Wetboek van Strafvordering BES
Artikel 1
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende nadere regelingen en uitvoeringsvoorschriften wordt verstaan onder:
aanbieder van een communicatiedienst: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de uitoefening van een beroep of bedrijf aan de gebruikers van zijn dienst de mogelijkheid biedt te communiceren met behulp van een geautomatiseerd werk, of gegevens verwerkt of opslaat ten behoeve van een zodanige dienst of de gebruikers van die dienst;
beschikkingen: de niet op de terechtzitting gegeven beslissingen;
commandant: de bevelhebber van een oorlogsschip of een militair luchtvaartuig van het Koninkrijk;
einduitspraken: de uitspraken tot verklaring van onbevoegdheid, niet-ontvankelijkheid of nietigheid van de dag vaarding, en die welke na afloop van het gehele onderzoek op de terechtzitting over de zaak worden gedaan;
gebruiker van een communicatiedienst: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die met de aanbieder van een communicatiedienst een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot het gebruik van die dienst of die feitelijk gebruik maakt van een zodanige dienst;
gegevens: iedere weergave van feiten, begrippen of instructies, op een overeengekomen wijze, geschikt voor overdracht, interpretatie of verwerking door personen of geautomatiseerde werken;
gezagvoerder van een luchtvaartuig: elke gezagvoerder van een Nederlands burgerlijk luchtvaartuig of degene die deze vervangt;
Hof van Justitie en Hof: Hof van Justitie en Hof: het Gemeenschappelijk Hof, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie;
huiszoeking: het gericht en stelselmatig onderzoeken van een plaats als bedoeld in de artikelen 144 en 145 van het Wetboek van Strafrecht BES, op de aanwezigheid van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen;
hulpofficieren van justitie: de in artikel 191 bedoelde personen;
inbeslagneming: het onder zich nemen of gaan houden van voorwerpen of vorderingen ten behoeve van de strafvordering;
installatie ter zee: elke installatie buiten Bonaire, Sint Eustatius en Saba opgericht op de bodem van de territoriale zee of dat deel van de Caribische zee of de Atlantische Oceaan, waarvan de grenzen samenvallen met die van het aan genoemde eilanden toekomende gedeelte van het continentale plat;
Nederlands schip: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 88 van het Wetboek van Strafrecht BES;
opsporingsambtenaren: alle personen die overeenkomstig de artikelen 184 en 185 met de opsporing van strafbare feiten zijn belast, alsmede de leden van het openbaar ministerie, indien zij van hun opsporingsbevoegdheid gebruik maken;
opsporingsonderzoek: het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen;
opvarende: degene, niet zijnde de schipper, die zich aan boord van een Nederlands schip bevindt, ook indien hij buiten Bonaire, Sint Eustatius en Saba het schip gedurende de reis tijdelijk verlaat, alsmede degene, niet zijnde de schipper, die zich op een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen installatie ter zee bevindt;
ouders: de ouders die de ouderlijke macht of de voogdij over de minderjarige uitoefenen;
persoon: zowel de natuurlijke als de rechtspersoon;
raadsman: de advocaat van een verdachte;
rechterlijke beslissingen: zowel de beschikkingen als de uitspraken;
rechtstaal: de gebezigde taal die in het rechtsgebied als officiële taal is toegelaten;
schepeling: ieder die zich als scheepsofficier of scheepsgezel aan boord van een Nederlands schip bevindt;
schipper: de gezagvoerder van een Nederlands schip of degene die deze vervangt, alsmede degene die de leiding heeft op een bij ministeriële regeling aangewezen installatie ter zee;
teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen: het verrichten van de in verband met de beëindiging van het beslag vereiste formaliteiten;
uitspraken: de op de terechtzitting gegeven beslissingen;
voorbereidend onderzoek: het onderzoek dat aan de behandeling ter terechtzitting voorafgaat;
voorlopige hechtenis: de vrijheidsontneming ingevolge een bevel tot bewaring, gevangenneming of gevangenhouding en de bevelen tot verlenging daarvan;
voorwerpen: alle zaken en vermogensrechten.
1.
Waar van misdrijf in het algemeen of van een misdrijf in het bijzonder gesproken wordt, wordt daaronder mede begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.
2.
Waar in bijzondere bepalingen met betrekking tot de inbeslagneming alleen over voorwerpen wordt gesproken, worden vorderingen daaronder mede begrepen.
3.
Onder eed wordt steeds mede begrepen de belofte.
4.
Onder staande houden wordt mede verstaan het doen halt houden van voertuigen en vaartuigen.
1.
Een in dit wetboek vastgestelde termijn, binnen welke tegen enige beslissing beroep kan worden aangetekend, eindigende op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. De Algemene termijnenwet is van overeenkomstige toepassing.
2.
Een termijn van drie dagen wordt, zo nodig, zoveel verlengd, dat daarin ten minste twee dagen voorkomen die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag zijn.
3.
Onder maand wordt verstaan de tijd van dertig dagen, onder een dag de tijd van vierentwintig uren.
1.
Tot de processtukken in de zin van dit wetboek worden gerekend de gegevens, die in verband met een verdenking tegen een bepaalde persoon ten behoeve van de politie en de justitie zijn verzameld, voor zover zij op die persoon betrekking hebben en voor zover zij in het verband van diens strafvervolging worden gebruikt.
2.
Onder de bevoegdheid tot kennisneming van processtukken wordt mede begrepen die tot het maken van aantekeningen daaruit. Het openbaar ministerie kan in het belang van een goede procesorde bij algemene regeling bepalen in welke gevallen en op welke wijze afschriften zullen worden verstrekt. Ook overigens regelt het openbaar ministerie, tenzij anders is bepaald, de wijze waarop kennisneming van processtukken wordt toegestaan, alsmede, zo nodig, de plaats waar en de wijze waarop bij die kennisneming toezicht zal worden uitgeoefend.
3.
Nadat de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, worden de in het tweede lid bedoelde beslissingen gegeven door de rechter, die over de zaak oordeelt of het laatst heeft geoordeeld.
1.
Het verhoren van personen ten behoeve van de strafvordering is gericht op het aan de dag brengen van de waarheid. Wanneer zij in verband met een beslissing in de gelegenheid worden gesteld opmerkingen te maken, worden zij gehoord.
2.
Wanneer is voorgeschreven, dat de verdachte wordt gehoord, gaat daaraan een behoorlijke oproeping vooraf. Van het horen kan slechts worden afgezien, indien de verdachte daarvan uitdrukkelijk afstand heeft gedaan, of indien hij, ondanks een behoorlijke oproeping, niet is verschenen.
Artikel 6
Ontdekking op heterdaad heeft plaats, wanneer het strafbare feit ontdekt wordt, terwijl het begaan wordt of terstond nadat het begaan is. De heterdaad wordt niet langer aanwezig geacht dan kort na de ontdekking.
Artikel 7
Bij de beantwoording van de vraag of een zaak al dan niet is geëindigd, wordt het rechtsgevolg, bij artikel 282 aan het bekend worden van nieuwe bezwaren verbonden, buiten beschouwing gelaten.
Artikel 8
Het in deze titel bepaalde geldt niet, wanneer uit enige bepaling van dit wetboek een andere betekenis blijkt.
Artikel 9
Strafvordering heeft alleen plaats in de gevallen en op de wijze bij wet voorzien.
Artikel 10
Het openbaar ministerie vervolgt de strafbare feiten bij de rechter die tot de kennisneming daarvan krachtens de wet bevoegd is.
Artikel 11
[vervallen]
Artikel 12
Strafbare feiten buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig begaan, worden ter bepaling van de bevoegdheid van de rechter geacht te zijn begaan binnen het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 13
[vervallen]
Artikel 14
De procureur-generaal houdt toezicht op een behoorlijke vervolging van strafbare feiten, en kan daartoe aan de officier van justitie de nodige bevelen geven.
1.
Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet voortgezet, dan kan de rechtstreeks belanghebbende daarover bij het Hof van Justitie schriftelijk beklag doen.
2.
Onder rechtstreeks belanghebbende wordt mede verstaan een rechtspersoon, die krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een belang behartigt, dat door de beslissing tot niet vervolging rechtstreeks wordt getroffen.
3.
Wanneer op het gebied van de opsporing en de vervolging activiteiten niet of niet binnen een redelijke termijn hebben plaatsgevonden, wordt deze omstandigheid voor de toepassing van deze titel met een beslissing tot niet vervolging gelijkgesteld.
1.
De griffier van het Hof geeft de klager spoedig schriftelijk bericht van de ontvangst.
2.
Na ontvangst van het klaagschrift draagt het Hof de procureur-generaal op ten aanzien van de beslissing tot niet of niet verdere vervolging schriftelijk verslag te doen en de daartoe betrekkelijke stukken over te leggen.
Artikel 17
Is de klager kennelijk niet ontvankelijk of het beklag kennelijk ongegrond, dan kan het Hof zonder nader onderzoek de klager niet ontvankelijk of het beklag ongegrond verklaren.
1.
Het Hof beslist niet alvorens de klager te hebben gehoord, althans behoorlijk daartoe te hebben opgeroepen, behoudens in het geval van artikel 17.
2.
Het oproepen van de klager kan ook achterwege blijven, wanneer door hem ter zake van hetzelfde feit reeds eerder beklag is gedaan, tenzij door de klager nieuwe omstandigheden zijn aangevoerd die, waren zij het Hof bekend geweest, tot een andere beslissing op dat eerdere beklag hadden kunnen leiden.
3.
Indien beklag is gedaan door meer dan twee personen, kan het Hof volstaan met het oproepen van de twee personen, wier namen en adressen als eerste in het klaagschrift zijn vermeld.
1.
Het Hof kan de persoon wiens vervolging wordt verlangd oproepen ten einde hem in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken over het in het beklag gedane verzoek en de gronden waarop dat berust. De oproeping gaat vergezeld van een afschrift van het klaagschrift of bevat een aanduiding van het feit waarop het beklag betrekking heeft.
2.
Een bevel, als bedoeld in artikel 25, eerste lid, wordt niet gegeven dan nadat de persoon wiens vervolging wordt verlangd door het Hof is gehoord, althans behoorlijk daartoe is opgeroepen.
1.
De klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd kunnen zich in raadkamer doen bijstaan door een advocaat. Zij kunnen zich doen vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze verklaart daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn, of door een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde.Van deze bevoegdheid, alsmede van de mogelijkheid om toevoeging van een advocaat te verzoeken, wordt hun in de oproeping mededeling gedaan.
2.
De voorzitter van het Hof staat, behoudens in het geval van artikel 17, de klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd, alsmede hun advocaten of gemachtigden toe van de op de zaak betrekking hebbende stukken kennis te nemen, indien daarom wordt verzocht. Kennisneming geschiedt op de wijze door de voorzitter te bepalen. De voorzitter kan, ambtshalve of op de vordering van de procureur-generaal, bepaalde stukken van kennisneming uitzonderen in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de opsporing of vervolging van strafbare feiten of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend.
Artikel 21
De persoon wiens vervolging wordt verlangd is niet verplicht op de vragen, hem in raadkamer gesteld, te antwoorden. Hiervan wordt hem, voordat hij wordt gehoord, mededeling gedaan. De mededeling wordt in het proces-verbaal opgenomen.
Artikel 22
Wanneer de klager of de persoon wiens vervolging wordt verlangd in raadkamer wordt gehoord, nodigt het Hof de procureur-generaal uit daarbij tegenwoordig te zijn.
Artikel 23
Het horen van de klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd kan ook aan een van de leden van het Hof worden opgedragen.
Artikel 24
De artikelen 38 tot en met 42 met betrekking tot de behandeling in raadkamer zijn op deze titel van toepassing.
1.
Indien de klager ontvankelijk is en het Hof van oordeel is dat vervolging of verdere vervolging had moeten plaatshebben, beveelt het Hof dat de vervolging zal worden ingesteld of voortgezet ter zake van het feit waarop het beklag betrekking heeft of van het feit zoals het Hof dat in zijn bevel heeft omschreven.
2.
Het Hof kan het geven van zodanig bevel ook weigeren op gronden aan het algemeen belang ontleend.
3.
In alle andere gevallen wijst het Hof het beklag af.
4.
Alvorens te beslissen kan het Hof, indien het nader onderzoek wenselijk oordeelt, de stukken in handen van de rechter-commissaris stellen onder aanduiding van het onderwerp en de omvang van het onderzoek en, zo nodig, van de wijze waarop dit zal zijn in te stellen. Artikel 359, tweede lid, is van toepassing.
1.
Het Hof beslist zo spoedig mogelijk en bij een met redenen omklede beschikking.
2.
Van elke beschikking zendt de griffier onverwijld een afschrift aan de procureur-generaal, de klager, alsmede, indien de artikelen 19, eerste lid, en 25, eerste lid, toepassing hebben gevonden, aan de persoon wiens vervolging wordt verlangd.
Artikel 27
De leden van het Hof die over het beklag hebben geoordeeld, nemen noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep, deel aan de berechting.
Artikel 28
Bij toepassing van artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht BES is beklag niet toegelaten.
Artikel 29
Wanneer het Hof ambtshalve van oordeel is, dat de vervolging van strafbare feiten behoort ingesteld of voortgezet te worden, vinden de bepalingen van deze titel zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.
1.
Indien de waardering van het tenlastegelegde feit afhangt van de beoordeling van een geschilpunt van burgerlijk recht, kan de rechter, in welke stand van de vervolging ook, de vervolging voor een bepaalde tijd schorsen ten einde de uitspraak van de burgerlijke rechter over het geschilpunt af te wachten.
2.
De schorsing kan telkens voor een bepaalde tijd worden verlengd en te allen tijde worden opgeheven.
1.
In zaken betreffende minderjarige verdachten kan de vervolging worden geschorst, indien, gelijktijdig met de vervolging, aanhangig is:
a. ten aanzien van beide of een van de ouders een verzoek of vordering tot ontheffing of tot ontzetting van de ouderlijke macht of van de voogdij;
b. ten aanzien van de voogd een verzoek tot ontzetting van de voogdij;
c. over de verdachte een verzoek of een vordering tot ondertoezichtstelling.
De schorsing duurt voort totdat de beslissing daarop onherroepelijk zal zijn geworden.
2.
In zodanig geval wordt de schorsing geacht plaats te vinden wegens het bestaan van een geschilpunt van burgerlijk recht.
Artikel 32
Na het uitbrengen van de dagvaarding ter terechtzitting kan de verdachte de schorsing wegens het bestaan van een geschilpunt van burgerlijk recht enkel verzoeken, hetzij bij het bezwaarschrift dat tegen die dagvaarding kan worden ingediend, hetzij op de terechtzitting.
1.
Indien de verdachte na het begaan van het strafbare feit in een toestand is komen te verkeren dat hij niet meer in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen, schorst de rechter, in welke stand van de vervolging ook, de vervolging.
2.
Zodra van het herstel van de verdachte is gebleken, wordt de schorsing opgeheven.
1.
Bij schorsing van de vervolging kan de rechter, ambtshalve of op de vordering van het openbaar ministerie, niettemin spoedeisende maatregelen bevelen.
2.
Hij kan gelasten dat de schorsing zich niet zal uitstrekken tot hetgeen de voorlopige hechtenis betreft.
Artikel 35
Alvorens omtrent de schorsing te beslissen, kan de rechter getuigen en deskundigen horen.
Artikel 36
De beslissingen omtrent de schorsing worden genomen hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie, hetzij op het verzoek van de verdachte of zijn raadsman, door de rechter voor wie de zaak wordt vervolgd of zal worden vervolgd, of voor wie de zaak het laatst is vervolgd.
Artikel 37
Tegen beslissingen omtrent de schorsing staat het openbaar ministerie binnen drie dagen daarna en de verdachte binnen drie dagen na de betekening hoger beroep open bij het Hof van Justitie.
1.
In alle gevallen waarin niet de beslissing door de rechter op de terechtzitting is voorgeschreven of aldaar ambtshalve wordt genomen, geschieden onderzoek en beslissing door de raadkamer. Echter geschieden op de terechtzitting onderzoek en beslissing omtrent alle vorderingen, verzoeken of voordrachten aldaar gedaan.
2.
De raadkamer bij het Hof van Justitie is op straffe van nietigheid samengesteld uit drie leden. In eerste aanleg treedt de raadkamer enkelvoudig op. In dat geval vinden de bepalingen van deze titel overeenkomstig toepassing.
3.
Indien door de raadkamer een beslissing moet worden gegeven na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting, is zij zoveel mogelijk samengesteld uit de leden die op de terechtzitting over de zaak hebben gezeten.
4.
De rechter die als rechter-commissaris in de zaak enig onderzoek heeft verricht of enige beslissing heeft genomen, neemt aan onderzoek en beslissing door de raadkamer geen deel.
1.
De beschikking vermeldt de namen van de rechters door wie, en de dag waarop zij is gegeven, en wordt ondertekend door ieder van hen en de griffier die bij de beraadslaging tegenwoordig was. Indien de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft, kan de beschikking, mits daarvan eenvoudige aantekening wordt gedaan, mondeling worden gegeven.
2.
Indien een van hen tot die ondertekening buiten staat is, wordt hiervan aan het slot van de beschikking melding gemaakt.
1.
De raadkamer is bevoegd de nodige bevelen te geven, opdat het onderzoek dat aan haar beslissing vooraf moet gaan, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek zal plaatsvinden.
2.
De raadkamer zal, alvorens te beslissen, het openbaar ministerie horen en kan zich door de rechter-commissaris, die in de zaak betrokken is geweest, schriftelijk of mondeling doen inlichten.
3.
Zij is bevoegd de overlegging van processtukken en stukken van overtuiging te bevelen.
4.
Het horen kan ook aan een van de leden of plaatsvervangende leden van het Hof van Justitie of aan rechtersplaatsvervanger in eerste aanleg van het gebied waar de te horen persoon zich bevindt, worden opgedragen. In dat geval is artikel 42 van overeenkomstige toepassing.
1.
De verdachte is bevoegd zich door zijn raadsman te doen bijstaan, wanneer hij wordt gehoord.
2.
Elke andere persoon dan de verdachte die ingevolge enige bepaling van dit wetboek wordt gehoord, kan zich door een advocaat doen bijstaan. Deze wordt daarbij in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken.
1.
Van het onderzoek van de raadkamer wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt, behelzende de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en van hetgeen bij dat onderzoek is voorgevallen.
2.
Indien een verdachte, getuige of deskundige of de raadsman of de advocaat verlangt dat enige opgave in de eigen woorden zal worden opgenomen, geschiedt dat voor zover de opgave redelijke grenzen niet overschrijdt, zoveel mogelijk.
3.
Het proces-verbaal wordt door de voorzitter of door een van de andere leden van de raadkamer en de griffier vastgesteld en zo spoedig mogelijk na afloop van het onderzoek ondertekend. Voor zover de rechter of de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijn medewerking en wordt van zijn verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.
4.
Het wordt met de beschikking en de verdere tijdens het onderzoek in raadkamer in het geding gebrachte stukken bij de processtukken gevoegd.
1.
In alle gevallen, waarin het belang van een goede strafrechtsbedeling een voorziening dringend noodzakelijk maakt en het wetboek zelf daaromtrent geen regeling bevat, kan een verzoek om zodanige voorziening worden gedaan door de verdachte of degene die daarbij een rechtstreeks hem bepaaldelijk aangaand belang heeft.
2.
Op gelijke wijze komt het openbaar ministerie de bevoegdheid toe een zodanige voorziening te vorderen.
3.
Op het verzoek of de vordering, op straffe van niet-ontvankelijkheid met redenen te omkleden, wordt tijdens het voorbereidend onderzoek beslist door de rechter-commissaris en, na de aanvang of de beëindiging van het onderzoek ter terechtzitting, door de rechter die over de zaak oordeelt of het laatst heeft geoordeeld. Is de zaak bij het Hof aanhangig of aanhangig geweest, dan is het college of een door dit college aangewezen lid bevoegd.
4.
Is de rechter aanstonds van oordeel, dat degene die het verzoek of de vordering heeft gedaan, niet-ontvankelijk is of dat elke redelijke grond aan het verzoek of de vordering ontbreekt, dan wijst hij zonder nader onderzoek en met eenvoudige redengeving de gevraagde voorziening af.
5.
De voorziening kan zowel een gebod als een verbod bevatten, ook met betrekking tot gedragingen in de toekomst.
6.
De beschikking wordt zo spoedig mogelijk gegeven als door het belang van de zaak wordt gevorderd.
7.
