig de voorschriften van deze en de volgende afdelingen zijn komen vast te staan. Feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende betwist, beschouwt de rechter als vaststaand, behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat.
2.
Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid, alsmede algemene ervaringsregels mogen door de rechter aan zijn beslissing ten grondslag worden gelegd, ongeacht of zij zijn gesteld, en behoeven geen bewijs.
Artikel 129
De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere rechtsregel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.
1.
Dwingend bewijs houdt in dat de rechter hetzij de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen als waar aanneemt hetzij de bewijskracht erkent die de wet aan bepaalde gegevens verbindt.
2.
Tegenbewijs, ook tegen dwingend bewijs, staat vrij, tenzij de wet het uitsluit.
1.
Bewijs kan geleverd worden door alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt.
2.
De waardering van het bewijs is, voor zover de wet niet anders bepaalt, aan het oordeel van de rechter overgelaten.
Artikel 132
Overeenkomsten waarbij van het wettelijk bewijsrecht wordt afgeweken, blijven buiten toepassing, indien zij betrekking hebben op het bewijs van feiten waaraan het recht gevolgen verbindt die niet ter vrije bepaling van partijen staan, onverminderd de gronden waarop zij krachtens het Burgerlijk Wetboek buiten toepassing blijven.
1.
Een gerechtelijke erkentenis is het in een aanhangig geding door een partij uitdrukkelijk erkennen van de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij.
2.
Een gerechtelijke erkentenis kan slechts worden herroepen, indien aannemelijk is dat zij door een dwaling of niet in vrijheid is afgelegd.
1.
Akten zijn ondertekende geschriften, bestemd om tot bewijs te dienen.
2.
Authentieke akten zijn akten, in de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen. Als authentieke akten worden tevens beschouwd de akten waarvan het opmaken aan ambtenaren is voorbehouden, doch waarvan de wet het opmaken in bepaalde gevallen aan anderen dan ambtenaren opdraagt.
3.
Onderhandse akten zijn alle akten die niet authentieke akten zijn.
1.
Authentieke akten leveren tegen een ieder dwingend bewijs op van hetgeen de ambtenaar binnen de kring van zijn bevoegdheid omtrent zijn waarnemingen en verrichtingen heeft verklaard.
2.
Een authentieke of onderhandse akte levert ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Onder partij wordt verstaan: de rechtverkrijgende onder algemene of bijzondere titel, voor zover het desbetreffende recht verkregen is na het opmaken van de akte.
1.
Op een onderhandse akte waarin verbintenissen van slechts één partij zijn aangegaan of vastgelegd, is, voor zover die verbintenissen strekken tot voldoening van een geldsom, artikel 136, tweede lid, niet van toepassing, tenzij deze partij de akte geheel met de hand heeft geschreven of heeft voorzien van een goedkeuring die de geldsom voluit in letters vermeldt.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op aandelen in een obligatielening en op verbintenissen, door de schuldenaar in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf aangegaan.
1.
Een geschrift dat het uiterlijk heeft van een authentieke akte, geldt als zodanig, behoudens bewijs van het tegendeel.
2.
Een onderhandse akte waarvan de ondertekening door de partij waartegen zij dwingend bewijs zou opleveren, stellig wordt ontkend, levert geen bewijs op, zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. Is degene tegen wie de akte wordt ingeroepen, een ander dan degene die haar ondertekend zou hebben, dan kan worden volstaan met de verklaring dat men de echtheid van de ondertekening niet erkent.
1.
De kracht van het schriftelijk bewijs is in de oorspronkelijke akte gelegen.
2.
Grossen en gehele afschriften van een authentieke akte die volgens wettelijk voorschrift bewaard moet worden, leveren, indien zij zijn afgegeven door een daartoe bevoegde ambtenaar, hetzelfde bewijs op als de oorspronkelijke akte.
Artikel 140
Een in kracht van gewijsde gegaan op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de strafrechter hier te lande bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, levert dwingend bewijs op van dat feit.
1.
De rechter kan in de loop van een geding, op verzoek of ambtshalve, aan partijen of aan een van hen de overlegging bevelen van onder hen berustende boeken, bescheidenen, andere gegevensdragers of voorwerpen.
2.
Partijen kunnen dit weigeren indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.
3.
De rechter beslist of die weigering gerechtvaardigd is, bij gebreke waarvan hij daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht.
1.
De rechter kan op verzoek van een der partijen aan anderen dan partijen, na deze te hebben gehoord of daartoe de gelegenheid te hebben gegeven, bevelen binnen een door de rechter te stellen termijn schriftelijk inlichtingen te verschaffen en onder hen berustende boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of voorwerpen over te leggen. Degene tot wie de rechter het bevel richt, is verplicht tot het verschaffen van de gevraagde inlichtingen en het overleggen van de gevraagde boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of voorwerpen.
2.
De rechter bepaalt, zo nodig, de wijze waarop, en de voorwaarden waaronder de inlichtingen zullen worden verschaft, dan wel de boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of voorwerpen zullen worden overgelegd.
3.
De rechter wijst het verzoek in elk geval af indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing der gegevens is gewaarborgd.
4.
Het in artikel 144 omtrent het verschoningsrecht van getuigen bepaalde is van overeenkomstige toepassing, maar ook andere gewichtige redenen, waaronder een gevaar voor onevenredige schade aan de belangen van degene tot wie het bevel is gericht of die van derden, kunnen een weigering rechtvaardigen.
5.
Tegen een afwijzing van het verzoek staat geen hogere voorziening open.
6.
Heeft de rechter het bevel gegeven, dan zijn de artikelen 152 en 152a van overeenkomstige toepassing.
Artikel 143
Een getuigenverklaring kan slechts als bewijs dienen, voor zover zij betrekking heeft op aan de getuige uit eigen waarneming bekende feiten.
1.
Een ieder, daartoe op wettige wijze opgeroepen, is verplicht getuigenis af te leggen.
2.
Van deze verplichting kunnen zich verschonen:
a. de echtgenoot en de vroegere echtgenoot van een partij, de bloed- of aanverwanten van een partij of van diens echtgenoot, tot de tweede graad ingesloten, een en ander tenzij de partij in hoedanigheid optreedt;
b. zij die tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd.
3.
Een getuige kan zich verschonen van het beantwoorden van een hem gestelde vraag, indien hij daardoor zichzelf, een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of derde graad of zijn echtgenoot of vroegere echtgenoot aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf zou blootstellen.
1.
Indien bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten, beveelt de rechter een getuigenverhoor, zo vaak een der partijen het verzoekt en de door haar te bewijzen aangeboden feiten betwist zijn en tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. Hij kan dit ook ambtshalve doen.
2.
Het vonnis vermeldt aan welke partij en omtrent welke feiten bewijs wordt opgedragen, alsmede plaats, dag en uur van het getuigenverhoor. Plaats, dag en uur van het getuigenverhoor kunnen ook later door de rechter worden vastgesteld.
3.
Het verhoor van getuigen geschiedt ter terechtzitting.
4.
Het eerste lid, eerste volzin, is niet van toepassing indien verzocht wordt een partij als getuige te horen, tenzij dit verhoor geboden is uit een oogpunt van gelijkheid van partijen. In andere gevallen is de rechter vrij om op verzoek het verhoor van een partij als getuige te bevelen.
Artikel 146
De rechter kan bepalen dat partijen bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig moeten zijn.
Artikel 147
Het verhoor van getuigen tot het leveren van tegenbewijs staat van rechtswege vrij en wordt gehouden op de plaats, de dag en het uur, te bepalen dadelijk na afloop van het verhoor van de voor het bewijs gehoorde getuigen of op een later tijdstip, tenzij de rechter, na overleg met partijen, dit verhoor doet plaatsvinden in aansluiting op het verhoor van de voor het bewijs gehoorde getuigen.
Artikel 148
Indien een der partijen verkorting of verlenging van de termijnen, bedoeld in de artikelen 145 en 147, verzoekt, wordt op dit verzoek na verhoor of behoorlijke oproeping van de wederpartij beslist. Tegen de beslissing staat geen hogere voorziening open.
1.
De namen en woonplaatsen van de getuigen worden ten minste drie dagen voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier opgegeven. De belanghebbende partij roept de getuigen ten minste drie dagen voor het verhoor op. Indien een partij meer getuigen heeft voorgebracht dan redelijkerwijs noodzakelijk was, kan de rechter met deze omstandigheden bij de veroordeling in de kosten rekening houden.
2.
De oproeping maakt melding van plaats, dag en uur van het verhoor, van de feiten waaromtrent bewijs moet worden geleverd, en van de gevolgen, verbonden aan het niet verschijnen ter terechtzitting.
Artikel 150
Indien een niet bij exploot opgeroepen getuige niet verschijnt, bepaalt de rechter op verzoek van de belanghebbende partij een dag waartegen de getuige bij exploot kan worden opgeroepen. Daarbij wordt de in artikel 149, eerste lid, genoemde termijn in acht genomen.
Artikel 150a
Indien een partij die gehouden is als getuige een verklaring af te leggen, niet ter zitting verschijnt, niet antwoordt op de haar gestelde vragen of weigert haar verklaring te ondertekenen, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
Artikel 151
De rechter kan bevelen dat de op een oproeping bij exploot niet verschenen getuige door de openbare macht voor hem wordt gebracht op een door hem te bepalen dag en uur om aan zijn verplichting te voldoen.
1.
Indien een getuige weigert zijn verklaring af te leggen, kan de rechter op verzoek van de belanghebbende partij bevelen, dat hij op kosten van die partij in gijzeling zal worden gesteld, totdat hij aan zijn verplichting zal hebben voldaan, met dien verstande dat de gijzeling ten hoogste een jaar kan duren. De eerste volzin is niet van toepassing indien het een partij betreft, die als getuige wordt gehoord.
2.
De rechter beveelt de gijzeling slechts, indien naar zijn oordeel het belang van de waarheidsvinding toepassing van die maatregel rechtvaardigt.
3.
De rechter die de gijzeling heeft bevolen, beëindigt ambtshalve of op verzoek van de gegijzelde de gijzeling, indien voortzetting ervan naar zijn oordeel niet meer wordt gerechtvaardigd door het belang dat met toepassing van de dwangmaatregel werd gediend.
1.
De rechter kan op verzoek van een belanghebbende partij eveneens bepalen dat de getuige die weigert zijn verklaring af te leggen, een dwangsom verbeurt aan de door de rechter aangewezen partij of partijen. Het in titel 5, afdeling 3, van Boek 2 omtrent de dwangsom bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het een partij betreft, die als getuige wordt gehoord.
1.
Indien een getuige niet woonachtig is of niet verblijf houdt waar de rechter zitting houdt, kan de rechter het verhoor opdragen aan zijn ambtgenoot die zitting houdt waar de getuige woonachtig is of verblijf houdt.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het een partij betreft, die als getuige wordt gehoord.
Artikel 154
Indien een getuige uit hoofde van ziekte of anderszins verhinderd is om voor de rechter te verschijnen, kan deze zich bij hem vervoegen tot het ontvangen van zijn verklaring of de rechter, bedoeld in artikel 153, verzoeken hem te verhoren.
1.
Voor zover niet bij verdrag anders is bepaald, kan de rechter, indien een getuige in het buitenland woont, aan een door hem aan te wijzen autoriteit van het land waar de getuige zijn woonplaats heeft, verzoeken het verhoor, indien mogelijk onder ede, te houden, of dat verhoor opdragen aan de Nederlandse consulaire ambtenaar tot wiens ressort de woonplaats van die getuige behoort.
2.
Bij een verzoek of opdracht als in het eerste lid bedoeld, zal de rechter voorts de buitenlandse autoriteit verzoeken, dan wel de Nederlandse consulaire ambtenaar opdragen om aan partijen tijdig bij aangetekende brief kennis te geven van dag, uur en plaats, waarop het verhoor zal worden gehouden, en tevens de dag vaststellen, waarop de zaak weer ter rolle zal worden afgeroepen.
3.