Voor zover de beschikking een veroordeling inhoudt, kan worden bepaald dat, indien, zo lang of zo dikwijls de veroordeelde aan die veroordeling niet voldoet, door hem zal zijn verbeurd een bij de beschikking vast te stellen geldsom, dwangsom genaamd. De dwangsom, eenmaal verbeurd, komt ten volle toe aan degene die de veroordeling heeft verkregen. Deze kan de dwangsom tenuitvoerleggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld. Wordt de dwangsom niet voldaan, dan kan de rechter op de vordering van het openbaar ministerie de gijzeling van de veroordeelde bevelen gedurende een door hem te bepalen termijn.
8.
De rechter is bevoegd om tenuitvoerlegging van zijn beschikking te bevelen bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep.
9.
Tegen de beschikking van de rechter in eerste aanleg staat binnen drie dagen hoger beroep open bij het Hof van Justitie, indien daartoe, gelet op het belang van de gevraagde voorziening, door het Hof of een door dit college aangewezen lid verlof is verleend.
10.
De artikelen 38 tot en met 42 vinden zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van de rechtstreeks belanghebbende vindt artikel 44 overeenkomstig toepassing.
11.
Tijdens de behandeling van het verzoek of de vordering kunnen aan de hierboven bedoelde procedure niet meer rechten worden ontleend dan de stand van de strafvorderlijke procedure toelaat.
Artikel 44
Alle rechterlijke beslissingen op grond van dit wetboek worden, tenzij daarvoor een bijzondere regeling geldt, binnen een zo kort mogelijke termijn genomen, zijn met redenen omkleed, en worden ten spoedigste ter kennis gebracht van het openbaar ministerie, dat onverwijld voor betekening aan de verdachte zorgdraagt. Op de dag dat de beslissing schriftelijk ter kennis is gebracht, respectievelijk betekend is vangt de termijn aan waarbinnen enig rechtsmiddel is opengesteld.
Artikel 45
Een ieder, die betrokken is bij de uitvoering van dit wetboek en daarbij de beschikking krijgt over gegevens, waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijze moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit wetboek de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
1.
Hij, die ingevolge de bepalingen van dit wetboek mondeling een eed of belofte moet afleggen, zal:
a. indien hij een eed aflegt, onder het opsteken van de twee voorste vingers van zijn rechterhand, uitspreken de woorden: «Zo waarlijk helpe mij God Almachtig»;
b. indien hij een belofte aflegt, uitspreken de woorden: «Dat beloof ik».
2.
Degene, in wiens handen de eed wordt afgelegd, houdt de betrokkene de volgende bij diens hoedanigheid passende verklaring voor:
a. ten aanzien van de getuige: dat hij de waarheid en niets dan de waarheid zal verklaren;
b. ten aanzien van de deskundige en de tolk: dat hij zijn taak naar geweten zal vervullen.
3.
Hij, die aan zijn godsdienstige gezindheid de plicht ontleent de eed op andere wijze af te leggen, kan dat op die wijze doen. De eed kan ook worden afgelegd in de taal, die de betrokkene gewoon is te spreken.
4.
Hij, die tengevolge van een lichaams- of spraakgebrek de eed niet op de bij het eerste en derde lid bepaalde wijze kan afleggen, zal de eed afleggen op een wijze, zoveel mogelijk in overeenstemming met het in die artikelleden voorgeschrevene, te bepalen door degene in wiens handen de eed wordt afgelegd.
In plaats van de eed kan ter keuze van de betrokkene de belofte worden afgelegd.
1.
Als verdachte wordt aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit.
2.
Gedurende de vervolging wordt als verdachte aangemerkt degene tegen wie de vervolging is gericht.
3.
De aan de verdachte toekomende rechten komen tevens toe aan de veroordeelde tegen wie een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld of te wiens aanzien op een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES niet onherroepelijk is beslist.
1.
De verdachte heeft het recht zich, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek, door een of meer door hem gekozen of ingevolge de artikelen 61 tot en met 68 toegevoegde raadslieden te doen bijstaan.
2.
Hem wordt daartoe, wanneer hij dit verzoekt en hem rechtens de vrijheid is ontnomen, zoveel mogelijk met inachtneming van de huishoudelijke reglementen van de inrichting waarin hij verblijft, de gelegenheid gegeven zich met zijn raadsman of raadslieden in verbinding te stellen.
3.
Wanneer de verdachte om bijstand van een raadsman verzoekt voordat hij door een opsporingsambtenaar wordt verhoord, kan het verhoor slechts dan een aanvang nemen, nadat de raadsman die bijstand heeft verleend, tenzij het onderzoek geen uitstel gedoogt, of de komst van de raadsman in redelijkheid niet kan worden afgewacht.
4.
De raadsman is niet bevoegd bij de verhoren door een opsporingsambtenaar aanwezig te zijn. Als het verhoor door een opsporingsambtenaar plaatsvindt, nadat de verdachte in dezelfde zaak door de rechter-commissaris is verhoord, komen de raadsman ten aanzien van het verhoor door de opsporingsambtenaar dezelfde bevoegdheden toe als hem bij het verhoor door de rechter-commissaris zijn toegekend.
5.
In de gevallen waarin de raadsman tot bijwoning van het verhoor is toegelaten, onthoudt hij zich van alles wat de strekking heeft het verhoor te beïnvloeden.
Artikel 49
In alle gevallen waarin de verdachte overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek wordt gehoord, is hij bevoegd zich door een raadsman te doen bijstaan. Deze wordt in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken. Gelijke bevoegdheid komt hem toe, wanneer de verdachte niet in staat is in persoon te worden gehoord.
1.
De verdachte heeft het recht zich van antwoorden te onthouden.Voor een verhoor wordt de verdachte meegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.
2.
In alle gevallen waarin iemand als verdachte wordt verhoord, onthoudt de verhorende rechter of ambtenaar zich van alles wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid is afgelegd.
3.
De verklaringen van de verdachte, bepaaldelijk die welke een bekentenis van schuld inhouden, worden in het proces-verbaal van het verhoor zoveel mogelijk in zijn eigen woorden opgenomen.
1.
De verdachte heeft het recht om desgevraagd van de op zijn zaak betrekking hebbende processtukken kennis te nemen.
2.
Niettemin kan tijdens het voorbereidend onderzoek de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit bepaaldelijk vordert, de verdachte de kennisneming van bepaalde processtukken onthouden. Daartoe bestaat slechts dan grond, voor zover het belang dat de verdachte bij kennisneming heeft, niet opweegt tegen het belang op grond waarvan de kennisneming wordt onthouden.
3.
Wanneer enig onderzoek niet tot een vervolging heeft geleid of zal leiden, kan de verdachte of de gewezen verdachte de kennisneming van de processtukken niet meer worden onthouden, tenzij dwingende aan het algemene belang van de strafvordering te ontlenen gronden zich daartegen verzetten.
4.
Ingeval de verdachte de kennisneming van bepaalde processtukken wordt onthouden, wordt hem onder opgave van redenen schriftelijk meegedeeld dat de hem ter inzage gegeven stukken niet volledig zijn. Van deze beslissing kan hij binnen drie dagen in beroep komen bij de rechter-commissaris.
Artikel 52
Tijdens het voorbereidend onderzoek mag aan de verdachte niet worden onthouden de kennisneming van:
a. de processen-verbaal van zijn verhoren;
b. de processen-verbaal betreffende verhoren of handelingen van onderzoek, waarbij hij of zijn raadsman de bevoegdheid heeft gehad tegenwoordig te zijn, tenzij en voor zover uit het proces-verbaal blijkt van enige omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, en in verband daarmee een bevel als bedoeld in artikel 70, tweede of derde lid, is gegeven;
c. de overige processen-verbaal van verhoren, waarvan de inhoud hem mondeling volledig mededeling is gedaan.
Artikel 53
De kennisneming van geen enkel processtuk in het oorspronkelijke of in afschrift mag de verdachte worden onthouden, zodra het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten, of, indien een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, zodra de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg is betekend.
1.
Kennisneming van processtukken, die zijn opgemaakt met betrekking tot de persoonlijkheid of de zielstoestand van de verdachte, kan hem alleen dan geheel of gedeeltelijk worden onthouden, indien de rapporteur verklaart, dat kennisneming bepaaldelijk niet in het belang van de verdachte moet worden aangemerkt en voorts dat er geen mogelijkheden aanwezig worden geacht de kennisneming onder begeleiding van een deskundige te doen plaatsvinden. Daaromtrent beslist het gerecht waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd dan wel, indien geen vervolging heeft plaatsgehad of deze nog niet is ingesteld, de rechter-commissaris.
2.
Ingeval de verdachte kennisneming op de voet van het bepaalde in het eerste lid geheel of gedeeltelijk niet wordt toegestaan, kan de kennisneming nochtans wel aan de raadsman worden toegestaan.
1.
De verdachte heeft recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.
2.
De termijn vangt aan op het moment dat de verdachte had verwacht en redelijkerwijze had kunnen verwachten, dat zijn zaak strafrechtelijk zou worden vervolgd.
3.
Een termijn, waardoor de verdachte langer dan in het algemeen wenselijk is onder de dreiging van een strafvervolging of van de voortzetting daarvan heeft moeten leven, wordt als onredelijk aangemerkt, tenzij bijzondere omstandigheden het tijdsverloop kunnen rechtvaardigen.
4.
Indien de verdachte de bevoegdheid, hem bij artikel 56 toegekend, onbenut heeft gelaten, kan hij zich later niet meer op de onredelijkheid van een termijn beroepen, tenzij door het tijdsverloop de kwaliteit van de strafrechtspleging zodanig is aangetast, dat de rechter ook ambtshalve gronden aanwezig acht om het tijdsverloop te beoordelen en daaraan gevolgen te verbinden.
1.
De rechter-commissaris waakt tegen nodeloze vertraging van het voorbereidend onderzoek. Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, draagt hij in het bijzonder ervoor zorg, dat de zaak met de meest mogelijke spoed wordt voortgezet.
2.
Wanneer het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, wordt het toezicht op nodeloze vertraging uitgeoefend door de rechter, die over de zaak ter terechtzitting oordeelt, of door het Hof van Justitie, nadat hoger beroep is ingesteld.
3.
De bevoegde rechter kan, op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bevelen dat het onderzoek binnen een uiterste termijn wordt voortgezet dan wel wordt beëindigd. Hij kan zich daartoe de nodige processtukken doen overleggen. Nadat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, komen deze bevoegdheden de rechter ook ambtshalve toe.
4.
Indien een eenmaal aangevangen vervolging niet wordt voortgezet, kan de rechter tevens verklaren dat de zaak geëindigd is.
5.
De verdachte wordt gehoord.
6.
Een beslissing als bedoeld in het derde of vierde lid, kan tot een uiterste termijn worden aangehouden, indien het openbaar ministerie aannemelijk maakt, dat het onderzoek alsnog zal worden voortgezet dan wel verdere vervolging zal plaatsvinden.
7.
Wanneer de zaak ter terechtzitting in hoger beroep aanhangig is gemaakt, vindt ten aanzien van het Hof van Justitie artikel 38, derde lid, geen toepassing.
1.
Als raadslieden worden slechts toegelaten advocaten, die bij het Hof van Justitie zijn ingeschreven.
2.
In bijzondere gevallen kan het Hof van Justitie op verzoek van de verdachte aan advocaten, die niet bij het Hof van Justitie zijn ingeschreven, toestaan als raadsman op te treden, mits deze samenwerkt met een bij het Hof van Justitie ingeschreven advocaat.
3.
Medeverdachten, die geen tegenstrijdige belangen hebben, kunnen door dezelfde raadsman worden bijgestaan.
1.
Bevoegdheden die bij of krachtens dit wetboek uitdrukkelijk aan de verdachte zijn toegekend, kunnen door diens raadsman worden uitgeoefend, indien deze door de verdachte is gemachtigd en de aard van de bevoegdheid zich daartegen niet verzet.
2.
Machtiging door de verdachte zal worden aangenomen, wanneer de raadsman verklaart dat dit het geval is.
3.
Toezending van processtukken aan de verdachte geschiedt tevens aan diens raadsman, voor zover dat uitdrukkelijk is bepaald.
1.
De verdachte is te allen tijde bevoegd een of meer raadslieden te kiezen.
2.
Tot de keuze van een of meer raadslieden is ook de wettige vertegenwoordiger van de verdachte bevoegd.
3.
Is de verdachte verhinderd van zijn wil te dien aanzien te doen blijken en heeft hij geen wettige vertegenwoordiger, dan is zijn echtgenoot of de meest gerede van zijn bloed- of aanverwanten, tot de vierde graad ingesloten, tot die keuze bevoegd.
4.
De ingevolge het tweede of derde lid gekozen of de ingevolge de artikelen 61 tot en met 68 toegevoegde raadsman treedt af, zodra de verdachte zelf een raadsman heeft gekozen.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld, op welke wijze van een keuze ingevolge het eerste, tweede of derde lid dient te blijken.
1.
De gekozen raadsman geeft, zolang het opsporingsonderzoek duurt, van zijn optreden als zodanig schriftelijk kennis aan de officier van justitie en aan de in de zaak betrokken hulpofficier. Gelijke kennisgeving geschiedt als de raadsman niet meer voor een bepaalde verdachte optreedt.
2.
Indien hij een gekozen of toegevoegde raadsman vervangt, geeft hij ook daarvan overeenkomstig het eerste lid kennis aan de daar bedoelde personen en aan de vervangen raadsman. Door deze mededeling neemt de werkzaamheid van de vervangen toegevoegde of vroeger gekozen raadsman een einde.
1.
Tenzij in dit wetboek anders is bepaald, geschiedt toevoeging van een raadsman door een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen instantie. Bij of krachtens deze maatregel worden regels gesteld omtrent de taakuitoefening van deze instantie.
2.
De toevoeging geschiedt zoveel mogelijk in overeenstemming met de voorkeur van de verdachte.
3.
De toevoeging heeft plaats zonder kosten voor de verdachte, behoudens het in de tweede volzin van dit artikellid bepaalde.Wanneer zich in de omstandigheden van de verdachte zodanige wijzigingen mochten voordoen dat op grond daarvan, naar het oordeel van de instantie die met de toevoeging is belast, aannemelijk kan worden geacht dat de verdachte in staat is de kosten van een raadsman zelf te dragen, wordt de kosteloze toevoeging beëindigd.
1.
Aan iedere verdachte, die in verzekering is gesteld, wordt een raadsman toegevoegd, zodra tegen hem het bevel tot inverzekeringstelling wordt verleend, tenzij hij uitdrukkelijk heeft verklaard van het recht op toevoeging afstand te doen. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie die het bevel heeft verleend, licht onverwijld de instantie die met de toevoeging is belast, omtrent de inverzekeringstelling in.
2.
Een toevoeging ingevolge het eerste lid blijft tijdens de voorlopige hechtenis van kracht, tenzij de verdachte niet on- of minvermogend is in de zin van de Wet kosteloze rechtskundige bijstand BES .
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden zoveel mogelijk in overeenstemming met de situatie op de eilanden nadere regels gesteld omtrent de toevoeging aan in verzekering gestelde verdachten.
1.
Indien het bevel, bedoeld in artikel 62, eerste lid, niet is verleend, wordt een verdachte van een misdrijf, van wiens onvermogen voldoende is gebleken, op diens verzoek een raadsman toegevoegd, zodra de vervolging tegen hem is aangevangen. De verdachte kan aan het verzoek niet het recht ontlenen de zaak op te houden.
2.
Het eerste lid is tevens van toepassing in hoger beroep.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven omtrent de wijze waarop het onvermogen moet worden gestaafd.
4.
Omtrent zijn bevoegdheid om toevoeging van een raadsman te verzoeken wordt de verdachte van misdrijf ingelicht op de voet van artikel 82. Echter geschiedt de mededeling in geval van aantekening van hoger beroep door de griffier van het gerecht, dat vonnis heeft gewezen. Indien de verdachte, anders dan krachtens een bevel tot inverzekeringstelling, rechtens zijn vrijheid is ontnomen, wordt het verzoek onverwijld door de officier van justitie ter kennis gebracht van de instantie die met de toevoeging is belast.
5.
Indien het vermoeden bestaat dat bij de verdachte van misdrijf gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van de geestvermogens aanwezig is en dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen, wordt hem, indien hij nog geen raadsman heeft en een vervolging ter zake van het misdrijf tegen hem is aangevangen, tijdens het voorbereidend onderzoek door de rechter-commissaris ambtshalve een raadsman toegevoegd.
6.
De in het vierde lid bedoelde inlichtingen en kennisgevingen geschieden overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bepalingen. Daarbij worden tevens voorschriften gegeven omtrent de wijze waarop het verzoek om toevoeging behoort te worden gedaan.
1.
Een toevoeging heeft slechts plaats, indien de verdachte geen raadsman heeft.
2.
Elke toevoeging geldt zowel voor de eerste aanleg als voor het hoger beroep. Hierbij wordt het voorbereidend onderzoek geacht deel uit te maken van de eerste aanleg.
1.
Bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman wordt de verdachte een andere raadsman toegevoegd. De toegevoegde raadsman geeft van zijn verhindering of ontstentenis kennis aan de instantie die met de toevoeging is belast.
2.
Op verzoek van de toegevoegde raadsman of van de verdachte kan een andere raadsman worden toegevoegd. Indien de verdachte rechtens zijn vrijheid is ontnomen, wordt diens verzoek door de officier van justitie zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht van de instantie die met de toevoeging is belast.
Artikel 66
De toegevoegde raadsman kan de waarneming van bepaalde verrichtingen namens hem door een andere advocaat doen geschieden, mits hij of die ander daarvan schriftelijk kennis geeft aan de officier van justitie en, voor zover nodig, aan de hulpofficier van justitie tijdens het voorbereidend onderzoek of, indien de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, aan de bevoegde rechter.
1.
De verdachte kan tijdens het voorbereidend onderzoek de rechter-commissaris of, indien de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, de bevoegde rechter om toevoeging van een raadsman verzoeken:
a. indien hij binnen vierentwintig uren na het tijdstip waarop ingevolge artikel 62 toevoeging had moeten plaatshebben, nog geen raadsman heeft;
b. indien zijn verzoek als bedoeld in de artikelen 63, eerste en tweede lid, en 65, tweede lid, niet is ingewilligd;
c. indien hem bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman geen andere raadsman is toegevoegd;
d. indien de toevoeging op grond van artikel 61, derde lid, is beëindigd.
2.
Op het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt zo spoedig mogelijk beslist. De verdachte wordt, tenzij het verzoek aanstonds wordt ingewilligd, op het verzoek gehoord.
Artikel 68
Van elke toevoeging en van elke wijziging daarin wordt onverwijld, op de wijze bij algemene maatregel van bestuur te bepalen, kennis gegeven aan de officier van justitie, de raadsman, de verdachte en bovendien, in geval van een gerechtelijk vooronderzoek, aan de rechter-commissaris, alsmede, indien de verdachte in het huis van bewaring of de gevangenis verblijft, aan de directeur van die inrichting.
Artikel 69
Voor de beloning van de bijstand door toegevoegde raadslieden alsmede voor de vergoeding van door hen noodzakelijk gemaakte onkosten worden uit 's Rijks kas middelen beschikbaar gesteld naar regelen te stellen bij algemene maatregel van bestuur.
1.
De raadsman heeft vrije toegang tot de verdachte wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen, kan hem buiten aanwezigheid van anderen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van de inhoud door anderen wordt kennisgenomen, een en ander onder het vereiste toezicht, met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, zulks onverminderd hetgeen door de wettelijke bepalingen wordt gevorderd, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.
2.
Indien uit bepaalde omstandigheden een ernstig vermoeden voortvloeit dat het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte hetzij zal strekken om de verdachte bekend te maken met enige omstandigheid, waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, hetzij wordt misbruikt voor pogingen om de waarheidsvinding te belemmeren, kan tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de rechter-commissaris en overigens tijdens het voorbereidend onderzoek de officier van justitie telkens aan de bevoegde autoriteiten bevelen, dat de raadsman geen toegang tot de verdachte zal hebben of deze niet alleen zal mogen spreken en dat brieven of andere stukken, tussen raadsman en verdachte gewisseld, niet zullen worden uitgereikt. Het bevel omschrijft de bepaalde omstandigheden in de voorgaande volzin bedoeld; het beperkt de vrijheid van verkeer tussen raadsman en verdachte niet meer en wordt voor niet langer gegeven dan door die omstandigheden wordt gevorderd, en is in elk geval slechts gedurende ten hoogste acht dagen van kracht. Van het bevel geschiedt onverwijld schriftelijke mededeling aan de raadsman en aan de verdachte.
3.
De raadsman kan tegen het bevel binnen drie dagen na die mededeling een bezwaarschrift indienen bij het Hof van Justitie. Deze wordt gehoord, althans behoorlijk daartoe opgeroepen. Het Hof kan bij zijn beslissing het bevel opheffen, wijzigen of aanvullen.
4.
Wanneer het betreft een persoon die verdacht wordt van een van de in de artikelen 97 tot en met 113 van het Wetboek van Strafrecht BES omschreven misdrijven tegen de veiligheid van de Staat, kan tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de rechter-commissaris en overigens tijdens het voorbereidend onderzoek de officier van justitie telkens voor het tijdvak van ten hoogste veertien dagen bevelen, dat er geen vrij verkeer tussen de verdachte en zijn raadsman zal plaatsvinden, indien hij van oordeel is, dat het belang van het onderzoek zich daartegen bepaaldelijk verzet. Van het bevel geschiedt onverwijld schriftelijke mededeling aan de raadsman en aan de verdachte. Het derde lid is van toepassing.
5.
Alle belemmeringen van het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte, die ingevolge een van de vier voorgaande leden bevolen zijn, nemen een einde zodra het gerechtelijk vooronderzoek is beëindigd of, ingeval een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, zodra de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg is betekend.
Artikel 71
Bij de toepassing van elk dwangmiddel gelden, behalve de overige in dit wetboek gestelde eisen, als algemene voorwaarden:
a. dat de toepassing van het dwangmiddel, na afweging van de in het geding zijnde belangen, niet onredelijk is,
b. dat de bevoegdheid een dwangmiddel toe te passen niet voor een ander doel wordt aangewend dan waarvoor zij is verleend,
c. dat het doel van het dwangmiddel niet op andere, meer doelmatige en minder ingrijpende wijze kan worden bereikt, en
d. dat de ernst van de door het dwangmiddel te veroorzaken inbreuk redelijkerwijze door de ernst van het strafbare feit wordt gerechtvaardigd.
1.
Iedere opsporingsambtenaar is bevoegd van de verdachte een opgave van zijn naam, voornamen, geboortedatum, adres en woon- of verblijfplaats te vorderen en hem daartoe staande te houden. De verdachte is verplicht aan de vordering te voldoen.
2.
De opsporingsambtenaar is tevens bevoegd getuigen naar de in het eerste lid bedoelde gegevens te vragen.
1.
In geval van ontdekking op heterdaad van enig strafbaar feit is ieder bevoegd de verdachte aan te houden.
2.
Geschiedt de aanhouding door een opsporingsambtenaar, dan draagt deze zorg dat de aangehoudene zonder uitstel naar een plaats van verhoor en terstond daarna voor een officier van justitie of een hulpofficier wordt geleid.
3.
Geschiedt de aanhouding door de officier van justitie of een hulpofficier dan geleidt deze de aangehoudene zonder uitstel naar een plaats van verhoor; hij kan ook de aanhouding of voorgeleiding van de verdachte bevelen.
4.
Geschiedt de aanhouding door een ander, dan levert deze de aangehoudene onverwijld aan een opsporingsambtenaar over, onder afgifte aan deze van mogelijk inbeslaggenomen voorwerpen, die dan handelt overeenkomstig de bepaling van het tweede lid. In geval van overlevering aan de officier van justitie of de hulpofficier is het derde lid van toepassing.
1.
Ook buiten het geval van ontdekking op heterdaad is de officier van justitie bevoegd de verdachte van enig strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, of van het strafbare feit omschreven in artikel 454, aanhef en onder ten 3e, van het Wetboek van Strafrecht BES, aan te houden en zonder uitstel naar een plaats van verhoor te geleiden; hij kan ook de aanhouding of voorgeleiding van de verdachte bevelen.
2.
Kan het optreden van de officier van justitie niet worden afgewacht, dan komt gelijke bevoegdheid toe aan de hulpofficier van justitie. De hulpofficier geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan de officier van justitie.
3.
Kan ook het optreden van een hulpofficier niet worden afgewacht, dan is elke opsporingsambtenaar bevoegd de verdachte aan te houden, onder de verplichting zorg te dragen dat hij onverwijld voor de officier van justitie of de hulpofficier wordt geleid. Op de hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid, is de tweede volzin van het tweede lid van toepassing.
Artikel 75
De hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid, geeft van de aanhouding uiterlijk binnen vierentwintig uren schriftelijk of mondeling kennis aan de officier van justitie.
1.
In geval van ontdekking op heterdaad van een misdrijf kan ieder, ter aanhouding van de verdachte, elke plaats betreden, met uitzondering van een woning tot het binnentreden waarvan de bewoner geen uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven, en van de plaatsen in artikel 164 genoemd, op de tijden in dat artikel aangegeven.
2.
Zowel in geval van ontdekking op heterdaad als buiten dat geval kan iedere opsporingsambtenaar, ter aanhouding van de verdachte, elke plaats betreden. De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing.
3.
Een opsporingsambtenaar die overeenkomstig het tweede lid een plaats heeft betreden, kan in afwachting van de komst van de ambtenaar die bevoegd is ter aanhouding de plaats te doorzoeken, de maatregelen nemen, die redelijkerwijze nodig zijn om te voorkomen, dat de verdachte zich aan zijn aanhouding onttrekt.
1.
In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan de officier van justitie ter aanhouding van de verdachte elke plaats doorzoeken.
2.
Bij dringende noodzakelijkheid en indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht, kan een hulpofficier van justitie deze bevoegdheid uitoefenen. Hij behoeft daartoe verlof van de officier van justitie. Dit verlof is met redenen omkleed.
3.
Het doorzoeken van plaatsen geschiedt onder leiding van de officier van justitie of, in geval van toepassing van het tweede lid, onder leiding van de hulpofficier van justitie.
4.
De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing.
1.
De officier van justitie of de hulpofficier, voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden, kan bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen deze bepalen, dat hij aan zijn lichaam of aan zijn kleding zal worden onderzocht.
2.
De overige opsporingsambtenaren zijn bevoegd de aangehoudene, tegen wie ernstige bezwaren bestaan, aan zijn kleding te onderzoeken.
3.
Wanneer er in geval van het eerste lid bijzondere aanwijzingen zijn dat voorwerpen of stoffen in of langs de weg van de natuurlijke openingen van het lichaam verborgen worden gehouden, kan het onderzoek aan het lichaam zich ook daartoe uitstrekken, doch slechts indien:
a. het onderzoek plaatsvindt door een medisch deskundige, wanneer het betreft een onderzoek van de maag, een rectaal of vaginaal onderzoek, en een meer dan oppervlakkig onderzoek van andere lichaamsholten, en
b. het onderzoek geschiedt op een daartoe geschikte plaats en, indien het niet door een medisch deskundige wordt verricht, door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als dat van de verdachte die aan het onderzoek wordt onderworpen.
4.
Indien bij het onderzoek, bedoeld in het derde lid, instrumenten of kunstmatige middelen worden aangewend met het doel de verwijdering van voorwerpen en stoffen uit het lichaam te bewerkstelligen, dient voor het gebruik daarvan door de rechter-commissaris machtiging te worden verleend. In die machtiging kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking tot de wijze van uitvoering.
1.
De rechter-commissaris kan op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman een deskundige, verbonden aan een van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen laboratoria, benoemen met de opdracht een onderzoek te verrichten dat gebaseerd is op een vergelijking tussen kenmerken van celmateriaal. De deskundige brengt aan de rechter-commissaris een met redenen omkleed verslag uit.
2.
De rechter-commissaris geeft de verdachte, indien deze bekend is, steeds en zo spoedig mogelijk schriftelijk kennis van de aan de deskundige verleende opdracht, van de tijd waarop en van het laboratorium alwaar het onderzoek plaatsvindt of heeft plaatsgevonden en van de uitslag daarvan. Hij wijst de verdachte op artikel 79b.
3.
De rechter-commissaris doet het celmateriaal vernietigen overeenkomstig de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels. Van de vernietiging wordt onverwijld proces-verbaal opgemaakt.
4.
Kenmerken van celmateriaal kunnen worden opgenomen in een register. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de inrichting en raadpleging van het register, alsmede omtrent de gevallen waarin de opname van gegevens in dit register is toegestaan en de wijze waarop daartegen bij het Hof beroep kan worden ingesteld.
5.
Het register, bedoeld in het vierde lid, kan, volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, worden geraadpleegd ten behoeve van opsporingsonderzoek waarop het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, geen betrekking heeft.
1.
De rechter-commissaris kan op de vordering van de officier van justitie bevelen dat van de verdachte van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, bloed zal worden afgenomen ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in artikel 79, eerste lid.
2.
Het bevel kan slechts worden gegeven, indien uit feiten of omstandigheden blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte en indien het onderzoek redelijkerwijze nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid. Het bevel is met redenen omkleed en wordt betekend aan de verdachte.
3.
De rechter-commissaris geeft het bevel niet, dan nadat de verdachte is gehoord en vruchteloos is uitgenodigd vrijwillig bloed ten behoeve van het onderzoek af te staan. De verdachte is bevoegd zich door een raadsman te doen bijstaan.
4.
Het bevel tot afname van bloed wordt niet ten uitvoer gelegd, indien aannemelijk is dat afname van bloed om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
5.
De verdachte ten aanzien van wie een bevel als bedoeld in het eerste lid, is gegeven, wordt door een arts zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek en een tegenonderzoek noodzakelijk is.
6.
Bij toepassing van het vierde lid of indien de deskundige als bedoeld in artikel 79, eerste lid, oordeelt dat het bloed van de verdachte geen geschikt materiaal voor het daar bedoelde onderzoek zal opleveren, kan de rechter-commissaris bevelen dat van de verdachte wangslijmvlies, haarwortels of ander bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in artikel 79, eerste lid. De laatste volzin van het tweede lid en het derde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
7.
De verdachte kan tegen het krachtens het eerste of zesde lid gegeven bevel binnen zeven dagen na betekening in hoger beroep komen bij het Hof van Justitie, dat zo spoedig mogelijk beslist. De verdachte wordt gehoord. Het bevel wordt in afwachting van de beslissing van het Hof niet ten uitvoer gelegd.
1.
De verdachte kan, indien geen verzoek als bedoeld in artikel 79, eerste lid, is gedaan, binnen veertien dagen nadat hem de uitslag van het onderzoek als bedoeld in artikel 79, eerste lid, schriftelijk is kennisgegeven, de rechter-commissaris verzoeken een andere door de verdachte aangewezen deskundige, verbonden aan een van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen laboratoria, te benoemen met de opdracht een onderzoek te verrichten dat gebaseerd is op een vergelijking tussen kenmerken van celmateriaal. Indien daartoe voldoende celmateriaal beschikbaar is, willigt de rechter-commissaris het verzoek in. De deskundige brengt aan de rechter-commissaris een met redenen omkleed verslag uit. Artikel 79, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.
In geval van toepassing van het eerste lid wordt de verdachte een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gedeelte van de kosten van het onderzoek in rekening gebracht, indien dit onderzoek het in opdracht van de rechter-commissaris verrichte onderzoek bevestigt.
3.
Indien onvoldoende materiaal voor tegenonderzoek als bedoeld in het eerste lid beschikbaar is, stelt de rechter-commissaris de verdachte, indien slechts één verdachte bekend is, in de gelegenheid een deskundige als bedoeld in artikel 267 aan te wijzen. De deskundige dient verbonden te zijn aan een van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen laboratoria. Het eerste lid is niet van toepassing.
1.
Ten aanzien van het onderzoek door deskundigen als bedoeld in de artikelen 79 en 79b, zijn de bepalingen van de zesde afdeling van de derde Titel van het Vierde Boek van overeenkomstige toepassing, behoudens voor zover daarvan in artikel 79 en 79b wordt afgeweken.
2.
Bij toepassing van artikel 267 is artikel 79b niet van toepassing.
Artikel 79d
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de wijze van uitvoering van de artikelen 79, 79a, en 79b, in het bijzonder met betrekking tot de wijze waarop celmateriaal van een persoon wordt afgenomen, de methode en de plaats van onderzoek, de aanwijzing van de deskundigen, het door de deskundigen uit te brengen verslag, de wijze waarop het recht op tegenonderzoek kan worden uitgeoefend en het bewaren van celmateriaal.
1.
Als de aangehouden verdachte naar een plaats van verhoor is geleid, mag hij met het oog op het verhoor niet langer dan zes uren worden opgehouden, met dien verstande dat de tijd tussen 10 uur ’s avonds en 8 uur ’s morgens niet wordt meegerekend. De hulpofficier van justitie kan bepalen, dat het verhoor, indien het belang van de zaak dat bepaaldelijk vordert, aaneensluitend na 10 uur wordt voortgezet. De duur van het verhoor na 10 uur wordt op de zes uren in mindering gebracht.
2.
De termijn vangt aan op het tijdstip dat de verdachte op de plaats van verhoor is aangekomen.
3.
Is de verdachte niet in staat het verhoor te ondergaan, dan vangt de termijn aan op het tijdstip dat hij daartoe wel in staat is.
1.
De verdachte wordt aan geen andere beperkingen onderworpen dan die welke voor het doel van de ophouding voor het verhoor of in het belang van de orde volstrekt noodzakelijk zijn.
2.
Tijdens de ophouding voor het verhoor kunnen onder meer de in artikel 90, tweede lid, onderdelen a en c, bedoelde maatregelen in het belang van het onderzoek worden bevolen.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de maatregelen die in het belang van het onderzoek kunnen worden bevolen.
1.
Iedere verdachte, die naar een plaats van verhoor is geleid, wordt terstond daarna, in ieder geval voordat het verhoor een aanvang neemt, op de hoogte gebracht van:
a. de aard en de reden van de vrijheidsontneming,
b. het recht om zich te onthouden van antwoorden, en
c. het recht zich door een raadsman te doen bijstaan en, bij toepasselijkheid van de artikelen 62 of 63, het recht om toevoeging van een raadsman te verzoeken.
2.
Behalve de mondelinge mededeling van de rechten, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de verdachte een formulier uitgereikt, waarop die rechten zijn vermeld. Het model van het formulier wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. Het formulier is steeds beschikbaar in tenminste de navolgende talen: Nederlands, Papiamentu, Engels en Spaans.
3.
Na de mededeling van zijn rechten tekent de verdachte het formulier voor gezien. Weigert hij te tekenen, dan wordt daarvan in het proces-verbaal melding gemaakt. Een afschrift van het formulier wordt bij de processtukken gevoegd.
4.
De mededeling geschiedt in een taal die de verdachte verstaat. Bij gegronde twijfel of een verdachte de mededeling goed heeft begrepen, neemt het verhoor geen aanvang, voordat de bijstand van een tolk is ingeroepen.
1.
De officier van justitie of de hulpofficier, voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden of verhoord, kan na het verhoor, in het belang van het onderzoek bevelen dat hij tijdens het onderzoek ter beschikking van de justitie zal blijven en daarvoor op een in het bevel aan te duiden plaats in verzekering zal worden gesteld.
2.
De verdachte wordt, door de officier van justitie of de hulpofficier voorafgaand aan het bevel, gehoord. Hem wordt tevens meegedeeld, dat hem vanaf het tijdstip waarop het bevel tot inverzekeringstelling wordt verleend en gedurende die periode, kosteloos een raadsman zal worden toegevoegd.
3.
Van het horen wordt in het proces-verbaal van verhoor melding gemaakt.
4.
De hulpofficier geeft van zijn bevel ten spoedigste, maar in ieder geval binnen vierentwintig uren schriftelijk of mondeling kennis aan de officier van justitie.
5.
Zodra het belang van het onderzoek dit toelaat, gelast de officier van justitie de invrijheidstelling van de verdachte. Binnen de eerste vierentwintig uren is daartoe ook bevoegd de hulpofficier, die het bevel heeft gegeven.
6.
Gelast de hulpofficier de invrijheidstelling niet, dan doet hij de verdachte voor de officier van justitie geleiden, voor zover deze niet anders beslist.
Artikel 84
De officier van justitie doet de aangehouden verdachte, wiens bewaring hij noodzakelijk oordeelt, onverwijld geleiden voor de rechter-commissaris.
Artikel 85
Wordt de verdachte noch overeenkomstig artikel 83 in verzekering gesteld, noch overeenkomstig artikel 84 voor de rechter-commissaris geleid, dan wordt hij, na te zijn verhoord, dadelijk in vrijheid gesteld.
Artikel 86
Het bevel tot inverzekeringstelling wordt slechts verleend in geval van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting in eerste aanleg is aangevangen, kan zodanig bevel voor hetzelfde feit niet meer worden verleend.
1.
Het bevel tot inverzekeringstelling is gedurende ten hoogste twee dagen van kracht.
2.
Bij dringende noodzakelijkheid in het belang van het onderzoek kan de inverzekeringstelling door de officier van justitie eenmaal worden verlengd en wel met ten hoogste acht dagen. De verdachte wordt door de officier van justitie gehoord voordat hij overeenkomstig artikel 89 voor de rechter-commissaris wordt geleid.
3.
De termijnen gaan in op het ogenblik van de tenuitvoerlegging. Zij lopen niet gedurende de tijd dat de verdachte zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel heeft onttrokken.
4.
Artikel 83,vijfde en zesde lid, en artikel 86 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Het bevel tot inverzekeringstelling of tot verlenging daarvan is gedagtekend en ondertekend.
2.
Het bevat een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van het strafbare feit, en vermeldt zoveel mogelijk de datum en de plaats van het feit, de grond van de uitvaardiging en de bepaalde omstandigheden die tot het aannemen van die grond hebben geleid. Het vermeldt tevens het tijdstip waarop en de duur waarvoor het is verleend, alsmede de plaats waar de inverzekeringstelling wordt ondergaan.
3.
De verdachte wordt in het bevel met naam, voornamen en andere bekende persoonsgegevens aangeduid of, wanneer deze onbekend zijn, zo duidelijk mogelijk aangewezen.
4.
Een afschrift van het bevel wordt hem onverwijld uitgereikt. Aan het bureau van de reclassering wordt eveneens een afschrift verstrekt.
1.
De verdachte wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vierentwintig uren nadat de tenuitvoerlegging van het bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling een aanvang heeft genomen, voor de rechter-commissaris geleid. De raadsman is bevoegd daarbij aanwezig te zijn. Hij wordt in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken.
2.
Indien de rechter-commissaris voortzetting van de inverzekeringstelling onrechtmatig oordeelt, gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte. Blijft zodanig bevel achterwege, dan behoudt het door de officier van justitie of de hulpofficier verleende bevel zijn volledige rechtskracht.
3.
Indien de voorgeleiding overeenkomstig het eerste lid niet heeft plaatsgevonden, wordt de verdachte terstond in vrijheid gesteld.
1.
De in verzekering gestelde personen worden aan geen andere beperkingen onderworpen dan die welke voor het doel van hun opsluiting of in het belang van de orde volstrekt noodzakelijk zijn.
2.
Tijdens de inverzekeringstelling kunnen door de officier van justitie en, in geval van het gerechtelijk vooronderzoek, de rechter-commissaris in het bijzonder als maatregel in het belang van het onderzoek jegens de verdachte worden bevolen:
a. het maken van afbeeldingen, al dan niet in bepaalde standen;
b. het tijdelijk doen aantrekken van bepaalde kleding, daaronder begrepen het opzetten van een bril of het dragen van een pruik;
c. het vastleggen van uiterlijke lichamelijke kenmerken;
d. een onderzoek van schrijf- en stemkenmerken;
e. sorteer- en geurproeven;
f. een tegenoverstelling met derden;
g. de beperking of ontzegging van de uitreiking van kranten en lectuur;
h. algemeen of individueel bepaalde bezoek-, contact- en correspondentieverboden;
i. een verbod op het voeren van telefoongesprekken;
j. afzondering;
k. het overbrengen naar bepaalde plaatsen;
l. het afscheren, knippen of laten groeien van baard- en hoofdhaar;
m. de in artikel 78 bedoelde onderzoeken en de aldaar bedoelde verwijdering van voorwerpen en stoffen;
n. een onderzoek van het op grond van artikel 78 verkregen materiaal.
3.
De in het tweede lid, onderdelen a tot en met c, alsmede f tot en met j, bedoelde maatregelen kunnen tevens worden bevolen door de hulpofficier van justitie die de inverzekeringstelling heeft gelast, indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht.
4.
De toepassing van de in het tweede lid bedoelde maatregelen wordt schriftelijk vastgelegd.
5.