Het proces-verbaal van dit getuigenverhoor heeft gelijke kracht als dat van een door de rechter hier te lande gehouden verhoor.
1.
Op de bepaalde dag vraagt de rechter de getuigen hun naam, voornamen, leeftijd, beroep en woon- of verblijfplaats, of zij bloed- of aanverwant zijn van de partijen of van een van hen en, zo ja, in welke graad, alsmede of zij in dienstverband staan tot de partijen of tot een van hen.
2.
De getuigen zweren, alvorens hun getuigenis af te leggen, op de bij de wet bepaalde wijze de eed of doen de belofte de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.
3.
Indien een getuige de betekenis van de eed of de belofte niet voldoende kan beseffen of de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, wordt hij niet beëdigd en wordt hem niet de belofte afgenomen, doch wordt hij aangemaand de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen. Indien het bewijs mede wordt aangenomen op de verklaring van een zodanige getuige, geeft het vonnis daarvan in het bijzonder reden.
4.
Overigens mag de rechter aan een zonder eed of belofte afgelegde verklaring slechts bewijs ontlenen, indien hij in het vonnis vermeldt dat de eed of de belofte ten onrechte niet is afgenomen en het niet mogelijk is de getuige opnieuw te horen.
Artikel 157
De opgeroepen getuige die niet verschijnt of, verschenen zijnde, weigert de eed of de belofte of zijn verklaring af te leggen, kan worden veroordeeld tot vergoeding van de vergeefs aangewende kosten, onverminderd zijn aansprakelijkheid tot schadevergoeding, indien daartoe gronden zijn.
1.
De rechter hoort ieder van de getuigen buiten tegenwoordigheid van de mede ter terechtzitting verschenen getuigen die nog niet zijn gehoord, voor zover deze laatste getuigen niet tevens partij zijn.
2.
Partijen en hun gemachtigden of raadslieden kunnen aan de getuigen vragen stellen, behoudens de bevoegdheid van de rechter om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven. De rechter kan ambtshalve of op verzoek van een der partijen getuigen tegenover elkaar of tegenover partijen of een van hen stellen.
3.
De rechter kan naar aanleiding van de getuigenverklaringen aan de partijen vragen stellen. Indien het betreft het verhoor van een getuige die niet tevens partij is, kunnen ook partijen elkaar zelf of bij monde van hun gemachtigden of raadslieden vragen stellen, behoudens de bevoegdheid van de rechter om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven.
4.
De rechter kan uit de op de voet van het derde lid afgelegde verklaringen, uit het niet-verschijnen ter terechtzitting of uit een weigering om te antwoorden of het proces-verbaal te ondertekenen de gevolgtrekkingen maken die hij geraden acht, behoudens hetgeen in artikel 133 is bepaald.
1.
Van het getuigenverhoor wordt proces-verbaal opgemaakt, waarin achtereen-volgens aantekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak voorvalt.
2.
Dit proces-verbaal wordt aan iedere getuige voorgelezen voor het gedeelte dat hem betreft. Hij mag daarin zodanige veranderingen en bijvoegingen maken als hem goeddunkt.
3.
De getuige ondertekent zijn verklaring. Weigert hij te ondertekenen of verklaart hij dit niet te kunnen, dan wordt die weigering of die verklaring, inhoudende de oorzaak van verhindering, in het proces-verbaal vermeld.
4.
Op de door partijen afgelegde verklaringen zijn het eerste, tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.
5.
Het proces-verbaal wordt ondertekend door de rechter voor wie het getuigenverhoor heeft plaatsgehad en door de griffier.
Artikel 160
In afwijking van artikel 159 behoeft in zaken die niet aan hoger beroep zijn onderworpen, geen proces-verbaal van het getuigenverhoor te worden opgemaakt. Het naar aanleiding van het getuigenverhoor te wijzen vonnis houdt, behalve de vermelding van de opgave, verklaringen en aflegging van eed of belofte, bedoeld in artikel 156, de summiere inhoud van de afgelegde getuigenverklaringen in.
Artikel 161
Indien de getuige schadeloosstelling vordert, wordt deze door de rechter overeenkomstig de wettelijke voorschriften begroot. Daarvan wordt melding gemaakt in het proces-verbaal. De schadeloosstelling wordt voldaan door de partij die de getuige heeft voorgebracht.
Artikel 162
Indien de getuigen niet op één dag gehoord kunnen worden, stelt de rechter het verdere horen tot een nadere dag uit, en geschiedt er noch aan de ter terechtzitting verschenen getuigen noch aan de al dan niet aldaar verschenen partijen enige nieuwe oproeping.
Artikel 163
Het nalaten van een van de in deze afdeling voorgeschreven vormvoorschriften heeft, met uitzondering van het bepaalde in artikel 156 omtrent het afleggen van de eed of de belofte, alleen de nietigheid van het verhoor ten gevolge, indien de belanghebbende partij daardoor in haar belangen is benadeeld en het verzuim niet kan worden hersteld; in elk ander geval kan de rechter, zo daartoe gronden zijn, herstel van begane onregelmatigheden bevelen.
Artikel 164
Na afloop van het getuigenverhoor of indien dit achterwege blijft, bepaalt de rechter de dag waarop de zaak weer ter rolle zal worden afgeroepen.
1.
In de gevallen waarin bij de wet het bewijs door getuigen is toegelaten, kan, voordat een geding aanhangig is, op verzoek van de belanghebbende onverwijld een voorlopig getuigenverhoor worden bevolen.
2.
Tijdens een reeds aanhangig geding kan de rechter op verzoek van een der partijen een voorlopig getuigenverhoor bevelen.
1.
Het verzoek wordt gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van het geding, indien het aanhangig wordt gemaakt, kennis te nemen, of aan de rechter binnen wiens rechtsgebied de personen die men als getuigen wil doen horen, of het grootste aantal van hen, woonachtig zijn of verblijven.
2.
Indien het geding reeds aanhangig is, wordt het verzoek gedaan aan de rechter voor wie het geding aanhangig is.
3.
Het verzoekschrift houdt in:
a. de aard en het beloop van de vordering;
b. de feiten of rechten die men wil bewijzen;
c. de namen en woonplaatsen van de personen die men als getuigen wil doen horen;
d. de naam en de woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.
4.
Tenzij de wederpartij onbekend is en behoudens gevallen van onverwijlde spoed, wordt op het verzoekschrift niet eerder beschikt dan nadat een behandeling heeft plaatsgevonden, waartoe de verzoeker en de wederpartij worden opgeroepen.
1.
Indien de rechter het verzoek toestaat, bepaalt hij plaats, dag en uur, waarop het voorlopig getuigenverhoor zal plaatshebben en doet hij onverwijld partijen, onder toezending aan iedere wederpartij van een afschrift van het verzoekschrift, oproepen door een aangetekende dienstbrief van de grifier.
2.
Voor zover het verzoek wordt toegewezen, staat geen hogere voorziening open.
Artikel 169
De bepalingen omtrent het getuigenverhoor zijn op het voorlopig getuigenver-hoor van overeenkomstige toepassing.
Artikel 170
Verschijnt de wederpartij bij het verhoor, dan bepaalt de rechter die het verhoor gehouden heeft, na afloop daarvan op haar verzoek de plaats waar, en het tijdstip waarop het voorlopig getuigenverhoor voor tegenbewijs kan plaatshebben.
1.
De rechter kan, op verzoek van partijen of een van hen dan wel ambtshalve, na afloop van het voorlopig getuigenverhoor of het voorlopig getuigenverhoor voor tegenbewijs een verschijning van partijen bevelen teneinde een schikking te beproeven of tot het geven van inlichtingen aan de rechter. Artikel 21, eerste en tweede lid, en artikel 177, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
2.
Bij een verschijning van partijen ter terechtzitting kan ook de verdere wijze van behandeling van geschillen over de vordering worden besproken. Afspraken dienaangaande worden, wanneer een partij dat verlangt, met overeenkomstige toepassing van artikel 21, eerste en tweede lid, in een proces-verbaal vastgelegd. Een beroep in rechte op deze afspraken kan niet worden gedaan, voor zover zij in strijd komen met een dwingende wetsbepaling, met fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging of voor zover een beroep daarop in verband met onvoorziene omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden gedaan.
1.
Indien alle partijen bij het verhoor aanwezig of vertegenwoordigd zijn geweest, hebben de getuigenverklaringen in een voorlopig getuigenverhoor afgelegd, dezelfde bewijskracht als die welke op de gewone wijze in een aanhangig geding zijn afgelegd.
2.
Zijn niet alle partijen bij het voorlopig getuigenverhoor aanwezig of vertegenwoordigd geweest, dan kan de rechter de daarin afgelegde verklaringen buiten beschouwing laten.
Artikel 172
Indien een getuige aannemelijk maakt dat de verzoeker met het voorlopig getuigenverhoor beoogt inlichtingen van hem te verkrijgen ten behoeve van een tegen hem in te stellen rechtsvordering, houdt de rechter het verhoor met inachtneming van de bepalingen die van toepassing zijn op het verhoor van de partij als getuige. Van een en ander wordt melding gemaakt in het proces-verbaal.
1.
De rechter kan op verzoek van een partij of ambtshalve een bericht of verhoor van deskundigen bevelen. Het vonnis vermeldt de punten waaromtrent het oordeel van deskundigen wordt gevraagd.
2.
De rechter benoemt bij vonnis of bij latere rolbeschikking een of meer deskundigen, na overleg met partijen, met opdracht bij hem schriftelijk bericht in te leveren of aan hem mondeling verslag uit te brengen.
3.
De griffier zendt afschrift van deze benoeming aan de deskundigen.
4.
Indien een deskundige de benoeming niet aanneemt of zijn taak niet naar behoren zal kunnen volbrengen of weigerachtig is dit te doen, kan de rechter ambtshalve of op verzoek van de meest gerede partij, na overleg met partijen, een andere deskundige in zijn plaats benoemen.
5.
De rechter kan, op verzoek van een partij of ambtshalve, aan de deskundigen het geven van nadere mondelinge of schriftelijke toelichting of aanvulling bevelen, dan wel, na overleg met partijen, een of meer andere deskundigen benoemen.
1.
De rechter kan ambtshalve of op verzoek van een of meer partijen deskundigen vragen hun kosten te begroten. Door de eisende partij wordt een door de rechter te bepalen voorschot en, indien dit is bepaald, een nader voorschot ter zake van die kosten ter griffie gedeponeerd, voor zover niet bij het vonnis, bedoeld in artikel 173, in verband met de omstandigheden van het geding de wederpartij of beide partijen te zamen daartoe is of zijn aangewezen.
2.
De rechter kan, zonodig ambtshalve, bij de bepaling van een voorschot, of nadien, een termijn vaststellen voor de voldoening van het voorschot. Deze termijn kan een of meermalen worden verlengd. Tegen deze beslissingen staat geen hogere voorziening open.
3.
Wanneer een partij het voorschot niet binnen de daarvoor gestelde termijn voldoet, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
1.
Indien de deskundigen een onderzoek moeten verrichten, bepaalt de rechter bij hun benoeming of op een later tijdstip, waar en wanneer zij daartoe zullen overgaan.
2.
Bij de in het eerste lid bedoelde beslissing bepaalt de rechter tevens de termijn waarbinnen de deskundigen hun schriftelijk bericht ter griffie moeten inleveren, of de terechtzitting waarop zij mondeling verslag moeten uitbrengen. In het eerste geval wordt mede de dag bepaald waarop de zaak weer op de rol zal komen. In het tweede geval wordt deze dag bepaald op de terechtzitting waarop het verslag is uitgebracht.
3.
Indien op die dag het bericht van deskundigen nog niet mocht zijn ingekomen, kan de rechter op verzoek van partijen of van één van hen een nadere roldatum bepalen. Eveneens kan een nadere terechtzitting worden bepaald, indien op de daarvoor vastgestelde terechtzitting het mondeling verslag niet wordt uitgebracht.
1.
De deskundige die zijn benoeming heeft aanvaard, is verplicht de opdracht onpartijdig en naar beste weten te volbrengen.
2.