Voor maatregelen als bedoeld in het tweede lid, onderdelen l, m, voor zover het de verwijdering van voorwerpen en stoffen uit het lichaam betreft, en n, voor zover het lichaamsmateriaal betreft, dient door de rechter-commissaris een machtiging te worden verleend. Artikel 78, vierde lid, laatste volzin, is van overeenkomstige toepassing.
6.
De uitvoering van de in het tweede lid bedoelde maatregelen geschiedt onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie.
7.
Tegen de oplegging van in het tweede lid bedoelde maatregelen kan de verdachte binnen zeven dagen een bezwaarschrift indienen bij het Hof.
8.
Een maatregel wordt, in afwachting van de rechterlijke beslissing op het bezwaarschrift, niet ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter-commissaris of de officier van justitie de onverwijlde tenuitvoerlegging in het belang van het onderzoek volstrekt noodzakelijk acht.
9.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
Artikel 90a
Met betrekking tot de behandeling van in verzekering gestelde personen en tot de eisen waaraan de voor inverzekeringstelling bestemde plaatsen moeten voldoen, worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld, voor zover daarin bij wet, houdende regels voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsontneming, niet is voorzien.
1.
Tijdens de periode van inverzekeringstelling kan de verdachte, onverminderd het bepaalde in artikel 89, de rechter-commissaris schriftelijk om zijn invrijheidstelling verzoeken. De rechter-commissaris hoort de verdachte en de officier van justitie, indien hij daartoe gronden aanwezig acht.
2.
Op het verzoek wordt zo spoedig mogelijk beslist. Indien de rechter-commissaris de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt, gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.
1.
De rechter-commissaris kan, op de vordering van de officier van justitie, een bevel tot bewaring van de verdachte verlenen. De griffier geeft van de vordering onverwijld mondeling of schriftelijk kennis aan de raadsman en doet hem alsmede de officier van justitie en de hulpofficier tevens mededeling omtrent de plaats waar en, zo mogelijk, het tijdstip waarop de verdachte door de rechter-commissaris zal worden gehoord.
2.
Indien de rechter-commissaris reeds aanstonds van oordeel is, dat voor het verlenen van zodanig bevel geen grond bestaat, wijst hij de vordering af.
3.
In het andere geval hoort hij, alvorens te beslissen, de verdachte omtrent de vordering van de officier van justitie en kan hij te dien einde, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, diens dagvaarding gelasten. Indien het voorafgaand horen van de verdachte niet kan worden afgewacht, wordt deze bij de eerste gelegenheid na het bevel gehoord.
1.
Het bevel tot bewaring is van kracht gedurende een door de rechter-commissaris te bepalen termijn van ten hoogste acht dagen, die ingaat op het ogenblik van de tenuitvoerlegging.
2.
Op de vordering van de officier van justitie kan de rechter-commissaris de geldigheidsduur van het bevel eenmaal voor een termijn van ten hoogste acht dagen verlengen.
3.
De rechter-commissaris hoort de verdachte, indien hij daartoe gronden aanwezig acht.
1.
Ten aanzien van de bewaring zijn artikel 90, met uitzondering van het derde en zesde lid, alsmede artikel 90a van overeenkomstige toepassing.
2.
De uitvoering van de maatregelen die krachtens het eerste lid kunnen worden bevolen, vindt in het huis van bewaring plaats onder de verantwoordelijkheid van het hoofd van het huis van bewaring.
Artikel 95
De rechter-commissaris kan, op de vordering van de officier van justitie, de gevangenhouding bevelen van de verdachte die zich in bewaring bevindt, doch niet dan na hem in de gelegenheid te hebben gesteld om te worden gehoord.
Artikel 96
De rechter-commissaris kan, indien dit nodig is om de uitlevering van de verdachte te verkrijgen, op de vordering van de officier van justitie de gevangenneming van de verdachte bevelen.
Artikel 97
Na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting, kan de rechter in eerste aanleg ambtshalve of op de vordering van de officier van justitie, de gevangenneming van de verdachte bevelen. Zo nodig hoort de rechter deze vooraf; hij is bevoegd te dien einde zijn dagvaarding te gelasten.
1.
Het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is van kracht gedurende een door de rechter te bepalen termijn van ten hoogste zestig dagen, die ingaat op het ogenblik van de tenuitvoerlegging.
2.
Indien het bevel is gegeven op de terechtzitting, dan wel, binnen de krachtens het eerste lid bepaalde termijn, het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen, blijft het bevel voor onbepaalde tijd geldig en blijft van kracht totdat het is opgeheven.
3.
De termijn gedurende welke het bevel van kracht is, kan door de rechter-commissaris op de vordering van de officier van justitie, voor de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting eenmaal met ten hoogste dertig dagen worden verlengd.
4.
Indien een gerechtelijk vooronderzoek is gevorderd en dit op grond van bijzondere, op de zaak zelf betrekking hebbende omstandigheden niet binnen negentig dagen nadat het bevel tot gevangenhouding van kracht is geworden, is voltooid, kan op de vordering van de officier van justitie de rechter-commissaris in de gevallen en op de gronden, vermeld in de artikelen 100 en 101, de termijn nog eenmaal met ten hoogste dertig dagen verlengen.
5.
De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld op elke vordering op grond van dit artikel te worden gehoord.
6.
Op bevelen tot verlenging, overeenkomstig het derde en vierde lid, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 99
Ten aanzien van de gevangenhouding en de gevangenneming is artikel 94 van overeenkomstige toepassing.
1.
Een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden gegeven in geval van verdenking van:
a. een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, of
2.
Het bevel kan voorts worden gegeven, indien de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft, en hij verdacht wordt van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld.
1.
Een bevel, als bedoeld in artikel 100, kan slechts worden gegeven, indien uit feiten of omstandigheden blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte ter zake van de in dat artikel vermelde misdrijven, en voorts:
a. indien uit bepaalde gedragingen van de verdachte of uit bepaalde, hem persoonlijk betreffende omstandigheden blijkt van ernstig gevaar voor vlucht, of
b. indien uit bepaalde omstandigheden blijkt van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, die de onverwijlde vrijheidsontneming vordert.
2.
Een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid kan voor de toepassing van het eerste lid slechts in aanmerking worden genomen:
a. indien wegens het vermoedelijk begane feit levenslange gevangenisstraf, dan wel tijdelijke van zes jaren of meer kan worden opgelegd of de rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt, of
b. indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden, dat de verdachte een misdrijf zal begaan, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld, of waardoor de veiligheid van de staat of de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht, dan wel algemeen gevaar voor goederen kan ontstaan, of
c. indien de voorlopige hechtenis in redelijkheid noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de waarheid.
3.
Een bevel tot voorlopige hechtenis blijft achterwege, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsontneming strekkende maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat hem bij tenuitvoerlegging van het bevel langere tijd rechtens zijn vrijheid zou worden ontnomen dan de duur van de straf of maatregel.
1.
De termijn gedurende welke een bevel tot voorlopige hechtenis van kracht is, loopt niet gedurende de tijd dat de verdachte zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel heeft onttrokken of hem uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Ondergaat evenwel de verdachte op het tijdstip dat het bevel tot voorlopige hechtenis wordt gegeven een vrijheidsstraf, dan wordt de tenuitvoerlegging van de straf van rechtswege geschorst zolang het bevel van kracht is. De in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd wordt in dat geval zoveel mogelijk in mindering gebracht op die straf.
2.
Indien binnen de in de eerste volzin van het eerste lid bedoelde termijn een vordering krachtens artikel 281, dan wel een bezwaarschrift tegen de dagvaarding is ingediend, blijft het bevel, onverminderd het bepaalde in artikel 98, tweede lid, van kracht totdat dertig dagen zijn verstreken sedert de dag waarop onherroepelijk op de vordering of het bezwaarschrift is beschikt.
1.
Het bevel tot voorlopige hechtenis kan te allen tijde door de rechter-commissaris, dan wel nadat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, door de rechter in eerste aanleg worden opgeheven. De rechter in eerste aanleg kan dit doen ambtshalve, op het verzoek van de verdachte of op de vordering van de officier van justitie.
2.
De verdachte die voor de eerste maal opheffing verzoekt, wordt, tenzij de rechter reeds aanstonds tot inwilliging besluit, in de gelegenheid gesteld op het verzoek te worden gehoord.
1.
Uiterlijk drie dagen na de tenuitvoerlegging kan de verdachte van de beschikking, houdende bevel tot gevangenneming of gevangenhouding, bij het Hof van Justitie in hoger beroep komen.
2.
Binnen dezelfde termijn kan de verdachte in beroep komen van een bevel tot verlenging van de gevangenhouding, doch slechts wanneer door hem geen hoger beroep werd ingesteld tegen het bevel tot gevangenhouding en ook niet tegen een eerder bevel tot verlenging.
3.
Alvorens het Hof beslist wordt de verdachte in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.
1.
Bij alle einduitspraken wordt, behoudens het bepaalde in artikel 34, tweede lid, het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven, indien, ter zake van het feit waarvoor dat bevel is verleend, aan de verdachte noch een vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, noch een maatregel die vrijheidsontneming meebrengt of kan meebrengen, onvoorwaardelijk is opgelegd.
2.
Indien de duur van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf die van de reeds ondergane voorlopige hechtenis met minder dan vijf maanden overtreft en geen maatregel die vrijheidsontneming meebrengt of kan meebrengen onvoorwaardelijk is opgelegd, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 103, bij de einduitspraak het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.
3.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid van dit artikel wordt onder de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd begrepen de tijd gedurende welke de verdachte in verzekering was gesteld.
4.
Indien de einduitspraak tot invrijheidstelling van de verdachte zou moeten leiden, kan de rechter, in afwijking van het eerste lid en alle belangen in aanmerking genomen, bepalen, dat de voorlopige hechtenis gedurende een termijn van ten hoogste drie weken van kracht blijft, onverminderd het bepaalde in het vijfde en zesde lid.
5.
Indien de einduitspraak nietigverklaring van de dagvaarding inhoudt, de officier van justitie een nieuwe dagvaarding uitbrengt en de behandeling ter terechtzitting binnen de termijn van drie weken geen aanvang heeft genomen, wordt de verdachte bij het verstrijken van die termijn terstond in vrijheid gesteld.Vindt de behandeling ter terechtzitting wel binnen deze termijn plaats, dan duurt de voorlopige hechtenis voort, overeenkomstig artikel 98, tweede lid, ook ingeval de verdachte tegen die nieuwe dagvaarding een bezwaarschrift heeft ingediend.
6.
Indien de einduitspraak vrijspraak van het tenlastegelegde of ontslag van rechtsvervolging inhoudt en tegen die beslissing hoger beroep is aangetekend, dient de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep binnen drie weken na de einduitspraak te zijn aangevangen. Indien die termijn is verstreken, voordat de behandeling in hoger beroep een aanvang heeft genomen, of indien, voordat die termijn is verstreken, het openbaar ministerie van het hoger beroep heeft afgezien, wordt de verdachte terstond in vrijheid gesteld.
Artikel 106
Behoudens het bepaalde in artikel 105, tweede lid, zijn bevelen tot voorlopige hechtenis en die tot opheffing daarvan dadelijk uitvoerbaar.
Artikel 107
Indien het Hof van Justitie tot het geven van enige beslissing is geroepen voordat beroep van de einduitspraak is aangetekend, wordt daarbij de opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis gelast, indien dit uit de beslissing voortvloeit.
1.
Na de aantekening van beroep van de einduitspraak worden de in de artikelen 96 tot en met 103 bedoelde bevelen met overeenkomstige toepassing van die artikelen gegeven door het Hof van Justitie, behoudens de volgende afwijkingen.
2.
Onverminderd het in artikel 97 bepaalde, kan het Hof ook bij de einduitspraak, niettegenstaande een eerder beëindigde voorlopige hechtenis en onverminderd het in de artikelen 100 en 101, eerste en tweede lid, onderdelen a en b, bepaalde, de gevangenneming van de verdachte bevelen.
3.
Een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is, na de einduitspraak in eerste aanleg, voor een termijn van ten hoogste vijf maanden van kracht. Echter toetst het Hof binnen een termijn van dertig dagen, nadat hoger beroep is aangetekend, of de gevallen en de gronden, bedoeld in de artikelen 100 en 101, nog aanwezig zijn. Het Hof hoort de verdachte, indien het daartoe gronden aanwezig acht. De termijn van vijf maanden kan, indien er gegronde redenen zijn, waarom het onderzoek op de terechtzitting niet binnen deze termijn een aanvang kan nemen, door het Hof eenmaal met ten hoogste dertig dagen worden verlengd.
4.
Een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding, dat voor het verstrijken van de in het derde lid bedoelde termijn door het onderzoek op de terechtzitting is gevolgd, is, evenals een tijdens of na dat onderzoek verleend bevel, geldig voor onbepaalde tijd, behoudens invrijheidstelling ingevolge de artikelen 103, 105, 107 en 108, vijfde lid, totdat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, ook ingeval tegen de einduitspraak beroep in cassatie is aangetekend of de Hoge Raad de zaak overeenkomstig artikel 14 van de Cassatieregeling van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba naar het Hof heeft verwezen.
5.
Buiten de gevallen voorzien in artikel 105 heft het Hof van Justitie het bevel op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf, tenzij een maatregel die vrijheidsontneming meebrengt of kan meebrengen onvoorwaardelijk is opgelegd.
6.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd begrepen de tijd gedurende welke de verdachte in verzekering was gesteld.
1.
Tenzij de verdachte ter gelegenheid van zijn verhoor mondeling is meegedeeld dat een bevel tot voorlopige hechtenis tegen hem zal worden uitgevaardigd, wordt hij binnen vierentwintig uren na zijn opneming in de plaats waarin de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan, gehoord.
2.
Het horen geschiedt gedurende het voorbereidend onderzoek door de rechter-commissaris; na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg door de rechter in eerste aanleg; na de aantekening van beroep van de einduitspraak door het Hof van Justitie dan wel een lid van dat college.
3.
Van het horen wordt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 213 tot en met 218 steeds proces-verbaal opgemaakt.
1.
Het bevel tot voorlopige hechtenis of tot verlenging van de geldigheidsduur daarvan is gedagtekend en ondertekend.
2.
Het omschrijft het strafbare feit op zodanige wijze, dat de verdachte daaruit redelijkerwijze kan begrijpen, welke verdenking ten aanzien van hem is gerezen, alsmede de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de in artikel 101 gestelde voorwaarden zijn vervuld.
3.
De verdachte wordt in het bevel met naam, voornamen en andere bekende
persoonsgegevens aangeduid of, wanneer deze onbekend zijn, zo duidelijk mogelijk aangewezen.
4.
Het bevel vermeldt voorts het tijdstip waarop en de duur waarvoor het is verleend, alsmede de plaats waarin de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan.
5.
Het wordt voor of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte betekend.
1.
De rechter kan hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bevelen, dat de voorlopige hechtenis zal worden geschorst, zodra de verdachte al of niet onder zekerheidstelling zich, in de vorm door de rechter te bepalen, bereid heeft verklaard tot nakoming van de aan de schorsing te verbinden voorwaarden.
2.
Onder de voorwaarden van de schorsing wordt steeds opgenomen:
a. dat de verdachte, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken, en
b. dat de verdachte, ingeval hij wegens het feit, waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken.
3.
De zekerheidstelling voor de nakoming van de voorwaarden bestaat hetzij in de storting van geldswaarden door de verdachte of een derde, hetzij in de verbintenis van een derde als waarborg. In het laatste geval wordt bij het verzoek een schriftelijke bereidverklaring van de waarborg overgelegd.
4.
De rechter bepaalt in zijn beslissing het bedrag waarvoor, en de wijze waarop zekerheid zal zijn te stellen.
5.
De verdachte en de waarborg worden op het eerste verzoek of de eerste vordering gehoord.
Artikel 112
De rechter kan ambtshalve, op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte in de beslissing tot schorsing wijziging brengen. De verdachte wordt gehoord.
1.
De rechter kan ambtshalve of op de vordering van het openbaar ministerie te allen tijde de opheffing van de schorsing bevelen.
2.
Alvorens daartoe over te gaan, hoort de rechter zo mogelijk de verdachte en kan hij te dien einde, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, diens dagvaarding gelasten.
Artikel 114
De bevoegdheid tot schorsing, tot opheffing van de schorsing of tot wijziging van de aan de schorsing verbonden voorwaarden komt toe aan de rechter, die de voorlopige hechtenis heeft bevolen. Indien de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, is de rechter die over de zaak oordeelt of het laatst heeft geoordeeld, daartoe bevoegd.
1.
Indien de verdachte de voorwaarden niet naleeft, of indien uit bepaalde omstandigheden blijkt van het bestaan van gevaar voor vlucht, kan zijn aanhouding worden bevolen door de officier van justitie of een hulpofficier van justitie. Deze laatste geeft van zijn bevel en van de aanhouding krachtens dat bevel onverwijld kennis aan de officier van justitie.
2.
Indien de officier van justitie de gedane aanhouding noodzakelijk blijft achten, dient hij onverwijld zijn vordering bij de rechter in, die binnen tweemaal vierentwintig uren daarna beslist.
Artikel 116
De beslissingen tot schorsing, tot opheffing daarvan en die tot wijziging van de beslissing zijn dadelijk uitvoerbaar.
1.
Tegen de beschikkingen van de rechter-commissaris of van de rechter in eerste aanleg tot schorsing of tot wijziging van een beslissing tot schorsing, staat voor de officier van justitie uiterlijk drie dagen daarna beroep bij het Hof van Justitie open.
2.
De verdachte, die schorsing of opheffing van de voorlopige hechtenis dan wel wijziging van een beslissing tot schorsing heeft verzocht, kan van een afwijzende beslissing op dat verzoek uiterlijk drie dagen na de betekening bij het Hof van Justitie in hoger beroep komen. De verdachte kan, ongeacht de aard van de beslissing, slechts eenmaal in beroep komen.
3.
Tegen de door het Hof bevolen schorsing of wijziging van een beslissing tot schorsing is geen voorziening toegelaten.
Artikel 118
Waar in deze paragraaf wordt gesproken van schorsing, wordt daaronder begrepen opschorting.
1.
Vatbaar voor inbeslagneming zijn alle voorwerpen en vorderingen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES, aan te tonen.
2.
Voorts zijn vatbaar voor inbeslagneming alle voorwerpen en vorderingen welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen.
1.
In geval van verdenking van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste vier of meer jaren is gesteld, of een misdrijf, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete.
2.
In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste vier of meer jaren is gesteld, of een misdrijf, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, kunnen voorwerpen in beslag worden genomen tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES.
3.
Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, kunnen in beslag worden genomen indien:
a. die voorwerpen, onmiddellijk of middellijk, afkomstig zijn van het misdrijf in verband waarmee de geldboete kan worden opgelegd onderscheidenlijk het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, en
b. voldoende aanwijzingen bestaan dat die voorwerpen aan die ander zijn gaan toebehoren met het doel de uitwinning van die voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en
c. die ander ten tijde van dat gaan toebehoren wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat die voorwerpen van enig misdrijf afkomstig waren.
4.
In het geval, bedoeld in het derde lid, kunnen tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in het derde lid bedoelde voorwerpen.
Artikel 119b
Voor de toepassing van de artikelen 119 en 119a geldt:
a. dat beslag op vorderingen wordt gelegd en beëindigd door een schriftelijke kennisgeving aan de schuldenaar;
b. dat bij het leggen en beëindigen van beslag op onroerende goederen de tussenkomst van de deurwaarder wordt ingeroepen en formaliteiten in acht worden genomen welke ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES gelden ten aanzien van de mededeling of aanzegging van de inbeslagneming, dan wel de betekening van het proces-verbaal van inbeslagneming, de aantekening, inschrijving of doorhaling in registers en de betekening daarvan aan derden;
c. dat bij het leggen of beëindigen van beslag op schepen en luchtvaartuigen formaliteiten in acht worden genomen welke ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES gelden ten aanzien van de betekening van het proces-verbaal van inbeslagneming, en ingevolge enige regeling inzake teboekgestelde schepen onderscheidenlijk luchtvaartuigen ten aanzien van de inschrijving en doorhaling daarvan in registers.