De deskundigen stellen hun onderzoek in, hetzij onder leiding van de rechter, hetzij zelfstandig. De deskundigen moeten bij hun onderzoek partijen in de gelegenheid stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Uit het schriftelijk bericht moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan. Van de inhoud van de opmerkingen en verzoeken wordt in het schriftelijk bericht melding gemaakt. Indien een partij schriftelijk opmerkingen of verzoeken aan de deskundigen doet toekomen, verstrekt hij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij.
3.
Partijen zijn verplicht mee te werken aan een onderzoek door deskundigen. Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
4.
Het schriftelijk bericht is met redenen omkleed, zonder dat het persoonlijke gevoelen van ieder van de deskundigen behoeft te blijken. Ieder van de deskundigen kan van zijn afwijkende mening doen blijken. Het schriftelijk bericht wordt door de deskundigen ondertekend. Indien een of meer deskundigen niet hebben ondertekend, wordt de oorzaak hiervan zo mogelijk op het schriftelijk bericht vermeld. Indien geen van de deskundigen zich in de gelegenheid bevindt te ondertekenen, wordt het bericht door de griffier ondertekend. De griffier zendt aan partijen afschrift van het schriftelijk bericht.
5.
Het proces-verbaal van de slotsom van het mondeling verslag wordt na voorlezing, behalve door de griffier, ondertekend door de rechter aan wie het verslag is uitgebracht en door de deskundigen. Verklaart een deskundige niet te kunnen ondertekenen, dan wordt die verklaring, inhoudende de oorzaak van verhindering, in het proces-verbaal vermeld.
1.
De deskundigen hebben aanspraak op schadeloosstelling en op loon, door de rechter te begroten onder de minuut van het schriftelijk bericht of onder het van het mondeling verslag opgemaakte proces-verbaal.
2.
De griffier betaalt het bedrag ten laste van het gestorte voorschot aan de deskundigen. Indien het vastgestelde voorschot niet toereikend is, wordt voor het resterende bedrag een bevelschrift van tenuitvoerlegging op de minuut van het schriftelijk bericht uitgegeven ten laste van de in de tweede volzin van artikel 174 genoemde partij of partijen. In geval van mondeling verslag wordt dit bevelschrift gegeven op een in executoriale vorm uitgegeven uittreksel uit het proces-verbaal van dat verslag.
1.
De rechter kan een partij op haar verzoek toestaan deskundigen te doen horen die niet door de rechter zijn benoemd.
2.
De rechter ten overstaan van wie in een zaak bewijs wordt bijgebracht, kan aan partijen toestaan, bij die gelegenheid ook zodanige deskundigen te doen horen.
3.
Indien de rechter een verhoor van een zodanige deskundige heeft toegestaan, is ook de wederpartij bevoegd op dezelfde voet deskundigen te doen horen.
4.
De rechter kan, op verzoek van een partij of ambtshalve, aan een zodanige deskundige het geven van nadere mondelinge of schriftelijke toelichting bevelen.
5.
De artikelen 145, derde lid, 146 tot en met 149, 153 tot en met 156, eerste lid, 158, tweede, derde en vierde lid, en 159 tot en met 164 omtrent het getuigenverhoor zijn van overeenkomstige toepassing op het verhoor van deze deskundigen.
1.
De rechter kan op verzoek van een partij of ambtshalve, vergezeld van de griffier, een plaatselijke gesteldheid opnemen of zaken bezichtigen die niet of bezwaarlijk ter terechtzitting kunnen worden overgebracht.
2.
Het daartoe strekkende vonnis vermeldt de plaats of de zaak die in ogenschouw moet worden genomen, bepaalt de tijd van de plaatsopneming, de tijd en de plaats van de bezichtiging, de termijn waarbinnen het van de verrichting op te maken proces-verbaal ter griffie wordt neergelegd, alsmede de dag waarop de zaak weer op de rol zal komen.
3.
De partijen worden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken of verzoeken te doen. Uit het proces-verbaal moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan. Van de inhoud van de opmerkingen of verzoeken wordt in het proces-verbaal melding gemaakt. Het proces-verbaal wordt door de rechter die de verrichting heeft gedaan en door de griffier ondertekend. De rechter kan ter plaatse getuigen horen. Afdeling 6, behoudens artikel 149, is hierop van toepassing.
1.
Voordat een zaak aanhangig is, kan op verzoek van de belanghebbende een voorlopig bericht of verhoor van deskundigen of een voorlopige plaatsopneming en bezichtiging worden bevolen.
2.
Tijdens een reeds aanhangig geding kan dit op verzoek van een partij worden bevolen.
1.
Het verzoek wordt gedaan aan de rechter bij wie het geding aanhangig is of, indien het niet aanhangig is, aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn daarvan kennis te nemen. De rechter beoordeelt summierlijk of hij absoluut bevoegd is.
2.
Het verzoekschrift houdt in:
a. de aard en het beloop van de rechtsvordering;
b. de punten waaromtrent het oordeel van de deskundigen wordt gevraagd, of de plaats of de zaak die in ogenschouw moet worden genomen;
c. de naam en de woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.
3.
Tenzij de wederpartij onbekend is en behoudens gevallen van onverwijlde spoed, wordt op het verzoekschrift niet eerder beschikt dan nadat een behandeling heeft plaatsgevonden, waartoe de verzoeker en de wederpartij worden opgeroepen.
1.
Indien de rechter het verzoek toestaat, bepaalt hij tevens de uiterste dag waarop de verzoeker een afschrift van het verzoekschrift, indien dit nog niet is toegezonden, en van de beschikking aan de wederpartij doet toekomen, zo die bekend is.
2.
Voor zover het verzoek wordt toegewezen, staat daartegen geen hogere voorziening open.
Artikel 176c
De bepalingen omtrent deskundigen, plaatsopneming en bezichtiging zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 176d
Met inachtneming van de krachtens artikel 176b bepaalde termijn zendt de verzoeker een afschrift van het verzoekschrift, indien dit nog niet is toegezonden, en de beschikking van de rechter bij aangetekende brief aan de wederpartij, zo die bekend is, of doet hij deze afschriften bij deurwaardersexploot aan de wederpartij betekenen. Alvorens tot de verrichting over te gaan, vergewist de rechter zich ervan dat aan dit voorschrift is voldaan.
1.
Indien alle partijen bij de verrichting aanwezig zijn geweest, hebben de verklaringen van de deskundigen, de plaatsopneming en de bezichtiging dezelfde bewijskracht als die welke op de gewone wijze in een aanhangig geding hebben plaatsgehad.
2.
Zijn niet alle partijen aanwezig geweest, dan kan de rechter een en ander buiten beschouwing laten.
1.
In elke stand van het geding kan de rechter, op verzoek van een der partijen of ambtshalve, partijen gelasten, in persoon dan wel vertegenwoordigd, op de bepaalde dag en het bepaalde uur voor hem te verschijnen tot het geven van inlichtingen. De rechter kan daarbij of op een later tijdstip aan partijen of aan een van hen bevelen bepaalde stellingen bij de verschijning mondeling toe te lichten of, in overeenstemming met artikel 141, bepaalde op de zaak betrekking hebbende boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of voorwerpen over te leggen.
2.
De rechter ondervraagt de partijen. Deze kunnen, ook bij monde van haar gemachtigden of raadslieden, elkaar vragen stellen, behoudens de bevoegdheid van de rechter om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven.
3.
De rechter kan uit de afgelegde verklaringen, uit het niet-verschijnen, uit een weigering om te antwoorden, dan wel uit een weigering om boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of voorwerpen over te leggen zonder dat een gewichtige reden de weigering rechtvaardigt, de gevolgtrekking maken, die hij geraden acht, behoudens hetgeen in artikel 133 is bepaald.
Artikel 178
Incidenten worden schriftelijk of mondeling ter terechtzitting aangebracht.
1.
Incidentele vorderingen worden zoveel mogelijk tegelijk ingesteld.
2.
De kosten van dezulke die naderhand worden gedaan, en waarvan de oorzaken reeds tegelijkertijd met de vroegere bestonden, mogen niet worden teruggevorderd.
1.
Op de incidentele vorderingen wordt, indien de zaak zulks meebrengt, eerst en vooraf beslist.
2.
Voor zover de zaak het toelaat, bepaalt de rechter bij de beslissing op het incident tevens, hoe met de behandeling van de zaak wordt voortgegaan.
Artikel 182
De gedaagde is bevoegd om eis in reconventie te doen, uitgezonderd indien:
a. de eiser in conventie is opgetreden in een kwaliteit en de reconventie hem persoonlijk zou betreffen, en omgekeerd;
b. de rechter voor wie de eis in conventie aanhangig is, onbevoegd is kennis te nemen van de reconventie met betrekking tot het onderwerp van het geschil.
Artikel 183
De eis in reconventie moet dadelijk bij het antwoord in conventie worden gedaan.
Artikel 184
De zaken in conventie en in reconventie worden tegelijk voldongen en bij een en hetzelfde eindvonnis beslist, tenzij de rechter bevindt dat de ene vroeger dan de andere mag worden afgedaan.
Artikel 185
De rechter schorst een rechtsgeding wegens:
a. de dood van een der partijen;
b. verandering in de persoonlijke staat van een der partijen;
c. het ophouden van de betrekking waarin een der partijen het geding voerde.
Artikel 186
Schorsing van een rechtsgeding heeft niet meer plaats, indien de behandeling ter terechtzitting reeds geindigd is.
Artikel 187
De belanghebbenden delen aan de rechter zo spoedig mogelijk mee de namen en de woonplaats van de persoon of de personen, ten name van wie het geding op de laatste gedingstukken kan worden hervat.
Artikel 188
De rechter bepaalt alsdan of ambtshalve dag en uur waarop het geding ter terechtzitting zal worden hervat, en doet partijen oproepen ten einde alsdan te verschijnen.
Artikel 189
Indien op de oproeping tot hervatting van het rechtsgeding verstek wordt verleend, verklaart de rechter het rechtsgeding niettemin op de laatste gedingstukken hervat.
Artikel 190
Het verzet tegen een beslissing bij verstek wordt op de terechtzitting behandeld.
Artikel 191
Indien gedurende de loop van een geding, in naam van een der partijen, enige aanbiedingen zijn gedaan en aangenomen, erkenningen hebben plaatsgehad, toestemmingen zijn gegeven en aangenomen, zonder dat die partij daartoe een bijzondere en bepaalde schriftelijke volmacht gegeven is, is deze bevoegd om zodanige verrichtingen bij de rechter te ontkennen en hem te verzoeken te beslissen, dat die daden zullen worden beschouwd als niet gepleegd en dat alle daaruit voortgevloeide akten van den processe, en vonnissen, gewezen om de zaak in staat van wijzen te brengen, worden verklaard van onwaarde.
Artikel 192
De rechter bepaalt de dag en het uur waarop de zaak ter terechtzitting zal dienen, en doet de ontkennende partij en degene wiens daden ontkend worden, oproepen ten einde alsdan te verschijnen, met bevel tot uitreiking aan laatstgenoemde van een afschrift van het verzoekschrift.
Artikel 193
Ingeval degene wiens daden ontkend worden, overleden is, wordt de oproeping betekend aan zijn erfgenamen.
Artikel 194
De ontkentenis moet altijd gebracht worden voor de rechter voor welke de ontkend wordende verrichting in rechten is gebracht, ook indien de zaak, waarin zij voorvalt, voor een andere rechter hangende is.
Artikel 195
De rechter laat de wederpartij van de ontkennende partij in de hoofdzaak in het geding van ontkentenis oproepen en aan haar een afschrift van het verzoekschrift tot ontkentenis uitreiken.
Artikel 196
Het geding in de hoofdzaak wordt op straffe van nietigheid geschorst tot aan het vonnis van ontkentenis.
Artikel 197
De rechter is echter bevoegd om aan de ontkennende partij te bevelen, het geding van ontkentenis binnen zekere door hem bepaalde tijd voort te zetten; bij gebreke daarvan is de rechter bevoegd om in het rechtsgeding op de ontkentenis recht te doen.
Artikel 198
Indien de ontkentenis een zaak betreft, waarover een rechtsgeding niet hangende is, moet de eis worden gebracht voor de bevoegde rechter van de gedaagde.
Artikel 199
Indien de ontkentenis deugdelijk verklaard wordt, verklaart de rechter tevens de ontkende verrichting en het vonnis hetwelk daarop mocht zijn gewezen, of hetgeen in de bepalingen van het vonnis betrekking heeft tot de punten waarover de ontkentenis gaat, nietig en van onwaarde.
Artikel 200
Bijaldien echter in de zaak reeds het eindvonnis is gevallen en de termijn van hoger beroep nog niet is verlopen, is de partij bevoegd om de nietigheid van de in het voorgaande artikel vermelde akten en vonnissen te doen uitspreken in het hoger beroep en de zaak ten principale te doen vervolgen.
1.
Is echter het eindvonnis gewezen in het hoogste ressort of in kracht van gewijsde gegaan, dan is de benadeelde partij, zelfs nog gedurende de tenuitvoerlegging, bevoegd om van de rechter, die het heeft gewezen, de intrekking daarvan te vorderen.
2.
Hangende het geding daarover, wordt de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst.
1.
De gemachtigde, tegen wie de eis van ontkentenis wordt toegewezen, wordt, zo daartoe gronden zijn, jegens de eiser en jegens de andere partij tot schadevergoeding veroordeeld.
2.
Indien de eiser in het ongelijk wordt gesteld, wordt hij tot schadevergoeding veroordeeld, zo daartoe gronden zijn.
Artikel 203
Indien een der partijen ontkent, dat de voor haar opgetreden advocaat van haar daartoe opdracht gekregen heeft, zijn de bepalingen van deze afdeling toepasselijk.
1.
Jurisdictiegeschillen worden, vóórdat de dag van de uitspraak bepaald is, aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift aan het Hof van Justitie.
2.
Het verzoekschrift wordt, op last van de president van het Hof, betekend aan de wederpartij, met aanmaning om daarop, binnen twee weken, te dienen van antwoord, ter griffie van het Hof schriftelijk in te leveren.
3.
De loop van het rechtsgeding wordt geacht te zijn geschorst vanaf de dag van de betekening.
Artikel 205
Na ontvangst van het antwoord en in elk geval na afloop van de daarvoor gestelde termijn doet het Hof van Justitie uitspraak en wijst, zo daarvoor redenen zijn, de rechter aan, die van het geschil verder kennis neemt.
1.
Op verlangen van partijen wordt de zaak op de rol doorgehaald.
2.
De enkele doorhaling op de rol heeft geen rechtsgevolgen. Partijen kunnen de rechtsgevolgen bij overeenkomst bepalen.
Artikel 207
Indien geen van partijen er, na in de gelegenheid te zijn gesteld zich daarover uit te laten, blijk van geeft het geding te willen voortzetten, kan de zaak ook ambtshalve op de rol worden doorgehaald.
1.
Zolang de gedaagde niet heeft geantwoord, kan de eiser afstand doen van de instantie.
2.
De eiser is verplicht de proceskosten van de gedaagde te betalen.
3.
Na het antwoord kan de afstand slechts plaatsvinden met toestemming van de gedaagde.
1.
Afstand van instantie wordt gedaan bij akte.
2.
Indien de afstand door een gemachtigde wordt gedaan, legt deze een hem daartoe door de eiser verstrekte bijzondere volmacht over. Voor de toestemming geldt hetzelfde.
3.
Door afstand van instantie worden partijen van rechtswege hersteld in de toestand als ware het geding niet in deze instantie aanhangig geweest, onverminderd het bepaalde in artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
4.
Ter zake van de betaling van de kosten vaardigt de rechter op verlangen van de gedaagde een bevelschrift uit. Het bevelschrift is uitvoerbaar bij voorraad.
1.
Indien de proceshandeling waarvoor de zaak staat, langer dan twaalf maanden niet is verricht, bepaalt de rechter op verlangen van de wederpartij van de partij die de proceshandeling moet verrichten, een datum waarop deze wederpartij verval van instantie kan vorderen, dan wel kan vragen om een laatste uitstel te verlenen aan de partij die de proceshandeling moet verrichten of om vonnis te wijzen. De rechter kan hiertoe, eveneens na verloop van twaalf maanden, ook ambtshalve een datum bepalen.
2.
De in het eerste lid bedoelde datum wordt in beide gevallen bepaald op een termijn van ten hoogste drie maanden.
3.
Verval van instantie kan op de bepaalde datum slechts worden gevorderd indien het voornemen daartoe ten minste twee weken vóór die datum aan de nalatige partij is aangezegd.
4.
De rechter wijst de vordering tot verval van instantie toe, tenzij vóór of op die datum:
a. de proceshandeling alsnog wordt verricht, of
b. de wederpartij van de partij die het verval vordert, aannemelijk maakt dat voor de vertraging van het geding een reden bestaat die deze in redelijkheid kan rechtvaardigen.
5.
Indien op de ingevolge het eerste lid bepaalde datum de proceshandeling waarvoor de zaak staat niet alsnog is of wordt verricht, en voorts de wederpartij van degene die de proceshandeling moet verrichten geen verval van instantie vordert noch zich anderszins uitlaat over de voortgang van het geding als bedoeld in het eerste lid, wordt de zaak op de rol doorgehaald.
Artikel 211
De kosten van de vervallen instantie worden van rechtswege gecompenseerd. De rechter kan echter, indien hij daartoe gronden aanwezig acht, een partij geheel of gedeeltelijk in de kosten veroordelen.
1.
Door verval van instantie worden partijen van rechtswege hersteld in de toestand als ware het geding niet in deze instantie aanhangig geweest, onverminderd het bepaalde in artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
2.
Wordt de vordering opnieuw ingesteld, dan kan wederom gebruik worden gemaakt van in de vervallen instantie gedane gerechtelijke erkentenissen en bijgebracht bewijs.
Artikel 214
Een ieder die belang heeft bij een rechtsgeding, hangende tussen andere partijen, is bevoegd te vorderen zich daarin te mogen voegen of tussen te komen.
Artikel 215
Dit incident wordt aangebracht ter terechtzitting op de dienende dag vóór of op die waarop de behandeling van het aanhangige rechtsgeding eindigt.
Artikel 216
Bij het verzoek geschiedt opgave van de namen en woonplaats van degene die voeging of tussenkomst vordert, en van de gronden waarop de vordering berust.
Artikel 217
De rechter, op het incident beslissende, beveelt partijen voort te procederen en bepaalt bij hetzelfde vonnis de dag waarop zij te dien einde ter terechtzitting verschijnen.
Artikel 218
Op het rechtsgeding in eerste aanleg voor het Hof van Justitie is titel 2 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 219
In de gevallen waarin mondelinge voordracht van de vordering toegelaten is, wordt zij mondeling voorgedragen aan de fungerend voorzitter van het Hof van Justitie, die haar in geschrift doet brengen.
1.
De fungerend voorzitter bewerkstelligt de ondervraging en het verhoor.
2.
Ook de andere rechters mogen aan partijen, getuigen en deskundigen vragen stellen. De fungerend voorzitter geeft hun daartoe op hun verlangen het woord.
1.
Het Hof is bevoegd om het horen van getuigen, het horen van deskundigen, het verrichten van een opneming, een bezichtiging of een onderzoek naar de echtheid of onechtheid van geschriften op te dragen aan een rechter-commissaris of een rechter in eerste aanleg.
2.
In elk geval worden partijen in de gelegenheid gesteld bij het onderzoek tegenwoordig te zijn en daarop gehoord te worden, waartoe zij op last van de rechter die het onderzoek houdt, worden opgeroepen.
3.
De rechters voor wie een getuigenverhoor heeft plaatsgehad, werken zoveel als mogelijk is mee tot de einduitspraak in de zaak waarin het verhoor is gehouden.
1.
Van de verrichtingen van de rechter-commissaris of rechter in eerste aanleg maakt de griffier proces-verbaal op.
2.
De rechter in eerste aanleg doet zo spoedig mogelijk een afschrift van het proces-verbaal aan het Hof toekomen. Dit afschrift heeft gelijke kracht als het proces-verbaal van het Hof.
1.
In alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, wendt de belanghebbende partij zich tot de rechter in eerste aanleg met het verzoek om in die zaak zo spoedig mogelijk een beslissing bij voorraad te geven.
2.
Tenzij de partijen vrijwillig zijn verschenen, beveelt de rechter in eerste aanleg de oproeping van de wederpartij op een door hem bepaalde dag en uur; bij grote spoed ’s zondags ingesloten.
3.
De rechter in eerste aanleg kan tevens gelasten dat de terechtzitting op een andere plaats dan in het gerechtsgebouw wordt gehouden.
Artikel 227
In het laatste geval geeft de rechter in eerste aanleg mondelinge last aan een deurwaarder tot het doen van de oproeping, waarvan deze in het hoofd van zijn exploot melding maakt.
1.
Indien de rechter in eerste aanleg oordeelt dat de zaak niet geschikt is om in kort geding te worden beslist, weigert hij de voorziening.
2.
De rechter kan op eenparig verzoek van partijen, in plaats van de voorziening te weigeren, de zaak verwijzen naar de gewone terechtzitting.
Artikel 229
De beslissingen bij voorraad strekken niet ten nadele van de zaak ten principale.
Artikel 230
De rechter in eerste aanleg kan zijn vonnis ook ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Artikel 231
Het verzet wordt eveneens behandeld in kort geding.
Artikel 232
Tegen elke beslissing van de rechter in eerste aanleg in kort geding is hoger beroep toegelaten.
Artikel 233
De minuten van de beslissingen in kort geding van de rechter in eerste aanleg worden ter griffie ingeschreven in een afzonderlijk register; zij worden door de rechter in eerste aanleg en de griffier ondertekend.
Artikel 234
Indien zulks in het belang van de zaak noodzakelijk is, is de rechter in eerste aanleg bevoegd om de tenuitvoerlegging van zijn beslissing in kort geding te bevelen op de minuut.
Artikel 235
In geval van hoger beroep worden de termijnen, bedoeld in de artikelen 264, 266, 267, 271, 274, 275 en 276, verkort tot op de helft van de in die artikelen vermelde duur. Bij grote spoed kan de president van het Hof van Justitie deze termijnen op verzoek verder verkorten.
Artikel 257
In alle voor hoger beroep bij het Hof van Justitie vatbare geschillen over zaken die ter vrije bepaling van de partijen staan, kunnen partijen overeenkomen die geschillen bij de aanvang van het geding dadelijk ter kennis te brengen van het Hof.
Artikel 258
Voogden, curators of bewindvoerders zijn hiervan niet uitgesloten, mits daarbij in acht nemende de verplichtingen, aan hen bij wet opgelegd.
1.
Bij deze rechtsgedingen zijn de voorschriften ten aanzien van het rechtsgeding in eerste aanleg van overeenkomstige toepassing.
2.
Het Hof beslist in het eerste en hoogste ressort, behoudens herroeping of cassatie, indien daartoe gronden zijn.
Artikel 260
Partijen zijn bevoegd om bij het Hof van Justitie in hoger beroep te komen van het vonnis of van een aan het vonnis voorafgaande beschikking van de rechter in eerste aanleg in een zaak waarin deze niet anders dan in eerste aanleg heeft geoordeeld.
Artikel 261
Degene die berust heeft in een vonnis, is niet meer ontvankelijk in een daarvan ingesteld hoger beroep.
1.
Van een veroordeling bij verstek staat geen hoger beroep open, doch indien de oorspronkelijke eiser van het vonnis in hoger beroep komt, is de gedaagde bevoegd om al zijn verdediging insgelijks in hoger beroep te doen gelden, zelfs bij wege van incidenteel beroep; hij mag dan echter van het middel van verzet tegen de beslissing bij verstek in eerste aanleg niet meer gebruik maken.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de niet verschenen gedaagde van een vonnis als bedoeld in artikel 82, tweede lid, in hoger beroep komen, mits hij vooraf bij voorraad, tegen het stellen van zekerheid, aan het vonnis voldoet, zelfs wanneer dat vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad was.