Artikel 119c
Op het beslag, bedoeld in artikel 119a, Boek 3, Titel 4, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BESvan overeenkomstige toepassing, behoudens dat:
a. voor het leggen van het beslag geen verlof van de rechter in eerste aanleg vereist is, noch vrees voor verduistering behoeft te bestaan;
b. een maximum bedrag waarvoor het recht tot verhaal zal worden uitgeoefend in het proces-verbaal van inbeslagneming of het beslagexploit dient te worden vermeld;
c. geen overeenkomstige toepassing toekomt aan voorschriften omtrent termijnen waarbinnen na het beslag de eis in de hoofdzaak dient te zijn ingesteld;
d. voor roerende zaken die geen registergoederen zijn en rechten aan toonder of order ook volstaan kan worden met het door een opsporingsambtenaar opmaken van een proces-verbaal van inbeslagneming en het afgeven van een bewijs van ontvangst aan degene bij wie de voorwerpen in beslag zijn genomen;
e. het niet in acht nemen van termijnen waarbinnen betekening van het beslag moet plaatsvinden, buiten de gevallen van artikel 119b, onderdeel b, geen nietigheid van het beslag meebrengt;
f. geen overeenkomstige toepassing toekomt aan artikel 721 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES. De officier van justitie geeft, indien de hoofdzaak na het beslag ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt, daarvan zo spoedig mogelijk aan de derde schriftelijk kennis;
g. geen overeenkomstige toepassing toekomt aan artikel 722 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES;
h. op in beslag genomen roerende zaken die in bewaring worden genomen de artikelen 141 tot en met 143 van toepassing zijn;
i. de beëindiging van het beslag met inachtneming van de bepalingen van dit wetboek geschiedt.
1.
Tot bewaring van het recht tot verhaal kan de officier van justitie namens de staat de bevoegdheid uitoefenen, welke in artikel 1358 van het Burgerlijk Wetboek BES is toegekend aan een schuldeiser die in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld als gevolg van een onverplicht door de schuldenaar verrichte rechtshandeling. De artikelen 39 en 41 van Faillissementswet BES zijn van overeenkomstige toepassing.
2.
Voor de toepassing van de artikelen 39 en 41 van de Faillissementswet BES geldt het in die artikelen bedoelde vermoeden van wetenschap voor rechtshandelingen welke door de verdachte of veroordeelde zijn verricht binnen een jaar voor het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen.
3.
De officier van justitie heeft voorts tot bewaring van het recht tot verhaal de bevoegdheid namens de Staat als schuldeiser in het faillissement van de verdachte of de veroordeelde op te komen. Zolang het bedrag van de boete of van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel nog niet vaststaat, wordt hij geacht voor een voorwaardelijke vordering op te komen.
4.
De officier van justitie behoudt de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en het tweede lid, ondanks faillissement, voor zover de voorwerpen waarop de onverplichte rechtshandelingen betrekking hebben, niet door de curator op grond van de artikelen 38 tot en met 47 van de Faillissementswet BES worden opgevorderd.
1.
Hij die de verdachte aanhoudt of staande houdt, kan voor inbeslagneming vatbare voorwerpen, door deze met zich gevoerd, in beslag nemen.
2.
Met betrekking tot het onderzoek aan het lichaam of de kleding van de aangehouden verdachte gelden de bepalingen van artikel 78.
1.
Opsporingsambtenaren kunnen te allen tijde voor inbeslagneming vatbare voorwerpen in beslag nemen en daartoe, in geval van ontdekking op heterdaad, zonodig elke plaats betreden.
2.
In geval van ontdekking op heterdaad zijn zij ter inbeslagneming tevens bevoegd in voer-, vaar- en luchtvaartuigen gericht en stelselmatig onderzoek te doen.
3.
De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing.
1.
In geval van ontdekking op heterdaad of van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan de officier van justitie bij dringende noodzakelijkheid en indien het optreden van de rechter-commissaris niet kan worden afgewacht:
a. ter inbeslagneming huiszoeking doen en de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag nemen;
b. ter gelegenheid van een schouw elders, voor inbeslagneming vatbare voorwerpen, voor zover deze voor de hand worden aangetroffen, in beslag nemen.
2.
Kan het optreden van de officier van justitie niet worden afgewacht, dan komt de bevoegdheid toe aan een hulpofficier van justitie, onder verplichting om van de ondernomen handeling onverwijld kennis te geven aan de officier van justitie.
3.
In geval van toepassing van het eerste en tweede lid is de officier van justitie of de hulpofficier van justitie bevoegd elke plaats te betreden. De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing.
1.
In geval van een strafbaar feit als omschreven in de artikelen 97 tot en met 102, 103a tot en met 104c, 245, 246, 256, 258, 259, 260, 265 of 447 van het Wetboek van Strafrecht BES, zijn de opsporingsambtenaren te allen tijde bevoegd ter inbeslagneming de uitlevering te vorderen van alle voor inbeslagneming vatbare voorwerpen.
2.
Zij hebben te allen tijde vrije toegang tot alle plaatsen, waar redelijkerwijze vermoed kan worden, dat een zodanig strafbaar feit wordt begaan. De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing.
Artikel 124
De opsporingsambtenaren hebben te allen tijde vrije toegang tot alle lokaliteiten en alle plaatsen, waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed, dat zij door een goud- of zilversmid, kashouder, horlogemaker, rijwiel- of autohandelaar, uitdrager, opkoper of tagrijn worden gebruikt. Artikel 95bis van het Wetboek van Strafrecht BES, zomede de artikelen 155 tot en met 164 van dit wetboek zijn van toepassing.
1.
Bij personen met bevoegdheid tot verschoning, als bedoeld bij artikel 252, worden, tenzij met hun toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, waartoe hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.
2.
Geschiedt bij zodanige personen huiszoeking, dan vindt zij, tenzij met hun toestemming, alleen plaats, voor zover zij zonder schending van het stands-, beroeps- of ambtsgeheim kan geschieden, en strekt zij zich niet uit tot brieven of andere geschriften die niet het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.
1.
Tenzij het belang van het onderzoek dit dringend vordert, wordt tot inbeslagneming in een woning niet overgegaan dan nadat de bewoner of, indien hij afwezig is, een van zijn aanwezige huisgenoten is gehoord en vruchteloos uitgenodigd de voorwerpen vrijwillig af te geven ter inbeslagneming.
2.
Voor zover het belang van het onderzoek zich daartegen niet verzet, stelt de opsporende ambtenaar de bewoner of, indien deze afwezig is, een van zijn aanwezige huisgenoten in de gelegenheid, zich omtrent de ter plaatse aangetroffen en voor inbeslagneming vatbare voorwerpen te verklaren. Hetzelfde geldt ten aanzien van de verdachte, indien deze tegenwoordig is.
3.
De verdachte is bevoegd zich tijdens een huiszoeking door zijn raadsman te doen bijstaan, zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.
1.
In geval van ontdekking op heterdaad of van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan de officier van justitie, in afwachting van het optreden van de rechter-commissaris, bij dringende noodzakelijkheid ter inbeslagneming de uitlevering tegen ontvangstbewijs bevelen van de pakketten, brieven, stukken en andere berichten, die aan de post, de telegrafie of aan een andere instelling van vervoer zijn toevertrouwd; een en ander voor zover zij klaarblijkelijk voor de verdachte bestemd of van hem afkomstig zijn.
2.
Ieder die ten behoeve van dat vervoer zodanige zaken onder zich heeft of krijgt, geeft dienaangaande aan de officier van justitie of aan de hulpofficier op diens vordering de door deze gewenste inlichtingen.
1.
De officier van justitie geeft inbeslaggenomen pakketten, brieven, stukken en andere berichten, die aan de post, de telegrafie of aan een andere instelling van vervoer waren toevertrouwd en waarvan de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd, onverwijld aan de vervoerder ter verzending terug.
2.
Tot kennisneming van de inhoud van de overige zaken, voor zover deze gesloten zijn, gaat de officier van justitie niet over dan na daartoe door de rechter-commissaris te zijn gemachtigd.Wordt de machtiging niet verleend, dan geeft de officier van justitie de inbeslaggehouden zaken onverwijld aan de vervoerder ter verzending terug.
1.
Blijken de zaken na opening van belang voor het onderzoek, dan voegt de officier van justitie deze bij de processtukken of de stukken van overtuiging. In het tegenovergestelde geval worden zij, na door de officier van justitie te zijn gesloten, door deze onverwijld naar hun bestemming verzonden.
2.
Voor zover het belang van het onderzoek dit niet verbiedt, worden zij vooraf door de hulpofficier van justitie gewaarmerkt.
3.
De inhoud van de door de officier van justitie geopende zaken, voor zover deze niet bij de processtukken of de stukken van overtuiging zijn gevoegd, wordt door hem geheim gehouden. Gelijke geheimhouding wordt door hem en door de hulpofficier van justitie in acht genomen ter zake van de inlichtingen, in artikel 127, tweede lid, vermeld, voor zover daarvan niet uit de processtukken blijkt.
4.
Van de inbeslagneming, de teruggave, de opening en de verzending wordt door de officier van justitie proces-verbaal opgemaakt, dat bij de processtukken wordt gevoegd.
1.
Beslag op grond van artikel 119a kan slechts worden gelegd of gehandhaafd krachtens schriftelijke machtiging op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris.
2.
De machtiging wordt door de officier van justitie zo spoedig mogelijk aan de verdachte of de veroordeelde, en zo het beslag onder een derde is gelegd, ook aan deze betekend.
1.
De rechter-commissaris is tot inbeslagneming van alle daarvoor vatbare voorwerpen bevoegd.
2.
Artikel 125, eerste lid, is van toepassing.
1.
De rechter-commissaris kan bevelen dat hij, die redelijkerwijze moet worden vermoed houder te zijn van enig bepaald voor inbeslagneming vatbaar voorwerp, dit ter inbeslagneming aan hem zal uitleveren of op de griffie van het gerecht in eerste aanleg overbrengen, een en ander binnen de termijn en op de wijze bij het bevel te bepalen.
2.
Het bevel wordt mondeling of schriftelijk gegeven. In het laatste geval wordt het betekend.
1.
Ieder tot wie het bevel wordt gericht, is verplicht daaraan te voldoen.
2.
Niettemin bestaan geldige redenen van weigering op grond van bevoegdheid tot verschoning voor:
a. de personen, bedoeld bij artikel 251;
b. de personen, bedoeld bij artikel 252, voor zover de uitlevering of overbrenging met hun plicht tot geheimhouding in strijd zou zijn;
c. de personen, bedoeld bij artikel 253, voor zover de uitlevering of overbrenging hen of een van hun daarin genoemde betrekkingen aan het gevaar van een strafrechtelijke vervolging zou blootstellen.
1.
Het bevel tot uitlevering of overbrenging wordt niet gegeven aan de verdachte.
2.
Ten aanzien van brieven of andere geschriften kan het bevel alleen worden gegeven, indien deze van de verdachte afkomstig zijn, voor hem zijn bestemd of hem toebehoren, of wel indien zij het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.
1.
De rechter-commissaris kan op het verzoek van de belanghebbende bevelen dat deze door de griffier kosteloos een gewaarmerkt afschrift van de uitgeleverde of overgebrachte brieven of geschriften zal worden gegeven.
2.
Betreft het een authentiek stuk onder bewaring van een openbare bewaarder, dan kan het afschrift in de plaats van het oorspronkelijke stuk strekken, zolang dit niet is terug ontvangen.
Artikel 135
Indien het over te brengen stuk een gedeelte uitmaakt van een register, waarvan het niet kan worden afgescheiden, kan de rechter-commissaris bevelen dat het register, voor de tijd bij het bevel te bepalen, ter inzage zal worden overgebracht of aan hem zal worden uitgeleverd ten einde afschriften van het geheel of een gedeelte daarvan te doen vervaardigen.
1.
Buiten het geval van huiszoeking, kan de officier van justitie of de rechter-commissaris op de vordering van de officier van justitie, ter inbeslagneming op elke plaats een onderzoek instellen.
2.
Zij kunnen zich daarbij doen vergezellen van bepaalde door hen aangewezen personen.
Artikel 137
De rechter-commissaris is na een met redenen omklede vordering van de officier van justitie bevoegd huiszoeking ter inbeslagneming te doen en daarbij de te onderzoeken plaatsen te betreden.
1.
Huiszoeking geschiedt, zoveel mogelijk in tegenwoordigheid van de officier van justitie, door of onder leiding van de rechter-commissaris. Artikel 136, tweede lid, is van toepassing.
2.
Ingeval de huiszoeking moet geschieden in een ander eilandgebied doet de rechter-commissaris een daartoe strekkend verzoek aan zijn ambtgenoot in dat andere eilandgebied.
3.
Artikel 126 is van toepassing.
1.
De huiszoeking kan zich, indien dat voor het onderzoek strikt noodzakelijk is, uitstrekken tot de inbeslagneming van alle daarvoor vatbare voorwerpen.
2.
Artikel 125, eerste lid, is van toepassing.
1.
De artikelen 127 tot en met 129 vinden ten aanzien van de rechter-commissaris overeenkomstige toepassing; de bemoeienissen van de officier van justitie, bij de artikelen 128 en 129 vermeld, worden bij het optreden van de rechter-commissaris door deze zo spoedig mogelijk overgenomen en voortgezet.
2.
De rechter-commissaris is bevoegd te bepalen dat van de inhoud van inbeslaggenomen gesloten pakketten, brieven, stukken en andere berichten, die aan de post, de telegrafie of een andere instelling van vervoer waren toevertrouwd, zal worden kennis genomen, voor zover zij klaarblijkelijk voor de verdachte bestemd of van hem afkomstig zijn.
1.
Inbeslaggenomen voorwerpen worden zoveel mogelijk gesloten en verzegeld in een omslag waarop een mededeling van de dag van de inbeslagneming en een vermelding van degene bij wie zij zijn inbeslaggenomen, met een korte opgave van de inhoud, wordt gesteld en ondertekend. Indien de voorwerpen niet geschikt zijn om in een omslag te worden gesloten, wordt daaraan een strook gehecht, waarop gelijke mededeling en vermelding met een korte aanduiding van het voorwerp wordt gesteld en ondertekend. Kan aan een of ander niet worden voldaan, dan worden de voorwerpen zoveel mogelijk gewaarmerkt. Zoveel mogelijk wordt aan degene bij wie zij zijn inbeslaggenomen, een bewijs van ontvangst afgegeven.
2.
De inbeslaggenomen voorwerpen waarvan de bewaring noodzakelijk wordt geacht, worden, zodra het belang van het onderzoek het toelaat, gesteld onder de hoede van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bewaarder.
3.
Inbeslaggenomen voorwerpen kunnen ook aan een andere door het openbaar ministerie aangewezen bewaarder in gerechtelijke bewaring worden gegeven, indien dit voor het behoud, de bestemming of de beveiliging van deze voorwerpen redelijkerwijs noodzakelijk is.
1.
De voorwerpen worden niet vervreemd, vernietigd, prijsgegeven of tot een ander doel dan het onderzoek bestemd, tenzij na verkregen machtiging.
2.
Indien de voorwerpen niet geschikt zijn voor opslag, of dit hoogst ongewenst wordt geacht, kan de machtiging door het openbaar ministerie worden verleend aan de bewaarder, dan wel aan de ambtenaar die de voorwerpen in afwachting van hun vervoer naar de bewaarder onder zich heeft.
3.
Indien de voorwerpen niet geschikt zijn voor opslag gedurende langere tijd, of dit hoogst ongewenst wordt geacht, kan het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd of anders het laatst werd vervolgd, op de vordering van het openbaar ministerie, de machtiging aan de bewaarder verlenen.
4.
Dit artikel blijft, voor zover teruggave van voorwerpen in de zin van artikel 144 mogelijk is, buiten toepassing, behoudens in het geval dat de rechthebbende afstand heeft gedaan.
5.
Gelden en geldswaarden worden gestort in de consignatiekas dan wel op een daartoe bestemde rekening van de Staat.
Artikel 143
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de wijze, waarop de inbeslaggenomen voorwerpen worden bewaard en ter beschikking van het onderzoek gehouden, dan wel, ingevolge artikel 142, worden vervreemd, vernietigd, prijsgegeven of tot een ander doel dan het onderzoek bestemd.
1.
Zodra het belang van de strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp, doet het openbaar ministerie dit door de bewaarder teruggeven aan degene, aan wie het door het strafbare feit is onttrokken. Is deze niet bekend, dan wordt het voorwerp teruggegeven aan degene bij wie het is inbeslaggenomen, tenzij deze het voorwerp onrechtmatig in zijn bezit heeft gekregen. In het laatste geval wordt het voorwerp teruggegeven aan de degene aan wie teruggave van het voorwerp op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is. Is deze niet bekend, dan wordt met het voorwerp gehandeld overeenkomstig artikel 142.
2.
Een verplichting tot teruggave bestaat niet ten aanzien van voorwerpen, waarvan de rechthebbende schriftelijk heeft verklaard afstand te doen. Met betrekking tot deze voorwerpen kan, ook indien zij geschikt zijn voor opslag, een machtiging worden verleend als bedoeld in artikel 142, tweede lid; voor het overige wordt daarmee gehandeld als met verbeurdverklaarde voorwerpen.
1.
Een last tot teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp dat in bewaring is gegeven is gericht tot de bewaarder.
2.
Indien deze aan de last niet kan voldoen, omdat het voorwerp op wettige wijze vervreemd, vernietigd, prijsgegeven of tot een ander doel dan het onderzoek bestemd is, gaat hij na daartoe verkregen machtiging van het gerecht, bedoeld in artikel 142, derde lid, over tot uitbetaling van de prijs, die het voorwerp bij verkoop door hem redelijkerwijze had moeten opbrengen.
3.
Indien de bewaarder, buiten de gevallen in het tweede lid bedoeld, niet in staat is aan de last tot teruggave te voldoen dan wel het geven van zodanige last niet mogelijk bleek, houdt hij het voorwerp ter beschikking van de rechthebbende totdat sedert de last tot teruggave zes maanden, onderscheidenlijk sedert de inbeslagneming drie jaren, zijn verstreken. Is teruggave alsdan nog niet mogelijk gebleken dan wordt met het voorwerp gehandeld als met verbeurdverklaarde voorwerpen.
4.
De bewaarder geeft het voorwerp niet terug zolang er een beslag op rust, door een derde onder hem gelegd ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES tenzij degene door wie de last tot teruggave is gegeven uitdrukkelijk anders bepaalt
Artikel 145a
Het openbaar ministerie kan op verzoek van de beslagene of van een andere belanghebbende een voorwerp dat op grond van artikel 119a in beslag is genomen onder zekerheidstelling doen teruggeven. De zekerheid bestaat in de storting van geldswaarden door de beslagene of een derde, of in de verbintenis van een derde als waarborg, voor een bedrag en op een wijze als door het openbaar ministerie wordt aanvaard.

Zesde Afdeling

[vervallen]
Artikel 146
[vervallen]
Artikel 147
[vervallen]
Artikel 148
[vervallen]
Artikel 149
[vervallen]
1.
De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van inbeslaggenomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, over de teruggave aan een bepaald persoon, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, als bedoeld in de artikelen 127, 128 en 140.
2.
Het klaagschrift wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen of de kennisneming van de gegevens ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift is niet ontvankelijk, indien het is ingediend op het tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.
3.
Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie jaren na de inbeslagneming of kennisneming ingediend ter griffie van het gerecht in eerste aanleg, binnen het rechtsgebied waarvan de inbeslagneming of kennisneming is geschied. Het gerecht is bevoegd tot afdoening tenzij de vervolging mocht zijn aangevangen voordat met de behandeling van het klaagschrift een aanvang kon worden gemaakt. In dat geval zendt de griffier het klaagschrift ter afdoening aan het gerecht, bedoeld in het tweede lid.
4.
Het gerecht geeft een met redenen omklede beschikking, nadat de klager in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Op last van het gerecht stelt de griffier tevens andere belanghebbenden van het klaagschrift in kennis, hun de gelegenheid biedende hetzij zelf binnen een in de kennisgeving te vermelden termijn een klaagschrift in te dienen, betrekking hebbend op hetzelfde voorwerp, hetzij tijdens de behandeling van het klaagschrift te worden gehoord. In het laatste geval geldt de kennisgeving als oproeping.
5.
Indien een belanghebbende zich beklaagt over het uitblijven van een last tot teruggave aan hem, dan wordt de beslagene in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.
6.
Acht het gerecht het beklag gegrond, dan geeft het de daarmee overeenkomende last.
1.
De belanghebbenden, anderen dan de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde, kunnen zich schriftelijk beklagen over een schikking als bedoeld in artikel 503b op de grond dat deze betrekking heeft op hun toekomende voorwerpen en de officier van justitie die de voorwaarden heeft opgelegd, onderscheidenlijk de schikking is aangegaan, niet bereid is gebleken die voorwerpen of de waarde die zij bij verkoop redelijkerwijs hadden moeten opbrengen te vergoeden.
2.
Het klaagschrift wordt, niet later dan nadat de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde aan de gestelde voorwaarden of aan de termen van de schikking heeft voldaan, dan wel de klager daarmee bekend is geworden, ingediend ter griffie van het gerecht waarbij de in het eerste lid bedoelde officier van justitie is geplaatst.
3.
Het gerecht behandelt het klaagschrift in het openbaar.
4.
Tijdens de behandeling van het klaagschrift worden de klager en de officier van justitie in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Het gerecht doet tevens de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde oproepen ten einde hem in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Deze kan zich doen bijstaan door een advocaat of een daartoe bij bijzondere volmacht gemachtigde welke in de gelegenheid wordt gesteld de nodige opmerkingen te maken. De beschikking van het gerecht is met redenen omkleed en wordt in het openbaar uitgesproken. Aan de klager en de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde die voor de behandeling is verschenen wordt door de griffie tijdig te voren schriftelijk mededeling gedaan van de dag der uitspraak. Acht dit gerecht het beklag gegrond, dan verklaart het de voorwaarden, onderscheidenlijk de schikking, bedoeld in het eerste lid, vervallen.
1.
De belanghebbenden, andere dan de veroordeelde, kunnen zich schriftelijk beklagen over de verbeurdverklaring van hun toebehorende voorwerpen of over de onttrekking van zodanige voorwerpen aan het verkeer. Geen beklag staat open, indien het bedrag, waarop de verbeurdverklaarde voorwerpen bij de uitspraak zijn geschat, is betaald of ingevorderd, dan wel vervangende vrijheidsstraf is toegepast.
2.
Het klaagschrift wordt, binnen drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden, ingediend ter griffie van het gerecht dat in hoogste feitelijke aanleg de beslissing heeft genomen.
3.
Het gerecht behandelt het klaagschrift in het openbaar.
4.
Tijdens de behandeling van het klaagschrift worden de klager en het openbaar ministerie in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De beschikking van het gerecht is met redenen omkleed en wordt in het openbaar uitgesproken. Aan de klager wordt door de griffier tijdig te voren schriftelijk mededeling gedaan van de dag der uitspraak.
5.
Acht het gerecht het beklag gegrond, dan herroept het de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer en geeft een last, als bedoeld in artikel 397.
6.
Bij de herroeping van een verbeurdverklaring kan het gerecht de voorwerpen aan het verkeer onttrokken verklaren, indien zij daarvoor vatbaar zijn. De artikelen 35a, 35b en 37, laatste zinsnede, van het Wetboek van Strafrecht BES zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 152
Zodra het openbaar ministerie bemerkt, dat een inbeslaggenomen voorwerp tijdens het begaan van het strafbare feit toebehoorde aan een ander dan de verdachte, stelt het die persoon, indien zijn verblijfplaats bekend is, in kennis van de bevoegdheden die hij heeft ingevolge de artikelen 150 en 151.
1.
Op een last, ingevolge deze afdeling gegeven met betrekking tot een voorwerp, is artikel 145 van overeenkomstige toepassing.
2.
Aan een last tot teruggave van een voorwerp, dat verbeurd verklaard of aan het verkeer onttrokken verklaard was met verlening van een geldelijke tegemoetkoming, wordt niet voldaan zolang het bedrag niet in ’s Rijks kas is teruggestort.
Artikel 154
Met hetgeen onder de Staat berust als verbeurdverklaarde of aan het verkeer onttrokken verklaarde voorwerpen, wordt, zolang de mogelijkheid van herroeping van de straf of maatregel bestaat, gehandeld naar de artikelen 141 tot en met 143.
Artikel 154a
Tot kennisneming van geschillen over de toepassing door openbaar ministerie van zijn bevoegdheden uit hoofde van artikel 119d is de burgerlijke rechter bevoegd.
1.
Voor het binnentreden in een woning zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner is een bijzondere schriftelijke machtiging vereist, onverminderd het bepaalde in het vierde lid. Van het vereiste van een machtiging is vrijgesteld de rechter of de rechter-commissaris, die bevoegd is tot binnentreden zonder toestemming van de bewoner.
2.
Het model van de machtiging wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.
3.
De machtiging wordt, zo mogelijk voorafgaande aan het binnentreden of anders bij de eerste gelegenheid daarna, aan de bewoner getoond. De machtiging wordt de bewoner in afschrift uitgereikt of voor hem achtergelaten.
4.
Een machtiging als bedoeld in het eerste lid, is voor de officier van justitie of de hulpofficier van justitie met het oog op de opsporing van misdrijven, huiszoeking ter inbeslagneming van voorwerpen of het doorzoeken van een woning ter aanhouding van een verdachte niet vereist in de gevallen waarin met het binnentreden niet kan worden gewacht, totdat hij over een machtiging beschikt.
1.
Tot het geven van een bijzondere schriftelijke machtiging zijn alleen de procureur-generaal, de officier van justitie en de hulpofficier van justitie bevoegd. Ingeval de officier van justitie of de hulpofficier van justitie zelf een machtiging nodig heeft, dan wordt die door de naast hogere autoriteit gegeven.
2.
De machtiging kan uitsluitend worden gegeven aan hen, die bij of krachtens dit wetboek bevoegd zijn verklaard zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner in een woning binnen te treden.
1.
De machtiging wordt gegeven voor het binnentreden in een bepaalde in de machtiging aan te duiden woning.
2.
Ten behoeve van de opsporing van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten kan een machtiging worden gegeven, die betrekking heeft op een groter aantal woningen die niet bepaald in de machtiging worden aangeduid. In dat geval wordt in de machtiging nauwkeurig vermeld, in verband met welke misdrijven wordt binnengetreden, en voor welke tijdsduur de machtiging geldt.
3.
Ten behoeve van de aanhouding, de medebrenging of de gevangenneming van een in de machtiging aan te duiden persoon kan een machtiging worden gegeven die geldt voor iedere woning, waarin die persoon zich bevindt of redelijkerwijze verondersteld wordt zich te bevinden.
1.
De machtiging omschrijft het doel van het binnentreden en zoveel mogelijk de grond van de verdenking.
2.
De machtiging is gedagtekend en ondertekend. Zij blijft van kracht tot en met de derde dag na die waarop zij is gegeven.
1.
Tussen middernacht en zes uur ’s morgens kan slechts zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner worden binnengetreden, voor zover dit dringend noodzakelijk is en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt.
2.
Bij afwezigheid van de bewoner kan slechts worden binnengetreden, voor zover dit dringend noodzakelijk is en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt.
1.
De procureur-generaal of de officier van justitie, die de machtiging heeft gegeven, kan degene die bevoegd is binnen te treden, vergezellen.
2.
Degene die bevoegd is zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner binnen te treden, kan zich door anderen doen vergezellen, voor zover dit voor het doel van het binnentreden redelijkerwijze is vereist en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt.
Artikel 161
Degene die bevoegd is zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner binnen te treden, kan zich de toegang tot of de doorgang in de woning verschaffen, voor zover het doel van het binnentreden dit redelijkerwijze vereist. Hij kan daartoe zo nodig de hulp van de sterke arm inroepen.
1.
Onverminderd hetgeen in deze titel ten aanzien van de machtiging is bepaald, is degene die in een woning binnentreedt, verplicht zich voorafgaand tegenover de bewoner te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden. Indien twee of meer personen voor hetzelfde doel in een woning binnentreden, rusten deze verplichtingen slechts op degene die bij het binnentreden de leiding heeft.
2.
Indien de naleving van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen naar redelijke verwachting ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen, feitelijk onmogelijk is dan wel naar redelijke verwachting de strafvordering schaadt ten aanzien van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan, gelden deze verplichtingen slechts voor zover de naleving daarvan in die omstandigheden kan worden gevergd.
3.
Degene die zich ingevolge het eerste lid legitimeert, toont een legitimatiebewijs dat is uitgegeven door of vanwege Onze Minister van Justitie. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de houder en vermeldt diens naam en hoedanigheid. Indien de veiligheid van de houder van het legitimatiebewijs vordert dat zijn identiteit verborgen blijft, kan in plaats van zijn naam zijn nummer worden vermeld.
4.
De persoon, bedoeld in het eerste lid, die met toestemming van de bewoner wenst binnen te treden, vraagt voorafgaand aan het binnentreden diens toestemming. De toestemming moet blijken aan degene die wenst binnen te treden en wordt schriftelijk vastgelegd in het proces-verbaal dat naar aanleiding van het binnentreden wordt opgemaakt.
1.
Degene die zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner in een woning is binnengetreden, maakt op zijn ambtseed of -belofte een schriftelijk verslag op omtrent het binnentreden.
2.
In het verslag vermeldt hij:
a. zijn naam en hoedanigheid;
b. de dagtekening van de machtiging en de naam en hoedanigheid van degene die de machtiging tot binnentreden heeft gegeven;
c. de wettelijke bepalingen waarop het binnentreden berust en het doel waartoe is binnengetreden;
d. de plaats van de woning en de naam van de bewoner;
e. de wijze van binnentreden en het tijdstip waarop in de woning is binnengetreden en waarop deze is verlaten;
f. hetgeen in de woning is verricht of overigens is voorgevallen, het aantal en de hoedanigheid van degenen die hem hebben vergezeld, de namen van de personen aan wie in de woning hun vrijheid is ontnomen en de voorwerpen die in de woning in beslag zijn genomen.
g. voor zover van toepassing: de redenen waarom en de wijze waarop het bepaalde in artikel 155, vierde lid, dan wel artikel 162, tweede lid, toepassing heeft gevonden.
3.
Het verslag wordt binnen tweemaal vierentwintig uren nadat in de woning is binnengetreden, toegezonden aan de officier van justitie. Een afschrift van het verslag wordt binnen diezelfde termijn aan de bewoner uitgereikt of toegezonden. Indien het niet mogelijk is dit afschrift uit te reiken of toe te zenden, houdt degene aan wie het verslag is toegezonden dan wel degene die zijn bevoegdheid zonder machtiging binnen te treden heeft uitgeoefend, het afschrift gedurende zes maanden voor de bewoner beschikbaar.
Artikel 164
In de gevallen waarin het binnentreden van plaatsen krachtens dit wetboek is toegelaten, geschiedt dit, buiten het geval van ontdekking op heterdaad, niet:
a. in de vergaderruimten van een van de eilandsraden, gedurende de vergadering;
b. in de ruimten bestemd voor godsdienstoefeningen of bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, gedurende de godsdienstoefening of bezinningssamenkomst;
c. in de ruimten waarin terechtzittingen worden gehouden, gedurende de terechtzitting.
1.
Voor de handhaving van de orde ter gelegenheid van ambtsverrichtingen draagt zorg de voorzitter van het college, of de rechter of ambtenaar, die met de leiding van die verrichtingen is belast.
2.
Deze is bevoegd de maatregelen te nemen die in het belang van het onderzoek of in het belang van de veiligheid van personen geboden zijn.
3.
Indien daarbij iemand de orde verstoort of op enigerlei wijze hinderlijk is, kan de betrokken voorzitter, rechter of ambtenaar, na hem zo nodig te hebben gewaarschuwd, bevelen dat hij zal vertrekken en, in geval van weigering, hem doen verwijderen en tot de afloop van de ambtsverrichtingen doen ophouden.
4.
Van een en ander wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat bij de processtukken wordt gevoegd.
1.
In geval van een schouw of huiszoeking kan de daarmee belaste rechter of ambtenaar de nodige maatregelen tot bewaking of afsluiting nemen en bevelen dat niemand zich, zonder zijn uitdrukkelijke bewilliging, van de plaats van de schouw of van de huiszoeking zal verwijderen, zolang het onderzoek aldaar niet is afgelopen.
2.
Artikel 165, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Titel XIV

(vervallen)
Artikel 175
Indien het noodzakelijk is, dat een onderzoek naar de geestvermogens van een verdachte tegen wie voorlopige hechtenis is bevolen, zal worden ingesteld en dit niet voldoende op een andere wijze kan plaatsvinden, kan de rechter-commissaris, hetzij op de vordering van de officier van justitie, hetzij op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bevelen, dat de verdachte ter waarneming zal worden overgebracht naar een in het bevel aan te duiden inrichting tot verpleging of genezing bestemd.
1.
Het bevel, bedoeld in artikel 175, is met redenen omkleed en wordt niet gegeven, dan nadat het oordeel van een of meer deskundigen is ingewonnen en de verdachte en zijn raadsman terzake zijn gehoord. De rechter-commissaris nodigt de officier van justitie uit bij het horen tegenwoordig te zijn.
2.
Het bevel, houdende last tot overbrenging, en dat waarbij een daartoe strekkend verzoek van de verdachte is afgewezen, worden deze onverwijld betekend.
3.
De verdachte kan van die bevelen binnen drie dagen na de betekening in hoger beroep komen bij het Hof van Justitie.
4.
Het Hof kan, ook in geval van hoger beroep van de officier van justitie, alvorens te beslissen, door de rechter-commissaris een nader onderzoek doen instellen en zich daartoe de betrekkelijke stukken doen overleggen.
1.
Het verblijf in de inrichting geldt als voorlopige hechtenis, mag de termijn van acht weken niet te boven gaan en eindigt, zodra de verdachte in vrijheid moet worden gesteld.
2.
De rechter-commissaris kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, te allen tijde bevelen, dat het verblijf in de inrichting een einde zal nemen.
1.
In geval van verdenking van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste vier of meer jaren is gesteld, of een misdrijf, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, kan overeenkomstig de bepalingen van deze Titel een strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld.
2.
Een strafrechtelijk financieel onderzoek is gericht op de bepaling van het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel, met het oog op de ontneming daarvan op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES.
3.
Het strafrechtelijk financieel onderzoek wordt ingesteld krachtens een met redenen omklede machtiging van de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie die met de opsporing van het misdrijf is belast, verleend.
4.
De vordering van de officier van justitie is met redenen omkleed. Bij de vordering wordt een lijst van voorwerpen overgelegd die reeds op grond van artikel 119a, tweede lid, in beslag zijn genomen.
1.
Krachtens de ingevolge artikel 177a gegeven machtiging is een met het strafrechtelijk financieel onderzoek belaste opsporingsambtenaar op vertoon van een afschrift van de machtiging bevoegd, ten einde inzicht te verkrijgen in de vermogenspositie van degenen tegen wie het onderzoek is gericht, aan een ieder te bevelen hem op de eerste vordering:
a. opgave te doen of inzage of afschrift te geven van bescheiden of gegevens;
b. op te geven of, en zo ja welke, vermogensbestanddelen hij onder zich heeft of heeft gehad, die toebehoren of hebben toebehoord aan degene tegen wie het onderzoek is gericht, en aldus verstrekte schriftelijke bescheiden in beslag te nemen.
2.
Het bevel wordt niet gericht aan degene tegen wie het onderzoek is gericht.
3.
Artikel 132, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.
Ter gelegenheid van het eerste verhoor van degene tegen wie het onderzoek is gericht, wordt hem door de verhorende rechter of ambtenaar een afschrift van de in artikel 177a bedoelde vordering en machtiging ter hand gesteld.
1.
Tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek is de officier van justitie bevoegd zonder verder rechterlijke machtiging te gelasten dat voorwerpen op grond van artikel 119a in beslag worden genomen.
2.
Indien de officier van justitie zulks in het belang van het strafrechtelijk financieel onderzoek noodzakelijk acht, vordert hij dat de rechter-commissaris ter inbeslagneming huiszoeking doet of andere hem krachtens het derde lid toekomende bevoegdheden uitoefent.
3.
De rechter-commissaris beschikt tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek over alle bevoegdheden die hem krachtens dit wetboek toekomen, met dien verstande dat:
a. hij ook bevoegd is huiszoeking te doen ter inbeslagneming van alle voorwerpen die kunnen dienen om door degene tegen wie het onderzoek is gericht, verkregen wederrechtelijk voordeel aan te tonen, of de uitlevering daarvan te bevelen;
b. hij niet gehouden is degene tegen wie het onderzoek is gericht of diens raadsman, buiten het geval van de in onderdeel a bedoelde huiszoeking, tot bijwoning van enige door hem te verrichten onderzoekshandeling toe te laten.
4.
De rechter-commissaris kan de uitoefening van ambtsverrichtingen in een ander eilandgebied overdragen aan zijn ambtgenoot aldaar.
1.
De officier van justitie die de in artikel 177a bedoelde vordering doet, kan bij dringende noodzakelijkheid ter inbeslagneming huiszoeking doen op elke plaats waar zich vermoedelijk bescheiden of gegevens als bedoeld in artikel 177b, of vermogensbestanddelen die voordeel in de zin van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES vertegenwoordigen, bevinden.
2.
Ten aanzien van het eerste lid is artikel 122, tweede lid, van overeenkomstige toepassing en zijn de artikelen 155 tot en met 164 van toepassing.
Artikel 177e
Ten aanzien van de artikelen 177a tot en met 177d zijn de artikelen 125 en 126 van overeenkomstige toepassing.
1.
Het gerecht in eerste aanleg waakt tegen nodeloze vertraging van het strafrechtelijk financieel onderzoek.
2.
Het kan op verzoek van de onderzochte persoon zich de stukken van het onderzoek doen overleggen en de onverwijlde of spoedige beëindiging van het onderzoek bevelen.
1.
Zodra de officier van justitie oordeelt dat het strafrechtelijk financieel onderzoek is voltooid, of dat tot voortzetting daarvan geen grond meer bestaat, sluit hij het onderzoek bij schriftelijke gedagtekende beschikking.
2.
Indien de verdachte bij de einduitspraak ter zake van het strafbare feit of het misdrijf, bedoeld in artikel 38e, eerste onderscheidenlijk derde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES, niet wordt veroordeeld, sluit de officier van justitie het strafrechtelijk financieel onderzoek evenzo. In dat geval is de officier van justitie bevoegd van de rechter-commissaris heropening van het strafrechtelijk financieel onderzoek te vorderen, zodra de verdachte alsnog ter zake van het tenlastegelegde feit wordt veroordeeld.
3.
De officier van justitie zendt zijn beschikking aan de rechter-commissaris en doet een afschrift daarvan aan degene tegen wie het is gericht, betekenen, onder mededeling van het recht tot kennisneming van de stukken van het onderzoek.
4.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, de artikelen 503c, tweede en derde lid, 503d, derde lid, en 503f, tweede lid, onderdeel c, kan een gesloten strafrechtelijk financieel onderzoek slechts worden heropend krachtens een nadere machtiging van de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie verleend. Het vierde lid van artikel 177a is van toepassing.
5.
Een nadere machtiging wordt zo spoedig mogelijk met de vordering waarop zij rust, aan degene tegen wie het onderzoek is gericht, betekend. Het eerste tot en met vierde lid is van toepassing.
1.
Bevelen tot toepassing van een bevoegdheid als bedoeld in titel XVIII en XIX alsmede een wijziging, aanvulling, verlenging of intrekking daarvan worden schriftelijk gegeven. Aan een schriftelijk bevel staat gelijk een mondeling bevel dat binnen drie dagen op schrift is gesteld.
2.
Een schriftelijk bevel vermeldt:
a. het misdrijf en in geval van verdenking indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de verdachte;
b. de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de wettelijke voorwaarden voor uitoefening van de bevoegdheid zijn vervuld;
c. de wijze waarop aan het bevel uitvoering moet worden gegeven, en
d. de geldigheidsduur van het bevel.
3.
Elk bevel kan worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of ingetrokken. In ieder geval eindigt het bevel van rechtswege zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden daarvoor.
4.
Teneinde toepassing te geven aan een bevel, als bedoeld in het eerste lid, kan een technisch hulpmiddel worden ingezet.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de technische eisen waaraan de hulpmiddelen, bedoeld in het vierde lid, moeten voldoen, onder meer met het oog op de onschendbaarheid van de vastgelegde waarnemingen.
1.
Een machtiging van de rechter-commissaris als bedoeld in titel XVIII is schriftelijk. Aan een schriftelijke machtiging staat gelijk een mondelinge machtiging die binnen drie dagen op schrift is gesteld.
2.
De machtiging betreft alle onderdelen van het bevel. Indien ter uitvoering van het bevel een woning mag worden betreden, wordt dat uitdrukkelijk in de machtiging vermeld.
3.
Indien voor een bevel van de officier van justitie een machtiging van de rechter-commissaris is vereist, is ook voor een wijziging, aanvulling of verlenging van dat bevel een machtiging vereist.