1.
Van de vonnissen en beschikkingen die aan het eindvonnis voorafgaan, mag, behoudens artikel 263a, slechts hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het beroep van het eindvonnis.
2.
Dit beroep is ontvankelijk, zelfs wanneer die vonnissen en beschikkingen zonder voorbehoud van degene die er zich mee bezwaard acht, zijn ten uitvoer gelegd.
3.
In hoger beroep kan, met de vernietiging van het vonnis van het gerecht in eerste aanleg, teruggave worden gevorderd van hetgeen ter voldoening aan dat vonnis is voldaan.
1.
In afwijking van artikel 263, eerste lid, mag van de daar genoemde vonnissen en beschikkingen afzonderlijk hoger beroep worden ingesteld, indien daartoe door het Hof van Justitie vergunning is verleend. Het tot het verkrijgen van die vergunning strekkende verzoekschrift wordt binnen twee weken, gerekend van de dag van de uitspraak, ingediend ter griffie van het gerecht in eerste aanleg waar de beslissing is gegeven.
2.
De griffier zendt de processtukken onverwijld aan het Hof, dat zo spoedig mogelijk beschikt, na partijen te hebben gehoord of daartoe behoorlijk te hebben doen oproepen. De beschikking wordt in het openbaar uitgesproken.
3.
Indien vergunning wordt verleend, is de beroepstermijn zes weken, gerekend van de dag van de uitspraak.
4.
Indiening van het verzoekschrift heeft schorsing van het in eerste aanleg hangende geding, voor zover de voorziening daartegen is gericht, ten gevolge.
5.
De schorsing duurt voort, totdat hetzij op het verzoek afwijzend is beschikt, hetzij, in geval van een toewijzende beschikking, op het vervolgens ingestelde hoger beroep is recht gedaan, dan wel de beroepstermijn ongebruikt is verstreken.
6.
Indien vergunning wordt verleend, behoeft de wederpartij geen vergunning om harerzijds in beroep te komen.
1.
De beroepstermijn is zes weken, gerekend van de dag van de uitspraak.
2.
Indien de eiser in beroep of zijn gemachtigde bij die uitspraak niet tegenwoordig is geweest, wordt de beroepstermijn gerekend van de dag waarop het eindvonnis hem volgens de wet is medegedeeld.
3.
Buiten de in het eerste en tweede lid bedoelde gevallen, vangt de termijn aan na de aanzegging van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is.
4.
Indien in eerste aanleg een vordering tot vrijwaring geheel of gedeeltelijk is afgewezen op grond van de afwijzing van de vordering in de hoofdzaak, staat het hoger beroep daartegen open tot het momtent dat in de hoofdzaak in hoger beroep de memorie van antwoord kan worden ingediend.
Artikel 266
Bij overlijden van de in het ongelijk gestelde partij gedurende de loop van de termijn voor het hoger beroep zijn haar erfgenamen of haar rechtverkrijgenden nog bevoegd om het beroep in te stellen binnen zes weken na het overlijden, of, zo zij van het recht van beraad gebruik maken, binnen zes weken na afloop van de daarvoor gestelde termijn.
1.
De gedaagde in beroep is bevoegd om van zijn zijde incidenteel beroep in te stellen, mits op de wijze en binnen de termijn, bepaald in artikel 274.
2.
Afstand van het principaal beroep doet het ingestelde incidentele beroep niet vervallen.
Artikel 268
Het hoger beroep schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis, indien dit niet bij voorraad mag worden ten uitvoer gelegd.
Artikel 269
Het hoger beroep van het eindvonnis heeft, tenzij bij de aantekening daarvan uitdrukkelijk het tegendeel is verlangd, ten gevolge dat de hogere rechter tevens kennis neemt van en oordeelt over de aan dat vonnis voorafgegane vonnissen en beschikkingen.
1.
Het hoger beroep vangt aan met een verklaring dat men van dat middel gebruik wil maken, door de eiser in beroep of diens daartoe gemachtigde ter griffie van het gerecht in eerste aanleg waar de beslissing is gegeven, afgelegd of aldaar schriftelijk ingediend.
2.
Indien een gemachtigde de verklaring aflegt, legt hij daarbij de akte van volmacht over, tenzij die akte reeds vroeger werd overlegd of de volmacht mondeling ter zitting werd verleend.
3.
Van de afgelegde of ingediende verklaring houdt de griffier onverwijld aantekening in het algemeen register, onder vermelding van de dagtekening waarop zij is afgelegd of ontvangen.
4.
De dagtekening, bedoeld in het derde lid, geldt bij de berekening van de beroepstermijn als tijdstip van de verklaring.
5.
Vindt binnen de voor indiening van de memorie gestelde termijn geen vooruitbetaling plaats van het door de griffier getaxeerde bedrag van de kosten van de aanzegging dat hoger beroep is ingesteld, van de betekening van de memorie en de daarbij overgelegde bescheiden, van de zegels die voor het bij artikel 283 bedoelde afschrift-vonnis van de hogere rechter moeten worden gebezigd en van het verschuldigde vast recht, dan vervalt het beroep en wordt de aantekening in het algemeen register doorgehaald. Desverlangd geschiedt de taxatie van het te betalen bedrag door de rechter.
Artikel 271
Bij of na de verklaring waarbij hoger beroep wordt ingesteld, maar in alle gevallen binnen zes weken na de dag van deze verklaring, is de appellant of zijn gemachtigde bevoegd een ondertekende memorie, houdende de middelen waarop het hoger beroep gegrond is, vergezeld van zodanige bescheiden als hij geraden oordeelt, over te leggen aan of in te dienen bij de griffier van het gerecht in eerste aanleg, die van de ontvangst in voege als voren aantekening houdt.
Artikel 272
Indien hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, kan het Hof van Justitie op vordering van een partij alsnog de tenuitvoerlegging van het vonnis schorsen.
1.
Nadat de memorie is ingekomen of de termijn voor de indiening is verstreken, doet de rechter in eerste aanleg onverwijld aan de wederpartij aanzeggen dat hoger beroep is ingesteld en doet hij een afschrift betekenen van de ingekomen memorie en van de daarbij overgelegde bescheiden.
2.
Indien zich onder die bescheiden zodanige bevinden die, ter beoordeling van de rechter, wegens hun omvang of anderszins, niet voor overschrijving in aanmerking komen, mag de rechter volstaan met de aanzegging dat zij ter inzage van de wederpartij ter griffie zijn neergelegd.
1.
De wederpartij of haar gemachtigde is bevoegd om binnen zes weken na dagtekening van de aanzegging van het beroep op gelijke wijze een memorie in te dienen met zodanige bescheiden als zij geraden oordeelt.
2.
Bij die memorie mag zij de verklaring afleggen dat zij harerzijds in hoger beroep wenst te komen, in welk geval de memorie de middelen inhoudt, waarop het hoger beroep gegrond is. De memorie wordt als niet ingediend beschouwd, indien de belanghebbende niet bij de indiening bij de griffier heeft vooruitbetaald de kosten van de betekening, zoals ten aanzien van de appellant is bepaald, desverlangd na taxatie door de rechter.
3.
Van de ontvangst van de stukken en van de verklaring dat incidenteel beroep wordt ingesteld, houdt de griffier in voege als voren aantekening in het algemeen register, met uitzondering evenwel van het geval, bedoeld in het tweede lid, laatste volzin.
1.
Nadat de memorie van antwoord is ingekomen, doet de rechter in eerste aanleg onverwijld afschrift daarvan en van de daarbij overgelegde bescheiden, behoudens artikel 273, tweede lid, betekenen aan de eiser in beroep.
2.
Indien bij het antwoord incidenteel beroep is aangetekend, heeft de eiser in beroep een termijn van zes weken na de dag van betekening om op het incidentele beroep bij memorie te antwoorden.
3.
Afschrift van de memorie van antwoord op het incidenteel beroep en van de verdere bescheiden die haar vergezellen, worden met inachtneming van artikel 273 in voege als voren aan de incidenteel-eiser in beroep betekend. Indien de incidenteel-verweerder bij de indiening van de memorie niet aan de griffier de kosten van de betekening, desverlangd na taxatie door de rechter, heeft vooruitbetaald, wordt de memorie als niet ingediend beschouwd.
1.
In hoger beroep kunnen incidentele vorderingen worden gedaan uiterlijk binnen een week nadat de laatste memorie, genoemd in de artikelen 273, 274 en 275, is betekend, dan wel de voor de indiening daarvan gestelde termijn is verstreken.
2.
Ten aanzien van deze conclusies, die ter griffie van het gerecht in eerste aanleg worden ingediend, en de daarbij overgelegde bescheiden wordt gehandeld overeenkomstig de artikelen 273 en 274.
3.
De wederpartij heeft na de dag van betekening van de incidentele conclusie een termijn van twee weken om daarop te antwoorden.
Artikel 276
Uiterlijk binnen twee weken doch niet gedurende de eerste week nadat de laatste van de in deze afdeling bedoelde schrifturen is betekend of de voor de indiening daarvan bepaalde termijn is verstreken, zendt de griffier aan het Hof van Justitie de op de zaak betrekking hebbende stukken, met het in de zaak opgemaakte proces-verbaal en een afschrift van het vonnis, alsmede een uittreksel uit de in het register gehouden aantekening van beroep en de voor het bij artikel 283 bedoelde afschrift van het vonnis van de hogere rechter te bezigen zegels.
1.
Elk der partijen is bevoegd om, totdat de griffier de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het Hof van Justitie toegezonden heeft, in het algemeen register een aantekening te doen houden dat zij wil dat de zaak ter terechtzitting van het Hof wordt bepleit.
2.
Van die aantekening geeft de griffier de wederpartij bij aangetekende dienstbrief kennis.
1.
De artikelen 108 en 109, eerste en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het rechtsgeding in hoger beroep.
2.
De oorspronkelijke verweerder kan nieuwe weren van rechten, een verdediging ten principale opleverende, inbrengen, tenzij dezelfde in het geding in eerste instantie zijn gedekt, waaronder niet begrepen is het geval dat het recht om ten principale te antwoorden ingevolge artikel 120 vervallen is, noch ook het geval dat de onverenigbaarheid van het in hoger beroep gevoerde verweer ten principale met het in eerste aanleg gevoerde het gevolg is van een verandering of vermeerdering in hoger beroep van de eis.
Artikel 279
In hoger beroep zijn de artikelen 122 en 123 van toepassing, met dien verstande dat:
a. de oorspronkelijke gedaagde, eiser wordende in hoger beroep, niet is gehouden tot het stellen van de zekerheid;
b. de gedaagde in hoger beroep daartoe evenmin is gehouden, zelfs niet bij het instellen van incidenteel beroep;
c. de in eerste aanleg gestelde zekerheid ook blijft verbonden voor de kosten van het hoger beroep.
1.
Voor zover uit deze titel dan wel uit een andere wettelijke regeling niet anders voortvloeit, is titel 2 in hoger beroep van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat geen eis in reconventie kan worden ingesteld en geen verzoek tot vrijwaring kan worden gedaan.
2.
Ook artikel 224 is van overeenkomstige toepassing.
3.
Het Hof is bevoegd de behandeling van de rol op te dragen aan een uit zijn midden aangewezen lid.
1.
Indien door partijen of een der partijen het verlangen te kennen is gegeven dat de zaak ter terechtzitting van het Hof wordt bepleit, bepaalt het Hof een dag daartoe. De griffier geeft de partijen daarvan schriftelijk kennis.
2.
Het Hof kan bepalen dat het pleidooi zal geschieden ten overstaan van een uit zijn midden aangewezen lid.
Artikel 281a
Het Hof kan, indien terzake geen middel is voorgesteld, ambtshalve recht doen.
Artikel 281b
Het Hof kan bepalen dat een veroordeling in de kosten geen voldoende belang oplevert voor het hoger beroep.