Artikel 177j
Bij ministeriële regeling kunnen personen in de openbare dienst van de andere landen van het Koninkrijk of van een vreemde staat die voldoen aan in de algemene maatregel van bestuur te stellen eisen voor de toepassing van daarin aan te wijzen bevoegdheden met een opsporingsambtenaar gelijk worden gesteld.
1.
De officier van justitie voegt de processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door de uitoefening van een van de bevoegdheden genoemd in de titels XVIII en XIX, voor zover die voor het onderzoek in de zaak van enige betekenis zijn, bij de processtukken.
2.
Voor zover de processen-verbaal of andere voorwerpen mededelingen behelzen gedaan door of aan een persoon die zich op grond van artikel 252 zou kunnen verschonen indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, worden deze processen-verbaal en andere voorwerpen vernietigd. Voor zover de processen-verbaal of andere voorwerpen andere mededelingen dan bedoeld in de eerste volzin behelzen gedaan door of aan een in die volzin bedoelde persoon, worden zij niet bij de processtukken gevoegd dan na voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris.
3.
Onverminderd artikel 53, vindt de voeging bij de processtukken plaats zodra het onderzoek dat toelaat.
4.
Indien geen processen-verbaal van de uitoefening van één van de bevoegdheden, bedoeld in de titels XVIII en XIX, bij de processtukken zijn gevoegd, wordt van het gebruik van deze bevoegdheid in de processtukken melding gemaakt.
5.
De verdachte of diens raadsman kan de officier van justitie schriftelijk verzoeken bepaalde door hem aangeduide processen-verbaal of andere voorwerpen bij de processtukken te voegen.
6.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de wijze waarop de processen-verbaal en andere voorwerpen, bedoeld in het eerste lid, worden bewaard en vernietigd.
1.
De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar een persoon stelselmatig observeert in geval van:
a. verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
b. aanwijzingen van een terroristisch misdrijf.
2.
De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek, indien het een misdrijf in het eerste lid, onderdeel a, bedoeld betreft dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert en indien het een misdrijf als in onderdeel b bedoeld betreft, bepalen dat bij de uitoefening van de bevoegdheid een besloten plaats, niet zijnde een woning, kan worden betreden zonder toestemming van de rechthebbende.
3.
De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat bij de uitoefening van de bevoegdheid een technisch hulpmiddel kan worden aangewend, voor zover daarmee geen vertrouwelijke communicatie wordt opgenomen. Een technisch hulpmiddel wordt niet op een persoon bevestigd, tenzij met diens toestemming.
4.
Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van drie maanden worden verlengd.
5.
Het bevel tot stelselmatige observatie vermeldt, behalve de gegevens bedoeld in artikel 177h, tevens:
a. de naam of een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de in het eerste lid bedoelde persoon;
b. bij toepassing van het tweede lid, de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in dat lid, zijn vervuld, alsmede de plaats die zal worden betreden.
1.
In geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.
2.
In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen ten aanzien waarvan aanwijzingen bestaan dat daarbinnen een terroristisch misdrijf wordt beraamd of gepleegd.
3.
De opsporingsambtenaar brengt bij de uitoefening van het bevel een ander niet tot strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
4.
Het bevel tot infiltratie vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in artikel 177h, tevens:
a. een omschrijving van de groep van personen;
b. de wijze waarop aan het bevel uitvoering moet worden gegeven, daaronder begrepen strafbaar gesteld handelen, voor zover bij het geven van het bevel te voorzien.
5.
Toepassing van het eerste en tweede lid vindt alleen plaats na voorafgaande schriftelijke toestemming van de procureur-generaal.
1.
De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar goederen afneemt van of gegevens, die zijn opgeslagen of worden verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk, door tussenkomst van een aanbieder van een communicatiedienst afneemt van of diensten verleent aan een persoon in het geval dat:
a. die persoon verdacht wordt van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
b. er aanwijzingen zijn van een terroristisch misdrijf.
2.
De opsporingsambtenaar brengt bij de uitoefening van het bevel een ander niet tot strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
3.
Het bevel tot pseudo-koop of -dienstverlening vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in artikel 177h, tevens, de aard van de goederen, gegevens of diensten.
1.
De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwint over een persoon in geval dat:
a. die persoon verdacht wordt van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
b. er aanwijzingen zijn van een terroristisch misdrijf.
2.
Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van drie maanden worden verlengd.
1.
De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar zonder toestemming van de rechthebbende een besloten plaats, niet zijnde een woning, betreedt, dan wel een technisch hulpmiddel aanwendt, teneinde die plaats op te nemen, aldaar sporen veilig te stellen of aldaar een technisch hulpmiddel te plaatsen teneinde de aanwezigheid of verplaatsing van een goed vast te kunnen stellen, in geval van:
a. verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
b. aanwijzingen van een terroristisch misdrijf.
2.
Het bevel, bedoeld in het eerste lid vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in artikel 177h, tevens de plaats waarop het bevel betrekking heeft.
1.
De officier van justitie kan indien het onderzoek dit dringend vordert, na op zijn vordering door de rechter-commissaris verleende machtiging, bevelen dat een opsporingsambtenaar met een technisch hulpmiddel vertrouwelijke communicatie opneemt in geval van:
a. verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert;
b. aanwijzingen van een terroristisch misdrijf.
2.
De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering van het bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden zonder toestemming van de rechthebbende. Hij kan, na op diens vordering door de rechter-commissaris daartoe verleende machtiging, bepalen dat ter uitvoering van het bevel een woning zonder toestemming van de rechthebbende wordt betreden, indien het onderzoek dit dringend vordert. In het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, betreft het een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. De artikelen 155 tot en met 163, met uitzondering van artikel 162, zijn van overeenkomstige toepassing.
3.
Het bevel vermeldt, behalve de gegevens bedoeld in artikel 177h, tevens:
a. ten minste één van de personen die aan de communicatie deelneemt en, indien het bevel communicatie betreft op een besloten plaats of in een vervoermiddel, bovendien een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van die plaats of dat vervoermiddel;
b. bij toepassing van het tweede lid, de plaats die kan worden betreden.
4.
Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste vier weken. De geldigheidsduur kan telkens voor een termijn van ten hoogste vier weken worden verlengd.
5.
Van het opnemen wordt binnen drie dagen proces-verbaal opgemaakt.
1.
De officier van justitie kan indien het onderzoek dit dringend vordert, na op diens vordering door de rechter-commissaris verleende machtiging, bevelen aan een opsporingsambtenaar dat met een technisch hulpmiddel niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst, wordt opgenomen, in geval van:
a. verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert;
b. aanwijzingen van een terroristisch misdrijf.
2.
Het bevel vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in artikel 177h, tevens zo mogelijk het nummer of een andere aanduiding waarmee de individuele gebruiker van de communicatiedienst wordt geïdentificeerd alsmede, voor zover bekend, de naam en het adres van de gebruiker en een aanduiding van de aard van het technisch hulpmiddel of de technische hulpmiddelen waarmee de communicatie wordt opgenomen.
3.
Het bevel kan in het belang van het onderzoek ten uitvoer worden gelegd met medewerking van de aanbieder van een communicatiedienst, In dat geval gaat het bevel vergezeld van de vordering van de officier van justitie aan de aanbieder om medewerking te verlenen.
4.
Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste vier weken. De geldigheidsduur kan telkens voor een termijn van ten hoogste vier weken worden verlengd.
5.
Van het opnemen wordt binnen drie dagen proces-verbaal opgemaakt.
1.
De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, vorderen bepaalde opgeslagen gegevens of vastgelegde gegevens van een persoon te verstrekken. De vordering kan betrekking hebben op gegevens die ten tijde van de vordering zijn verwerkt, dan wel na het tijdstip van de vordering worden verwerkt, in geval van:
a. verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
b. aanwijzingen van een terroristisch misdrijf.
2.
Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan niet worden gericht tot de verdachte noch tot de verschoningsgerechtigde, bedoeld in de artikelen 251, 252 of 253. De vordering kan geen betrekking hebben op persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven of lidmaatschap van een vakvereniging.
3.
Een vordering als bedoeld in het eerste lid is schriftelijk en vermeldt:
a. indien bekend en noodzakelijk, de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de persoon of de personen over wie gegevens worden gevorderd;
b. een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de gegevens die worden gevorderd en de termijn waarbinnen, alsmede de wijze waarop deze dienen te worden verstrekt;
c. de grondslag van de vordering.
4.
Indien de vordering van gegevens betrekking heeft op gegevens die na het tijdstip van de vordering worden verwerkt, wordt de vordering gedaan voor een periode van ten hoogste vier weken en kan telkens met maximaal vier weken worden verlengd. De officier van justitie vermeldt deze periode in de vordering.
5.
Bij dringende noodzaak kan de vordering mondeling worden gegeven. De officier van justitie stelt de vordering in dat geval achteraf op schrift en verstrekt deze binnen drie dagen nadat de vordering is gedaan aan degene tot wie de vordering is gericht.
6.
De officier van justitie doet van de verstrekking van gegevens proces-verbaal opmaken, waarin worden vermeld:
a. de gegevens, bedoeld in het derde lid;
b. de verstrekte gegevens;
c. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de verdachte;
d. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld;
e. de reden waarom de gegevens in het belang van het onderzoek worden gevorderd.
7.
In geval van verdenking van een ander strafbaar feit dan bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek een vordering als bedoeld in dat lid slechts doen na op diens vordering door de rechter-commissaris verleende machtiging. Het tweede tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
8.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de gegevens worden gevorderd en verstrekt.
1.
De officier van justitie kan, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot gegevens als bedoeld in artikel 177s, tweede lid, tweede volzin, deze gegevens vorderen, in geval van:
a. verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert;
b. aanwijzingen van een terroristisch misdrijf.
2.
Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan niet worden gericht tot de verdachte noch tot de verschoningsgerechtigde, bedoeld in de artikelen 251, 252 en 253.
3.
Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden gedaan na voorafgaande machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris.
4.
Artikel 177s, derde, vijfde, zesde, en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Teneinde toepassing te kunnen geven aan artikel 177r of artikel 177s kan de officier van justitie bevelen dat met behulp van bij ministeriële regeling omschreven apparatuur het nummer, waarmee een gebruiker van een communicatiedienst kan worden geïdentificeerd, wordt verkregen.
2.
Het bevel wordt gegeven aan een ambtenaar aan te wijzen door Onze Minister van Justitie.
3.
Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste één week en vermeldt:
a. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 177r of artikel 177s en
b. de naam of een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de gebruiker van een communicatiedienst van wie het nummer moet worden verkregen.
4.
De officier van justitie doet te zijnen overstaan de processen-verbaal of andere voorwerpen, waaraan een gegeven kan worden ontleend dat is verkregen door toepassing van het eerste lid vernietigen indien dat gegeven niet gebruikt wordt voor de toepassing van artikel 177r of artikel  177s.
1.
De officier van justitie kan, indien het belang van het onderzoek dit vordert, bij of terstond na de toepassing van artikel 177r, eerste lid, artikel 177s, eerste lid, of 177t, eerste lid, degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de in deze artikelen bedoelde gegevens, bevelen medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door de versleuteling ongedaan te maken, dan wel deze kennis ter beschikking te stellen.
2.
Het bevel wordt niet gegeven aan de verdachte noch aan de verschoningsgerechtigde, bedoeld in de artikelen 251, 252 of 253.
1.
Een opsporingsambtenaar kan, bij bevel daartoe van de officier van justitie, in het belang van het onderzoek met een persoon, die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze voor de duur van het bevel bijstand verleent aan de opsporing door goederen af te nemen van of gegevens, die zijn opgeslagen of worden verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk, door tussenkomst van een aanbieder van een communicatiedienst af te nemen van of diensten te verlenen aan een persoon of stelselmatig informatie in te winnen omtrent een persoon in geval dat:
a. die persoon verdacht wordt van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
b. er aanwijzingen zijn van een terroristisch misdrijf.
2.
Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien de officier van justitie van oordeel is dat geen bevel als bedoeld in artikel 177n, eerste lid, en artikel 177o, eerste lid, kan worden gegeven.
3.
De persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing brengt bij de uitvoering daarvan een ander niet tot strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds van tevoren was gericht.
4.
De overeenkomst is schriftelijk en vermeldt de rechten en plichten van de persoon die bijstand verleent aan de opsporing, de wijze waarop aan de overeenkomst uitvoering wordt gegeven, alsmede de geldigheidsduur van de overeenkomst. De overeenkomst kan schriftelijk worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of beëindigd.
5.
Het bevel tot uitoefening van de bevoegdheid, wordt gegeven voor een periode van ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur kan telkens voor een periode van drie maanden worden verlengd.
6.
Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats na voorafgaande schriftelijke toestemming van de procureur-generaal.
1.
In geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen aan of medewerking te verlenen aan een groep waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.
2.
In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen aan of medewerking te verlenen aan een groep van personen ten aanzien waarvan aanwijzingen bestaan dat daarbinnen een terroristisch misdrijf wordt beraamd of gepleegd.
3.
Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien de officier van justitie van oordeel is dat geen bevel als bedoeld in artikel 177m, eerste lid, kan worden gegeven.
4.
De persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing brengt bij de uitvoering daarvan een ander niet tot strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
5.
Bij de toepassing van het eerste lid legt de officier van justitie schriftelijk vast:
a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de verdachte;
b. een omschrijving van de groep van personen;
c. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn vervuld.
6.
De overeenkomst tot infiltratie is schriftelijk en vermeldt:
a. de rechten en plichten van de persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, alsmede de wijze waarop aan de overeenkomst uitvoering wordt gegeven, en
b. de geldigheidsduur van de overeenkomst.
7.
De persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, verricht bij de uitvoering daarvan geen strafbare handelingen, tenzij vooraf schriftelijk toestemming door de officier van justitie is gegeven om dergelijke handelingen te verrichten. Bij dringende noodzaak kan de toestemming mondeling worden gegeven. De officier van justitie stelt in dat geval de toestemming binnen drie dagen op schrift.
8.
Zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van de overeenkomst wordt beëindigd.
9.
De overeenkomst kan schriftelijk worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of beëindigd. De officier van justitie legt de redenen daarvan uiterlijk binnen drie dagen schriftelijk vast.
10.
Toepassing van het eerste en tweede lid vindt alleen plaats na voorafgaande schriftelijke toestemming van de procureur-generaal.
1.
De opsporingsambtenaar is verplicht van de hem in de wet verleende inbeslagnemingsbevoegdheden gebruik te maken, indien hij tijdens het opsporingsonderzoek de vindplaats weet van voorwerpen waarvan het aanwezig hebben of voorhanden hebben ingevolge de wet verboden is vanwege hun schadelijkheid voor de gezondheid of hun gevaar voor de veiligheid. Uitstel tot inbeslagneming wordt slechts in het belang van het onderzoek toegestaan met het oogmerk om op een later tijdstip daartoe over te gaan.
2.
Uitstel van inbeslagneming vindt alleen plaats na voorafgaand bevel van de officier van justitie.
3.
Het bevel is schriftelijk en vermeldt:
a. de voorwerpen waarop het betrekking heeft;
b. de wijze waarop aan het bevel uitvoering moet worden gegeven;
c. het tijdstip waarop of de periode waarin het bevel geldt.
4.
De verplichting tot inbeslagneming, bedoeld in het eerste lid, geldt niet in het geval de officier van justitie op grond van een zwaarwegend opsporingsbelang anders beveelt.
5.
Een bevel als bedoeld in het vierde lid is schriftelijk en vermeldt:
a. de voorwerpen waarop het betrekking heeft;
b. het zwaarwegende opsporingsbelang;
c. het tijdstip waarop of de periode gedurende welke de verplichting tot inbeslagneming niet geldt.
6.
Toepassing van het vierde lid vindt alleen plaats na voorafgaande schriftelijke toestemming van de procureur-generaal.
1.
Indien uit feiten of omstandigheden aanwijzingen voortvloeien dat binnen verzamelingen van personen misdrijven worden beraamd of gepleegd waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, die gezien hun aard of de samenhang met andere misdrijven die binnen die verzamelingen van personen worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, kan de officier van justitie bevelen dat opsporingsambtenaren daarnaar een onderzoek instellen met als doel de voorbereiding van opsporing.
2.
Indien een onderzoek als bedoeld in het eerste lid de voorbereiding van de opsporing van terroristische misdrijven tot doel heeft, kan de officier van justitie na voorafgaande schriftelijke machtiging, op zijn vordering te verlenen door de rechter-commissaris, in het belang van het onderzoek van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, vorderen bepaalde opgeslagen gegevens of vastgestelde gegevens van een persoon te verstrekken, teneinde de gegevens te doen bewerken.
3.
Een vordering als bedoeld in het tweede lid kan niet worden gericht tot de personen bedoeld in het eerste lid noch tot de verschoningsgerechtigde, bedoeld in de artikelen 251, 252 of 253.
4.
De bewerking als bedoeld in het tweede lid kan bestaan uit het onderling vergelijken dan wel het in combinatie met elkaar verwerken van de gegevens met gegevens uit de politieregisters.
5.
De bewerking wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van personen zo veel mogelijk wordt gewaarborgd.
6.
Van de verstrekking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, doet de officier van justitie proces-verbaal opmaken, waarin wordt vermeldt:
a. de verstrekte gegevens;
b. de reden waarom de gegevens in het belang van het onderzoek worden gevorderd.
7.
De officier van justitie doet van de bewerking proces-verbaal opmaken, waarin wordt vermeld:
a. een aanduiding van de gegevens waarop de bewerking is uitgevoerd;
b. een beschrijving van de wijze waarop de bewerking is uitgevoerd;
c. de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, zijn vervuld.
8.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de wijze waarop de gegevens die voortvloeien uit een onderzoek als bedoeld in het eerste lid worden bewaard en vernietigd.
1.
Degene die schade heeft geleden ten gevolge van onrechtmatige toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel, heeft recht op schadevergoeding. Bij rechtmatige toepassing van een dwangmiddel kan eveneens schadevergoeding worden toegekend, wanneer er gronden van redelijkheid en billijkheid aanwezig zijn, dat de geleden schade geheel of gedeeltelijk door de Staat wordt gedragen.
2.
De rechtmatigheid of onrechtmatigheid wordt beoordeeld naar het tijdstip, waarop het dwangmiddel werd toegepast.
3.
Onder schade is mede begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. Bij algemene maatregel van bestuur kan de hoogte van het bedrag van de schadevergoeding aan een maximum worden gebonden.
4.
Voor vergoeding komt ook de schade in aanmerking die de gewezen verdachte heeft geleden ten gevolge van vrijheidsontneming, die hij in het buitenland heeft ondergaan in verband met een door de Nederlandse autoriteiten gedaan verzoek om uitlevering.
5.
De vaststelling van de schadevergoeding geschiedt alle omstandigheden in aanmerking genomen. In het bijzonder kan rekening worden gehouden met de mate waarin de gelaedeerde de toepassing van het dwangmiddel aan zichzelf heeft te wijten. In geval van schade die niet in vermogensschade bestaat, kan bij het bepalen van het bedrag ook met de levensomstandigheden van de gelaedeerde rekening worden gehouden.
1.
Het verzoek om schadevergoeding kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak of de beslissing dat geen of geen verdere vervolging zal worden ingesteld. De gelaedeerde wordt gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen. Hij kan zich door een advocaat doen bijstaan.
2.
Tot de toekenning is bevoegd het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd of zou worden vervolgd. De raadkamer is zoveel mogelijk samengesteld uit de leden, die op de terechtzitting over de zaak hebben gezeten.
3.
Een verzoek om schadevergoeding kan ook door de erfgenamen van de gelaedeerde orden gedaan en de vergoeding kan ook aan hen worden toegekend. In dat geval blijft vergoeding van schade, die niet in vermogensschade bestaat, achterwege. Indien de gelaedeerde na het indienen van zijn verzoek of na het instellen van hoger beroep is overleden, geschiedt de toekenning ten behoeve van zijn erfgenamen.
1.
Tegen de door de rechter in eerste aanleg genomen beslissing staat de officier van justitie en de gelaedeerde of zijn erfgenamen binnen veertien dagen hoger beroep open bij het Hof van Justitie.
2.
Ten aanzien van de gelaedeerde of zijn erfgenamen vinden de artikelen 443 tot en met 452 overeenkomstige toepassing.
3.
Het Hof van Justitie beslist na de gelaedeerde of zijn erfgenamen te hebben gehoord, althans daartoe behoorlijk te hebben opgeroepen. De gelaedeerde of zijn erfgenamen kunnen zich door een advocaat doen bijstaan. Artikel 49 vindt overeenkomstige toepassing.