Artikel 282
Indien het hoger beroep van een vonnis waarbij de rechter in eerste aanleg aan een beslissing van het bodemgeschil niet is toegekomen, leidt tot een uitspraak die meebrengt dat zodanige beslissing alsnog moet worden genomen, verwijst het Hof de zaak daartoe naar dezelfde rechter, dan wel, indien de zaak ter kennisneming staat van een andere rechter in eerste aanleg, naar deze laatste, tenzij partijen verlangen dat het Hof de hoofdzaak zal afdoen, of het Hof daartoe termen aanwezig acht op grond dat het geding in die staat is dat daarover bij een en hetzelfde eindvonnis kan worden beslist.
1.
Het vonnis van de hogere rechter wordt in de gewone vormen opgemaakt en uitgesproken.
2.
De griffier van het Hof zendt terstond een afschrift van het vonnis met de processtukken aan de eerste rechter.
Artikel 284
Alle beslissingen van het Hof in hoger beroep worden steeds beschouwd als op tegenspraak te zijn gewezen.
Artikel 285
De griffier van het Hof houdt in een daartoe bestemd register nauwkeurig aantekening van de zaken die in hoger beroep van vonnissen worden aanhangig gemaakt. De aantekening bevat de namen van partijen en de dagtekening van het beklaagde vonnis, van het daartegen ingestelde beroep, van de incidentele vonnissen en van het in hoger beroep gewezen eindvonnis.
1.
Zodra de uitspraak van de rechter in hoger beroep bij het gerecht in eerste aanleg is ontvangen, geeft de griffier van het gerecht in eerste aanleg bij aangetekende dienstbrief aan partijen kennis dat die uitspraak bij hem is ingekomen. Elke partij is bevoegd om, zolang het afschrift ter griffie berust, daarvan inzage te nemen en daarvan op haar kosten een door de griffier gewaarmerkt afschrift te vorderen.
2.
Van de beslissingen in hoger beroep wordt aantekening gehouden in het algemeen register.
Artikel 287
Derden zijn bevoegd om zich te verzetten tegen een vonnis dat hun rechten benadeelt, indien zij noch in persoon, noch wettig vertegenwoordigd, of indien degenen die zij vertegenwoordigen, niet in het rechtsgeding zijn geroepen, of niet door voeging of tussenkomst partij zijn geweest.
Artikel 288
Dit verzet wordt gedaan door middel van een verzoekschrift aan de rechter die het vonnis heeft gewezen en het verzet beoordelen moet. Deze rechter doet de partijen tussen wie het vonnis is gevallen, oproepen ten einde terzake te worden gehoord.
Artikel 289
Indien zodanig vonnis aan een derde is tegengeworpen in een rechtsgeding en het verzet daartegen is ingesteld op de voet van artikel 288, staat het aan de rechter voor wie dat rechtsgeding aanhangig is, vrij om, indien daartoe gronden bestaan, de schorsing van het rechtsgeding toe te staan, totdat op het ingestelde verzet zal zijn beslist.
Artikel 290
De rechter die over een verzet van derden oordeelt, is bevoegd om, indien daartoe gronden bestaan, de uitvoering van het aangevallen vonnis te schorsen, totdat op het verzet zal zijn beslist.
Artikel 291
Bij wettiging van het verzet wordt het vonnis waartegen dit gericht is geweest, alleen in zoverre verbeterd, als het de rechten van de in verzet gekomen derde heeft benadeeld, tenzij het onsplitsbare van de gevallen beslissing een gehele vernietiging daarvan noodzakelijk maakt.
Artikel 382
Een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, kan op vordering van een partij worden herroepen indien:
a. het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd,
b. het berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of
c. de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.
1.
Het rechtsmiddel moet worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. De termijn vangt niet aan dan nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
2.
Indien de partij die gronden heeft de herroeping te vorderen binnen die termijn is overleden, is artikel 266 van overeenkomstige toepassing.
1.
De vordering tot herroeping wordt gebracht voor de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld.
2.
Indien de Hoge Raad na vernietiging ten principale recht heeft gedaan, wordt de vordering gebracht voor het Hof van Justitie.
Artikel 385
Het geding wordt ingeleid met een verzoekschrift dat voldoet aan de eisen van artikel 6 en wordt verder gevoerd op de wijze als in titel 2 is bepaald.
Artikel 386
De vordering tot herroeping schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis niet. De rechter die over de herroeping oordeelt, kan evenwel desgevorderd, bij voorlopige voorziening de tenuitvoerlegging schorsen.
Artikel 387
De rechter die de voor herroeping aangevoerde grond of gronden juist bevindt, heropent het geding geheel of gedeeltelijk. Hij geeft partijen gelegenheid hun stellingen en verweren te wijzigen en aan te vullen.
1.
Het vonnis waarbij het geding is heropend, schorst de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis in zoverre.
2.
De beslissing inzake de heropening van het geding is niet vatbaar voor hoger beroep. Een vordering tot herroeping kan daartegen evenmin worden ingesteld.
Artikel 389
Indien de rechter met betrekking tot het geding voor zover het is heropend, tot een ander oordeel komt, doet hij daarin opnieuw uitspraak met herroeping in zoverre van het bestreden vonnis.
Artikel 429a
Voor zover uit de wet niet anders voortvloeit, is deze titel van toepassing op alle zaken waarin de rechter op schriftelijk verzoek of ambtshalve een beschikking geeft, onverminderd hetgeen voor zaken betreffende het personen- en familierecht is bepaald in titel 6 van Boek 3.
1.
Een beschikking wordt gegeven in de zaken ten aanzien waarvan dit uit de wet voortvloeit.
2.
In zaken betreffende een arbeidsovereenkomst, een agentuurovereenkomst of een collectieve arbeidsovereenkomst wordt een beschikking gegeven.
Artikel 429ba
Aan de rechter komt geen rechtsmacht toe, indien het verzoek onvoldoende aanknoping met de rechtssfeer hier te lande heeft.
1.
Tenzij de wet anders bepaalt, is bevoegd:
a. de rechter in eerste aanleg van de woonplaats van hetzij de verzoeker of één van de verzoekers, hetzij één van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden, dan wel, als zodanige woonplaats hier te lande niet bekend is, de rechter in eerste aanleg van het werkelijk verblijf van één van hen;
b. Indien het verzoek betrekking heeft op een ingevolge titel 1 ingeleid of in te leiden geding, de rechter die bevoegd is van dat geding kennis te nemen, tenzij het verzoek niet behoort tot diens absolute bevoegdheid.
2.
In zaken die uitsluitend betreffen de aanvulling van een register van de burgerlijke stand of de inschrijving, doorhaling of wijziging daarin van een akte of latere vermelding, is bevoegd de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de akte is of moet worden opgenomen. In zaken in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba betreffende een akte die is of moet worden opgenomen in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage is bevoegd de rechter van de woonplaats van de verzoeker of één van de verzoekers.
3.
In zaken betreffende minderjarige kinderen is bevoegd de rechter in eerste aanleg van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats hier te lande, van het werkelijk verblijf van de minderjarige.
4.
In zaken betreffende curatele, onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen of mentorschap is bevoegd de rechter in eerste aanleg van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats hier te lande, van het werkelijk verblijf van degene wiens curatele onderscheidenlijk goederen of mentorschap het betreft.
5.
In zaken van afwezigheid of vermissing is bevoegd de rechter in eerste aanleg van de verlaten woonplaats van de afwezige of vermiste. Ten aanzien van de verklaring dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat en ten aanzien van de vaststelling van overlijden in de gevallen bedoeld in artikel 426 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, is in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevoegd de rechter in eerste aanleg te Bonaire.
6.
In zaken betreffende nalatenschappen is mede bevoegd de rechter in eerste aanleg van de laatste woonplaats van de overledene.
7.
In zaken betreffende een arbeidsovereenkomst, een agentuurovereenkomst of een collectieve arbeidsovereenkomst is mede bevoegd de rechter in eerste aanleg van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt of laatstelijk gewoonlijk werd verricht.
8.
Wijzen de vorige leden in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba geen bevoegde rechter aan, dan is de rechter in eerste aanleg te Curaçao bevoegd.
Artikel 429ca
Oproepingen geschieden door de griffier bij aangetekende brief, tenzij de rechter in eerste aanleg anders bepaalt.
Artikel 429cb
Oproepingen die bij brief geschieden, vermelden de dag van de verzending. Deze vermelding geschiedt niet slechts op de envelop.
Artikel 429cc
Indien de griffier een bij aangetekende brief verzonden oproeping terug ontvangt en hem blijkt dat de geadresseerde op de dag van verzending of uiterlijk twee weken nadien in de daartoe bestemde registers ingeschreven stond op het op de oproeping vermelde adres, verzendt hij de oproeping onverwijld bij gewone brief. In de overige gevallen waarin de griffier de oproeping terug ontvangt, verbetert de griffier, indien mogelijk, het op de oproeping vermelde adres en verzendt hij de oproeping opnieuw bij aangetekende brief, tenzij de rechter in eerste aanleg anders bepaalt.
Artikel 429cd
Oproepingen vermelden de plaats, de dag en het uur van de terechtzitting. Zij worden zo spoedig mogelijk en ten minste twee weken voor die dag verzonden, tenzij de rechter in eerste aanleg anders bepaalt.
1.
Het verzoekschrift vermeldt de voornamen, naam en woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats hier te lande, het werkelijk verblijf van de verzoeker, alsmede een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust. In zaken betreffende een nalatenschap vermeldt het verzoekschrift tevens de laatste woonplaats van de overledene of de reden waarom deze vermelding niet mogelijk is.
2.
Het verzoekschrift wordt ondertekend en ter griffie ingediend. De griffier tekent op het verzoekschrift en op de afschriften de dag van ontvangst aan. Bij de indiening van het verzoekschrift worden, voor zover nodig, overgelegd de bescheiden die kunnen dienen tot bewijs van de gestelde feiten. Eveneens worden de nodige afschriften van het verzoekschrift en de bescheiden overgelegd.
3.
Indien een advocaat of zaakwaarnemer het verzoekschrift indient, geldt zijn kantoor als gekozen woonplaats van de verzoeker.
4.
De artikelen 110, tweede lid, en 112 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
De rechter in eerste aanleg bepaalt, tenzij hij zich aanstonds onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst, onverwijld dag en uur waarop de behandeling aanvangt. Hij gelast tevens oproeping van de verzoeker en, voor zover nodig, van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden. Bovendien kan hij te allen tijde belanghebbenden, bekende of onbekende, doen oproepen.
2.
De oproepingen, behalve die van de verzoeker, gaan vergezeld van een afschrift van het verzoekschrift, tenzij een oproeping op andere wijze dan bij brief of exploot geschiedt, of de rechter anders bepaalt; in deze gevallen bevat de oproeping een korte omschrijving van het verzoek.
3.
De opgeroepene verschijnt in persoon of bij een gemachtigde. De rechter kan verschijning in persoon gelasten.
4.
De opgeroepene die in persoon verschijnt, mag zich door een raadsman doen bijstaan.
5.
Indien de behandeling van een zaak wordt aangehouden, blijft een hernieuwde oproeping van diegenen, aan wie de dag en het uur reeds mondeling ter terechtzitting waren medegedeeld, achterwege.
Artikel 429g
De behandeling geschiedt ter openbare terechtzitting, maar de rechter in eerste aanleg kan gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren bevelen in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of ’s lands veiligheid, indien de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van de verzoeker of van belanghebbenden dit eisen, of indien zulks strikt noodzakelijk wordt geacht onder bijzondere omstandigheden waarin behandeling ter openbare terechtzitting de belangen van de rechtspraak zou schaden.
1.
Iedere belanghebbende kan tot de aanvang van de behandeling of, indien de rechter in eerste aanleg dit toestaat, in de loop van de behandeling een verweerschrift indienen. Artikel 429d is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, indien de rechter zulks bepaalt, indiening van een verweerschrift in de loop van de behandeling kan geschieden ter terechtzitting onder verstrekking van een afschrift aan de verzoeker en de andere opgeroepen belanghebbenden.
2.
Het verweerschrift en de overgelegde bescheiden gaan vergezeld van de nodige afschriften. De griffier tekent op het verweerschrift en op de afschriften de dag van ontvangst aan. Tenzij de indiening overeenkomstig het eerste lid ter terechtzitting plaatsvindt, zendt de griffier onverwijld een afschrift aan de verzoeker en aan de andere opgeroepen belanghebbenden.
3.
De griffier roept, voor zover dat nog niet is geschied, hen die verweerschriften hebben ingediend op tegen de dag van de behandeling.
4.
Het verweerschrift mag een zelfstandig verzoek bevatten, mits dit betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek. De rechter kan aan de verzoeker en de overige belanghebbenden gelegenheid geven tegen dit zelfstandig verzoek een verweerschrift in te dienen.
Artikel 429i
Zolang de rechter in eerste aanleg nog geen eindbeschikking heeft gegeven, is de verzoeker bevoegd het verzoek of de gronden daarvan schriftelijk te verminderen, veranderen of te vermeerderen. Artikel 109 is van overeenkomstige toepassing.
1.
Titel 2, afdeling 4 tot en met afdeling 8B zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de procedure zich hiertegen verzet.
2.
Indien de rechter in eerste aanleg een getuigenverhoor beveelt, kan hij ook door hem aangewezen personen als getuigen doen oproepen. In dit geval kan de oproeping door de griffier geschieden.
3.
Het verschoningsrecht komt aan de in artikel 144, tweede lid, onderdeel a, genoemde personen niet toe in procedures omtrent de toepassing van de voorschriften van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek , vervat in de titels 5 en 9 tot en met 20, en van die, vervat in titel 6, voor zover het betreft gedingen tussen echtgenoten. Evenwel kunnen ouders en kinderen van de echtgenoten zich in gedingen tot echtscheiding en tot scheiding van tafel en bed verschonen.
4.
De overeenkomstige toepassing van de artikelen 174 en 174c vindt aldus plaats, dat de daarin bedoelde voorschotheffing, tenuitvoerlegging of voorlopige indebetstelling geschiedt ten laste van de belanghebbende die het verzoekschrift heeft ingediend, dan wel mede of uitsluitend ten laste van een of meer andere door de rechter aangewezen belanghebbenden.
1.
De rechter kan, onder aanhouding van de zaak, partijen opdragen hun geschil voor te leggen aan een conflictbemiddelaar.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter zake van deze bemiddeling.
Artikel 429jb
De artikelen 121a en 121b zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
De rechter in eerste aanleg bepaalt na afloop van de behandeling de dag waarop hij uitspraak zal doen en deelt deze dag aan de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden mede. Op verlangen van de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden kan de rechter de uitspraak uitstellen.
2.
De beschikking wordt in het openbaar uitgesproken. De artikelen 48b, 48c, 52, 66 en 66a zijn van overeenkomstige toepassing, alsmede, tenzij de geboden spoed daaraan in de weg staat, artikel 46, vijfde lid.
3.
De beschikking moet, tenzij uit de wet anders voortvloeit, met redenen zijn omkleed. De rechter kan haar uitvoerbaar bij voorraad verklaren, met of zonder zekerheidstelling, en een veroordeling in de proceskosten uitspreken.
Artikel 429l
De verzoeker en iedere belanghebbende hebben recht op inzage en afschrift van het verzoekschrift, de verweerschriften, de op de zaak betrekking hebbende bescheiden, de processen-verbaal en de beschikkingen.
1.
De rechter in eerste aanleg kan, indien een verzoekschrift over hetzelfde of een verknocht onderwerp reeds bij een andere rechter in eerste aanleg is ingediend, de verwijzing naar die andere rechter bevelen. Een verzoek daartoe kan worden gedaan tot de aanvang van de behandeling. De griffier zendt een afschrift van de beschikking, alsmede het verzoekschrift en de overige stukken van het geding, ter verdere behandeling aan de rechter naar wie is verwezen.
2.
Indien bij dezelfde rechter meer verzoekschriften over hetzelfde of een verknocht onderwerp zijn ingediend, kan de voeging daarvan worden bevolen. Een verzoek daartoe kan worden gedaan tot het einde van de behandeling.
1.
Van de eindbeschikking staat, behoudens berusting, hoger beroep open.
2.
Door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen zes weken, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen zes weken na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend geworden is. Bij het beroepschrift worden zoveel afschriften gevoegd als er anderen dan hij in eerste aanleg zijn opgeroepen.
3.
Van tussenbeschikkingen is afzonderlijk hoger beroep niet toegelaten, tenzij het Hof van Justitie anders bepaalt. De artikel 263a en 269 zijn van overeenkomstige toepassing.
4.
Indien hoger beroep is ingesteld, kan ondanks het verstrijken van de in de eerste volzin van het tweede lid genoemde termijn en ondanks berusting ieder van de aldaar genoemde personen alsnog bij verweerschrift incidenteel hoger beroep instellen.
1.
Hoger beroep wordt ingesteld door indiening van een verzoekschrift ter griffie van de rechter in eerste aanleg die de beschikking heeft gegeven. Artikel 270 is van overeenkomstige toepassing. De appellant geeft naam en woonplaats op van hen die in eerste aanleg zijn verschenen of bij name opgeroepen. De appellant is bevoegd de middelen waarop het hoger beroep gegrond is voor te dragen. Overigens vindt artikel 429d toepassing.
2.
De griffier zendt dit verzoekschrift met een afschrift van de beroepen beschikking en van de bij het verzoekschrift overgelegde bescheiden onverwijld aan de griffier van het Hof.
3.
Artikel 285 is van overeenkomstige toepassing.
1.
Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
2.
Deze uitvoerbaarverklaring bij voorraad kan ook in hoger beroep geschieden. Niettegenstaande de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in eerste aanleg kan het Hof van Justitie schorsing van de werking bevelen.
1.
Het Hof van Justitie bepaalt dag en uur waarop de behandeling aanvangt. Het gelast tevens oproeping van de appellant, van de verzoeker in eerste aanleg en van de in eerste aanleg in de procedure verschenen belanghebbenden. Bovendien kan het te allen tijde belanghebbenden, bekende of onbekende, doen oproepen.
2.
Indien aangaande dezelfde beschikking meer beroepschriften zijn ingediend, kan voeging worden bevolen.
3.
Iedere belanghebbende kan een verweerschrift indienen ter griffie van het Hof. Door belanghebbenden die in hoger beroep zijn opgeroepen, moet het verweerschrift worden ingediend binnen zes weken na de toezending aan hen van een afschrift van het beroepschrift, tenzij het Hof anders bepaalt.
4.
Indien een belanghebbende incidenteel hoger beroep heeft ingesteld, kunnen de appellant en de in hoger beroep opgeroepen belanghebbenden daartegen binnen zes weken na de toezending aan hen van een afschrift van het verweerschrift waarbij dit incidenteel hoger beroep is ingesteld, een verweerschrift indienen, tenzij het Hof anders bepaalt.
5.
Afdeling 3 en de artikelen 429f, derde tot en met vijfde lid, 429g, 429h, eerste, tweede en derde lid, en 429i tot en met 429l vinden overeenkomstige toepassing. Het Hof kan bepalen dat de behandeling geheel of gedeeltelijk zal geschieden door een uit zijn midden aangewezen lid.
6.
De artikelen 281a en 281b zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Een beschikking kan op verzoek van de oorspronkelijke verzoeker een belanghebbende worden herroepen op de gronden genoemd in artikel 382, tenzij de aard van de beschikking zich daartegen verzet.
2.
De artikelen 382 tot en met 384 en 386 tot en met 389 zijn van overeenkomstige toepassing. Overigens wordt het verzoek tot herroeping behandeld op de wijze als in deze titel is bepaald.
1.
De grossen van hier te lande gewezen vonnissen, van beschikkingen van de rechter hier te lande en van hier te lande verleden authentieke akten, alsmede van andere bij de wet als executoriale titel aangewezen stukken, kunnen hier te lande worden ten uitvoer gelegd.
2.
Zij moeten aan het hoofd voeren de woorden: In naam van de Koning.
3.
Zij kunnen niet worden ten uitvoer gelegd dan na betekening aan de partij tegen wie de executie zich zal richten.
1.
Behoudens de artikelen 985 tot en met 994 kunnen noch beslissingen, door vreemde rechters gegeven, noch in het buitenland verleden authentieke akten hier te lande ten uitvoer worden gelegd.
2.
De gedingen kunnen opnieuw bij de rechter hier te lande worden behandeld en afgedaan.
Artikel 431a
Indien de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een executoriale titel op een ander overgaat, kan de executie eerst worden aangevangen of voortgezet na betekening van deze overgang aan de geëxecuteerde.
Artikel 432
Geen vonnis waarvan de voorlopige tenuitvoerlegging niet is toegestaan, kan tegen een derde worden ten uitvoer gelegd, noch kan daaraan door die derde worden voldaan, dan acht dagen na betekening daarvan aan de partij die in het ongelijk is gesteld, en met overlegging van een verklaring van de griffier van het gerecht in eerste aanleg dat het bestreden vonnis heeft uitgesproken dat er in zijn registers geen verzet daartegen is aangetekend, onderscheidenlijk van de griffier van het Hof van Justitie dat geen hoger beroep of cassatie is aangetekend.
Artikel 433
De partij die beroep in cassatie heeft ingesteld, heeft de bevoegdheid om daarvan, indien zulks nog niet is geschied, ter griffie van het Hof van Justitie, in het daartoe bestemde register, aantekening te doen houden, met vermelding van de namen van de partijen, de dagtekening van het vonnis en die van het beroep in cassatie.
Artikel 434
De overhandiging van de executoriale titel waarvan men de uitvoering verlangt, aan de deurwaarder, machtigt hem in die zaak tot het doen van de gehele executie, uit die titel voortvloeiende, met uitzondering van die bij lijfsdwang, waartoe een bijzondere volmacht vereist wordt.
1.
Een executant kan tegelijkertijd beslag leggen op alle voor beslag vatbare goederen waartoe hij bevoegd is zijn vordering te verhalen.
2.
Hij is verplicht een beslag dat strekt tot verhaal op een goed dat aan een ander dan de schuldenaar toebehoort, en dat ten laste van die ander wordt gelegd, binnen acht dagen aan de schuldenaar te betekenen.
3.
Wordt een beslag van de in het tweede lid bedoelde strekking ten laste van de schuldenaar gelegd, dan is de beslaglegger verplicht het binnen acht dagen aan de ander te betekenen of, zo hij diens recht niet kent, onverwijld nadat hij van dat recht kennis heeft gekregen. Indien de ander, voordat acht dagen na deze betekening zijn verstreken, schriftelijk aan de deurwaarder meedeelt zich tegen het verhaal op zijn goed te verzetten, geldt het beslag jegens hem slechts als conservatoir en kan de executie jegens hem slechts plaatsvinden uit hoofde van een tegen hem verkregen executoriale titel om deze executie te dulden.
Artikel 436
Voor de openbare dienst bestemde goederen zijn niet vatbaar voor beslag.
Artikel 437
Hetgeen omtrent de executie van een goed is bepaald, is van overeenkomstige toepassing op de executie van een beperkt recht op of een aandeel in een zodanig goed.
1.
Geschillen die in verband met een executie rijzen, worden gebracht voor de rechter in eerste aanleg die naar de gewone regels bevoegd zou zijn, of in wiens rechtsgebied de inbeslagneming plaatsvindt, zich een of meer van de betrokken zaken bevinden of de executie zal geschieden.
2.
Tot het verkrijgen van een voorziening bij voorraad kan het geschil ook worden gebracht in kort geding voor de volgens het eerste lid bevoegde rechter in eerste aanleg. Onverminderd zijn overige bevoegdheden, kan de rechter in eerste aanleg, desgevorderd, de executie schorsen voor een bepaalde tijd of totdat op het geschil zal zijn beslist, dan wel bepalen dat de executie slechts tegen zekerheidstelling mag plaatsvinden of worden voortgezet. Hij kan beslagen, al of niet tegen zekerheidstelling, opheffen. Hij kan gedurende de executie herstel bevelen van verzuimde formaliteiten, met bepaling welke op het verzuim gevolgde formaliteiten opnieuw moeten worden verricht en ten laste van wie de kosten daarvan zullen komen. Hij kan bepalen dat een in het geding geroepen derde de voortzetting van de executie moet gedogen, dan wel zijn medewerking daaraan moet verlenen, al dan niet tegen zekerheidstelling door de executant.