1.
Voor het bedrag van de schadevergoeding wordt door de rechter in eerste aanleg of ingeval het Hof van Justitie de vergoeding toekent, door de voorzitter van dat college een bevelschrift van tenuitvoerlegging afgegeven.
2.
Uitbetaling geschiedt door of vanwege Onze Minister van Financiën.
Artikel 182
Degene die schade heeft geleden ten gevolge van de toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel, kan alleen krachtens de bepalingen van deze titel, met uitsluiting van enige vordering uit burgerlijk recht, om toekenning van schadevergoeding verzoeken.
1.
De officier van justitie houdt toezicht op de opsporing van strafbare feiten en kan daartoe aan de personen, die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast of daartoe bevoegd zijn, de nodige bevelen geven.
2.
Hij heeft de leiding van het gehele voorbereidend onderzoek, onverminderd het in dit wetboek bepaalde omtrent de tussenkomst van de rechter-commissaris.
3.
In hoger beroep kan de procureur-generaal rechtstreeks opdracht tot nader onderzoek geven.
1.
Tenzij bij of krachtens de wet anders is bepaald, zijn met de opsporing van strafbare feiten belast:
b. de ambtenaren van de recherche, zoals daarin bij wettelijke regeling is voorzien;
c. de buitengewone agenten van politie aan wie door Onze Minister van Justitie een akte van opsporingsbevoegdheid is verleend dan wel die behoren tot een door deze aangewezen categorieën of eenheden;
d. de door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen militairen van de Koninklijke marechaussee.
2.
Tot de opsporing van strafbare feiten zijn de procureur-generaal en de officieren van justitie bevoegd.
3.
De in het tweede lid genoemde ambtenaren hebben het recht om, in de uitoefening van hun ambtsverrichtingen, de openbare burgerlijke macht onmiddellijk in te roepen.
4.
De burgerlijke macht is verplicht aan de vordering onmiddellijk te voldoen.
5.
De opsporingsbevoegdheid strekt zich uit tot de in de akte of aanwijzing aangeduide strafbare feiten: de akte of aanwijzing kan bepalen dat de opsporingsbevoegdheid alle strafbare feiten omvat.
6.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven omtrent de verlening van de akte van opsporingsbevoegdheid en het doen van de aanwijzing, de reikwijdte van de opsporingsbevoegdheid, het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt, de beëdiging en de instructie van de buitengewone agenten van politie, het toezicht waaraan zij zijn onderworpen en de wijze waarop Onze Minister van Justitie de opsporingsbevoegdheid van afzonderlijke personen kan beëindigen. Voorts kunnen regels worden gegeven over de eisen van bekwaamheid en betrouwbaarheid waaraan zij moeten voldoen.
Artikel 185
Met de opsporing van strafbare feiten zijn ook belast zij, aan wier waakzaamheid bij of krachtens bijzondere wettelijke regelingen de handhaving of de zorg voor de naleving daarvan of de opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten is toevertrouwd, een en ander voor zover het die feiten betreft en, voor zover dat in die regeling is bepaald.
1.
De opsporingsambtenaren, bedoeld in de artikelen 184, eerste lid, en 185, maken ten spoedigste proces-verbaal op van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden. Het proces-verbaal wordt door hen opgemaakt op hun ambtseed of -belofte. Voor zover zij die niet hebben afgelegd, worden zij binnen tweemaal vier en twintig uren beëdigd dan wel wordt hun binnen die termijn de belofte afgenomen voor een hulpofficier van justitie, die daarvan een verklaring op het proces-verbaal stelt.
2.
De processen-verbaal worden door de opsporingsambtenaren persoonlijk opgemaakt, gedagtekend en ondertekend. Daarbij moeten tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap.
3.
Wanneer de opsporing door een officier van justitie persoonlijk geschiedt, doet hij van zijn bevindingen blijken bij proces-verbaal opgemaakt op zijn ambtseed of -belofte. Daarbij moeten tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap.
4.
Indien de procureur-generaal zijn bevoegdheid tot opsporing uitoefent, vindt hetgeen ten aanzien van de officier van justitie is bepaald zo veel mogelijk overeenkomstig toepassing.
Artikel 187
Wanneer de officier van justitie kennis heeft gekregen van een strafbaar feit, doet hij het nodige opsporingsonderzoek instellen en vordert, zo daartoe termen zijn, dat tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek wordt overgegaan.
Artikel 188
De officier van justitie is te allen tijde bevoegd ten einde enige plaatselijke toestand of enig voorwerp te schouwen, met de personen door hem aangewezen, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning, tot het binnentreden waarvan de bewoner niet uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.
Artikel 189
In geval van ontdekking op heterdaad of van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan de officier van justitie, bij dringende noodzakelijkheid ten einde een plaatselijke toestand of een voorwerp te schouwen, elke plaats betreden waar de daad begaan is of sporen heeft achtergelaten, onverminderd het bepaalde in de artikelen 155 tot en met 164.
Artikel 190
De officier van justitie kan ambtshalve of op het verzoek van de verdachte een of meer deskundigen benoemen ten einde hem voor te lichten of bij te staan en, zo nodig, met opdracht het door hem gevorderde onderzoek in te stellen en hem een met redenen omkleed verslag uit te brengen. De bepalingen van de zesde afdeling van de Derde Titel vinden overeenkomstige toepassing.
1.
Ter plaatse waar en binnen de grenzen binnen welke zij bevoegd zijn tot opsporing, zijn hulpofficieren van justitie:
a. [vervallen]
b. alle ambtenaren van politie in de rang van inspekteur en de daarboven gelegen rangen;
c. de ambtenaren van de recherche;
d. de door Onze Minister van Justitie aan te wijzen hoofdagenten van politie, met uitzondering van het personeel van de politie, dat is aangesteld om uitsluitend werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten; hun bevoegdheden als hulpofficier kunnen door de officier van justitie, hoofd van het parket, tot bepaalde taken worden beperkt;
e. de officieren van de Koninklijke marechaussee;
f. andere door Onze Minister van Justitie aangewezen personen.
2.
De hulpofficieren van justitie zijn gehouden alle inlichtingen te verstrekken en onderzoek te bewerkstelligen als door de officier van justitie wordt gevorderd.
Artikel 192
Kan het optreden van de officier van justitie niet worden afgewacht, dan hebben ook de hulpofficieren de bevoegdheden bij de artikelen 188 en 189 beschreven.
Artikel 193
De hulpofficieren van justitie doen de processen-verbaal, bij hen ingekomen of door hen opgemaakt, alsmede de opgave als benadeelde partij en de inbeslaggenomen voorwerpen onverwijld toekomen aan de officier van justitie.
1.
De opsporingsambtenaren, die geen hulpofficier van justitie zijn, doen hun processen-verbaal, de aangiften of berichten ter zake van strafbare feiten, als ook de opgave als benadeelde partij, met de inbeslaggenomen voorwerpen, onverwijld toekomen aan de hulpofficier van justitie, onder wiens rechtstreeks bevel of toezicht zij staan.
2.
De officier van justitie kan in bijzondere gevallen gelasten, dat een en ander hem, in afwijking van het eerste lid, rechtstreeks zal worden toegezonden.
Artikel 195
Onverminderd het bepaalde in bijzondere wettelijke regelingen doen de personen, bedoeld in artikel 185, hun processen-verbaal, de aangiften of berichten ter zake van strafbare feiten, alsmede de opgave als benadeelde partij, met de inbeslaggenomen voorwerpen, onverwijld toekomen aan de officier van justitie.
Artikel 196
Na overeenkomstig de artikelen 192 tot en met 195 te hebben gehandeld, wachten de hulpofficieren van justitie en de overige opsporingsambtenaren de nadere bevelen van de officier van justitie af; gedoogt het belang van het onderzoek zodanig afwachten niet, dan zetten zij het onderzoek inmiddels voort en winnen zij nadere inlichtingen in, die de zaak tot meer klaarheid kunnen brengen. Van dit onderzoek en de ingewonnen inlichtingen doen zij blijken bij proces-verbaal, waarmee zij handelen overeenkomstig de artikelen 193, 194 of 195.
1.
Het openbaar ministerie kan in het belang van het onderzoek in strafzaken de medewerking inroepen van personen en lichamen, die op het gebied van de reclassering werkzaam zijn en aan deze, ingeval zij zich daartoe bereid hebben verklaard, opdrachten geven tot het verzamelen van gegevens betreffende de persoonlijkheid, de levensomstandigheden of de reclassering van een verdachte. Het verslag betreffende de uitvoering van de opdracht wordt schriftelijk of mondeling gegeven naar gelang het openbaar ministerie dat verzoekt.
2.
Indien het openbaar ministerie aan personen of lichamen, als bedoeld in het eerste lid, verzoekt om tot het bekomen van opdrachten of het uitbrengen van verslag betreffende de uitvoering van opdrachten ter terechtzitting of bij enig ander onderzoek in een strafzaak tegenwoordig te zijn of zich te laten vertegenwoordigen, geven zij daaraan zoveel mogelijk gevolg.
1.
Ieder, die kennis draagt van een van de misdrijven omschreven in de artikelen 97 tot en met 117 van het Wetboek van Strafrecht BES, in Titel VII van het Tweede Boek van dat wetboek, voor zover daardoor levensgevaar is veroorzaakt, of in de artikelen 300 tot en met 312 van dat wetboek, van mensenroof of van verkrachting, dan wel van het voornemen tot een van deze misdrijven, is verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar.
2.
De bepaling van het eerste lid is niet van toepassing op hem, die door de aangifte gevaar zou doen ontstaan voor een vervolging van zichzelf of van iemand bij wiens vervolging hij zich van het afleggen van getuigenis zou kunnen verschonen.
3.
Evenzo is ieder, die kennis draagt dat iemand gevangen gehouden wordt op een plaats die niet wettig daarvoor bestemd is, verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar.
Artikel 199
Ieder, die kennis draagt van een begaan strafbaar feit, is bevoegd daarvan aangifte te doen. Tot het doen van klacht is de belanghebbende bevoegd.
1.
Openbare colleges of ambtenaren, die in de uitoefening van hun bediening kennis krijgen van een misdrijf met de opsporing waarvan zij niet zijn belast, zijn verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen, met afgifte van de tot de zaak betrekkelijke stukken, aan de officier van justitie of een hulpofficier van justitie,
a. indien het misdrijf is een ambtsmisdrijf, als bedoeld in Titel XXVIII van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht BES, dan wel
b. indien het misdrijf is begaan door een ambtenaar, die daarbij een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden of daarbij gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, dan wel
c. indien door het misdrijf inbreuk op of onrechtmatig gebruik wordt gemaakt van een regeling waarvan de uitvoering of de zorg voor de naleving aan hen is opgedragen.
2.
Zij verschaffen de officier van justitie of de hulpofficier desgevraagd alle inlichtingen omtrent strafbare feiten met de opsporing waarvan zij niet zijn belast en die in de uitoefening van hun bediening te hunner kennis zijn gekomen.
3.
De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de ambtenaar, die door het doen van aangifte of het verschaffen van inlichtingen gevaar zou doen ontstaan voor een vervolging van zichzelf of van iemand bij wiens vervolging hij zich van het afleggen van getuigenis zou kunnen verschonen.
4.
Gelijke verplichtingen rusten op rechtspersonen of organen van rechtspersonen wier taken en bevoegdheden zijn omschreven bij of krachtens de wet, voor zover daartoe bij algemene maatregel van bestuur aangewezen.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld in het belang van een goede uitvoering van dit artikel.
6.
De aangifteplicht met betrekking tot misdrijven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan in overleg met de officier van justitie en met inachtneming van de regels gesteld krachtens het vijfde lid, nader worden beperkt.
1.
De aangifte van een strafbaar feit geschiedt mondeling of schriftelijk bij de bevoegde ambtenaar, hetzij door de aangever in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van een bijzondere schriftelijke volmacht voorzien.
2.
De mondelinge aangifte wordt door de ambtenaar die haar ontvangt, op schrift gesteld en na voorlezing door hem met de aangever of diens gemachtigde ondertekend. Indien deze niet kan tekenen, wordt de reden van het beletsel vermeld.
3.
De schriftelijke aangifte wordt door de aangever of diens gemachtigde ondertekend. De schriftelijke volmacht, of, zo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift daarvan, wordt aan de akte gehecht.
4.
Tot het ontvangen van de aangiften, bedoeld in de artikelen 198 en 199, zijn de opsporingsambtenaren, en tot het ontvangen van de aangiften, bedoeld in artikel 200, de daarbij genoemde ambtenaren, verplicht. Artikel 194 is van toepassing.
1.
Bij strafbare feiten alleen op klacht vervolgbaar, geschiedt deze klacht mondeling of schriftelijk bij de bevoegde ambtenaar, hetzij door de tot de klacht gerechtigde in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van een bijzondere schriftelijke volmacht voorzien. De klacht bestaat in een aangifte met verzoek tot vervolging.
2.
Het tweede en derde lid van artikel 201 zijn van toepassing.
1.
Tot het ontvangen van de klacht is elke officier van justitie en elke hulpofficier van justitie verplicht.
2.
Artikel 193 is van toepassing.
Artikel 204
Indien de klacht krachtens artikel 66, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht BES door de wettige vertegenwoordiger van een minderjarige, die twaalf jaren of ouder is of van een onder curatele gestelde is geschied, gaat de officier van justitie niet tot vervolging over dan na de vertegenwoordigde persoon, zo deze in het land verblijft, in de gelegenheid te hebben gesteld zijn mening omtrent de wenselijkheid van vervolging kenbaar te maken, althans na deze daartoe behoorlijk te hebben opgeroepen, tenzij dit in verband met de lichamelijke of geestelijke toestand van de minderjarige of de onder curatele gestelde niet mogelijk of niet wenselijk is.
Artikel 205
De intrekking van de klacht geschiedt bij de ambtenaren, op de wijze en in de vorm voor het doen van de klacht bij de artikelen 201, 202 en 203 bepaald. Artikel 193 is van toepassing.
1.
Ieder, die door het strafbare feit van een ander schade heeft geleden, kan zich opgeven als benadeelde partij. Ten aanzien van die opgave is artikel 201, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing. De opsporingsambtenaren zijn tot het ontvangen van de opgave verplicht.
2.
De benadeelde partij ontvangt een afschrift van het proces-verbaal betreffende haar opgave.
3.
Wanneer de benadeelde partij de wens kenbaar heeft gemaakt schadevergoeding te vorderen of omtrent het verloop van de zaak te worden ingelicht, wordt daarvan in het proces-verbaal melding gemaakt.
4.
Wanneer de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit hulp en steun behoeft, wordt daartoe de nodige bemiddeling verleend. De bemiddeling kan ook betrekking hebben op de totstandkoming van een regeling tot schadevergoeding tussen de verdachte, indien deze heeft bekend en vrijwillig aan die regeling meewerkt, en de benadeelde partij.
1.
Indien de officier van justitie naar aanleiding van het ingestelde opsporingsonderzoek van oordeel is, dat vervolging moet plaatshebben, gaat hij daartoe zo spoedig mogelijk over.
2.
Van vervolging kan worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend. Aan die beslissing kunnen door de officier van justitie voorwaarden worden verbonden. Daarbij wordt in het bijzonder acht geslagen op de belangen van de benadeelde partij.
3.
Artikel 278, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving behelst alsdan de beslissing niet te vervolgen.
1.
Indien gronden voor vervolging aanwezig worden geacht, beziet de officier van justitie, alle omstandigheden in aanmerking genomen, of de zaak langs andere dan gerechtelijke weg kan worden afgedaan. Bij die beslissing kunnen door hem voorwaarden worden gesteld aan de verdachte, indien deze heeft bekend en zich bereid heeft verklaard de voorwaarden na te leven, met het oog op het zonder vergoeding verrichten van werkzaamheden ten algemene nutte.
2.
In verband met een goede uitvoering van het in het eerste lid bepaalde, worden door het openbaar ministerie richtlijnen vastgesteld.
1.
De benadeelde partij, die de in artikel 206, derde lid, bedoelde wens kenbaar heeft gemaakt, wordt door de officier van justitie ingelicht omtrent de door hem genomen beslissing omtrent al dan niet vervolgen. Indien de zaak wordt vervolgd, houdt hij de benadeelde partij op de hoogte van voor haar van belang zijnde momenten in de verdere procedure. Indien de zaak niet wordt vervolgd, wijst hij haar op de mogelijkheid om op de voet van de artikelen 15 tot en met 28 bij het Hof van Justitie beklag te doen.
2.
Desgevraagd wordt degene, die door een misdrijf ernstig is benadeeld, in de gelegenheid gesteld om, in verband met door de officier van justitie te nemen beslissingen, zijn zienswijze kenbaar te maken.
1.
De president van het Hof van Justitie wijst, na de procureur-generaal te hebben gehoord, een of meer leden of plaatsvervangende leden van het Hof of rechtersplaatsvervanger in eerste aanleg aan als rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij het gerecht in eerste aanleg, of als diens plaatsvervanger.
2.
De aanwijzing geschiedt voor een door de president te bepalen termijn.
3.
De rechter-commissaris kan op zijn verzoek om gewichtige redenen voor de afloop van de termijn waarvoor hij is aangewezen, nadat de procureur-generaal is gehoord, door de president van het Hof uit zijn functie worden ontheven.
Artikel 211
De rechter-commissaris zet na afloop van zijn functie de door hem aangevangen behandeling van een zaak voort en brengt die ten einde.
Artikel 212
Bij verhindering van de rechter-commissaris of diens plaatsvervanger wordt zijn functie waargenomen door een van de leden of plaatsvervangende leden van het Hof van Justitie of rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg.
1.
De rechter-commissaris wordt bij zijn verrichtingen bijgestaan door een griffier.
2.
Bij verhindering of ontstentenis van deze kan de rechter-commissaris in dringende gevallen een persoon aanwijzen, ten einde voor bepaald aan te wijzen verrichtingen als griffier op te treden. Deze plaatsvervangende griffier wordt voor de aanvang van zijn werkzaamheden door de rechter-commissaris beëdigd, dat hij zijn taak naar behoren zal vervullen.
1.
De rechter-commissaris doet door de griffier een proces-verbaal opmaken van hetgeen bij het onderzoek is verklaard, verricht en voorgevallen of door hem is waargenomen; daarbij moeten tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap.
2.
Indien dit tot juist begrip van een verklaring of om andere redenen gewenst is, of indien de verdachte, getuige of deskundige of de raadsman dit verlangt, doet hij ook de vraag naar aanleiding waarvan de verklaring is afgelegd, in het proces-verbaal opnemen.
3.
Indien de verdachte, getuige of deskundige of de raadsman verlangt dat enige opgave in de eigen woorden zal worden opgenomen, geschiedt dat, voor zover de opgave redelijke grenzen niet overschrijdt, zoveel mogelijk.
Artikel 215
Geen vragen worden gedaan die de strekking hebben verklaringen te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid zijn afgelegd.
1.
Iedere getuige, deskundige of verdachte ondertekent zijn verklaring, nadat die hem is voorgelezen of door hem is gelezen, en hij verklaard heeft daarbij te volharden.
2.
Bij gebreke van ondertekening wordt de weigering of de oorzaak van het beletsel vermeld.
1.
Tussen de regels van het proces-verbaal wordt niet geschreven.
2.
Doorhalingen en verwijzingen worden ondertekend of gewaarmerkt door de rechter-commissaris en de griffier, en door hem op wiens verklaring de doorhaling of verwijzing betrekking heeft. Bij gebreke van ondertekening of waarmerking wordt de weigering of de oorzaak van het beletsel vermeld.
Artikel 218
Het proces-verbaal wordt door de rechter-commissaris en de griffier ondertekend.
1.
De rechter-commissaris kan, ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, in het belang van het onderzoek het doen van nasporingen opdragen en bevelen geven aan de ambtenaren genoemd in artikel 184, eerste lid, en aan de personen genoemd in artikel 185.
2.
De rechter-commissaris heeft gelijke bevoegdheid als in artikel 197 aan het openbaar ministerie is toegekend.
Artikel 220
Indien bij afwezigheid van de officier van justitie gedurende het onderzoek enig strafbaar feit wordt begaan, doet de rechter-commissaris daarvan een proces-verbaal opmaken en dat toekomen aan de officier van justitie.
1.
Indien de officier van justitie overeenkomstig de bepaling van artikel 187 ten aanzien van een strafbaar feit een gerechtelijk vooronderzoek nodig acht, vordert hij dat door de rechter-commissaris onverwijld daartoe zal worden overgegaan.