3.
Voor zover de zaak zich niet leent voor behandeling in kort geding, kan de rechter in eerste aanleg in plaats van de vordering af te wijzen de zaak op verlangen van de eiser verwijzen naar de gewone terechtzitting. Op verlangen van de eiser kan de rechter in eerste aanleg tevens bepalen dat voor het vervolg artikel 114 van toepassing zal zijn. Tegen een gedaagde die op voormeld tijdstip niet verschijnt en ook in het kort geding niet bij advocaat, zaakwaarnemer of deurwaarder is verschenen, wordt slechts verstek verleend, zo hij tegen dit tijdstip bij exploot is opgeroepen met inachtneming van de voor oproeping voorgeschreven termijn, dan wel van de termijn die op verlangen van de eiser door de rechter in eerste aanleg bepaald is.
4.
De deurwaarder die met de executie is belast en daarbij op een bezwaar stuit dat een onverwijlde voorziening nodig maakt, kan zich met een daarvan door hem opgemaakt proces-verbaal bij de rechter in eerste aanleg vervoegen ten einde deze in kort geding tussen de betrokken partijen te doen beslissen. De rechter in eerste aanleg houdt de behandeling aan tot de partijen zijn opgeroepen, tenzij hij, gelet op de aard van het bezwaar, een onmiddellijke beslissing geboden acht. De deurwaarder die zijn voormelde bevoegdheid zonder instemming van de executant uitoefent, kan persoonlijk in de kosten worden veroordeeld, indien deze uitoefening nodeloos was.
5.
In geval van verzet tegen de executie door een derde wordt zowel de executant als de geëxecuteerde opgeroepen.
1.
In zaken betreffende een executie waarin volgens de titels 2 en 3 van dit Boek of titel 9 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek een beschikking wordt gegeven, is bevoegd de rechter in eerste aanleg in wiens rechtsgebied de te executeren zaken zich geheel of grotendeels bevinden of de executie zal geschieden.
2.
De indiening van verzoekschriften krachtens de artikelen 459, derde lid, 461b, 462, tweede lid, 463, derde lid, 463a, 465, 481, eerste lid, 496, tweede lid, en 506, tweede lid, kan ook door een deurwaarder geschieden. Hetzelfde geldt voor een verzoekschrift krachtens artikel 234, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, indien de executie door een pandhouder geschiedt, of krachtens artikel 251 van dat Boek. Indien een deurwaarder het verzoekschrift indient, geldt zijn kantoor als gekozen woonplaats van de verzoeker.
Artikel 438b
Voor zover de executie andere handelingen vergt dan het doen van een exploot, is artikel 15 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing van het derde lid van dat artikel de plaats waar de handeling moet worden verricht bepalend is.
1.
Het beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn, wordt voorafgegaan door een exploot van een deurwaarder, houdende bevel om binnen twee dagen aan de executoriale titel te voldoen. Eerst na verloop van die termijn kan het beslag worden gelegd. Indien daartoe gronden zijn, kan de rechter in eerste aanleg, ook op mondeling verzoek van de deurwaarder, die termijn inkorten.
2.
Indien bij het betekenen van de executoriale titel tevens het voorgeschreven bevel is gedaan, wordt geen afzonderlijk bevel vereist.
3.
Bij het bevel of de betekening moet de executant tot het einde van de executie woonplaats kiezen ten kantore van de deurwaarder, op straffe van nietigheid van het exploot. Tevens kan woonplaats worden gekozen hier te lande ten kantore van een advocaat.
1.
Het beslag wordt gelegd bij een exploot van een deurwaarder, dat, behalve de gewone formaliteiten, op straffe van nietigheid inhoudt:
a. de vermelding van de voornamen, naam en woonplaats van de executant en de naam, en zonodig de voornamen, en woonplaats van de geëxecuteerde;
b. de vermelding van de executoriale titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd;
c. indien het beslag wordt gelegd buiten het rechtsgebied waarin overeenkomstig artikel 439, derde lid, woonplaats is gekozen: een keuze van woonplaats ten kantore van de deurwaarder die het beslag legt.
2.
De deurwaarder kan zich doen bijstaan door een of twee getuigen, wier naam en woonplaats hij in dat geval in het proces-verbaal zal vermelden, en die dat stuk mede zullen tekenen.
1.
Het beslag kan slechts worden gedaan voor een vordering waarvan het geldelijk beloop bepaalbaar is.
2.
Indien de vordering niet is vereffend, worden na het beslag alle verdere vervolgingen gestaakt, totdat de vereffening is geschied.
1.
De deurwaarder gaat dadelijk, of uiterlijk op de volgende dag, over tot de meer bijzondere aanduiding van de zaken die hij in beslag neemt, en beschrijft deze op het door hem daarvan onverwijld op te maken proces-verbaal nauwkeurig met opgave van hun getal, gewicht en maat overeenkomstig hun aard. Het proces-verbaal wordt binnen drie dagen na de inbeslagneming betekend aan de geëxecuteerde en, als er een bewaarder is, ook aan deze.
2.
De executant mag bij de inbeslagneming niet tegenwoordig zijn dan in geval de deurwaarder zulks ter aanwijzing van de in beslag te nemen zaken noodzakelijk acht.
1.
De deurwaarder heeft ter inbeslagneming toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
2.
Indien de deuren gesloten zijn, of de opening daarvan geweigerd wordt, gelijk mede indien geweigerd wordt enige kamer of stuk huisraad te openen, alsmede wanneer bij niet-tegenwoordigheid van de geëxecuteerde er niemand gevonden wordt om hem te vertegenwoordigen, zal de deurwaarder zich vervoegen bij de rechter in eerste aanleg, in wiens tegenwoordigheid de opening van de deuren en van het huisraad zal worden gedaan voor zover dat redelijkerwijs nodig is. De rechter in eerste aanleg kan zich doen vertegenwoordigen door een politieambtenaar die tevens hulpofficier van justitie is. Van de tegenwoordigheid van deze ambtenaar en van hetgeen in zijn bijzijn, uit kracht van dit artikel en de artikelen 444a tot en met 445, is verricht, wordt melding gemaakt in het proces-verbaal van beslag.
1.
Indien er redelijk vermoeden bestaat, dat in beslag te nemen zaken zich bevinden op een plaats, van een derde gehuurd of op andere wijze in gebruik verkregen, zodanig dat voor de toegang de medewerking van de derde nodig blijft, zal de deurwaarder in geval van weigering van de geëxecuteerde of de derde om de deuren die tot de plaats toegang geven, te openen, handelen op de wijze, in artikel 444 bepaald. Met weigering staat gelijk afwezigheid na behoorlijke sommatie om persoonlijk of bij gemachtigde te verschijnen om de deuren te openen. De deurwaarder kan inmiddels door een bewaarder beletten dat van de plaats iets wordt weggenomen.
2.
De derde is gehouden de deurwaarder op vertoon van de titel uit krachte waarvan het beslag wordt gelegd, aanwijzing te doen van de verhuurde of op andere wijze in gebruik gegeven ruimte.
3.
Personen die een bedrijf maken van het verhuren of op andere wijze in gebruik geven, als bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn verplicht desgewenst de deurwaarder inzage te geven van het register of de stukken, waarin de gebruikers zijn vermeld.
4.
Van het ogenblik dat de deurwaarder zich tot de derde heeft gewend om tot de inbeslagneming ingevolge dit artikel te komen, verleent de derde de geëxecuteerde geen toegang meer tot de ruimte dan in tegenwoordigheid van de deurwaarder.
1.
Indien de derde niet voldoet aan enige hem bij artikel 444a, tweede, derde en vierde lid, opgelegde verplichting, kan hij worden veroordeeld tot voldoening van het bedrag van de vordering waarvoor het beslag wordt gelegd, met rente en kosten.
2.
De schade die de derde lijdt door het openbreken der deuren, wordt hem, indien dit niet aan hem te wijten is, vergoed door de executant, behoudens het verhaal van deze op de geëxecuteerde, indien daartoe gronden aanwezig zijn. De derde kan verlangen dat, alvorens tot het openmaken der deuren wordt overgegaan, zekerheid wordt gesteld voor de voldoening van de hem verschuldigde schadevergoeding.
3.
De deurwaarder en de politieambtenaar, bedoeld in artikel 444, tweede lid, zijn tot geheimhouding verplicht nopens de inhoud van het register en de stukken, bedoeld in artikel 444a, derde lid, behoudens wat de geëxecuteerde betreft, voor zover niet anders is vereist voor een behoorlijke vervulling van hun taak te dezen.
Artikel 445
Indien er bij de inbeslagneming gereed geld wordt gevonden, wordt het getal en de geldsoort vermeld; de deurwaarder geeft het geld, alsmede alle aandeelbewijzen, effecten en verder geldswaarde hebbend papier, aan een door hem aan te wijzen, ingevolge de Wet financiële markten BES in het register financiële markten ingeschreven kredietinstelling aan een door zodanige kredietinstelling gegarandeerd effectenbewaarbedrijf of aan de centrale bank in gerechtelijke bewaring, tenzij de executant en geëxecuteerde een andere plaats van bewaring zijn overeengekomen. De bewaring geschiedt ten name van de deurwaarder onder vermelding van het beslag, van de executant en van de geëxecuteerde.
1.
De deurwaarder kan ook andere zaken dan die, bedoeld in artikel 445, aan een door hem aan te wijzen geschikte bewaarder in gerechtelijke bewaring geven, indien dit voor het behoud van deze zaken redelijkerwijs noodzakelijk is. Artikel 445, tweede volzin, is van toepassing.
2.
De deurwaarder maakt van de inbewaringgeving een afzonderlijk proces-verbaal op, dat binnen drie dagen na de inbewaringgeving wordt betekend aan de geëxecuteerde en aan de bewaarder.
Artikel 447
Geen beslag op roerende zaken mag, uit welken hoofde ook, gedaan worden op:
a. het nodige bed en beddegoed van de geëxecuteerde en de inwonende leden van zijn gezin en op de kleren waarmee zij gekleed en gedekt zijn;
b. de gereedschappen van ambachtslieden en werklieden, tot hun persoonlijk bedrijf behorende;
c. de in het huis voorhanden zijnde voorraad van spijs en drank, dienende tot de behoefte van het huisgezin gedurende een maand;
d. het ingevolge artikel 642c ter griffie van het gerecht in eerste aanleg gestorte bedrag.
1.
Evenmin kan beslag worden gelegd op de boeken die de geëxecuteerde nodig heeft voor zijn beroep, en op de werktuigen en gereedschappen, dienend tot enig onderwijs of de beoefening van kunsten en wetenschappen, telkens tot een algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag en te zijner keuze.
2.
De in het eerste lid bedoelde zaken kunnen wel in beslag worden genomen voor vorderingen:
a. wegens levensbehoeften, verstrekt aan de geëxecuteerde en de inwonende leden van zijn gezin;
b. ter zake van de vervaardiging of het herstel van deze zaken of de verkoop daarvan aan de geëxecuteerde.
Artikel 449
Dag en uur van de verkoop van de in beslag genomen zaken worden aan de geëxecuteerde betekend, hetzij te zamen met het proces-verbaal van inbeslagneming, hetzij binnen drie dagen na de betekening daarvan.
1.
Indien beesten of werktuigen voor de landbouw of vruchten te velde die reeds van de grond zijn afgescheiden, in beslag zijn genomen, kan de rechter in eerste aanleg, op verzoek van de executant en na verhoor of behoorlijke oproeping van de geëxecuteerde, een geschikte persoon aanstellen ten einde voor de nodige bedrijfsvoering, verzorging of inzameling zorg te dragen.
2.
Tegen een toewijzende beschikking krachtens het eerste lid staat geen hoge